_Aanmerkingen over het St. Hubert's hert.—De Baron schiet een hert
met kersenstenen; het verbazend gevolg daarvan.—Doodt een beer
door eene buitengewone vaardigheid; zijn gevaar aandoenlijk
beschreven.—Wordt overvallen door een wolf, welken hij 't
binnenste buiten keert.—Wordt besprongen door een dollen hond,
welken hij ontsnapt.—De pels van den Baron wordt dol, waardoor
zijne gantsche kleêrmaker in verwarring geraakt._
Gij hebt meermaals gehoord, mijne Heeren! ik wil ten minsten zoo
onbeschaafd niet zijn, om hier aan te twijfelen, van den beschermheilig
en patroon der jageren en schutteren, den heiligen HUIBERT, en van dat
schoon hert, 't welk aan hem in een bosch verscheen, met het heilig
kruis tusschen deszelfs horens. Nooit heb ik nagelaten, om 's jaarlijks,
in een goed gezelschap, het feest van dezen heiligen te vieren; dit hert
heb ik wel duizendmaal gezien—wel te verstaan geschilderd, in Kerken;
of geborduurd, op de tassen van zijne ridders: zoodat ik, op de eer en
het geweten van een goeden jager, kan verzeren en zweren, dat het zijne
weêrgade te voren nooit gehad heeft, noch tegenwoordig heeft, noch ooit
diergelijk gevonden zal worden, al ontdekte men nog duizend nieuwe
waerelden. Maar laat mij liever verhalen, het gene ik zelf ondervonden
heb. Op een zekeren dag had ik al mijn kruid en lood verschoten, wanneer
ik mij zeer overwagt bevond in 't gezelschap van een overschoon hert,
het welk mij zonder eenige bekommering beschouwde, even als of het wist,
dat mijne zakken ledig waren. Hierom laadde ik terstond met vette aarde,
en deed 'er een handvol kersenstenen op: want ik at van deze smaaklijke
vrugt schielijk zoo veel, als de kortheid des tijds gedoogde. Ik legde
op 't hert aan, en trof het vlak in het midden van het voorhoofd,
tusschen de horens. Het was verbaasd—waggelde—maar behield nog kragt
genoeg om weg te loopen. Een jaar of twee daarna was ik op de jagt in
het zelfde bosch—daar zag ik een schoon hert, met een fraaien volwassen
kersenboom, van tien voeten hoog, tusschen de horens. Op dat ogenblik
herinnerde ik mij mijn vorig avontuur, beschouwde het dier als mijn
eigendom, en schoot het in ééns, dat 'er de damp uitvloog; maar te
gelijk spattede het kersensap mij om de ooren: want de boom was vol
geladen, en dit fruit zoo smaaklijk, als ik het ooit geproefd had. Wie
weet, of niet een of andere ijverige heilige jager, of jagende Abt, of
Bisschop, op gelijke wijze tusschen de horens van _St. Huberts_ hert
geschoten, en het kruis aldaar geplant heeft. Zij zijn ten minsten
altijd bekend geweest, en staan nog te boek, als bekwame planters van
kruisen, en horens wat wonder dan! want ingeval van verlegenheid en
tweestrijd, 't welk den stouten jager niet zelden overvalt, grijpt men
ligt het een of ander strootje aan om zig te redden, en de eene of
andere uitkomst te zoeken, liever dan eene gunstige gelegenheid te laten
ontsnappen.—Ik zelf ben zeer dikwijls in dien staat van beproevinge
geweest.
[Illustratie: II.]
Wat zult gij, bij voorbeeld, van dit volgende wel zeggen? Op zekeren
dag, of liever schemeravond, was ik in _Polen_, in een bosch, en had al
mijn kruit vermorscht. Naa huis gaande maakte een ijslijke beer, met
alle mogelijke spoed, en met open muil, jagt op mij; gereed zijnde, zoo
het scheen, om mij aantevallen. Terzelfder tijd doorzocht ik alle mijne
zakken naa kruid en kogels; maar te vergeefsch.—Ik vond niets dan twee
stompe vuurstenen: den eenen slingerde ik uit al mijn magt in de open
kaken van het gedrogt, tot in zijne keel; dit veroorzaakte hem grote
pijn, en maakte, dat hij zig omkeerde, zoodat ik den tweeden door zijne
agterdeur naa binnen kon zenden. Dit deed een verwonderlijke uitwerking:
want deze vloog na binnen en ontmoette den eersten in den maag, gaf
vuur, en deed den beer met een verschriklijk geweld van één bersten. Zoo
kwam ik 'er voor ditmaal wel af: evenwel zoude ik deze proef niet gaarne
willen herhaalen, of wederom zonder eenigen voorraad een beer ontmoeten.
Waarlijk! 't schijnt of het noodlot 'er zoo wat onder speelt. De
stoutste en de gevaarlijkste dieren komen een mensch schier altijd
tegen, als hij niet gewapend is: als of zij kennis of een zeker gevoel
daarvan hadden.—Zoo stoof eens een vreeslijke wolf zoo schielijk
en zoo digt op mij in, dat ik niets anders doen konde, dan een zeker
werktuiglijk instinkt te volgen, en mijne vuist in zijn opgesperden muil
te steken. Tot allen geluk stak ik door en door, tot dat mijn arm tot
aan den schouder toe 'er geheel in was. Hoe nu mij hier uit te redden?
De staat waarin ik mij bevond, was waarlijk niet aangenaam—met een wolf
van aangezigt tot aangezigt!—wij zagen elkander met weinig genoegen
aan. Trok ik mijn arm terug; dan had het dier mij met te meer woede
aangevallen, gelijk ik uit zijne schitterende ogen zien kon. Daarom
tastte ik door, en greep door zijne ingewanden naa zijnen staart,
keerde hem het binnenste buiten, gelijk een handschoen, en wierp hem
tegen den grond, daar hij bleef liggen.
Het zelfde huismiddeltje zoude weinig gebaat hebben tegen een dollen
hond, die mij korten tijd daarna tegen kwam, in eene nauwe straat te
_St. Petersburg_. Loop, wat ge kunt, dacht ik; en om dit te beter te
kunnen doen, smeet ik mijne pels uit, en vlugtte zoo in een huis. Ik
zond mijn knegt naderhand om de pels, die dezelve bij mijne andere
klederen in de kleêrkamer bragt. Den volgenden dag verbaasde en
verschrikte het geschreeuw van den kaerel mij geweldig: „Om Gods wil,
riep hij, kom hier, mijn Heer! alle uwe klederen zijn dol.” Ik haastte
mij, schoon ik den kaerel voor dol hield; doch vond alle mijne klederen
verstrooid en in stukken gescheurd. De knaap had gelijk in zijn
vermoeden, dat mijne pels dol was. Want ik zag zelf, dat zij aanviel op
een nieuw fijn lakens kleed, 't welk zij op een ongenadige wijze heen en
weer slingerde, en verscheurde.
[Decoratieve illustratie]