III. HOOFDSTUK.

_Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den

post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet

vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt

een vos uit zijn vel.—Leidt een oude zog naa hare woning, op

eene nieuwe wijze; en vangt een wilden beer._

Daar het eenigen tijd aanliep eer ik bij het leger geplaatst werd,

leefde ik ettelijke maanden in de volmaaktste vrijheid; dat is te

zeggen, ik verspilde mijn tijd en mijn geld zoo goed, als de beste

edelman het ooit gedaan heeft. Gij kunt U ligt verbeelden, dat ik een

goed gedeelte van beiden verloor buiten de Stad, in 't gezelschap van

zulke heeren, die best weten, welk gebruik zij van het open veld en de

bosschen moeten maken. De herinnering van deze vermaken geeft mij altijd

nieuwe kragten, en verwekt gedurig eene nieuwe begeerte in mij, om

dezelven nog eens te herhalen.

Op een zekeren morgen zag ik door het vengster van mijne slaapkamer,

dat een wijde plas, welke daar niet ver af was, overdekt was met wilde

ganzen en eenden. Zonder dralen nam ik mijn roer uit den hoek van de

kamer, en liep de trappen af, en met zoo groote vaart uit het huis, dat

ik mijn hoofd zeer onvoorzigtig tegen den post van de deur stiet. Het

vuur sprong mij de ogen uit. Dit toeval belette echter mijn voornemen

niet. Maar nauwlijks was ik binnen 't bereik van 't schot gekomen, of ik

bemerkte, tot mijn smert, dat door den geweldigen stoot, welken ik zoo

even gedaan had, de steen van den haan was afgevlogen. Wat nu gedaan?

hier was geen tijd te verliezen. Gelukkig herinnerde ik mij, welke

uitwerking de stoot op mijn gezigt gehad had; ik opende daarom de

pan, leide aan op de vogels, en sloeg met mijn vuist tegen één mijner

ogen[4]. Door een goeden slag sprongen de vonken 'er uit; het schot ging

af, en ik raakte vijftig koppels ganzen, vier koppels eendvogels en drie

koppels teerlingen.—Tegenwoordigheid van geest is de ziel van alle

mannelijke oefeningen. Soldaten en zeelieden mogen daaraan veelmaal hun

behoud te danken hebben; jagers en schutters hebben, voor hunne beste

slagen, aan dezelve geen mindere verpligting.

[4] De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden;

zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze

bijzonderheid verhaalde.

In een heerlijk bosch in _Rusland_ ontmoette ik eens een zeer fraaien

zwarten vos, wiens kostbaar vel ik niet gaarne met een kogel of hagel

wilde schenden. Ik trok daarom den kogel, welke op mijn geweer stond,

terstond af, en nam, in stede daarvan, een zeer scherpen groten spijker;

ik gaf vuur, en raakte den vos zoo knap, dat ik zijn pluim aan den boom

vast spijkerde. Hierop liep ik daar naa toe, trok mijn houwer, gaf hem

een kruissnede over den kop, en zweepte hem toen zoo lang, tot dat hij

uit zijn pels geworsteld was, en denzelven aan mij overliet.

Toeval en goed geluk verbeteren niet zelden onze misslagen: hiervan

had ik, kort daarna, een zonderling voorbeeld, wanneer ik, in het

midden van een digt bosch, twee wilde zwijnen vast aan en regt agter

elkander zag lopen. Mijn kogel trof ze niet; maar alleen het voorste,

dit was een jonge beer, liep weg, en het agterste, eene oude zog, bleef

onbeweeglijk staan, als of het aan den grond genageld ware. De zaak

nader onderzoekende, bevond ik, dat de zog van ouderdom was doof en

blind geworden, en dat zij zig alleen vast hield aan den staart van

haren zoon, die zijne moeder, volgends zijnen kinderlijken pligt,

leidde. Dewijl de kogel tusschen beiden doorgegaan was, had dezelve

dezen nieuwerwetschen leiband, welken de zog altijd in den bek hield,

midden doorgeschoten. Haar vorige leidsman kon haar derhalven niet meer

voordtrekken, en zij bleef ogenbliklijk zoo onbeweeglijk stil staan als

een boom. Ik vatte daarom het stuk staart, 't welk zij nog in den bek

had, leidde het oude beest daaraan naa hare woning, zonder eenige vrees

aan mijne zijde, en zonder eenigen tegenstand en vermoeden van eenig

kwaad aan de zijde van het hulpeloos oud dier.

Deze wilde zoggen zijn anders zeer verschriklijk; maar de beeren zijn

nog veel stouter en gevaarlijker. Hiervan heb ik eens een gelukkige

proef gehad, wanneer ik in 't geheel niets bij mij had om mij te

verdedigen. Juist als ik bezig was mij agter een eiken boom te

verbergen, sprong het woedend dier met zoo veel geweld op mij aan, dat

het zijne slagtanden zoo diep in den boom sloeg, dat het zijnen aanval

niet kon hervatten, noch de tanden 'er weder uit krijgen.—Ho! ho!

dagt ik, nu zal ik u wel haast hebben;—en terstond nam ik een steen,

waarmede ik zijne slagtanden zoo vast in den boom timmerde en zoodanig

boog, dat hij zig niet kon verroeren. Het zwijn moest daar blijven en

wagten tot dat ik van het naaste dorp terug kwam, waarheen ik ging om

touwen en een kar, om het beest wel deugdelijk te binden; en zoo bragt

ik het levendig en behouden in de Stad.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 28 / 49 题