IX. HOOFDSTUK.

_Avonturen in _Turkije_ en op de rivier de _Nijl_—de Baron schiet een

luchtbol boven _Constantinopel_ naa beneden, en vindt een franschen

proefondervindlijken Wijsgeer daaraan hangen.—Gaat in gezantschap

naa Groot _Cairo_, en vermeerdert onder weg zijn gevolg met vijf

persoonen van uitstekende bekwaamheden.—Keert van daar terug langs

den _Nijl_, alwaar hij zeer onverwagt wordt opgehouden.—Wint een

weddingschap met den Groten Heer.—Proeven der bekwaamheden van

zijne bedienden._

Toen ik in den turkschen dienst was, vermaakte ik mij dikwerf met zeilen

op de zee van _Marmora_, van waar men een heerlijk gezigt heeft op de

gantsche stad _Constantinopel_, en door welke het Serail van den groten

Heer bespoeld wordt. Wanneer ik op een zekeren morgen verrukt was over

de schoonheid van het weder en de helderheid van de lucht, zag ik iets,

gelijkende naar een kloot, ongeveer twaalf duimen groot, waaraan, zoo

het mij toescheen, nog het een of ander was vastgehegt. Terstond nam

ik mijn grootste en langste ganzenroer, waarmede ik nooit uitgaa, of ik

doe 'er het een of ander mede op, zoo zulks binnen mijn bereik is: ik

zettede daar een kogel op, en schoot naa den bol, maar 't was mis; ik

herhaalde den schoot met twee kogels, doch vergeefsch; 't voorwerp was

te ver van mij af; toen nam ik dubbeld kruid en vijf of zes kogels,

welke allen het ding raakten, en aan den eenen kant eene grote opening

daarin maakten, en het in zee deden tuimelen. Oordeelt over mijne

verwondering, toen ik maar zes voeten van mij af een zeer fraai verguld

schuitje, met een man en een stuk van een schaap 'er in, 't welk wel

half gebraden scheen te zijn, hangende aan eene verbazend grote Ballon,

zag nedervallen. Van mijne verbaasdheid een weinig bedaard zijnde,

gebood ik mijn volk om, zoo digt als mogelijk was, bij dezen vremden

luchtreiziger bij te draaijen.

Schoon ik terstond merkte, dat hij een Franschman was, nam ik hem echter

bij mij aan boord, met voornemen, om hem in zijn fraai verguld schuitje

weder over boord te zetten, zoo hij aan mijne nieuwsgierigheid niet

voldeed, en mijnen dienst, dat ik hem van dezen gevaarlijken togt gered

had, met geene volledige dankbaarheid beandwoordde[10].

[10] De Baron, die zoo even een overtuigend bewijs gaf van zijne

deftige westphaalsche geboorte: geeft hier een proef van zijne

Engelsche opvoeding.

Hij was van zijnen hemelschvluggen tuimel in zee zoo ongesteld, dat hij

een geruimen tijd geen woord konde spreken; doch zig een weinig hersteld

hebbende, gaf hij mij het volgend verslag van zig zelven en zijne reis.

„Het is omtrend zeven of acht dagen geleden,” zeide hij, „want den

eigenlijken tijd kan ik u niet nauwkeurig en bepaald opgeven, naardien

ik de rekening kwijt ben; omdat ik het grootste gedeelte van dezen tijd

in die streken, alwaar de Zon nooit ondergaat, heb doorgebragt—voor

omtrend zeven of acht dagen was het, dat ik te _Land's End_, in 't

Graafschap _Cornwall_ in _Groot-brittannie_[11], mijne luchtreis

aanvaardde in dit schuitje, waaruit ik zoo plotseling ben neergevallen,

hangende aan een zeer grote _Ballon_. Ik nam een schaap mede, om met

hetzelve proeven op den dampkring te nemen: maar tien minuten na het

opgaan van de _Ballon_, veranderde ongelukkiglijk de wind, en in plaatse

van mij te brengen naa _Exeter_, alwaar ik meende neder te komen, dreef

de wind mij zeewaards, boven welke ik gisse dat ik zederd al dien tijd

gedreven heb: want ik was veel te hoog, om water van land te kunnen

onderscheiden.

[11] Dit is de westelijkste uithoek van _Engeland_; van daar is de

reis na _Exeter_ noordoostwaard aan, en dus geheel over land, ter

lengte van 140 engelsche mijlen. Hij had dus op zijn voorgenomen

togt geen gevaar van water, al ware hij nog tweemaal die lengte

voordgevlogen: want eer hij aan den noordoostelijksten hoek bij

_Yarmouth_ aankwam, had hij _Engeland_ in deszelfs grootste

lengte moeten overvliegen.

