_Eene zonderlinge ontmoeting tusschen den neus van den Baron en den
post van eene deur, met derzelver wonderlijk gevolg.—Hij schiet
vijftig koppels ganzen en ander gevogelte met één schot.—Jaagt
een vos uit zijn vel.—Leidt een oude zog naa hare woning, op
eene nieuwe wijze; en vangt een wilden beer._
Daar het eenigen tijd aanliep eer ik bij het leger geplaatst werd,
leefde ik ettelijke maanden in de volmaaktste vrijheid; dat is te
zeggen, ik verspilde mijn tijd en mijn geld zoo goed, als de beste
edelman het ooit gedaan heeft. Gij kunt U ligt verbeelden, dat ik een
goed gedeelte van beiden verloor buiten de Stad, in 't gezelschap van
zulke heeren, die best weten, welk gebruik zij van het open veld en de
bosschen moeten maken. De herinnering van deze vermaken geeft mij altijd
nieuwe kragten, en verwekt gedurig eene nieuwe begeerte in mij, om
dezelven nog eens te herhalen.
Op een zekeren morgen zag ik door het vengster van mijne slaapkamer,
dat een wijde plas, welke daar niet ver af was, overdekt was met wilde
ganzen en eenden. Zonder dralen nam ik mijn roer uit den hoek van de
kamer, en liep de trappen af, en met zoo groote vaart uit het huis, dat
ik mijn hoofd zeer onvoorzigtig tegen den post van de deur stiet. Het
vuur sprong mij de ogen uit. Dit toeval belette echter mijn voornemen
niet. Maar nauwlijks was ik binnen 't bereik van 't schot gekomen, of ik
bemerkte, tot mijn smert, dat door den geweldigen stoot, welken ik zoo
even gedaan had, de steen van den haan was afgevlogen. Wat nu gedaan?
hier was geen tijd te verliezen. Gelukkig herinnerde ik mij, welke
uitwerking de stoot op mijn gezigt gehad had; ik opende daarom de
pan, leide aan op de vogels, en sloeg met mijn vuist tegen één mijner
ogen[4]. Door een goeden slag sprongen de vonken 'er uit; het schot ging
af, en ik raakte vijftig koppels ganzen, vier koppels eendvogels en drie
koppels teerlingen.—Tegenwoordigheid van geest is de ziel van alle
mannelijke oefeningen. Soldaten en zeelieden mogen daaraan veelmaal hun
behoud te danken hebben; jagers en schutters hebben, voor hunne beste
slagen, aan dezelve geen mindere verpligting.
[4] De ogen van den Baron hebben dit vuur naderhand altijd behouden;
zij schenen vooral meer verlicht te zijn, als hij deze
bijzonderheid verhaalde.
In een heerlijk bosch in _Rusland_ ontmoette ik eens een zeer fraaien
zwarten vos, wiens kostbaar vel ik niet gaarne met een kogel of hagel
wilde schenden. Ik trok daarom den kogel, welke op mijn geweer stond,
terstond af, en nam, in stede daarvan, een zeer scherpen groten spijker;
ik gaf vuur, en raakte den vos zoo knap, dat ik zijn pluim aan den boom
vast spijkerde. Hierop liep ik daar naa toe, trok mijn houwer, gaf hem
een kruissnede over den kop, en zweepte hem toen zoo lang, tot dat hij
uit zijn pels geworsteld was, en denzelven aan mij overliet.
Toeval en goed geluk verbeteren niet zelden onze misslagen: hiervan
had ik, kort daarna, een zonderling voorbeeld, wanneer ik, in het
midden van een digt bosch, twee wilde zwijnen vast aan en regt agter
elkander zag lopen. Mijn kogel trof ze niet; maar alleen het voorste,
dit was een jonge beer, liep weg, en het agterste, eene oude zog, bleef
onbeweeglijk staan, als of het aan den grond genageld ware. De zaak
nader onderzoekende, bevond ik, dat de zog van ouderdom was doof en
blind geworden, en dat zij zig alleen vast hield aan den staart van
haren zoon, die zijne moeder, volgends zijnen kinderlijken pligt,
leidde. Dewijl de kogel tusschen beiden doorgegaan was, had dezelve
dezen nieuwerwetschen leiband, welken de zog altijd in den bek hield,
midden doorgeschoten. Haar vorige leidsman kon haar derhalven niet meer
voordtrekken, en zij bleef ogenbliklijk zoo onbeweeglijk stil staan als
een boom. Ik vatte daarom het stuk staart, 't welk zij nog in den bek
had, leidde het oude beest daaraan naa hare woning, zonder eenige vrees
aan mijne zijde, en zonder eenigen tegenstand en vermoeden van eenig
kwaad aan de zijde van het hulpeloos oud dier.
Deze wilde zoggen zijn anders zeer verschriklijk; maar de beeren zijn
nog veel stouter en gevaarlijker. Hiervan heb ik eens een gelukkige
proef gehad, wanneer ik in 't geheel niets bij mij had om mij te
verdedigen. Juist als ik bezig was mij agter een eiken boom te
verbergen, sprong het woedend dier met zoo veel geweld op mij aan, dat
het zijne slagtanden zoo diep in den boom sloeg, dat het zijnen aanval
niet kon hervatten, noch de tanden 'er weder uit krijgen.—Ho! ho!
dagt ik, nu zal ik u wel haast hebben;—en terstond nam ik een steen,
waarmede ik zijne slagtanden zoo vast in den boom timmerde en zoodanig
boog, dat hij zig niet kon verroeren. Het zwijn moest daar blijven en
wagten tot dat ik van het naaste dorp terug kwam, waarheen ik ging om
touwen en een kar, om het beest wel deugdelijk te binden; en zoo bragt
ik het levendig en behouden in de Stad.