_De Baron wordt krijgsgevangen, en voor slaaf verkoft.—Hoedt
de bijen van den Sultan, welken aangevallen worden door twee
beeren.—Verliest een bij en een zilveren bijl, welken hij naa
de beeren smijt; doch die, door het verdraaijen van zijnen arm,
opvliegt naa de Maan, maar welken hij, door eene vernuftige
uitvinding, naa beneden brengt.—Valt bij zijne terugkomst op de
aarde, en redt zig zelve uit eene diepe kuil.—Redt een wagen,
welke den zijnen, op een smallen weg ontmoet, op eene zonderlinge
wijze. Wonderbaar uitwerksel van de vorst op den posthoren van
zijn koetsier._
Ik was nogtans niet altijd gelukkig[6]. Ik had zelfs het ongeluk, dat ik
voor de overmagt der vijanden moest bukken, en door hun krijgsgevangen
gemaakt, en, het welk nog erger, maar bij de _Turken_[7] altijd
gebruiklijk is, tot slaaf verkoft werd. In dezen staat van vernederinge,
was mijn dagelijks werk wel niet hard en zwaar, maar eerder zonderling
en vervelende. Ieder morgen moest ik de bijen van den Sultan naa buiten
op het veld brengen, den ganschen dag oppassen en tegen den nacht
wederom in hare korven drijven. Op zekeren avond miste ik ééne bij, en
wel ras merkte ik, dat twee zwijnen haar aangevallen waren, om haar te
verslinden, en den honig, welken zij bij zig had, onder elkander te
deelen. Ik had niets bij mij, waarmede ik die dieren kon verjaagen,
dan de zilveren bijl, welke het teken is van des Sultans hovenieren
en landbouwers. Ik smeet dezelve naa de dieven, in hoop van hen te
verschrikken en weg te jaagen, en de arme bij in vrijheid te stellen;
maar door eenen ongelukkigen draai in mijn' arm vloog de bijl naa om
hoog, en bleef gestadig klimmen, tot dat zij aan de Maan raakte. Hoe kon
ik haar weder krijgen? Hoe haar van daar terug haalen? Ik herinnerde
mij, dat de turksche bonen zeer snel opwassen, en tot eene verbazende
hoogte opklimmen. Terstond plantte ik eenen, welke vattede en zoo
spoedig groeide, dat hij zig terstond aan één van de horens van de Maan
vast hegtte. Nu had ik niets anders te doen, dan daar tegen zagtkens en
voorzigtiglijk op te klimmen naa de Maan; alwaar ik behouden aankwam.
Ik had een huis vol werk, eer ik mijne zilveren bijl konde vinden in
een plaats, daar alles de helderheid en glans van zilver heeft; maar
eindelijk vond ik haar in een hoop van kaf en gekapt stroo. Maar helaas!
de weg van wederkeeren was voor mij afgesneden: door de hitte van
de Zon was mijn boon geheel verdord, en geheel onbekwaam tot mijne
nederdalinge. Hierop teeg ik aan 't werk, en maakte mij een touw van dat
kapsel, zoo lang en zoo goed, als ik het ooit geleerd had. Dit maakte
ik aan één van de horens harer bleeke Majesteit vast, en liet mij daar
langs stil afzakken. Ik hield mij vast met de linker hand, en mijne
bijl in de regter hebbende, hakte ik daarmede telkens het lang en nu
nutteloos boven gedeelte van het touw af, knoopte dit aan het onderste
gedeelte weder vast, het welk mij een goed eind wegs laager bragt. Dit
geduurig splitsen en knoopen van het touw maakte het zelve gantsch niet
langer of beter; ook werd ik daardoor verhinderd, om op het land van den
Sultan neder te komen. Ik was nog vier of vijf mijlen, ten minsten, van
de aarde, wanneer het touw brak, en ik op den grond viel, met een zoo
verschriklijk geweld, dat ik geheel in zwijm lag, en mij in een gat vond
meer dan negen vademen diep, 't welk ik, van zoo groote hoogte vallende,
met mijn lighaam in de aarde gemaakt had. Ik kwam weder bij mij zelven,
maar zag geen kans, om daar weder uit te komen. Hierop begon ik met
mijne nagels, welken toen veertig jaren gegroeid hadden, een soort van
trap te graaven, en kwam 'er op deze wijze gelukkig uit.
[6] Deze weinige woorden zijn een voldingend bewijs van des Barons
geloofwaardigheid, en de waarheid zijner geschiedverhaalen. Een
liegende grootspreker is nooit ongelukkig.
[7] De Baron deelde naderhand grootlijks in de gunst van den Grooten
Heer, gelijk uit het vervolg zal blijken.
Door deze vermoeiende les voorzichtiger geworden, overlegde ik het
vervolgends beter, om mij van de zwijnen, die zoo gretig naa mijne bijen
en den honig waren, te ontslaan. Ik bestreek den disselboom van een
veldwagen met honig, en legde mij 's nachts digt daarbij in hinderlaag.
