_Avonturen in _Turkije_ en op de rivier de _Nijl_—de Baron schiet een
luchtbol boven _Constantinopel_ naa beneden, en vindt een franschen
proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap
naa Groot _Cairo_, en vermeerdert onder weg zijn gevolg met vijf
persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs
den _Nijl_, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een
weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van
zijne bedienden._
Toen ik in den turkschen dienst was, vermaakte ik mij dikwerf met zeilen
op de zee van _Marmora_, van waar men een heerlijk gezigt heeft op de
gantsche stad _Constantinopel_, en door welke het Serail van den groten
Heer bespoeld wordt. Wanneer ik op een zekeren morgen verrukt was over
de schoonheid van het weder en de helderheid van de lucht, zag ik iets,
gelijkende naar een kloot, ongeveer twaalf duimen groot, waaraan, zoo
het mij toescheen, nog het een of ander was vastgehegt. Terstond nam
ik mijn grootste en langste ganzenroer, waarmede ik nooit uitgaa, of ik
doe 'er het een of ander mede op, zoo zulks binnen mijn bereik is: ik
zettede daar een kogel op, en schoot naa den bol, maar 't was mis; ik
herhaalde den schoot met twee kogels, doch vergeefsch; 't voorwerp was
te ver van mij af; toen nam ik dubbeld kruid en vijf of zes kogels,
welke allen het ding raakten, en aan den eenen kant eene grote opening
daarin maakten, en het in zee deden tuimelen. Oordeelt over mijne
verwondering, toen ik maar zes voeten van mij af een zeer fraai verguld
schuitje, met een man en een stuk van een schaap 'er in, 't welk wel
half gebraden scheen te zijn, hangende aan eene verbazend grote Ballon,
zag nedervallen. Van mijne verbaasdheid een weinig bedaard zijnde,
gebood ik mijn volk om, zoo digt als mogelijk was, bij dezen vremden
luchtreiziger bij te draaijen.
Schoon ik terstond merkte, dat hij een Franschman was, nam ik hem echter
bij mij aan boord, met voornemen, om hem in zijn fraai verguld schuitje
weder over boord te zetten, zoo hij aan mijne nieuwsgierigheid niet
voldeed, en mijnen dienst, dat ik hem van dezen gevaarlijken togt gered
had, met geene volledige dankbaarheid beandwoordde[10].
[10] De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne
deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne
Engelsche opvoeding.
Hij was van zijnen hemelschvluggen tuimel in zee zoo ongesteld, dat hij
een geruimen tijd geen woord konde spreken; doch zig een weinig hersteld
hebbende, gaf hij mij het volgend verslag van zig zelven en zijne reis.
„Het is omtrend zeven of acht dagen geleden,” zeide hij, „want den
eigenlijken tijd kan ik u niet nauwkeurig en bepaald opgeven, naardien
ik de rekening kwijt ben; omdat ik het grootste gedeelte van dezen tijd
in die streken, alwaar de Zon nooit ondergaat, heb doorgebragt—voor
omtrend zeven of acht dagen was het, dat ik te _Land's End_, in 't
Graafschap _Cornwall_ in _Groot-brittannie_[11], mijne luchtreis
aanvaardde in dit schuitje, waaruit ik zoo plotseling ben neergevallen,
hangende aan een zeer grote _Ballon_. Ik nam een schaap mede, om met
hetzelve proeven op den dampkring te nemen: maar tien minuten na het
opgaan van de _Ballon_, veranderde ongelukkiglijk de wind, en in plaatse
van mij te brengen naa _Exeter_, alwaar ik meende neder te komen, dreef
de wind mij zeewaards, boven welke ik gisse dat ik zederd al dien tijd
gedreven heb: want ik was veel te hoog, om water van land te kunnen
onderscheiden.
[11] Dit is de westelijkste uithoek van _Engeland_; van daar is de
reis na _Exeter_ noordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter
lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen
togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte
voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bij
_Yarmouth_ aankwam, had hij _Engeland_ in deszelfs grootste
lengte moeten overvliegen.
