_Gevolgen van grote werkzaamheid en tegenwoordigheid van
geest.—Beschrijving van een hond, de lieveling van den
Baron.—Ongeval van des Barons vrouw.—Een haas met acht
pooten.—Zijn hond wordt eene teef; en jongt, terwijl zij een
haas vervolgt; die ook werpt, terwijl zij vervolgd wordt.—Hij
krijgt een zeer beroemd paerd ten geschenke van den Graaf van_
PRZOBOSSKIJ, _waarmede hij vele ongewone daden verrigt._
„Maar alle deze moeilijkheden, welken gij zoo gelukkig ontsnapt zijt,
zijn maar, door een gunstig noodlot, de toevallige oorzaken van uwen
roem en uwe grootheid.” Dunkt u dat, mijn Heer? Voegt ge 'er ook BONS
bij?....... Ik erkenne, dat het geluk mij veelal gediend heeft; maar
beweer ook, dat mijne tegenwoordigheid van geest, mijne mannelijke
dapperheid, mijne onvertzaagde kloekmoedigheid, en mijne beproefde
ervaring ook het hare daaraan toegebragt hebben. Wie weet niet dat het
een met het ander vereenigd den gelukkigen jager, zeeman en soldaat
uitmaakt? Hoe? zoude een jager, zee- of krijgsman, die altijd van
het lot en zijne goede sterren wilde afhangen, die zig zelven nooit
bekommerde over die wetenschappen, welker beoeffening zijn hoofdwerk
is, noch ooit dacht op middelen, om met het beste gevolg zijn beroep te
kunnen waarnemen,—zoude zulk een, vraag ik, niet van de strafwaardigste
onvoorzigtigheid te beschuldigen zijn? Maar nooit heb ik ten dezen
opzigte eenige berisping verdient: altijd was ik beroemd, zoo wel van
wege de uitmuntendheid van mijne paerden, honden, roers en houwers,
als om mijne volmaakte manier van dezelven te gebruiken, zoodat ik
over het geheel moge hopen, dat mijner altijd, in de bosschen, aan den
haard, en op het veld, met lof gedacht zal worden.—Maar ik zal mij
hier niet ophouden met eene brede en volledige beschrijvinge van mijne
stallen, jagthuizen, geweerkamers; gelijk anders de Stal- Jagd- en
Honden-Edellieden wel gewoon zijn. Doch van éénen mijner honden, mijn
lieveling, kan ik evenwel niet nalaten te spreken. Het was een windhond;
dag en nacht kon ik hem gebruiken: want als het nacht werd hong ik hem
een lantaern aan den staart, en jaagde dan zoo goed of nog beter met
hem als op den helderen dag.—Eens (dit was kort na dat ik gehuuwd was)
gaf mijne vrouw hare begeerte te kennen om op de jagt te gaan. Ik reed
vooruit, om iets op te sporen, en het duurde niet lang, of mijn hond
stond stil voor eene groote hoenderkooij. Ik wagtte, en wagtte al op
mijne vrouw, die met mijn Luitenant, en een knegt, terstond mij gevolgd
waren; maar kreeg geen van allen te zien. Dit maakte mij eindelijk
ongerust; waarom ik terug keerde; en toen ik omtrend half weg was hoorde
ik een zeer klagend geween, dat kort bij mij scheen te zijn, hoewel ik
om mij, of ver af, geen levende ziel kon ontdekken. Ik klom van mijn
paerd, legde mijn oor op den grond, en nu hoorde ik duidelijk dat het
onder dezelve was, en herkende ook, zeer onderscheidenlijk, de stemmen
van mijne vrouw, mijn Luitenant en mijn knegt. Met een zag ik ook, dat
niet ver van mij af de opening van een steenkolengroeve was, en nu
twijfelde ik niet, of mijne ongelukkige vrouw zou, met haar geleide,
daar in gestort zijn. In vollen ren vloog ik naa het eerste dorp, om
de gravers te halen, die de verongelukten, na eenen allermoeilijksten
arbeid, uit eene diepte van negentig voeten weder boven bragten. Het
zeldzaamste was, dat menschen en paerden in dezen vreeslijken val bijna
niets beschadigd waren; doch zij hadden zoo veel te meer door angst
geleden.—Gij kunt u ligt voorstellen, Heeren! dat 'er aan geen jagen
