II. HOOFDSTUK.

_In het welk de Baron toont, dat hij een goed schutter is.—Hij

verliest zijn paerd, en vindt een wolf;—welken hij voor zijne

slede spant.—Hij belooft het gezelschap te zullen onderhouden met

een verhaal van zoodanige dingen, welke deszelfs opmerkzaamheid wel

waardig zijn._

In het midden van den winter ging ik op reis naa _Rusland_.—Grillig

genoeg! zult gij zeggen, naardien alle menschen de reis naa dat koude

land in 't midden van den zomer doen.—Dit was juist de reden waarom ik

den winter verkoos: want alle reizigers hebben de wegen door het Noorder

gedeelte van _Duitschland_, door _Polen_, _Courland_ en _Lijfland_

als ongemeen slegt beschreven; en niets is natuurlijker en ligter te

begrijpen, dan dat zoodanige wegen door vorst en sneeuw veel beter

worden. De gemakkelijkste manier van reizen is te paerd: deze verkoos

ik daarom. Ook was ik zeer ligt en dun gekleed; en hoe meer ik

Noord-Oostwaard voordging, hoe sterker ongemak ik daarvan ondervond. Wat

moet dan, in dit barre land en koud weder, niet een oud, arm man geleden

hebben, welken ik in _Polen_ op den weg zag liggen, zonder hulp, bevende

van koude, en naauwlijks iets aan hebbende, om daarmede zijne naaktheid

te dekken!

Ik beklaagde de arme ziel!—Hoe zeer ik zelf allergeweldigst door de

gestrengheid van de lucht getroffen wierd, legde ik mijn mantel over

hem heen, en hoorde te gelijk een stem van den hemel, mij wegens dat

liefdewerk zegenen, zeggende:

_„Hiervoor, mijn zoon, zult gij nog in dezen tijd beloond worden.”_

Ik ging voort: nacht en duisternis omringden mij. Ik kon huis noch hof

zien. 't Gantsche land was met sneeuw bedekt, en ik was geheel onbekend

met den weg.

Vermoeid steeg ik eindelijk van mijn paerd af, en bond het vast aan

iets, 't welk naar een stronk van een' boom geleek, en een weinig

boven de sneeuw uitstak. Uit voorzorg nam ik mijne pistolen onder den

arm, en legde mij in de sneeuw neder. Hier sliep ik zoo vast in, dat

ik mijne ogen niet opende, voor 's anderen dags op den vollen middag.

Onbeschrijflijk was mijne verbaasdheid, toen ik zag, dat ik in het

midden van een dorp was, liggende op een Kerkhof. Mijn paerd kon ik

nergends vinden; maar weldra hoorde ik het even boven mijn hoofd.

Opwaards ziende, zag ik het aan zijn' toom hangen, aan den weêrhaan van

den toren. Nu begon ik de zaken eerst te begrijpen: toen ik 's nachts

aankwam, was het Dorp geheel met sneeuw overdekt; maar het weder was

zeer schielijk veranderd, zoo dat ik in den slaap, zeer zagtkens, naar

mate de sneeuw smolt, nederzakte tot op het Kerkhof. Het gene ik in

den donker voor den stomp van een boom, een weinig boven de sneeuw

uitstekende, genomen, en waaraan ik mijn paerd vast gemaakt had, bleek

nu het kruis of weêrhaan van den toren geweest te zijn.

Zonder lang talmen en overleg nam ik één van mijne pistolen, en schoot

den breidel midden door; mijn paerd kwam beneden, en ik vervolgde mijne

reis.[3].

[3] Zoude de Baron zoo ongevoelig geweest zijn, dat hij zijn paerd,

't welk zoo lang gevast had, niet behoorlijk gevoerd zoude

hebben? Neen. Hij liet een spint haver geven. Maar hij verzwijgt

het—enkel uit zedigheid—om niet te veel van zijne gevoeligheid

te zwetsen.

[Illustratie: I.]

