VIII. HOOFDSTUK.

_De Baron baadt zig in de middellandsche zee.—Hij ontmoet zeer

onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten

van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van

den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het

strand._

Ik was eens in het grootste gevaar van de waereld, om in de

middellandsche zee, op de zonderlingste manier, zonder medewerking der

geneesheeren, en buiten weeten van eenig mensch, om het leven te raaken.

Op een zomerschen agtermiddag baadde ik mij, in die vermaaklijke zee,

digt bij _Marseille_, wanneer ik een zeer groten visch, met zeer wijd

opgesperde kaken, met de grootste snelheid op mij zag aankomen. Hier was

geen tijd te verliezen; en het te ontwijken was niet mogelijk. Ik maakte

mij daarom terstond zoo klein, als in mijn vermogen was, trekkende mijne

voeten zoo hoog op, en sluitende mijne handen zoo naabij het lijf, als

ik maar kon. In deze houding was ik in een ogenblik tusschen zijne kaken

en in zijne maag. Hier was ik een poos in den stikdonkersten nacht, en

de onverdraaglijkste hitte; gelijk gij u ligt zult kunnen verbeelden:

tot dat ik eindelijk begon te begrijpen, dat wanneer ik den visch wat

pijn aandeed, hij wel blijde zoude zijn, als hij mij wederom kwijt was.

Daar ik ruimte genoeg had, begon ik alle mijne jongens spellen één voor

één te beproeven; als tuimelen, hinkelen, springen, klouteren enz.; maar

niets scheen hem zoo lastig te vallen, als de vaardige beweging mijner

voeten, met het dansen van den hornpijp. Nauwlijks was ik daarmede

begonnen, of ik moest weder uitscheiden, door zijn horten en stooten; ik

ging echter weêr voord, en hij brulde vreeslijk; op het laatst ging hij

volkomen regt op zijn staart in het water staan, met zijn kop daarboven

uitstekende, waardoor hij ontdekt werd door het bootsvolk van een

italiaanschen koopvaarder, die daar juist voorbij zeilde, en hem binnen

weinig minuten harpoende. Zoodra hij aan boord gehaald was, hoorde ik

het volk met elkander overleggen hoe zij hem best zouden opsnijden, om

den meesten traan te krijgen. Ik was dus in geen geringe benaauwdheid,

dat zij mij omhals zouden brengen met die werktuigen, waarmede zij dit

vreemde werk verrigten wilden. Hierom begaf ik mij zoo naa bij het

middenpunt, als ik konde: want in de maag van dit schepsel was ruimte

genoeg voor twaalf menschen: en ik verbeeldde mij natuurlijk, dat zij

met de ingewanden zouden beginnen. Maar mijne vrees was weldra gestild:

want zij begonnen met den buik van onderen af open te snijden. Zoodra ik

eenige schemering van licht gewaar werd, schreeuwde ik uit al mijn magt

(want ik sprak italiaansch) dat men mij met allen spoed verlossen zoude

uit eene plaats, daar ik bijkans gestikt was. Het is mij onmogelijk om

naar waarheid te beschrijven de maat en de soort van verbaasdheid en

ontsteldtenis, welken op ieders aangezigt geschilderd waren, toen zij

de stem van een mensch uit het binnenste van den visch hoorden; maar

vooral, toen zij een levendig wel geschaapen naakt mensch uit deszelfs

lighaam met een statigen tred zagen te voorschijn komen; met één woord,

Heeren! ik verhaalde hun de gantsche gebeurdtenis, zoo als ik ze u

verhaald heb, terwijl zij van verbaasdheid verstomden.

[Illustratie: VI.]

Na dat ik eenige ververschingen genomen had, sprong ik in zee, om mij af

te wasschen, en ik zwom naa mijne klederen, welken ik op dezelfde plaats

weer vond, daar ik ze gelaten had. Naar de beste berekening, welke ik

heb kunnen maaken, was ik juist twee uuren, negentien minuten en zeven

en dertig seconden in de maag van dit dier opgesloten geweest.

[Decoratieve illustratie]

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 34 / 49 题