„Mijn honger, dus vervolgde hij, werd zoo scherp, dat de voorgenomen
proeven over de lucht en de hitte daarvoor moesten wijken. Op den
derden dag moest ik het schaap reeds dooden, en daar ik toen oneindig
ver boven de Maan, en zoo digt bij de Zon was, dat ik mijne wenkbraauwen
zengde, plaatste ik het schaap, waarvan ik de huid eerst had afgevild,
in dat gedeelte van mijn schuitje, alwaar de Zon kragt genoeg doen kon,
om het vleesch te braaden, of met andere woorden, alwaar de schaduw van
de _Ballon_ de Zon niet hinderde, zoo dat het vleesch binnen twee uuren
gebraden was. Dit is in al dien tijd mijn eenigst voedsel geweest.”
Hier hield hij op, en was verbaasd over de voorwerpen, welken hem
omringden. Toen ik hem zeide, dat het 't _Serail_ van den groten Heer
was, scheen hij boven mate getroffen te zijn, omdat hij gemeend had, dat
hij in een geheel andere streek was. „Mijne lange vlugt,” voegde hij
'er bij, „is daardoor veroorzaakt, dat een zeker koord, 't welk vast
zit aan een klepje in de _Ballon_, om daardoor de ontbrandbare lucht
uit te laten, brak.” Ware de _Ballon_ niet aan stukken geschoten, gelijk
verhaald is, het zoude met hem gegaan zijn, als met _Mahometh_, en hij
was tot aan den jongsten dag tusschen hemel en aarde blijven hangen.
De grote Heer, bij welken ik door de _Keizerlijke_, _Russische_ en
_Fransche_ gezanten was ingeleid, gebruikte mij tot een zaak van zeer
groot gewigt te groot _Cairo_; waarvan ik zeer veel wetenswaardige
bijzonderheden, dienende tot ophelderinge van den opstand der
_Noord-amerikaansche_ Colonien, en deszelfs eerste en waaragtige
oorzaken, zoude kunnen verhaalen—indien de gantsche zaak niet van
die natuur was, dat ze voor eeuwig een geheim moest blijven.
Ik ging derwaards met al de pragt en staatsie van een afgezant der hoge
en verhevene Porte; onderweg had ik gelegenheid mijn stoet met eenige
zeer bekwaame voorwerpen te vermeerderen: want toen ik nauwlijks eenige
mijlen van _Constantinopel_ verwijderd was, zag ik een klein, schraal
man met de grootste gezwindheid dwars over het veld loopen, schoon hij
aan elk been een stuk lood van wel vijftig ponden zwaarte had hangen. Ik
riep: „hoe zoo haastig en waarheen, Vriend! en waarom bezwaart gij u in
uwen loop met zulken last?” „Ik ben gaf hij mij ten antwoord, voor een
half uur uit _Weenen_ gegaan, daar ik bij een voornaam Heer in dienst
was; ik gaa naa _Constantinopel_ om daar wederom een dienst te zoeken;
door het gewicht aan mijne beenen heb ik mijne snelheid, die mij thans
niet te pas komt, wat willen maatigen: want _moderata durant_ pleeg mijn
overleden preceptor te zeggen.”—Deze _Azahel_ behaagde mij, en ik nam
hem in mijn dienst. Na eenigen tijd te hebben voortgereisd vond ik een
kaerel, digt aan den weg, op een schoon grasveld liggen, zoo stil als of
hij sliep; doch hij was wakker en luisterde met zijn oor zoo opmerkzaam
op de aarde, als of hij de tegenvoeters wilde beluisteren.—„Waar
luistert gij naa, mijn Vriend?” vroeg ik. „Ik luister tot tijdverdrijf,
om te hooren hoe het gras groeid!—en kunt gij dat?—o dat is een
beuzeling!—Koom dan in mijnen dienst, Vriend, wie weet wat 'er al niet
kan vallen te hooren.” De kaerel sprong op en volgde mij.—Een weinig
verder stond een jager op een heuvel met een aangelegd geweer, en schoot
in de ruime lucht.—„Veel geluks, veel geluks, jager! Maar waarop schiet
gij? Ik zie niets als de ruime lucht.”—„Ik neem de proef van dit nieuwe
geweer. Gints op den haan van den Munster tooren te _Straatsburg_ zat
een spreeuw, die ik 'er af heb geschoten.” Die mijne drift voor de edele
kunst van jagen en schieten kent, zal zig niet verwonderen dat ik dezen
uitmuntenden schutter terstond om den hals viel. Het spreekt van zelfs
dat ik niets spaarde om hem ook in mijnen dienst te krijgen.—Ik reisde
met mijnen stoet vervolgens door verscheiden landen en steden, tot
aan den berg Libanon. Hier vond ik voor een bosch van cederbomen een
stevigen kaerel staan, trekkende aan eenen strik, die om het gantsche
bosch gespannen was. „Wat trekt gij daar, mijn Vriend?” vroeg ik hem.
