VII. HOOFDSTUK.

_De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis na Noord-Amerika,

welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een

walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd

van den Baron zakt in zijne maag—een gevaarlijk lek gestopt _a

posteriore_._

Ik ging te _Portsmouth_ aan boord van een nieuw Engelsch oorlogschip,

van honderd stukken, en veertien honderd koppen, naa Noord-America op

reis; op welke niets merkwaardigs gebeurde, tot omtrend drie honderd

_Fransche_ mijlen van de rivier _St. Laurens_, wanneer het schip met een

verbazend geweld stiet (zoo wij meenden) tegen een klip; hoewel wij met

het lood geen grond konden pijlen tot op drie honderd vademen[8]. Het

gene in deze omstandigheid nog verwonderlijker is, en alle begrip te

boven gaat, is dit: dat wij met dezen stoot ons roer verlooren, dat

onze boegspriet door midden brak, dat alle onze masten opscheurden van

boven tot beneden, en dat twee derzelven over boord vielen; een arme

matroos, die boven in de raê zat om het zeil vast te maaken, vloog ten

minsten drie mijlen ver van 't schip weg; maar gelukkiglijk reddede

hij zijn leven: want in zijnen vaart viel hij op een zeemeeuw, die hem

weder bragt, op dezelfde plaats, van welke hij gevallen was. Een ander

uitwerksel van den stoot, welken wij kregen, was deze: dat zij, die

tusschen deks waren, met hunne hoofden, op eene ijslijke wijs, tegen het

dek gesmeten werden, zoo dat zij terug rolden als kloten. Maar met mij

liep het zoo goed niet af: want mijn hoofd werd tusschen mijne schouders

zoo diep ingedrukt, dat het zonk tot in de maag; en het liep eenige

maanden aan, eer het zijne oude plaats wederom kon innemen. Terwijl wij

allen nog even, verbaasd waren van de algemeene en onuitspreeklijke

verwarring, waarin dit stooten ons gebragt had, ontdekten wij, waar

het van daan kwam. Een zeer grote walvisch, die zig bakerde in de zon,

was in slaap gevallen, op een diepte van zestien voeten water. Dit dier

was zoo boos geworden over de manier, waarop wij het wakker gemaakt

hadden, (want in het overzeilen was zijn neus door ons roer wat bekrapt

geworden) dat hij de galderij geheel, en op zijn minst een vierde

gedeelte van het halfdek met zijn staart in stukken sloeg, terwijl hij

op het zelfde oogenblik ons daags anker, 't welk volgends gewoonte bij

het voorsteven hing, tusschen zijne tanden nam, en met het schip ten

minste eene lengte van zestig duitsche mijlen voordliep: en wie weet

waar hij ons gebragt had, als niet gelukkiglijk het kabel gebroken

was: wij verlooren daardoor beiden het anker en den walvisch; maar

wanneer wij eenige maanden daarna naa _Europa_ wederkeerden, vonden

wij denzelfden walvisch, slechts weinige Engelsche mijlen van dezelfde

plaats, dood drijven op het water. De visch was meer dan honderd

Rhijnlandsche roeden lang; waarom wij maar een zeer klein gedeelte

van een zoo groot gedrogt aan boord konden krijgen. Wij zetteden

derhalven onze sloepen uit, en konden niet, dan met veel moeite, zijn

kop afhakken, waarin wij tot onze grote blijdschap het anker en nog

boven de veertig vademen van het kabel vonden. Dit lag verborgen aan de

linker zijde van den bek, vlak onder de tong; 't welk de waarschijnlijke

oorzaak van deszelfs dood was: want de tong was aan dien kant heel zeer

gezwollen, en voor een groot gedeelte ontstoken.—Dit was het eenigst

buitengewoon toeval, 't welk ons op de reis bejegende. Evenwel had ik

bijna nog een gedeelte van ons ongeluk op dien dag vergeten te melden,

te weten: terwijl de walvisch met het schip weg zwom, sloeg hij een lek

in hetzelve, waardoor zoo veel water in liep, dat wij het met alle onze

pompen niet konden lens houden. Maar tot ons geluk ontdekte ik het lek;

het was een groot gat van omtrend één voet over het kruis. Gij zult mij

wel willen gelooven, dat dit geval mij een zeer groot genoegen gaf! als

ik u verhaald zal hebben, hoe dit schoone schip met man en muis behouden

werd door een zeer gelukkige inval! ik vulde het gat met mijn ...,

zonder mijn broek uit te trekken; ja ware het nog groter geweest, ook

dan nog zoude ik het hebben kunnen stoppen: waarover gij u niet zult

verwonderen, als ik u zegge, dat ik eigenlijk uit _Westphalen_ afkomstig

ben[9]. Terwijl ik op deze bril zat, had ik het waarlijk vrij koel; maar

de timmerlieden verlosten mij weldra uit dezen onaangenamen staat.

[8] De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier

den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een

schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het

diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft

het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn,

als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:

[9] Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond

hadden, en hij alzoo in _Westphalen_ geboren was. Want op eene

andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 33 / 49 题