„Mijn honger, dus vervolgde hij, werd zoo scherp, dat de voorgenomen

proeven over de lucht en de hitte daarvoor moesten wijken. Op den

derden dag moest ik het schaap reeds dooden, en daar ik toen oneindig

ver boven de Maan, en zoo digt bij de Zon was, dat ik mijne wenkbraauwen

zengde, plaatste ik het schaap, waarvan ik de huid eerst had afgevild,

in dat gedeelte van mijn schuitje, alwaar de Zon kragt genoeg doen kon,

om het vleesch te braaden, of met andere woorden, alwaar de schaduw van

de _Ballon_ de Zon niet hinderde, zoo dat het vleesch binnen twee uuren

gebraden was. Dit is in al dien tijd mijn eenigst voedsel geweest.”

Hier hield hij op, en was verbaasd over de voorwerpen, welken hem

omringden. Toen ik hem zeide, dat het 't _Serail_ van den groten Heer

was, scheen hij boven mate getroffen te zijn, omdat hij gemeend had, dat

hij in een geheel andere streek was. „Mijne lange vlugt,” voegde hij

'er bij, „is daardoor veroorzaakt, dat een zeker koord, 't welk vast

zit aan een klepje in de _Ballon_, om daardoor de ontbrandbare lucht

uit te laten, brak.” Ware de _Ballon_ niet aan stukken geschoten, gelijk

verhaald is, het zoude met hem gegaan zijn, als met _Mahometh_, en hij

was tot aan den jongsten dag tusschen hemel en aarde blijven hangen.

De grote Heer, bij welken ik door de _Keizerlijke_, _Russische_ en

_Fransche_ gezanten was ingeleid, gebruikte mij tot een zaak van zeer

groot gewigt te groot _Cairo_; waarvan ik zeer veel wetenswaardige

bijzonderheden, dienende tot ophelderinge van den opstand der

_Noord-amerikaansche_ Colonien, en deszelfs eerste en waaragtige

oorzaken, zoude kunnen verhaalen—indien de gantsche zaak niet van

die natuur was, dat ze voor eeuwig een geheim moest blijven.

Ik ging derwaards met al de pragt en staatsie van een afgezant der hoge

en verhevene Porte; onderweg had ik gelegenheid mijn stoet met eenige

zeer bekwaame voorwerpen te vermeerderen: want toen ik nauwlijks eenige

mijlen van _Constantinopel_ verwijderd was, zag ik een klein, schraal

man met de grootste gezwindheid dwars over het veld loopen, schoon hij

aan elk been een stuk lood van wel vijftig ponden zwaarte had hangen. Ik

riep: „hoe zoo haastig en waarheen, Vriend! en waarom bezwaart gij u in

uwen loop met zulken last?” „Ik ben gaf hij mij ten antwoord, voor een

half uur uit _Weenen_ gegaan, daar ik bij een voornaam Heer in dienst

was; ik gaa naa _Constantinopel_ om daar wederom een dienst te zoeken;

door het gewicht aan mijne beenen heb ik mijne snelheid, die mij thans

niet te pas komt, wat willen maatigen: want _moderata durant_ pleeg mijn

overleden preceptor te zeggen.”—Deze _Azahel_ behaagde mij, en ik nam

hem in mijn dienst. Na eenigen tijd te hebben voortgereisd vond ik een

kaerel, digt aan den weg, op een schoon grasveld liggen, zoo stil als of

hij sliep; doch hij was wakker en luisterde met zijn oor zoo opmerkzaam

op de aarde, als of hij de tegenvoeters wilde beluisteren.—„Waar

luistert gij naa, mijn Vriend?” vroeg ik. „Ik luister tot tijdverdrijf,

om te hooren hoe het gras groeid!—en kunt gij dat?—o dat is een

beuzeling!—Koom dan in mijnen dienst, Vriend, wie weet wat 'er al niet

kan vallen te hooren.” De kaerel sprong op en volgde mij.—Een weinig

verder stond een jager op een heuvel met een aangelegd geweer, en schoot

in de ruime lucht.—„Veel geluks, veel geluks, jager! Maar waarop schiet

gij? Ik zie niets als de ruime lucht.”—„Ik neem de proef van dit nieuwe

geweer. Gints op den haan van den Munster tooren te _Straatsburg_ zat

een spreeuw, die ik 'er af heb geschoten.” Die mijne drift voor de edele

kunst van jagen en schieten kent, zal zig niet verwonderen dat ik dezen

uitmuntenden schutter terstond om den hals viel. Het spreekt van zelfs

dat ik niets spaarde om hem ook in mijnen dienst te krijgen.—Ik reisde

met mijnen stoet vervolgens door verscheiden landen en steden, tot

aan den berg Libanon. Hier vond ik voor een bosch van cederbomen een

stevigen kaerel staan, trekkende aan eenen strik, die om het gantsche

bosch gespannen was. „Wat trekt gij daar, mijn Vriend?” vroeg ik hem.

