V. HOOFDSTUK.

_Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van

geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den

Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht

pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een

haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgd wordt.—Hij

krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf van_

PRZOBOSSKIJ, _waarmede hij vele ongewone daden verrigt._

„Maar alle deze moeilijkheden, welken gij zoo gelukkig ontsnapt zijt,

zijn maar, door een gunstig noodlot, de toevallige oorzaken van uwen

roem en uwe grootheid.” Dunkt u dat, mijn Heer? Voegt ge 'er ook BONS

bij?....... Ik erkenne, dat het geluk mij veelal gediend heeft; maar

beweer ook, dat mijne tegenwoordigheid van geest, mijne mannelijke

dapperheid, mijne onvertzaagde kloekmoedigheid, en mijne beproefde

ervaring ook het hare daaraan toegebragt hebben. Wie weet niet dat het

een met het ander vereenigd den gelukkigen jager, zeeman en soldaat

uitmaakt? Hoe? zoude een jager, zee- of krijgsman, die altijd van

het lot en zijne goede sterren wilde afhangen, die zig zelven nooit

bekommerde over die wetenschappen, welker beoeffening zijn hoofdwerk

is, noch ooit dacht op middelen, om met het beste gevolg zijn beroep te

kunnen waarnemen,—zoude zulk een, vraag ik, niet van de strafwaardigste

onvoorzigtigheid te beschuldigen zijn? Maar nooit heb ik ten dezen

opzigte eenige berisping verdient: altijd was ik beroemd, zoo wel van

wege de uitmuntendheid van mijne paerden, honden, roers en houwers,

als om mijne volmaakte manier van dezelven te gebruiken, zoodat ik

over het geheel moge hopen, dat mijner altijd, in de bosschen, aan den

haard, en op het veld, met lof gedacht zal worden.—Maar ik zal mij

hier niet ophouden met eene brede en volledige beschrijvinge van mijne

stallen, jagthuizen, geweerkamers; gelijk anders de Stal- Jagd- en

Honden-Edellieden wel gewoon zijn. Doch van éénen mijner honden, mijn

lieveling, kan ik evenwel niet nalaten te spreken. Het was een windhond;

dag en nacht kon ik hem gebruiken: want als het nacht werd hong ik hem

een lantaern aan den staart, en jaagde dan zoo goed of nog beter met

hem als op den helderen dag.—Eens (dit was kort na dat ik gehuuwd was)