Het geen ik hoopte gebeurde. Een groote beer, door de geur van den honig
gelokt, kwam aanzetten, en begon zoo gulzig aan de punt van den dissel
te likken, dat hij dezelve hoe langer hoe dieper binnen kreeg, tot ze
eindelijk door slokdarm en maag ging en agter weder uitkwam. Nu schoot
ik toe, en stak door het gat, voor aan den disselboom, een pen, om den
likker den aftogt te beletten; en liet hem zoo tot 's morgens zitten. De
Grote Heer, die toevallig daar voor bij kwam wandelen, lachte over deze
klucht dat hij schudde.
Kort daarna werd de vrede met den _Turk_ gesloten: ik kreeg mijne
vrijheid weder, en werd, met andere krijgsgevangenen, terug gebragt
na _St. Petersburg_. Doch ik nam kort daar op mijn afscheid: dit was
ten tijde toen die wonderlijke omwenteling aldaar voorviel, wanneer de
_Keizer_ in zijne wieg, zijne Moeder, de hertog van _Brunswijk_, haar
Vader, de Graaf van MUNNICH, en vele andere personen naa _Siberie_
gebannen werden. De winter was toen door geheel _Europa_ zoo ongemeen
streng, dat de Zon groot nadeel moet geleden hebben, waaraan zij zederd
tot op den huidigen dag gesukkeld heeft. Ik ontmoette daarom ook op
mijne terugreis uit dit land grooter ongelegenheden, dan ik op mijn
vertrek derwaards geleden had.
Ik reisde met den gewonen postwagen; wanneer wij op smalle wegen kwamen,
herinnerde ik den voerman, dat hij op zijn horen zoude blaazen, om
andere reizigers op dezen smallen weg te waarschuwen. Hij blaasde uit
al zijne magt; maar alle zijne pogingen waren te vergeefsch. Hij kon
zijnen horen geen geluid doen geven; dit was onbegrijplijk, en tevens
ongelukkig: want kort daarna kwamen wij een anderen wagen tegen, daar
het zoo smal was, dat wij niet voorbij elkander konden gaan; hierom
sprong ik uit den wagen, en, daar ik zeer sterk was, zette ik hem, met
wielen en al wat 'er in was, op mijn hoofd, sprong daarmede over een
haag, ongeveer negen voeten hoog, in het veld, ('t welk, als men het
gewigt van den wagen in aanmerking neemt, gantsch niet gemaklijk te doen
was) en nam een tweeden sprong, waardoor ik weder op den weg kwam, agter
het andere rijdtuig; toen ging ik om de paerden: één daarvan nam ik op
mijn hoofd, en het andere onder mijn linker arm, en bragt ze op dezelfde
wijze bij onzen wagen, spande ze weder voor, en zoo kwamen wij tegen
het vallen van den avond gelukkig aan eene herberg. Ik vergat bijna te
zeggen, dat het paerd, 't welk ik onder den arm had, zeer vuurig, en
niet boven de vier jaren oud was, dat het een grooten tegenzin toonde
tegen deze geweldige soort van beweging, niets doende, dan schoppen
en slaan; maar dat ik zijne agterste pooten vast hield, met ze in de
zak van mijn rok te steken. Toen wij in de herberg waren gekomen,
ververschten mijn voerman en ik ons zelven eens regt hartelijk voor
alle onze vermoeienissen: hij hong zijn horen aan een spijker naast
den schoorsteen in de keuken, en ik zat in den anderen hoek.
Zeer schielijk hoorden wij: _tereng! teng! teng!_ Wij zagen rond, en
ontdekten nu de rede, waarom de voerman niet op zijn horen had kunnen
blaazen. Zijne geluiden waren in den horen vastgevrozen, en vloogen,
nu ze ontdooiden, bij menigte daar uit. De voerman was hier mede zeer
in zijn schik, omdat hij ons daardoor ten vollen overtuigde, dat hij
waarlijk geblazen had; maar mij verveelde het verschriklijk: want zonder
dat de knaap den horen aan den mond bragt, moesten wij, eenige uuren
lang, alle de deunen hooren, welken hij dien gantschen dag op zijn horen
geblazen had: wij hoorden de _Pruissische marsch_—_Malbroek_—_hoe
helder schijnt die zilverde maan_—_viva den Hertog_—en honderd andere
dergelijke geliefde deunen.
* * * * *
_Naardien sommige reizigers 'er zig op toeleggen, om meer te verhaalen,
dan misschien, strikt gesproken, waar is; zal mogelijk de een of ander
van het gezelschap aan mijne geloofwaardigheid twijfelen. Maar dezen
zegge ik alleen: dat ik hem, wegens zijn gebrek aan geloof, uit al mijn
hart beklaage; en bidde hem, dat hij zijn afscheid neme, eer ik mijne
verdere gevallen, welken niet minder wezenlijk gebeurd en wonderlijk
zijn, als die ik U heb medegedeeld, begin te verhaalen._
[Decoratieve illustratie]
REIZEN
VAN DEN BARON
VAN MUNCHHAUSEN.