„Ik moet timmerhout halen, en heb mijn bijl vergeten: nu moet ik mij zoo

goed redden al ik kan.” Met deze woorden rukte hij in eens het gantsche

bosch, dat een vierkante mijl groot was, op den grond, of het riet was.

Gij raadt ligt wat ik deed: ik had deze kaerel niet laten gaan, al had

het mij het gantsche inkomen van mijne Ambassade gekost.—Tot in het

Egyptische gebied voordgereisd zijnde, verhief zig een zoo geweldige

storm, dat ik het met wagen en paerden nauwlijks over end kon houden, en

vreesde in de lucht gevoerd te zullen worden. Van zeven windmolens, die

ter linker zijde van onzen weg op eene rei stonden, slingerden de wieken

zoo snel om hunne assen, als het spinwiel van de vaardigste spinster.

Niet ver daar van daan, aan de regter zijde, zag ik een kaerel staan,

veel gelijkende naar _John Falstaf_, welke zijn regter neusgat met zijn

voorsten vinger toehield. Zoodra deze kaerel onzen angst en verlegenheid

zag, wendde hij zig naa ons, en boog zig eerbiedig voor mij. Eensklaps

deedt zig geen windje meer voelen, en de zeven molens stonden plotslings

stil. Verwonderd over dit voorval, dat mij niet natuurlijk scheen toe

te gaan, schreeuwde ik den tovenaar toe: kaerel wat is dat! zit de

duivel u in 't lijf, of zijt gij de duivel zelf? „Verschoon mij, uwe

Exellentie: ik maakte daar voor mijn' meester, de molenaar, een weinig

wind; en om de zeven molens niet te laten omvallen, heb ik mijn eene

neusgat toe gehouden.” Ei! Ei! een uitmuntende knaap, dacht ik bij mij

zelven: die kaerel kan u te pas komen als gij eens bij stil weer op zee

zijt, of als het u, bij uwe terugkomst, aan adem hapert, om alle uwe

zonderlinge lotgevallen te water en te land te verhaalen.—Wij wierden

het spoedig eens, en de windmaker liet zijne molens staan en volgde mij.

Eindelijk kwam ik in groot _Cairo_ aan. Zoodra ik aldaar mijnen last

naar wensch had uitgevoerd, dankte ik mijn gantsch nutloos gevolg af,

en behield alleen de vijf die ik onderweg had aangenomen, om met deze

als een ampteloos burger de terug reis te doen.

Het weer was verruklijk, en het gezigt van den _Nijl_ was boven alle

beschrijving schoon; waarom ik besloot de reis naa _Alexandrie_ te water

te doen; dit ging uitnemend wel, tot op den derden dag; maar toen begon

die rivier verschriklijk te zwellen, (gij hebt allen, denk ik, mijne

Heeren! wel gehoord van de jaarlijksche overstrominge van den _Nijl_)

en op den volgenden dag stond het land van beide zijden reeds eenige

mijlen ver onder water. Op den volgenden dag was ons vaartuig, met het

rijzen van de Zon, verward in eenige heesters, zoo als ik eerst dacht;

