_De Baron verhaalt zijne avonturen op eene reis na Noord-Amerika,
welken de aandacht van den lezer wel waardig zijn.—Pots van een
walvisch.—Een zeemeeuw behoudt een matroos in 't leven.—Het hoofd
van den Baron zakt in zijne maag—een gevaarlijk lek gestopt _a
posteriore_._
Ik ging te _Portsmouth_ aan boord van een nieuw Engelsch oorlogschip,
van honderd stukken, en veertien honderd koppen, naa Noord-America op
reis; op welke niets merkwaardigs gebeurde, tot omtrend drie honderd
_Fransche_ mijlen van de rivier _St. Laurens_, wanneer het schip met een
verbazend geweld stiet (zoo wij meenden) tegen een klip; hoewel wij met
het lood geen grond konden pijlen tot op drie honderd vademen[8]. Het
gene in deze omstandigheid nog verwonderlijker is, en alle begrip te
boven gaat, is dit: dat wij met dezen stoot ons roer verlooren, dat
onze boegspriet door midden brak, dat alle onze masten opscheurden van
boven tot beneden, en dat twee derzelven over boord vielen; een arme
matroos, die boven in de raê zat om het zeil vast te maaken, vloog ten
minsten drie mijlen ver van 't schip weg; maar gelukkiglijk reddede
hij zijn leven: want in zijnen vaart viel hij op een zeemeeuw, die hem
weder bragt, op dezelfde plaats, van welke hij gevallen was. Een ander
uitwerksel van den stoot, welken wij kregen, was deze: dat zij, die
tusschen deks waren, met hunne hoofden, op eene ijslijke wijs, tegen het
dek gesmeten werden, zoo dat zij terug rolden als kloten. Maar met mij
liep het zoo goed niet af: want mijn hoofd werd tusschen mijne schouders
zoo diep ingedrukt, dat het zonk tot in de maag; en het liep eenige
maanden aan, eer het zijne oude plaats wederom kon innemen. Terwijl wij
allen nog even, verbaasd waren van de algemeene en onuitspreeklijke
verwarring, waarin dit stooten ons gebragt had, ontdekten wij, waar
het van daan kwam. Een zeer grote walvisch, die zig bakerde in de zon,
was in slaap gevallen, op een diepte van zestien voeten water. Dit dier
was zoo boos geworden over de manier, waarop wij het wakker gemaakt
hadden, (want in het overzeilen was zijn neus door ons roer wat bekrapt
geworden) dat hij de galderij geheel, en op zijn minst een vierde
gedeelte van het halfdek met zijn staart in stukken sloeg, terwijl hij
op het zelfde oogenblik ons daags anker, 't welk volgends gewoonte bij
het voorsteven hing, tusschen zijne tanden nam, en met het schip ten
minste eene lengte van zestig duitsche mijlen voordliep: en wie weet
waar hij ons gebragt had, als niet gelukkiglijk het kabel gebroken
was: wij verlooren daardoor beiden het anker en den walvisch; maar
wanneer wij eenige maanden daarna naa _Europa_ wederkeerden, vonden
wij denzelfden walvisch, slechts weinige Engelsche mijlen van dezelfde
plaats, dood drijven op het water. De visch was meer dan honderd
Rhijnlandsche roeden lang; waarom wij maar een zeer klein gedeelte
van een zoo groot gedrogt aan boord konden krijgen. Wij zetteden
derhalven onze sloepen uit, en konden niet, dan met veel moeite, zijn
kop afhakken, waarin wij tot onze grote blijdschap het anker en nog
boven de veertig vademen van het kabel vonden. Dit lag verborgen aan de
linker zijde van den bek, vlak onder de tong; 't welk de waarschijnlijke
oorzaak van deszelfs dood was: want de tong was aan dien kant heel zeer
gezwollen, en voor een groot gedeelte ontstoken.—Dit was het eenigst
buitengewoon toeval, 't welk ons op de reis bejegende. Evenwel had ik
bijna nog een gedeelte van ons ongeluk op dien dag vergeten te melden,
te weten: terwijl de walvisch met het schip weg zwom, sloeg hij een lek
in hetzelve, waardoor zoo veel water in liep, dat wij het met alle onze
pompen niet konden lens houden. Maar tot ons geluk ontdekte ik het lek;
het was een groot gat van omtrend één voet over het kruis. Gij zult mij
wel willen gelooven, dat dit geval mij een zeer groot genoegen gaf! als
ik u verhaald zal hebben, hoe dit schoone schip met man en muis behouden
werd door een zeer gelukkige inval! ik vulde het gat met mijn ...,
zonder mijn broek uit te trekken; ja ware het nog groter geweest, ook
dan nog zoude ik het hebben kunnen stoppen: waarover gij u niet zult
verwonderen, als ik u zegge, dat ik eigenlijk uit _Westphalen_ afkomstig
ben[9]. Terwijl ik op deze bril zat, had ik het waarlijk vrij koel; maar
de timmerlieden verlosten mij weldra uit dezen onaangenamen staat.
[8] De vertaler gist, dat de zetter van het oorspronglijk werk hier
den Baron een lelijken trek gespeeld hebbe; want dat de Baron een
schrijffout begaan zoude hebben, houdt hij voor onmogelijk. Het
diepst, dat men kan peilen is honderd vijftig vademen. Hij heeft
het niet durven veranderen; want dit zoude zoo goed geweest zijn,
als aan de geloofwaardigheid van den Baron te twijfelen:
[9] Dit wil zeggen, dat de Ouders van den Baron aldaar gewoond
hadden, en hij alzoo in _Westphalen_ geboren was. Want op eene
andere plaats beroemt hij zig op zijn koninglijk bloed.