gaf mijne vrouw hare begeerte te kennen om op de jagt te gaan. Ik reed

vooruit, om iets op te sporen, en het duurde niet lang, of mijn hond

stond stil voor eene groote hoenderkooij. Ik wagtte, en wagtte al op

mijne vrouw, die met mijn Luitenant, en een knegt, terstond mij gevolgd

waren; maar kreeg geen van allen te zien. Dit maakte mij eindelijk

ongerust; waarom ik terug keerde; en toen ik omtrend half weg was hoorde

ik een zeer klagend geween, dat kort bij mij scheen te zijn, hoewel ik

om mij, of ver af, geen levende ziel kon ontdekken. Ik klom van mijn

paerd, legde mijn oor op den grond, en nu hoorde ik duidelijk dat het

onder dezelve was, en herkende ook, zeer onderscheidenlijk, de stemmen

van mijne vrouw, mijn Luitenant en mijn knegt. Met een zag ik ook, dat

niet ver van mij af de opening van een steenkolengroeve was, en nu

twijfelde ik niet, of mijne ongelukkige vrouw zou, met haar geleide,

daar in gestort zijn. In vollen ren vloog ik naa het eerste dorp, om

de gravers te halen, die de verongelukten, na eenen allermoeilijksten

arbeid, uit eene diepte van negentig voeten weder boven bragten. Het

zeldzaamste was, dat menschen en paerden in dezen vreeslijken val bijna

niets beschadigd waren; doch zij hadden zoo veel te meer door angst

geleden.—Gij kunt u ligt voorstellen, Heeren! dat 'er aan geen jagen

meer gedagt wierd; en daar gijlieden, gelijk ik ligt kan vermoeden,

mijnen hond gedurende dit verhaal zult vergeten hebben, zoo zult gij het

mij niet kwalijk nemen, dat ik ook niet meer aan hem dagt. Mijn dienst

noodzaakte mij den volgenden dag op reis te gaan, 't welk mij veertien

dagen ophield. Nauwlijks was ik eenige uuren weder 't huis geweest, of

ik miste mijn _diaan_. Niemand had zig om het beest bekommerd: want men

had gedagt dat het mij gevolgd was. Hoop en vrees joegen mij terstond

naa de streek, daar ik met hem op de jagt had willen gaan; en tot mijne

onuitspreeklijke blijdschap vond ik mijn hond nog op dezelfde plaats

staan, daar ik hem voor veertien dagen gelaten had. _Piel!_ riep ik, met

een sprong hij toe, en ik kreeg vijfëntwintig eenden in één schot. Maar

het arme dier was zoo uitgehongerd en afgemat dat het nauwlijks naa mij

toe kon kruipen, zoodat ik hem op mijn paerd moest nemen om hem thuis

te krijgen. Na eene goede oppassing van weinig dagen was hij weder zoo

gezond en vrolijk als te voren; en eenige weken daar na maakte hij het

mij mogelijk een raadzel op te lossen, 't welk, waarschijnlijk, zonder

hem, voor altijd onöpgelost had moeten blijven.

Ik joeg, namelijk, twee dagen lang, op een haas. Mijn hond bragt hem

telkens terug, maar ik kon hem niet onder het schot krijgen.—Het was

nooit mijne zaak aan toverij geloof te slaan; ik heb daar toe te veel

zonderlinge gevallen beleeft; maar in dit geval was mijn begrip ten

einde.—Eindelijk kwam de haas mij zoo nabij, dat ik hem kon treffen.

Hij viel; en wat meent ge wel dat ik zag?—de haas had vier pooten onder

het lijf, en vier op den rug. Als de vier onderste moede waren keerde

hij zich om, als een bedreven zwemmer die op buik en rug zwemt, en liep

dan met dezelfde snelheid weder voort. Naderhand heb ik ook nooit zoo

een haas weer gezien; en ook dezen had ik gewis niet gekregen, als mijn

hond niet zulke buitengewoone bekwaamheden had bezeten. Nooit zag ik

beter. Het dier werd oud in mijnen dienst; en was niet zoo zeer wegens

zijne grootte, als gezwindheid en eene andere omstandigheid zeer

opmerklijk. Altijd heb ik 'er mede gejaagd. Had gij hem ooit gezien,

gij zoudt 'er u over verwonderd, en mijne voorkeuze, dat ik met hem

altijd ging jaagen, goed gekeurd en geprezen hebben. Hij liep zoo snel,

zoo veel en zoo lang in mijnen dienst, dat zijne voetzolen geheel waren

afgesleten, zoodat ik op het laatst van zijn leven genoodzaakt was,

om hem niet anders te gebruiken als tot een beschutter, in welke

hoedanigheid hij mij zederd verscheiden jaren nog uitstekend dient.

Dit brave beest veranderde van kunne. Ja, mijne Heeren! deez' Hij

werd een Zij! een teef! Op zekeren dag zette zij een haas naa, die mij

toescheen zeer groot en zwaar te zijn. Ik beklaagde mijn arme teef: want

zij was met jongen; en evenwel wilde zij zoo hard lopen als ooit. Mijn

paerd vloog uit al zijn magt, en nogthans kon ik haar niet dan op een

groten afstand volgen. Zeer onverwagt hoorde ik een getier als van een

gantsche jagt van honden—maar zoo zagt en flaauw, dat ik niet wist,

wat ik daar van maaken moest. Toen ik 'er bij kwam, was ik niet weinig

verbaasd! de haas had in den loop geworpen; 't zelfde kwam mijn teef in

het naazetten over—'er waren even zoo veel jonge hazen als honden. Door

haar bijzonder instinkt liep de eerste, en de andere jaagde, en vong

haar, en dus vond ik mij op het laatst bezitter van zes hazen, en even

zoo vele honden, schoon ik maar met één begonnen was.