Mijn reisgezel maakte het op weg zeer wel—maar toen ik meer in de

binnenste delen van _Rusland_ kwam, zag ik, dat fatsoenlijke lieden

aldaar in den winter niet te paerd reizen: hierom onderwierp ik mij,

gelijk ik altijd doe, aan het gebruik van het land,—nam eene slede met

één paerd bespannen, en draafde rustig op _St. Petersburg_ aan. Op dezen

togt zag ik, in 't midden van een uitgestrekt bosch—ik kan mij niet wel

herinneren, of het in _Lijfland_ of in _Ingermerland_ zij voorgevallen;

en om beide landen zoude ik gene onwaarheid willen zeggen—een

vreeslijke wolf jagt op mij maken, met al de drift van een razenden

winterhonger. Welhaast overviel hij mij. Er was geen mogelijkheid om

te ontkomen. Ik ging werktuigelijk plat op den grond van de slede

liggen, en liet mijn paerd, of het mogelijk ware ons te redden, zoo hard

loopen, als het kon. Het gene ik wenschte, maar nauwlijks kon hoopen of

verwagten, gebeurde echter een ogenblik daarna. De wolf scheen mij in 't

geheel niet te bedoelen: althans hij sprong over mij heen; en woedend op

het paerd aanvallende, begon hij het agterdeel van het arme dier, 't

welk van pijn en schrik te sterker liep, terstond te verscheuren en van

één te rijten. Daar de wolf over mij heen sprong, spreekt het van zelven

dat dit het eerste middel van mijn behoud was, niet alleen; maar dat

hij ook op de agterste delen van mijn paerd aanviel. En dit was het

tweede middel van mijn behoud, zoo wel, als van den verbazenden spoed,

waarmede ik te _St. Petersburg_ aankwam. Als ik bespeurde, dat ik geheel

ongemerkt voorbij gegaan en behouden was, ligtte ik mijn hooft eens

behendig op, en ontdekte met schrik, dat de wolf zig ruim half in het

lichaam van het paerd had ingedrongen; waartoe hij zig den weg met vrij

wat geweld en kragten moet gebaand hebben; maar nauwlijks was hij

daarin zoo ver gevorderd, of ik trok 'er mijn voordeel uit, en sloeg

hem, met mijn zweep, uit al mijn magt. Deze onverwagte aanval op zijn

agterkwartier verschrikte hem niet weinig; hij liep voorwaards uit al

zijn magt; het paerd viel dood op den grond; maar te gelijk liep de wolf

in deszelfs plaats in 't gareel. Ik deed van mijnen kant niets, dan

aanhoudend op den wolf te slaan, tot dat wij beiden, op een vollen draf,

behouden te _St. Petersburg_ aan kwamen. Dit was niet weinig tegen ons

beider _respective_ verwagting, en nog meer tot verwondering van de

aanschouwers.

Ik zal u niet ophouden, mijne Heeren! met een verhaal van de staatkunde,

kunsten, wetenschappen en andere merkwaardigheden van deze overheerlijke

Hoofdstad van _Rusland_; noch met de verschillende treken en

vermaaklijke voorvallen, welke ik bij de beschaafde inwoners dezer

landen, alwaar de vrouw van den huize altijd gewoon is de gasten met

een kus te ontvangen, gehad heb. Liever bepaal ik mij tot een groter en

edeler voorwerp van uwe aandacht, tot paerden en honden; van welken ik

bevonden heb, dat _Rusland_, zoo wel als van vossen, wolven en beeren

van allerleie soort, meer bezit, dan elk ander gedeelte van de waereld,

bekwaam tot zulke kunsten, veelerlei oefeningen, zwierige en behendige

verrigtingen, welke den Edelman beter uitmaken dan het muffe Grieks, of

Latijn, of alle de soorten van reukwerken, optooizels en versierselen

van _Fransche_ vernuften en kappers.

De verrezen Gulliver; behelzende de zonderlinge reizen en avonturen, van den baron van Munchhausen, In Rusland, Ysland, Turkije, Egipte, Gibraltar, in de Kaspische, Middellandsche en Atlantische Zeëen, en door het middenpunt van den berg Etna naa de Zuid-zee · 第 27 / 49 题