_De Baron baadt zig in de middellandsche zee.—Hij ontmoet zeer
onverwagt gezelschap.—Komt, tegen zijn voornemen, in de gewesten
van hitte en duisternis, waaruit hij zig redt door het dansen van
den hornpijp.—Verschrikt zijne verlossers, en komt weder aan het
strand._
Ik was eens in het grootste gevaar van de waereld, om in de
middellandsche zee, op de zonderlingste manier, zonder medewerking der
geneesheeren, en buiten weeten van eenig mensch, om het leven te raaken.
Op een zomerschen agtermiddag baadde ik mij, in die vermaaklijke zee,
digt bij _Marseille_, wanneer ik een zeer groten visch, met zeer wijd
opgesperde kaken, met de grootste snelheid op mij zag aankomen. Hier was
geen tijd te verliezen; en het te ontwijken was niet mogelijk. Ik maakte
mij daarom terstond zoo klein, als in mijn vermogen was, trekkende mijne
voeten zoo hoog op, en sluitende mijne handen zoo naabij het lijf, als
ik maar kon. In deze houding was ik in een ogenblik tusschen zijne kaken
en in zijne maag. Hier was ik een poos in den stikdonkersten nacht, en
de onverdraaglijkste hitte; gelijk gij u ligt zult kunnen verbeelden:
tot dat ik eindelijk begon te begrijpen, dat wanneer ik den visch wat
pijn aandeed, hij wel blijde zoude zijn, als hij mij wederom kwijt was.
Daar ik ruimte genoeg had, begon ik alle mijne jongens spellen één voor
één te beproeven; als tuimelen, hinkelen, springen, klouteren enz.; maar
niets scheen hem zoo lastig te vallen, als de vaardige beweging mijner
voeten, met het dansen van den hornpijp. Nauwlijks was ik daarmede
begonnen, of ik moest weder uitscheiden, door zijn horten en stooten; ik
ging echter weêr voord, en hij brulde vreeslijk; op het laatst ging hij
volkomen regt op zijn staart in het water staan, met zijn kop daarboven
uitstekende, waardoor hij ontdekt werd door het bootsvolk van een
italiaanschen koopvaarder, die daar juist voorbij zeilde, en hem binnen
weinig minuten harpoende. Zoodra hij aan boord gehaald was, hoorde ik
het volk met elkander overleggen hoe zij hem best zouden opsnijden, om
den meesten traan te krijgen. Ik was dus in geen geringe benaauwdheid,
dat zij mij omhals zouden brengen met die werktuigen, waarmede zij dit
vreemde werk verrigten wilden. Hierom begaf ik mij zoo naa bij het
middenpunt, als ik konde: want in de maag van dit schepsel was ruimte
genoeg voor twaalf menschen: en ik verbeeldde mij natuurlijk, dat zij
met de ingewanden zouden beginnen. Maar mijne vrees was weldra gestild:
want zij begonnen met den buik van onderen af open te snijden. Zoodra ik
eenige schemering van licht gewaar werd, schreeuwde ik uit al mijn magt
(want ik sprak italiaansch) dat men mij met allen spoed verlossen zoude
uit eene plaats, daar ik bijkans gestikt was. Het is mij onmogelijk om
naar waarheid te beschrijven de maat en de soort van verbaasdheid en
ontsteldtenis, welken op ieders aangezigt geschilderd waren, toen zij
de stem van een mensch uit het binnenste van den visch hoorden; maar
vooral, toen zij een levendig wel geschaapen naakt mensch uit deszelfs
lighaam met een statigen tred zagen te voorschijn komen; met één woord,
Heeren! ik verhaalde hun de gantsche gebeurdtenis, zoo als ik ze u
verhaald heb, terwijl zij van verbaasdheid verstomden.
[Illustratie: VI.]
Na dat ik eenige ververschingen genomen had, sprong ik in zee, om mij af
te wasschen, en ik zwom naa mijne klederen, welken ik op dezelfde plaats
weer vond, daar ik ze gelaten had. Naar de beste berekening, welke ik
heb kunnen maaken, was ik juist twee uuren, negentien minuten en zeven
en dertig seconden in de maag van dit dier opgesloten geweest.
[Decoratieve illustratie]