Ik herinner mij deze verwonderlijke teef met hetzelfde vermaak en

dezelfde genegenheid, als een schoon poolsch paerd, 't welk voor geen

geld te koop was. Het werd mijn eigendom, door een toeval, dat mij

gelegenheid gaf om met groot voordeel te toonen, dat ik de kunst van

paerden te berijden wel verstond. Ik was op het heerlijk landgoed van

den Graaf PRZOBOSSKY, in _Litthauen_, en bleef in de zaal, bij de

Vrouwen, thee drinken, terwijl de Heeren beneden in den tuin waren,

om een schoon bruin paerd te zien, 't welk zoo even uit de stoeterij

kwam. Zeer schielijk hoorden wij een geluid, waardoor wij merkten, dat

'er eenig ongemak was.—Ik haastte mij daarom naa beneden, en vond

het paerd zoo wild, dat niemand het dorst naderen of beklimmen. De

stoutste rijders stonden verslagen en bedremmeld; wanhoop was op ieders

aangezigt te lezen; wanneer ik in éénen sprong agter op het paerd zat,

het overhoeds aangreep, het geheel mak en tam kreeg, en het, door mijne

kennis van paerden en bekwaamheid in het rijden, in mijn bedwang had.

Ik brandde van begeerte om dit aan de Vrouwen te toonen, en haar voor

onnutte schrikken te bewaaren; daarom deed ik het door één van de open

ramen van de theekamer springen, reed 'er eenigen tijd mede rond,

stappende, rennende, of in een vollen galop; op 't laatst deed ik het

op de theetafel springen, om op dezelve, in 't klein, de lessen te

herhaalen, welken ik het reeds geleerd had: dit stond zeer sierlijk, en

gaf aan de Vrouwen geen klein vermaak: want het beestje deed zijne zaken

zoo verbazend wel, dat niet één kopje of schoteltje brak. Dit deed haar,

en vooral den edelen Graaf, zoo goede gedachten van mij krijgen, dat

hij mij, met zijne gewone vriendelijkheid, verzocht, om toch dit jong

paerd van hem aantenemen, en het te berijden, om roem en overwinning te

behalen, in den veldtogt tegen de _Turken_, welke welhaast, onder het

bevel van den Graaf _van Munnich_, stond geopend te worden.

[Illustratie: III.]

Nooit had ik een aangenamer geschenk kunnen ontvangen, noch waarbij ik

mij gunstiger voorspellingen konde doen bij de opening van den veldtogt,

in welken ik het eerst als krijgsman dienen zoude. Een zoo fraai, zoo

vuurig, en zoo vinnig paerd—zoo mak als een lam, en te gelijk een

BUCEPHALUS, deed mij gestadig denken aan mijnen pligt als krijgsman en

edelman—aan den jongen ALEXANDER, en de verbazende dingen, welken hij

in 't veld verrigt heeft.

Wij trokken te veld, met oogmerk, zoo het onder anderen scheen, om den

roem der Russische wapenen, welke in den laatsten veldtogt van _Czaar_

PETER aan de _Pruth_ een weinig geleden had, weder te krijgen; en dit

oogmerk bereikten wij volkomen, door verscheiden zeer vermoeiende maar

roemrijke togten, onder het bevel van den zoo even genoemden grooten

Generaal.

Zedigheid verbied ieder enkel lid van een leger zig de grote voordelen

en overwinningen, door hetzelve behaald, toe te schrijven, naardien,

volgends het gewoon gebruik, de roem daarvan geheel en alleen ingeöogst

wordt door de legerhoofden, hoe gering ook hunne bekwaamheden dikwijls

mogen zijn; of, 't gene nog verkeerder is, door de Vorsten, of Koningen,

die nooit, dan op vrolijke feestdagen, of bij den wapenschouw hunner

troepen, kruid geroken, nooit een slagveld gezien hebben, noch, buiten

de Wagt-parade, ooit een Corps in slagorde zagen.

Ik wil mij ook geenszins eenig bijzonder gedeelte toeschrijven van den

roem, welken wij in verscheiden gevegten met den vijand behaalden:

wij deden alle onzen pligt, welk woord, in de taal der patriotten,

krijgslieden en edellieden, van eene zeer uitgebreide en verschillende

betekenis en gewigt is; naardien het geenszins om 't even is, op welke

plaats en in welke omstandigheden men zig bevinde, om den waren zin van

de woorden eed, pligt, eer, geweten en dergelijken wel te kunnen

bevatten, en zig daarnaar behoorlijk te gedragen.—Maar deze zaken zijn

te verheven, dan dat burgerverstanden ze alle zouden kunnen bevatten.