meer gedagt wierd; en daar gijlieden, gelijk ik ligt kan vermoeden,
mijnen hond gedurende dit verhaal zult vergeten hebben, zoo zult gij het
mij niet kwalijk nemen, dat ik ook niet meer aan hem dagt. Mijn dienst
noodzaakte mij den volgenden dag op reis te gaan, 't welk mij veertien
dagen ophield. Nauwlijks was ik eenige uuren weder 't huis geweest, of
ik miste mijn _diaan_. Niemand had zig om het beest bekommerd: want men
had gedagt dat het mij gevolgd was. Hoop en vrees joegen mij terstond
naa de streek, daar ik met hem op de jagt had willen gaan; en tot mijne
onuitspreeklijke blijdschap vond ik mijn hond nog op dezelfde plaats
staan, daar ik hem voor veertien dagen gelaten had. _Piel!_ riep ik, met
een sprong hij toe, en ik kreeg vijfëntwintig eenden in één schot. Maar
het arme dier was zoo uitgehongerd en afgemat dat het nauwlijks naa mij
toe kon kruipen, zoodat ik hem op mijn paerd moest nemen om hem thuis
te krijgen. Na eene goede oppassing van weinig dagen was hij weder zoo
gezond en vrolijk als te voren; en eenige weken daar na maakte hij het
mij mogelijk een raadzel op te lossen, 't welk, waarschijnlijk, zonder
hem, voor altijd onöpgelost had moeten blijven.
Ik joeg, namelijk, twee dagen lang, op een haas. Mijn hond bragt hem
telkens terug, maar ik kon hem niet onder het schot krijgen.—Het was
nooit mijne zaak aan toverij geloof te slaan; ik heb daar toe te veel
zonderlinge gevallen beleeft; maar in dit geval was mijn begrip ten
einde.—Eindelijk kwam de haas mij zoo nabij, dat ik hem kon treffen.
Hij viel; en wat meent ge wel dat ik zag?—de haas had vier pooten onder
het lijf, en vier op den rug. Als de vier onderste moede waren keerde
hij zich om, als een bedreven zwemmer die op buik en rug zwemt, en liep
dan met dezelfde snelheid weder voort. Naderhand heb ik ook nooit zoo
een haas weer gezien; en ook dezen had ik gewis niet gekregen, als mijn
hond niet zulke buitengewoone bekwaamheden had bezeten. Nooit zag ik
beter. Het dier werd oud in mijnen dienst; en was niet zoo zeer wegens
zijne grootte, als gezwindheid en eene andere omstandigheid zeer
opmerklijk. Altijd heb ik 'er mede gejaagd. Had gij hem ooit gezien,
gij zoudt 'er u over verwonderd, en mijne voorkeuze, dat ik met hem
altijd ging jaagen, goed gekeurd en geprezen hebben. Hij liep zoo snel,
zoo veel en zoo lang in mijnen dienst, dat zijne voetzolen geheel waren
afgesleten, zoodat ik op het laatst van zijn leven genoodzaakt was,
om hem niet anders te gebruiken als tot een beschutter, in welke
hoedanigheid hij mij zederd verscheiden jaren nog uitstekend dient.
Dit brave beest veranderde van kunne. Ja, mijne Heeren! deez' Hij
werd een Zij! een teef! Op zekeren dag zette zij een haas naa, die mij
toescheen zeer groot en zwaar te zijn. Ik beklaagde mijn arme teef: want
zij was met jongen; en evenwel wilde zij zoo hard lopen als ooit. Mijn
paerd vloog uit al zijn magt, en nogthans kon ik haar niet dan op een
groten afstand volgen. Zeer onverwagt hoorde ik een getier als van een
gantsche jagt van honden—maar zoo zagt en flaauw, dat ik niet wist,
wat ik daar van maaken moest. Toen ik 'er bij kwam, was ik niet weinig
verbaasd! de haas had in den loop geworpen; 't zelfde kwam mijn teef in
het naazetten over—'er waren even zoo veel jonge hazen als honden. Door
haar bijzonder instinkt liep de eerste, en de andere jaagde, en vong
haar, en dus vond ik mij op het laatst bezitter van zes hazen, en even
zoo vele honden, schoon ik maar met één begonnen was.