„Ik moet timmerhout halen, en heb mijn bijl vergeten: nu moet ik mij zoo
goed redden al ik kan.” Met deze woorden rukte hij in eens het gantsche
bosch, dat een vierkante mijl groot was, op den grond, of het riet was.
Gij raadt ligt wat ik deed: ik had deze kaerel niet laten gaan, al had
het mij het gantsche inkomen van mijne Ambassade gekost.—Tot in het
Egyptische gebied voordgereisd zijnde, verhief zig een zoo geweldige
storm, dat ik het met wagen en paerden nauwlijks over end kon houden, en
vreesde in de lucht gevoerd te zullen worden. Van zeven windmolens, die
ter linker zijde van onzen weg op eene rei stonden, slingerden de wieken
zoo snel om hunne assen, als het spinwiel van de vaardigste spinster.
Niet ver daar van daan, aan de regter zijde, zag ik een kaerel staan,
veel gelijkende naar _John Falstaf_, welke zijn regter neusgat met zijn
voorsten vinger toehield. Zoodra deze kaerel onzen angst en verlegenheid
zag, wendde hij zig naa ons, en boog zig eerbiedig voor mij. Eensklaps
deedt zig geen windje meer voelen, en de zeven molens stonden plotslings
stil. Verwonderd over dit voorval, dat mij niet natuurlijk scheen toe
te gaan, schreeuwde ik den tovenaar toe: kaerel wat is dat! zit de
duivel u in 't lijf, of zijt gij de duivel zelf? „Verschoon mij, uwe
Exellentie: ik maakte daar voor mijn' meester, de molenaar, een weinig
wind; en om de zeven molens niet te laten omvallen, heb ik mijn eene
neusgat toe gehouden.” Ei! Ei! een uitmuntende knaap, dacht ik bij mij
zelven: die kaerel kan u te pas komen als gij eens bij stil weer op zee
zijt, of als het u, bij uwe terugkomst, aan adem hapert, om alle uwe
zonderlinge lotgevallen te water en te land te verhaalen.—Wij wierden
het spoedig eens, en de windmaker liet zijne molens staan en volgde mij.
Eindelijk kwam ik in groot _Cairo_ aan. Zoodra ik aldaar mijnen last
naar wensch had uitgevoerd, dankte ik mijn gantsch nutloos gevolg af,
en behield alleen de vijf die ik onderweg had aangenomen, om met deze
als een ampteloos burger de terug reis te doen.
Het weer was verruklijk, en het gezigt van den _Nijl_ was boven alle
beschrijving schoon; waarom ik besloot de reis naa _Alexandrie_ te water
te doen; dit ging uitnemend wel, tot op den derden dag; maar toen begon
die rivier verschriklijk te zwellen, (gij hebt allen, denk ik, mijne
Heeren! wel gehoord van de jaarlijksche overstrominge van den _Nijl_)
en op den volgenden dag stond het land van beide zijden reeds eenige
mijlen ver onder water. Op den volgenden dag was ons vaartuig, met het
rijzen van de Zon, verward in eenige heesters, zoo als ik eerst dacht;
maar toen het lichter begon te worden, vond ik mij zelven omringd van
amandelen, die volmaakt rijp en zoo smaaklijk waren, als ik ze ooit
geproefd heb. Het water peilende bevond mijn volk, dat wij ten minsten
zestig voeten van den grond af waren, en dat 'er geene mogelijkheid was
om voor of agterwaards te komen; omtrend de klok negen uuren, dit is
zoo naa als ik het naar gegiste zonshoogte heb kunnen bepaalen, stak de
wind schielijk op, en sloeg onzen boeier op zijde. Hij raakte vol water,
en in een ogenwenk zagen wij niets meer daarvan: wij reddeden ons zelven
gelukkig (wij waren zeven man en twee jongens sterk) door ons stijf
vast te houden aan de takken van den boom, waarvoor het vaartuig te
zwaar was geweest, doch welken ons even konden houden. In dezen staat
moesten wij zes weken en drie dagen doorbrengen, en van amandelen
leeven! Ik behoeve u niet te zeggen, dat wij water genoeg hadden. Op den
twee-en-veertigsten dag naa ons ongeluk viel het water zoo schielijk,