maar toen het lichter begon te worden, vond ik mij zelven omringd van

amandelen, die volmaakt rijp en zoo smaaklijk waren, als ik ze ooit

geproefd heb. Het water peilende bevond mijn volk, dat wij ten minsten

zestig voeten van den grond af waren, en dat 'er geene mogelijkheid was

om voor of agterwaards te komen; omtrend de klok negen uuren, dit is

zoo naa als ik het naar gegiste zonshoogte heb kunnen bepaalen, stak de

wind schielijk op, en sloeg onzen boeier op zijde. Hij raakte vol water,

en in een ogenwenk zagen wij niets meer daarvan: wij reddeden ons zelven

gelukkig (wij waren zeven man en twee jongens sterk) door ons stijf

vast te houden aan de takken van den boom, waarvoor het vaartuig te

zwaar was geweest, doch welken ons even konden houden. In dezen staat

moesten wij zes weken en drie dagen doorbrengen, en van amandelen

leeven! Ik behoeve u niet te zeggen, dat wij water genoeg hadden. Op den

twee-en-veertigsten dag naa ons ongeluk viel het water zoo schielijk,

als het gerezen was, en op den zes-en-veertigsten konden wij op het

vaste land aan wal komen. Het eerste, dat wij met de grootste blijdschap

zagen, was onze boeier, zes honderd voeten liggende van de plaats, daar

dezelve gezonken was[12]. Nadat wij onze zeilen en klederen in de Zon

gedroogd, en zoo veel voorraad te scheep genomen hadden, als wij tot de

reis meenden nodig te hebben, gingen wij de plaats opzoeken, daar wij

van daan gedreven waren, en bevonden volgends de nauwkeurigste rekening,

dat wij meer dan honderd vijftig mijlen, over huizen en bosschen,

landwaards in gedreven waren. Na eene zeer moeilijke reis van vier

dagen, welke wij te voet, op looden schoenen, deden, bereikten wij de

rivier, die nu wederom binnen hare oevers getreden was, en verhaalden

onze lotgevallen aan den _Beij_, die ons zeer beleefdelijk voorzag van

alle noodwendigheden, en ons met één van zijne barken verder liet

brengen. Zes dagen daarna kwamen wij te _Alexandrie_ aan, daar wij te

scheep gingen na _Constantinopel_. Bij den groten Heer werd ik zeer

vriendelijk ontvangen, en had de eer om het _Serail_ te zien, waarheen

zijne Hoogheid zelve mij geleidde, en mij alle vrouwen, zijne eigene

zelfs niet uitgezonderd, aanbood, met vrijheid om uit dezelve zoo vele

en die te kiezen, als ik tot mijn eigen vermaak en het vermaak van een

half douzijn mijner vrienden zoude meenen nodig te hebben.

[12] Deze boeier was een zaandamsch maaksel, en aldaar verscheiden jaren

bevaren bij ..... die deze schuit zoo netjes had onderhouden, en

het ijzerwerk zoo gladjes laten schuuren, dat het onverganglijk

scheen. Althands hetzelve was in aldien tijd niets het minste

verroest geworden.

Ik genoot naderhand dikwijls de eer van 's avonds met zijne Majesteit

te spijzigen. Zijn disch is de uitgezogtste van alle de Monarchen der

waereld. Op wijn, weet gij, moet men aan tafel niet denken; maar het

geene niet openlijk geschied, gebeurd niet zelden in stilte; gewoonlijk

stond 'er na den maaltijd een goede fles in zijn Hoogheids Kabinet

gereed. Eens gaf hij mij een wenk om hem daarin te volgen. Hij haalde

uit een kastje een fles voor den dag, en zei: „MUNCHHAUSEN, gij

Christenen weet wel van een goed glas wijn: hier heb ik een flesje

Tokaijer, zoo goed hebt gij ze in uw leven niet gedronken.” Zijne

Majesteit schonk mij een glas en vroeg: „wat zegt gij 'er van?” „De

wijn is goed Z. M. gaf ik ten antwoord; maar vergun mij te zeggen, dat

ik ze te _Weenen_, bij wijlen _Keizer Karel den zesden_, veel beter

gedronken heb; ik zal uwe Majesteit een fles 'er van bezorgen.”—„Ik

houde u aan uw woord; maar wat spoedig.”—„Wat staat 'er op, als

ik ze binnen één uur uit den Keizerlijken kelder te _Weenen_ laat

brengen?”—„MUNCHHAUSEN, denk niet dat ik den spot met mij laat drijven!

doch ik denk dat gij raaskalt.”—„Ik zet mijn kop 'er voor te pand;

maar uwe Majesteit weet wel dat mijn kop geen wisjewasje is; wat zet uwe

Majesteit 'er tegen?”—„Als de vles in een uur hier is, kunt gij uit

mijn schatkamer zoo veel geld en kleinoodien nemen, als de sterkste

kaerel kan dragen; maar is hij 'er niet, zoo kost het u den kop: ik

laat mij niet bespotten.”

Terstond schreef ik een briefje aan haare Majesteit de Keizerin, met

verzoek, om een fles van dien Tokaijer, waarvan ik zoo dikwijls met

wijlen zijne Majesteit haren vader gedronken had. Het was vijf minuten

over drie uuren toen ik mijnen loper dit briefje ongezegeld ter hand

stelde; hij ontdeedt zig van zijn gewicht aan de beenen, en maakte zig

op weg; midlerwijl dronk ik met zijne Majesteit verder onze fles ledig.