Ik herinner mij deze verwonderlijke teef met hetzelfde vermaak en
dezelfde genegenheid, als een schoon poolsch paerd, 't welk voor geen
geld te koop was. Het werd mijn eigendom, door een toeval, dat mij
gelegenheid gaf om met groot voordeel te toonen, dat ik de kunst van
paerden te berijden wel verstond. Ik was op het heerlijk landgoed van
den Graaf PRZOBOSSKY, in _Litthauen_, en bleef in de zaal, bij de
Vrouwen, thee drinken, terwijl de Heeren beneden in den tuin waren,
om een schoon bruin paerd te zien, 't welk zoo even uit de stoeterij
kwam. Zeer schielijk hoorden wij een geluid, waardoor wij merkten, dat
'er eenig ongemak was.—Ik haastte mij daarom naa beneden, en vond
het paerd zoo wild, dat niemand het dorst naderen of beklimmen. De
stoutste rijders stonden verslagen en bedremmeld; wanhoop was op ieders
aangezigt te lezen; wanneer ik in éénen sprong agter op het paerd zat,
het overhoeds aangreep, het geheel mak en tam kreeg, en het, door mijne
kennis van paerden en bekwaamheid in het rijden, in mijn bedwang had.
Ik brandde van begeerte om dit aan de Vrouwen te toonen, en haar voor
onnutte schrikken te bewaaren; daarom deed ik het door één van de open
ramen van de theekamer springen, reed 'er eenigen tijd mede rond,
stappende, rennende, of in een vollen galop; op 't laatst deed ik het
op de theetafel springen, om op dezelve, in 't klein, de lessen te
herhaalen, welken ik het reeds geleerd had: dit stond zeer sierlijk, en
gaf aan de Vrouwen geen klein vermaak: want het beestje deed zijne zaken
zoo verbazend wel, dat niet één kopje of schoteltje brak. Dit deed haar,
en vooral den edelen Graaf, zoo goede gedachten van mij krijgen, dat
hij mij, met zijne gewone vriendelijkheid, verzocht, om toch dit jong
paerd van hem aantenemen, en het te berijden, om roem en overwinning te
behalen, in den veldtogt tegen de _Turken_, welke welhaast, onder het
bevel van den Graaf _van Munnich_, stond geopend te worden.
[Illustratie: III.]
Nooit had ik een aangenamer geschenk kunnen ontvangen, noch waarbij ik
mij gunstiger voorspellingen konde doen bij de opening van den veldtogt,
in welken ik het eerst als krijgsman dienen zoude. Een zoo fraai, zoo
vuurig, en zoo vinnig paerd—zoo mak als een lam, en te gelijk een
BUCEPHALUS, deed mij gestadig denken aan mijnen pligt als krijgsman en
edelman—aan den jongen ALEXANDER, en de verbazende dingen, welken hij
in 't veld verrigt heeft.
Wij trokken te veld, met oogmerk, zoo het onder anderen scheen, om den
roem der Russische wapenen, welke in den laatsten veldtogt van _Czaar_
PETER aan de _Pruth_ een weinig geleden had, weder te krijgen; en dit
oogmerk bereikten wij volkomen, door verscheiden zeer vermoeiende maar
roemrijke togten, onder het bevel van den zoo even genoemden grooten
Generaal.
Zedigheid verbied ieder enkel lid van een leger zig de grote voordelen
en overwinningen, door hetzelve behaald, toe te schrijven, naardien,
volgends het gewoon gebruik, de roem daarvan geheel en alleen ingeöogst
wordt door de legerhoofden, hoe gering ook hunne bekwaamheden dikwijls
mogen zijn; of, 't gene nog verkeerder is, door de Vorsten, of Koningen,
die nooit, dan op vrolijke feestdagen, of bij den wapenschouw hunner
troepen, kruid geroken, nooit een slagveld gezien hebben, noch, buiten
de Wagt-parade, ooit een Corps in slagorde zagen.
Ik wil mij ook geenszins eenig bijzonder gedeelte toeschrijven van den
roem, welken wij in verscheiden gevegten met den vijand behaalden:
wij deden alle onzen pligt, welk woord, in de taal der patriotten,
krijgslieden en edellieden, van eene zeer uitgebreide en verschillende
betekenis en gewigt is; naardien het geenszins om 't even is, op welke
plaats en in welke omstandigheden men zig bevinde, om den waren zin van
de woorden eed, pligt, eer, geweten en dergelijken wel te kunnen
bevatten, en zig daarnaar behoorlijk te gedragen.—Maar deze zaken zijn
te verheven, dan dat burgerverstanden ze alle zouden kunnen bevatten.
