_In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij
verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne
slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met
een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel
waardig zijn._
In het midden van den winter ging ik op reis naa _Rusland_.—Grillig
genoeg! zult gij zeggen, naardien alle menschen de reis naa dat koude
land in 't midden van den zomer doen.—Dit was juist de reden waarom ik
den winter verkoos: want alle reizigers hebben de wegen door het Noorder
gedeelte van _Duitschland_, door _Polen_, _Courland_ en _Lijfland_
als ongemeen slegt beschreven; en niets is natuurlijker en ligter te
begrijpen, dan dat zoodanige wegen door vorst en sneeuw veel beter
worden. De gemakkelijkste manier van reizen is te paerd: deze verkoos
ik daarom. Ook was ik zeer ligt en dun gekleed; en hoe meer ik
Noord-Oostwaard voordging, hoe sterker ongemak ik daarvan ondervond. Wat
moet dan, in dit barre land en koud weder, niet een oud, arm man geleden
hebben, welken ik in _Polen_ op den weg zag liggen, zonder hulp, bevende
van koude, en naauwlijks iets aan hebbende, om daarmede zijne naaktheid
te dekken!
Ik beklaagde de arme ziel!—Hoe zeer ik zelf allergeweldigst door de
gestrengheid van de lucht getroffen wierd, legde ik mijn mantel over
hem heen, en hoorde te gelijk een stem van den hemel, mij wegens dat
liefdewerk zegenen, zeggende:
_„Hiervoor, mijn zoon, zult gij nog in dezen tijd beloond worden.”_
Ik ging voort: nacht en duisternis omringden mij. Ik kon huis noch hof
zien. 't Gantsche land was met sneeuw bedekt, en ik was geheel onbekend
met den weg.
Vermoeid steeg ik eindelijk van mijn paerd af, en bond het vast aan
iets, 't welk naar een stronk van een' boom geleek, en een weinig
boven de sneeuw uitstak. Uit voorzorg nam ik mijne pistolen onder den
arm, en legde mij in de sneeuw neder. Hier sliep ik zoo vast in, dat
ik mijne ogen niet opende, voor 's anderen dags op den vollen middag.
Onbeschrijflijk was mijne verbaasdheid, toen ik zag, dat ik in het
midden van een dorp was, liggende op een Kerkhof. Mijn paerd kon ik
nergends vinden; maar weldra hoorde ik het even boven mijn hoofd.
Opwaards ziende, zag ik het aan zijn' toom hangen, aan den weêrhaan van
den toren. Nu begon ik de zaken eerst te begrijpen: toen ik 's nachts
aankwam, was het Dorp geheel met sneeuw overdekt; maar het weder was
zeer schielijk veranderd, zoo dat ik in den slaap, zeer zagtkens, naar
mate de sneeuw smolt, nederzakte tot op het Kerkhof. Het gene ik in
den donker voor den stomp van een boom, een weinig boven de sneeuw
uitstekende, genomen, en waaraan ik mijn paerd vast gemaakt had, bleek
nu het kruis of weêrhaan van den toren geweest te zijn.
Zonder lang talmen en overleg nam ik één van mijne pistolen, en schoot
den breidel midden door; mijn paerd kwam beneden, en ik vervolgde mijne
reis.[3].
[3] Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd,
't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude
hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt
het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid
te zwetsen.
[Illustratie: I.]
Mijn reisgezel maakte het op weg zeer wel—maar toen ik meer in de
binnenste delen van _Rusland_ kwam, zag ik, dat fatsoenlijke lieden
aldaar in den winter niet te paerd reizen: hierom onderwierp ik mij,
gelijk ik altijd doe, aan het gebruik van het land,—nam eene slede met
één paerd bespannen, en draafde rustig op _St. Petersburg_ aan. Op dezen
togt zag ik, in 't midden van een uitgestrekt bosch—ik kan mij niet wel
herinneren, of het in _Lijfland_ of in _Ingermerland_ zij voorgevallen;
en om beide landen zoude ik gene onwaarheid willen zeggen—een
vreeslijke wolf jagt op mij maken, met al de drift van een razenden
winterhonger. Welhaast overviel hij mij. Er was geen mogelijkheid om
te ontkomen. Ik ging werktuigelijk plat op den grond van de slede
liggen, en liet mijn paerd, of het mogelijk ware ons te redden, zoo hard
loopen, als het kon. Het gene ik wenschte, maar nauwlijks kon hoopen of
verwagten, gebeurde echter een ogenblik daarna. De wolf scheen mij in 't
geheel niet te bedoelen: althans hij sprong over mij heen; en woedend op
het paerd aanvallende, begon hij het agterdeel van het arme dier, 't
welk van pijn en schrik te sterker liep, terstond te verscheuren en van
één te rijten. Daar de wolf over mij heen sprong, spreekt het van zelven
dat dit het eerste middel van mijn behoud was, niet alleen; maar dat
hij ook op de agterste delen van mijn paerd aanviel. En dit was het
tweede middel van mijn behoud, zoo wel, als van den verbazenden spoed,
waarmede ik te _St. Petersburg_ aankwam. Als ik bespeurde, dat ik geheel
ongemerkt voorbij gegaan en behouden was, ligtte ik mijn hooft eens
behendig op, en ontdekte met schrik, dat de wolf zig ruim half in het
lichaam van het paerd had ingedrongen; waartoe hij zig den weg met vrij
wat geweld en kragten moet gebaand hebben; maar nauwlijks was hij
daarin zoo ver gevorderd, of ik trok 'er mijn voordeel uit, en sloeg
hem, met mijn zweep, uit al mijn magt. Deze onverwagte aanval op zijn
agterkwartier verschrikte hem niet weinig; hij liep voorwaards uit al
zijn magt; het paerd viel dood op den grond; maar te gelijk liep de wolf
in deszelfs plaats in 't gareel. Ik deed van mijnen kant niets, dan
aanhoudend op den wolf te slaan, tot dat wij beiden, op een vollen draf,
behouden te _St. Petersburg_ aan kwamen. Dit was niet weinig tegen ons
beider _respective_ verwagting, en nog meer tot verwondering van de
aanschouwers.
Ik zal u niet ophouden, mijne Heeren! met een verhaal van de staatkunde,
kunsten, wetenschappen en andere merkwaardigheden van deze overheerlijke
Hoofdstad van _Rusland_; noch met de verschillende treken en
vermaaklijke voorvallen, welke ik bij de beschaafde inwoners dezer
landen, alwaar de vrouw van den huize altijd gewoon is de gasten met
een kus te ontvangen, gehad heb. Liever bepaal ik mij tot een groter en
edeler voorwerp van uwe aandacht, tot paerden en honden; van welken ik
bevonden heb, dat _Rusland_, zoo wel als van vossen, wolven en beeren
van allerleie soort, meer bezit, dan elk ander gedeelte van de waereld,
bekwaam tot zulke kunsten, veelerlei oefeningen, zwierige en behendige
verrigtingen, welke den Edelman beter uitmaken dan het muffe Grieks, of
Latijn, of alle de soorten van reukwerken, optooizels en versierselen
van _Fransche_ vernuften en kappers.