als het gerezen was, en op den zes-en-veertigsten konden wij op het
vaste land aan wal komen. Het eerste, dat wij met de grootste blijdschap
zagen, was onze boeier, zes honderd voeten liggende van de plaats, daar
dezelve gezonken was[12]. Nadat wij onze zeilen en klederen in de Zon
gedroogd, en zoo veel voorraad te scheep genomen hadden, als wij tot de
reis meenden nodig te hebben, gingen wij de plaats opzoeken, daar wij
van daan gedreven waren, en bevonden volgends de nauwkeurigste rekening,
dat wij meer dan honderd vijftig mijlen, over huizen en bosschen,
landwaards in gedreven waren. Na eene zeer moeilijke reis van vier
dagen, welke wij te voet, op looden schoenen, deden, bereikten wij de
rivier, die nu wederom binnen hare oevers getreden was, en verhaalden
onze lotgevallen aan den _Beij_, die ons zeer beleefdelijk voorzag van
alle noodwendigheden, en ons met één van zijne barken verder liet
brengen. Zes dagen daarna kwamen wij te _Alexandrie_ aan, daar wij te
scheep gingen na _Constantinopel_. Bij den groten Heer werd ik zeer
vriendelijk ontvangen, en had de eer om het _Serail_ te zien, waarheen
zijne Hoogheid zelve mij geleidde, en mij alle vrouwen, zijne eigene
zelfs niet uitgezonderd, aanbood, met vrijheid om uit dezelve zoo vele
en die te kiezen, als ik tot mijn eigen vermaak en het vermaak van een
half douzijn mijner vrienden zoude meenen nodig te hebben.
[12] Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren
bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en
het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk
scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste
verroest geworden.
Ik genoot naderhand dikwijls de eer van 's avonds met zijne Majesteit
te spijzigen. Zijn disch is de uitgezogtste van alle de Monarchen der
waereld. Op wijn, weet gij, moet men aan tafel niet denken; maar het
geene niet openlijk geschied, gebeurd niet zelden in stilte; gewoonlijk
stond 'er na den maaltijd een goede fles in zijn Hoogheids Kabinet
gereed. Eens gaf hij mij een wenk om hem daarin te volgen. Hij haalde
uit een kastje een fles voor den dag, en zei: „MUNCHHAUSEN, gij
Christenen weet wel van een goed glas wijn: hier heb ik een flesje
Tokaijer, zoo goed hebt gij ze in uw leven niet gedronken.” Zijne
Majesteit schonk mij een glas en vroeg: „wat zegt gij 'er van?” „De
wijn is goed Z. M. gaf ik ten antwoord; maar vergun mij te zeggen, dat
ik ze te _Weenen_, bij wijlen _Keizer Karel den zesden_, veel beter
gedronken heb; ik zal uwe Majesteit een fles 'er van bezorgen.”—„Ik
houde u aan uw woord; maar wat spoedig.”—„Wat staat 'er op, als
ik ze binnen één uur uit den Keizerlijken kelder te _Weenen_ laat
brengen?”—„MUNCHHAUSEN, denk niet dat ik den spot met mij laat drijven!
doch ik denk dat gij raaskalt.”—„Ik zet mijn kop 'er voor te pand;
maar uwe Majesteit weet wel dat mijn kop geen wisjewasje is; wat zet uwe
Majesteit 'er tegen?”—„Als de vles in een uur hier is, kunt gij uit
mijn schatkamer zoo veel geld en kleinoodien nemen, als de sterkste
kaerel kan dragen; maar is hij 'er niet, zoo kost het u den kop: ik
laat mij niet bespotten.”
Terstond schreef ik een briefje aan haare Majesteit de Keizerin, met
verzoek, om een fles van dien Tokaijer, waarvan ik zoo dikwijls met
wijlen zijne Majesteit haren vader gedronken had. Het was vijf minuten
over drie uuren toen ik mijnen loper dit briefje ongezegeld ter hand
stelde; hij ontdeedt zig van zijn gewicht aan de beenen, en maakte zig
op weg; midlerwijl dronk ik met zijne Majesteit verder onze fles ledig.