Een geval kan ik, echter, niet nalaaten hier te melden. Het bevel
hebbende over eene bende Huzaren, met last en magt om naar bevinding
van zaken te handelen, deden wij verscheiden togten. Het voordeel, 't
welk wij daarin op den vijand behaalden, meen ik, dat billijk aan mijn
beleid, en het goed gedrag mijner brave lieden, welken ik ten strijde
en ter overwinninge aanvoerde, moet toegeschreven worden. Eens hadden
wij het in de voorhoede zeer heet, toen wij de _Turken_ in _Oczakow_
terug dreven. Mijn _Poolschman_ bragt mij altijd in 't heetste vuur. Hier
had ik één der eerste voorposten, en zag den vijand tegen ons opkomen
in een dikke wolk van stof, waardoor ik noch hun wezenlijk getal noch
hunne waarachtige oogmerken ontdekken konde. Om ons zelven insgelijks
door een wolk van stof te dekken, was wel eene gewone voorzigtigheid,
maar hierdoor kreeg ik nog geen kondschap van den vijand, noch het
beandwoordde aan 't oogmerk, waartoe ik was uitgezonden. Hierom liet
ik de flanken aan de beide vleugels zich verstroijen, om zoo veel stof
te maaken, als zij konden; maar ik hield regt aan op den vijand, om
hem zoo veel te nader onder de oogen te zien. Dit laatste gelukte mij
zeer wel: want de vijand stond en vogt maar zoo lang, tot dat hij door
mijne flanken in beweging, en aan 't wijken gebragt werd, en geheel in
wanorde geraakte. Dit was het ogenblik, om met vuur op den vijand in te
vallen.—Wij sloegen hem volkomen, en maakte eene schrikkelijke slagting
onder denzelve—wij dreeven hem niet alleen te rug tot aan de wallen
hunner stad, maar zelfs door de stad heen, 't welk onze bloeddorstigste
verwagting zelfs te boven ging.
De ongemeene gezwindheid van mijnen Litthauër deed mij de eerste onder
de vervolgers zijn. Hier door zag ik, dat de vijand de andere poort van
de stad hals over kop uitvloog, en had wel lust om hem verder naa te
zetten; maar eene markt ziende, oordeelde ik het voorzigtigst om daar
stil te houden, en mijn volk bij één te zamelen. Ik hield stil, mijne
Heeren! op de markt; maar oordeelt over mijne verbaasdheid, dat ik mijn
volk een gantsch eind voor uit moest zijn, naardien ik geheel alleen was
en niet éénen Huzaar hende of omtrend mij kon gewaar worden! Zijn zij
eene andere straat ingeslagen? Of wat is 'er van hun geworden? Zekerlijk
konden zij niet verre meer agter zijn, en moesten zig, ieder ogenblik,
bij mij voegen. Terwijl ik mijne brave maats wagtte, wandelde ik met
mijn paard naa eene waterleiding op de markt, en drenkte het. Het beest
dronk ongemeen veel—met eene onverzaadlijke gretigheid; maar welke
zeer natuurlijk was: want toen ik naa mijne manschap om zag, zag ik dat
mijn arm beest zijn agterste gedeelte, tot aan de lendenen toe, kwijt
was, als of het in tweeën ware doorgehakt; het water liep er weder uit,
zoo als het 'er inkwam, zonder mijn paerd eenigszins te verfrisschen
of eenig goed te doen! Hoe dit toegekomen ware, bleef voor mij eene
verborgenheid, tot dat eindelijk mijn knegt van eenen anderen kant
kwam aan jagen, en onder een vloed van trouwhartige gelukwenschingen en
kragtige vloeken mij verhaalde, dat, wanneer ik den vijand zoo kort op
de hielen na binnen volgde, men het schof[5] had laten vallen, (dit had
ik in de drift niet bemerkt) waar door het agterste gedeelte van mijn
paerd glad was afgeslagen; eerst had dat gedeelte geweldig tegen de
deuren rondom zich geslagen, en was vervolgens naa eene weide, daar kort
bij, gelopen, daar ik het waarschijnlijk nog wel zou vinden.—Terstond
wendde ik, en in een verbazend snellen galop bragt mijn overig half
paerd mij in de weide. Ik vond, tot mijne groote blijdschap, hier de
afgeslagen helft weder; en tot mijne verwondering zag ik dat dezelve
zich met eene bezigheid vermaakte, die zoo wel was uitgedagt, dat tot
heden toe geen _Maitre des plaisirs_, met al zijn vindingrijkheid, in
staat was, om een vermaak uit te denken dat beter voor een hoofdeloos
wezen voegt; om het met één woord te zeggen, het agterdeel van mijn
wonderpaerd had in die weinige ogenblikken reeds eene gemeenzame kennis
gemaakt met de merries, die in de weide liepen, en scheen bij de
vermaaken van zijnen Harem alle zijne geledene smerten te vergeten.
