IV. HOOFDSTUK.

_Aanmerkingen over het St. Hubert's hert.—De Baron schiet een hert

met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer

door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk

beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't

binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond,

welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor

zijne gantsche kleêrmaker in verwarring geraakt._

Gij hebt meermaals gehoord, mijne Heeren! ik wil ten minsten zoo

onbeschaafd niet zijn, om hier aan te twijfelen, van den beschermheilig

en patroon der jageren en schutteren, den heiligen HUIBERT, en van dat

schoon hert, 't welk aan hem in een bosch verscheen, met het heilig

kruis tusschen deszelfs horens. Nooit heb ik nagelaten, om 's jaarlijks,

in een goed gezelschap, het feest van dezen heiligen te vieren; dit hert

heb ik wel duizendmaal gezien—wel te verstaan geschilderd, in Kerken;

of geborduurd, op de tassen van zijne ridders: zoodat ik, op de eer en

het geweten van een goeden jager, kan verzeren en zweren, dat het zijne

weêrgade te voren nooit gehad heeft, noch tegenwoordig heeft, noch ooit

diergelijk gevonden zal worden, al ontdekte men nog duizend nieuwe

waerelden. Maar laat mij liever verhalen, het gene ik zelf ondervonden

heb. Op een zekeren dag had ik al mijn kruid en lood verschoten, wanneer

ik mij zeer overwagt bevond in 't gezelschap van een overschoon hert,

het welk mij zonder eenige bekommering beschouwde, even als of het wist,

dat mijne zakken ledig waren. Hierom laadde ik terstond met vette aarde,

en deed 'er een handvol kersenstenen op: want ik at van deze smaaklijke

vrugt schielijk zoo veel, als de kortheid des tijds gedoogde. Ik legde

op 't hert aan, en trof het vlak in het midden van het voorhoofd,

tusschen de horens. Het was verbaasd—waggelde—maar behield nog kragt

genoeg om weg te loopen. Een jaar of twee daarna was ik op de jagt in

het zelfde bosch—daar zag ik een schoon hert, met een fraaien volwassen

kersenboom, van tien voeten hoog, tusschen de horens. Op dat ogenblik

herinnerde ik mij mijn vorig avontuur, beschouwde het dier als mijn

eigendom, en schoot het in ééns, dat 'er de damp uitvloog; maar te

gelijk spattede het kersensap mij om de ooren: want de boom was vol

geladen, en dit fruit zoo smaaklijk, als ik het ooit geproefd had. Wie

weet, of niet een of andere ijverige heilige jager, of jagende Abt, of

Bisschop, op gelijke wijze tusschen de horens van _St. Huberts_ hert

geschoten, en het kruis aldaar geplant heeft. Zij zijn ten minsten

altijd bekend geweest, en staan nog te boek, als bekwame planters van

kruisen, en horens wat wonder dan! want ingeval van verlegenheid en

tweestrijd, 't welk den stouten jager niet zelden overvalt, grijpt men

ligt het een of ander strootje aan om zig te redden, en de eene of

andere uitkomst te zoeken, liever dan eene gunstige gelegenheid te laten

ontsnappen.—Ik zelf ben zeer dikwijls in dien staat van beproevinge

geweest.

[Illustratie: II.]

Wat zult gij, bij voorbeeld, van dit volgende wel zeggen? Op zekeren

dag, of liever schemeravond, was ik in _Polen_, in een bosch, en had al

mijn kruit vermorscht. Naa huis gaande maakte een ijslijke beer, met

alle mogelijke spoed, en met open muil, jagt op mij; gereed zijnde, zoo

het scheen, om mij aantevallen. Terzelfder tijd doorzocht ik alle mijne

zakken naa kruid en kogels; maar te vergeefsch.—Ik vond niets dan twee

stompe vuurstenen: den eenen slingerde ik uit al mijn magt in de open

kaken van het gedrogt, tot in zijne keel; dit veroorzaakte hem grote

pijn, en maakte, dat hij zig omkeerde, zoodat ik den tweeden door zijne

agterdeur naa binnen kon zenden. Dit deed een verwonderlijke uitwerking:

want deze vloog na binnen en ontmoette den eersten in den maag, gaf

vuur, en deed den beer met een verschriklijk geweld van één bersten. Zoo

kwam ik 'er voor ditmaal wel af: evenwel zoude ik deze proef niet gaarne

willen herhaalen, of wederom zonder eenigen voorraad een beer ontmoeten.

Waarlijk! 't schijnt of het noodlot 'er zoo wat onder speelt. De

stoutste en de gevaarlijkste dieren komen een mensch schier altijd

tegen, als hij niet gewapend is: als of zij kennis of een zeker gevoel

daarvan hadden.—Zoo stoof eens een vreeslijke wolf zoo schielijk

en zoo digt op mij in, dat ik niets anders doen konde, dan een zeker

werktuiglijk instinkt te volgen, en mijne vuist in zijn opgesperden muil

te steken. Tot allen geluk stak ik door en door, tot dat mijn arm tot

aan den schouder toe 'er geheel in was. Hoe nu mij hier uit te redden?

De staat waarin ik mij bevond, was waarlijk niet aangenaam—met een wolf

van aangezigt tot aangezigt!—wij zagen elkander met weinig genoegen

aan. Trok ik mijn arm terug; dan had het dier mij met te meer woede

aangevallen, gelijk ik uit zijne schitterende ogen zien kon. Daarom

tastte ik door, en greep door zijne ingewanden naa zijnen staart,

keerde hem het binnenste buiten, gelijk een handschoen, en wierp hem

tegen den grond, daar hij bleef liggen.

Het zelfde huismiddeltje zoude weinig gebaat hebben tegen een dollen

hond, die mij korten tijd daarna tegen kwam, in eene nauwe straat te

_St. Petersburg_. Loop, wat ge kunt, dacht ik; en om dit te beter te

kunnen doen, smeet ik mijne pels uit, en vlugtte zoo in een huis. Ik

zond mijn knegt naderhand om de pels, die dezelve bij mijne andere

klederen in de kleêrkamer bragt. Den volgenden dag verbaasde en

verschrikte het geschreeuw van den kaerel mij geweldig: „Om Gods wil,

riep hij, kom hier, mijn Heer! alle uwe klederen zijn dol.” Ik haastte

mij, schoon ik den kaerel voor dol hield; doch vond alle mijne klederen

verstrooid en in stukken gescheurd. De knaap had gelijk in zijn

vermoeden, dat mijne pels dol was. Want ik zag zelf, dat zij aanviel op

een nieuw fijn lakens kleed, 't welk zij op een ongenadige wijze heen en

weer slingerde, en verscheurde.

[Decoratieve illustratie]

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 29 / 49 题