Ondertusschen was het reeds kwartier voor vieren geworden, en ik begon,
dit moet ik bekennen, tusschen beide een weinig beangst te worden: want
het scheen mij toe dat Z. M. nu en dan op het Horlogie zag, om, als het
tijd was, den scherprichter te laten komen. Ik kreeg nog wel verlof om
eens in de lucht te gaan; maar wierd door een paar gedienstige geesten
gevolgd, die mij niet uit het oog verloren. In dezen angst, daar de
wijzer reeds op vijfenvijftig minuten stond, liet ik mijn Hoorder en
Schutter roepen, welken ik mijne verlegenheid te kennen gaf. De Hoorder
lag zig plat op den grond neder om te horen of hij mijn Loper niet
ergends vernam. Tot mijne ontsteltenis zei hij mij, dat de slungel, een
goed end van ons af, in diepen slaap lag te ronken. Zoo dra mijn brave
Schutter dit hoorde, liep hij op een hoog Terras, rekte zig uit op zijne
toonen en riep met drift: „bij mijn ziel daar ligt de lap, onder een
eikenboom, bij _Belgrado_, met de fles naast hem; wagt ik zal hem wakker
kittelen.” Hier op mikte hij met zijn roer, en schoot de volle lading in
het midden van den boom. Een hagelbui van takken, knoppen en bladen viel
op den slaper; dit deed hem ontwaken, en bragt hem, daar hij vreesde
zijn tijd verslapen te hebben, zoo spoedig op de been, dat hij, met zijn
fles en een eigenhandig antwoord van hare Majesteit, een half minuut
vóór vier uuren in des Sultans vertrek aankwam.
Heeren! hadt gij den groten Heer eens zien slurpen! „Gij moet mij niet
kwalijk nemen, MUNCHHAUSEN, zei hij, dat ik deze fles voor mij behoude;
gij staat te _Weenen_ beter dan ik, en zult wel meer weten te krijgen.
Maar ik moet u de weddingschap betalen.” Met een sloot hij de fles in
zijn kastje, en liet den schatbewaarder komen, zeggende tegen hem:
„laat aan mijn' vriend MUNCHHAUSEN zoo veel uit de schatkamer volgen,
als de sterkste kaerel kan mededragen.”
Ik verzuimde geen ogenblik om dit bevel te doen gelden, en begaf mij met
mijn sterken kaerel naa de schatkamer; daar hij zig zoo wel belaadde,
dat het kleinste gedeelte overig bleef. Met dezen buit begaf ik mij
regelregt naa de haven, daar ik een tamelijk groot schip huurde en
terstond met mijne vijf bekwame bedienden onder zeil ging, om mijn buit
in zekerheid te brengen, vóór dat eenig beletzel kon tusschen beide
komen. Het geen ik gevreesd had gebeurde, nauwlijks was ik twee mijlen
van de wal, of ik ontdekte dat de gantsche _Turksche_ vloot mij met
volle zeilen kwam nazetten; ik moet bekennen dat mijn hoofd, dat
nauwlijks weer vast begon te staan, op nieuw aan 't waggelen raakte.
Mijn windmaaker bemerkte dit niet zoodra, of hij sprak mij moed in,
plaatste zig bij het roer, met zijn linker neusgat naa de _Turksche_
vloot en het regte naa ons zeil, en blies zulk eene menigte wind, dat
de Vloot, vrij gehavend aan masten en wand, naa de haven wierd terug
gedreven, en mijn schip binnen weinig uuren gelukkig in _Italie_
aanlandde. Doch ik had van mijnen schat weinig nut: want de armoede en
beedelarij is daar zoo groot, en de Politie zoo slegt, dat door mijne
goedhartigheid een groot deel van denzelven in handen der beedelaars
geraakte, terwijl het overige mij, op mijne reis naa _Rome_, op het
geheiligd gebied van _Lorette_, ontnomen werd door eene bende rovers;
wier geweten hen daarover niet veel onrust zal veroorzaakt hebben: want
de buit was nog zoo aanzienlijk, dat het gantsche gezelschap, zoo voor
zich zelf als voor zijne erven en nakomelingen, voor het duizendste
gedeelte daarvan volkomen aflaat voor alle bedrevene en nog te
bedrijven zonden, uit de eerste en beste hand te _Rome_ kon koopen.
[Decoratieve illustratie]