Hierbij kwam nu zekerlijk de kop zoo weinig in aanmerking, dat zelfs
eenige veulens haar aanwezen aan deze uitspanning te danken hadden,
hoewel zij onbruikbaare misgeboorten waren, welken alles ontbrak wat
hun Vader miste toen hij hun voortbragt.
[5] Het schof of _port-cullis_, zijn zwaare vallende deuren, met scherpe
punten van onderen. Men laat ze neervallen, om het binnen komen van
een vijand in eene versterkte stad te beletten.
[Illustratie: IV.]
Daar ik nu zulke onwederleglijke bewijzen had van het leven van de beide
gedeelten van mijn paerd, liet ik terstond onze paerdensmit komen;
zonder zich lang te bedenken kwam deze op den inval, om de beide delen,
terwijl ze nog tamelijk warm waren, wederom aan elkanderen te voegen.
Hij naaide ze vast met takjes en jonge spruitjes van laurierbomen, welke
juist bij de hand waren.—De wond genas; en wat kon een zoo beroemd
paard niet te beurte vallen? de spruitjes maakten wortel in deszelfs
lighaam, groeiden op en maakten een priëel, in de gedaante van een
munnikskap, zoo dat ik naderhand altijd op andere togten kon uitgaan
onder de schaduw van mijne eigene en mijns paerds laurieren.
Van iemand, die een paerd als het mijne kon berijden, zult gij, Heeren!
ook wel andere behendige bedrijven willen gelooven, die U anders
misschien wat fabelachtig zouden voorkomen. Eens dat wij eene stad
belegerden, had de bevelhebber een bijzonder belang om de inwendige
gesteldheid der plaats te weeten. Het scheen ten uiterste moeilijk, ja
bijna onmogelijk, om door alle de voorposten, wachten en werken binnen
te geraaken, en 'er was geen geschikt voorwerp voorhanden, om zoo iets
met hoop van eenen gelukkigen uitslag, te ondernemen. Misschien een
weinig te voorbarig in ijver en moed, plaatste ik mij naast een 36
ponder, die op dat ogenblik op de stad zou losbranden, en, _wip!_ op den
kogel, met oogmerk om mij in de vesting te laaten brengen; maar toen
ik omtrend halfwege door de lucht was kreeg ik allerlei bedenkingen in
den kop, die ik niet kon oplossen. „Ja, dagt ik, gij zult nu wel binnen
komen; maar hoe 'er weder uit? hoe zal het u in de vesting gaan? zal men
u niet aanstonds voor een spion nemen, en u aan de eerste galg de beste
hangen? zulk een bed van eer zal u weinig roem nalaten.” Ik nam hierom
een kort besluit, en bediende mij van de gelegenheid dat een kogel,
eenige schreden van mij af, uit de vesting naa ons leger snelde. _Wip!_
van dien op welken ik zat op dezen over, en zoo kwam ik met onverrigte
zaaken, maar nogtans behouden, in het leger terug.
[Illustratie: V.]
Zoo ligt en vaerdig ik in het springen was, was ook mijn paerd, slooten
noch heggen beletteden mij ooit den kortsten weg te nemen. Eens zette
ik op hetzelve een haas naa, die dwars over den gemeenen weg liep,
wanneer juist een koets, met twee jonge dames 'er in, dien weg kwam,
tusschen mij en den haas. Mijn paerd vloog zoo snel, zonder zich te
stooten, door de koets heen, waarvan de glazen opgetrokken waren, dat
ik nauwlijks den tijd had om mijn hoed aftenemen, en de dames voor deze
vrijpostigheid verschoning te vragen.
[Decoratieve illustratie]