Ondertusschen was het reeds kwartier voor vieren geworden, en ik begon,

dit moet ik bekennen, tusschen beide een weinig beangst te worden: want

het scheen mij toe dat Z. M. nu en dan op het Horlogie zag, om, als het

tijd was, den scherprichter te laten komen. Ik kreeg nog wel verlof om

eens in de lucht te gaan; maar wierd door een paar gedienstige geesten

gevolgd, die mij niet uit het oog verloren. In dezen angst, daar de

wijzer reeds op vijfenvijftig minuten stond, liet ik mijn Hoorder en

Schutter roepen, welken ik mijne verlegenheid te kennen gaf. De Hoorder

lag zig plat op den grond neder om te horen of hij mijn Loper niet

ergends vernam. Tot mijne ontsteltenis zei hij mij, dat de slungel, een

goed end van ons af, in diepen slaap lag te ronken. Zoo dra mijn brave

Schutter dit hoorde, liep hij op een hoog Terras, rekte zig uit op zijne

toonen en riep met drift: „bij mijn ziel daar ligt de lap, onder een

eikenboom, bij _Belgrado_, met de fles naast hem; wagt ik zal hem wakker

kittelen.” Hier op mikte hij met zijn roer, en schoot de volle lading in

het midden van den boom. Een hagelbui van takken, knoppen en bladen viel

op den slaper; dit deed hem ontwaken, en bragt hem, daar hij vreesde

zijn tijd verslapen te hebben, zoo spoedig op de been, dat hij, met zijn

fles en een eigenhandig antwoord van hare Majesteit, een half minuut

vóór vier uuren in des Sultans vertrek aankwam.

Heeren! hadt gij den groten Heer eens zien slurpen! „Gij moet mij niet

kwalijk nemen, MUNCHHAUSEN, zei hij, dat ik deze fles voor mij behoude;

gij staat te _Weenen_ beter dan ik, en zult wel meer weten te krijgen.

Maar ik moet u de weddingschap betalen.” Met een sloot hij de fles in

zijn kastje, en liet den schatbewaarder komen, zeggende tegen hem:

„laat aan mijn' vriend MUNCHHAUSEN zoo veel uit de schatkamer volgen,

als de sterkste kaerel kan mededragen.”

Ik verzuimde geen ogenblik om dit bevel te doen gelden, en begaf mij met

mijn sterken kaerel naa de schatkamer; daar hij zig zoo wel belaadde,

dat het kleinste gedeelte overig bleef. Met dezen buit begaf ik mij

regelregt naa de haven, daar ik een tamelijk groot schip huurde en

terstond met mijne vijf bekwame bedienden onder zeil ging, om mijn buit

in zekerheid te brengen, vóór dat eenig beletzel kon tusschen beide

komen. Het geen ik gevreesd had gebeurde, nauwlijks was ik twee mijlen

van de wal, of ik ontdekte dat de gantsche _Turksche_ vloot mij met

volle zeilen kwam nazetten; ik moet bekennen dat mijn hoofd, dat

nauwlijks weer vast begon te staan, op nieuw aan 't waggelen raakte.

Mijn windmaaker bemerkte dit niet zoodra, of hij sprak mij moed in,

plaatste zig bij het roer, met zijn linker neusgat naa de _Turksche_

vloot en het regte naa ons zeil, en blies zulk eene menigte wind, dat

de Vloot, vrij gehavend aan masten en wand, naa de haven wierd terug

gedreven, en mijn schip binnen weinig uuren gelukkig in _Italie_

aanlandde. Doch ik had van mijnen schat weinig nut: want de armoede en

beedelarij is daar zoo groot, en de Politie zoo slegt, dat door mijne

goedhartigheid een groot deel van denzelven in handen der beedelaars

geraakte, terwijl het overige mij, op mijne reis naa _Rome_, op het

geheiligd gebied van _Lorette_, ontnomen werd door eene bende rovers;

wier geweten hen daarover niet veel onrust zal veroorzaakt hebben: want

de buit was nog zoo aanzienlijk, dat het gantsche gezelschap, zoo voor

zich zelf als voor zijne erven en nakomelingen, voor het duizendste

gedeelte daarvan volkomen aflaat voor alle bedrevene en nog te

bedrijven zonden, uit de eerste en beste hand te _Rome_ kon koopen.

[Decoratieve illustratie]

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 35 / 49 题