Een geval kan ik, echter, niet nalaaten hier te melden. Het bevel

hebbende over eene bende Huzaren, met last en magt om naar bevinding

van zaken te handelen, deden wij verscheiden togten. Het voordeel, 't

welk wij daarin op den vijand behaalden, meen ik, dat billijk aan mijn

beleid, en het goed gedrag mijner brave lieden, welken ik ten strijde

en ter overwinninge aanvoerde, moet toegeschreven worden. Eens hadden

wij het in de voorhoede zeer heet, toen wij de _Turken_ in _Oczakow_

terug dreven. Mijn _Poolschman_ bragt mij altijd in 't heetste vuur. Hier

had ik één der eerste voorposten, en zag den vijand tegen ons opkomen

in een dikke wolk van stof, waardoor ik noch hun wezenlijk getal noch

hunne waarachtige oogmerken ontdekken konde. Om ons zelven insgelijks

door een wolk van stof te dekken, was wel eene gewone voorzigtigheid,

maar hierdoor kreeg ik nog geen kondschap van den vijand, noch het

beandwoordde aan 't oogmerk, waartoe ik was uitgezonden. Hierom liet

ik de flanken aan de beide vleugels zich verstroijen, om zoo veel stof

te maaken, als zij konden; maar ik hield regt aan op den vijand, om

hem zoo veel te nader onder de oogen te zien. Dit laatste gelukte mij

zeer wel: want de vijand stond en vogt maar zoo lang, tot dat hij door

mijne flanken in beweging, en aan 't wijken gebragt werd, en geheel in

wanorde geraakte. Dit was het ogenblik, om met vuur op den vijand in te

vallen.—Wij sloegen hem volkomen, en maakte eene schrikkelijke slagting

onder denzelve—wij dreeven hem niet alleen te rug tot aan de wallen

hunner stad, maar zelfs door de stad heen, 't welk onze bloeddorstigste

verwagting zelfs te boven ging.

De ongemeene gezwindheid van mijnen Litthauër deed mij de eerste onder

de vervolgers zijn. Hier door zag ik, dat de vijand de andere poort van

de stad hals over kop uitvloog, en had wel lust om hem verder naa te

zetten; maar eene markt ziende, oordeelde ik het voorzigtigst om daar

stil te houden, en mijn volk bij één te zamelen. Ik hield stil, mijne

Heeren! op de markt; maar oordeelt over mijne verbaasdheid, dat ik mijn

volk een gantsch eind voor uit moest zijn, naardien ik geheel alleen was

en niet éénen Huzaar hende of omtrend mij kon gewaar worden! Zijn zij

eene andere straat ingeslagen? Of wat is 'er van hun geworden? Zekerlijk

konden zij niet verre meer agter zijn, en moesten zig, ieder ogenblik,

bij mij voegen. Terwijl ik mijne brave maats wagtte, wandelde ik met

mijn paard naa eene waterleiding op de markt, en drenkte het. Het beest

dronk ongemeen veel—met eene onverzaadlijke gretigheid; maar welke

zeer natuurlijk was: want toen ik naa mijne manschap om zag, zag ik dat

mijn arm beest zijn agterste gedeelte, tot aan de lendenen toe, kwijt

was, als of het in tweeën ware doorgehakt; het water liep er weder uit,

zoo als het 'er inkwam, zonder mijn paerd eenigszins te verfrisschen

of eenig goed te doen! Hoe dit toegekomen ware, bleef voor mij eene

verborgenheid, tot dat eindelijk mijn knegt van eenen anderen kant

kwam aan jagen, en onder een vloed van trouwhartige gelukwenschingen en

kragtige vloeken mij verhaalde, dat, wanneer ik den vijand zoo kort op

de hielen na binnen volgde, men het schof[5] had laten vallen, (dit had

ik in de drift niet bemerkt) waar door het agterste gedeelte van mijn

paerd glad was afgeslagen; eerst had dat gedeelte geweldig tegen de

deuren rondom zich geslagen, en was vervolgens naa eene weide, daar kort

bij, gelopen, daar ik het waarschijnlijk nog wel zou vinden.—Terstond

wendde ik, en in een verbazend snellen galop bragt mijn overig half

paerd mij in de weide. Ik vond, tot mijne groote blijdschap, hier de

afgeslagen helft weder; en tot mijne verwondering zag ik dat dezelve

zich met eene bezigheid vermaakte, die zoo wel was uitgedagt, dat tot

heden toe geen _Maitre des plaisirs_, met al zijn vindingrijkheid, in

staat was, om een vermaak uit te denken dat beter voor een hoofdeloos

wezen voegt; om het met één woord te zeggen, het agterdeel van mijn

wonderpaerd had in die weinige ogenblikken reeds eene gemeenzame kennis

gemaakt met de merries, die in de weide liepen, en scheen bij de

vermaaken van zijnen Harem alle zijne geledene smerten te vergeten.

Hierbij kwam nu zekerlijk de kop zoo weinig in aanmerking, dat zelfs

eenige veulens haar aanwezen aan deze uitspanning te danken hadden,

hoewel zij onbruikbaare misgeboorten waren, welken alles ontbrak wat

hun Vader miste toen hij hun voortbragt.

[5] Het schof of _port-cullis_, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe

punten van onderen. Men laat ze neervallen, om het binnen komen van

een vijand in eene versterkte stad te beletten.

[Illustratie: IV.]

Daar ik nu zulke onwederleglijke bewijzen had van het leven van de beide

gedeelten van mijn paerd, liet ik terstond onze paerdensmit komen;

zonder zich lang te bedenken kwam deze op den inval, om de beide delen,

terwijl ze nog tamelijk warm waren, wederom aan elkanderen te voegen.

Hij naaide ze vast met takjes en jonge spruitjes van laurierbomen, welke

juist bij de hand waren.—De wond genas; en wat kon een zoo beroemd

paard niet te beurte vallen? de spruitjes maakten wortel in deszelfs

lighaam, groeiden op en maakten een priëel, in de gedaante van een

munnikskap, zoo dat ik naderhand altijd op andere togten kon uitgaan

onder de schaduw van mijne eigene en mijns paerds laurieren.

Van iemand, die een paerd als het mijne kon berijden, zult gij, Heeren!

ook wel andere behendige bedrijven willen gelooven, die U anders

misschien wat fabelachtig zouden voorkomen. Eens dat wij eene stad

belegerden, had de bevelhebber een bijzonder belang om de inwendige

gesteldheid der plaats te weeten. Het scheen ten uiterste moeilijk, ja

bijna onmogelijk, om door alle de voorposten, wachten en werken binnen

te geraaken, en 'er was geen geschikt voorwerp voorhanden, om zoo iets

met hoop van eenen gelukkigen uitslag, te ondernemen. Misschien een

weinig te voorbarig in ijver en moed, plaatste ik mij naast een 36

ponder, die op dat ogenblik op de stad zou losbranden, en, _wip!_ op den

kogel, met oogmerk om mij in de vesting te laaten brengen; maar toen

ik omtrend halfwege door de lucht was kreeg ik allerlei bedenkingen in

den kop, die ik niet kon oplossen. „Ja, dagt ik, gij zult nu wel binnen

komen; maar hoe 'er weder uit? hoe zal het u in de vesting gaan? zal men

u niet aanstonds voor een spion nemen, en u aan de eerste galg de beste

hangen? zulk een bed van eer zal u weinig roem nalaten.” Ik nam hierom

een kort besluit, en bediende mij van de gelegenheid dat een kogel,

eenige schreden van mij af, uit de vesting naa ons leger snelde. _Wip!_

van dien op welken ik zat op dezen over, en zoo kwam ik met onverrigte

zaaken, maar nogtans behouden, in het leger terug.

[Illustratie: V.]

Zoo ligt en vaerdig ik in het springen was, was ook mijn paerd, slooten

noch heggen beletteden mij ooit den kortsten weg te nemen. Eens zette

ik op hetzelve een haas naa, die dwars over den gemeenen weg liep,

wanneer juist een koets, met twee jonge dames 'er in, dien weg kwam,

tusschen mij en den haas. Mijn paerd vloog zoo snel, zonder zich te

stooten, door de koets heen, waarvan de glazen opgetrokken waren, dat

ik nauwlijks den tijd had om mijn hoed aftenemen, en de dames voor deze

vrijpostigheid verschoning te vragen.

[Decoratieve illustratie]

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 30 / 49 题