[1] De Baron wordt ondersteld dit verhaal aan zijne vrienden, onder
het ligten van den beker, te doen.
_De Baron geeft een verslag van zijne eerste reis.—Verbazende
uitwerksels van eenen storm.—Komt op _Ceilon_; vecht aldaar
met twee buitengewone vijanden, en overwint dezelven.—Komt in
_Holland_ terug._
In de dagen mijner jongelingschap, of liever in dien tijd, dat ik man
noch jongeling was, wanneer de vlasbaard den aannaderenden mannelijken
leeftijd eerst aankondigt, had ik de klugtigste ontmoetingen, welken
ooit eenen reiziger zijn voorgekomen. Het scheen, of mijne Ouders
daarvan een voorgevoel hadden: want hoe dikwijls ik mijne zucht
tot reizen te kennen gaf; hoe sterk ik bij hen aanhield, om hunne
toestemming te bekomen, tot het bezien van de waereld; en welke
streken ik ook tot het verkrijgen dezer gunste aanwendde; niets mogt
baten: alles was te vergeefsch. Mijn vader was de standvastigheid
zelve in zijne weigering. Dit verwonderde mij grootlijks, om dat hij
zelf een groot reiziger geweest was; gelijk dit overvloedig blijken
zal, eer ik het verhaal mijner zonderlinge, en, mag ik 'er wel gerust
bijvoegen, belangrijke avonturen geeindigd zal hebben. Maar tot mijn
onuitspreeklijk geluk, zoo ik meende, had een zekere neef van mijns
moeders zijde een groot behagen in mij. Deze verklaarde menigmaal, dat
ik de aardigste jongen van de waereld was, en dat ik buiten 's lands
de grootste vorderingen tot fortuin zoude maken. Dit stond mij wonder
wel aan, en streelde mijne eerzucht niet weinig. Zijne welsprekenheid
had ook meer invloed dan de mijne: want mijn vader stemde eindelijk toe
in zijnen voorslag, dat ik hem op zijne reis naa het eiland _Ceilon_,
alwaar zijn oom al zederd verscheiden jaren Gouverneur geweest was, zou
verzellen.
Wij zeilden met een paketboot uit _Texel_, met gewigtige bevelen belast.
Naardien wij zoo snel zeilden, als hadden wij in een luchtbol de reis
gedaan, gebeurde 'er maar één ding, 't welk aan U verdient verhaald te
worden. 't Was naamlijk de uitwerking van eenen storm, wanneer wij aan
zeker eiland ten anker lagen, om water en brandhout in te nemen. Deze
storm rukte een groote menigte zware bomen, van een verschriklijke dikte
en hoogte, met wortel en al uit den grond. Sommige van deze bomen wogen
ettelijke lasten; en nogthans werden ze door den wind tot zulk' eene
onmeetlijke hoogte in de lucht opgenomen, dat ze niet anders schenen,
dan door de lucht zwevende vederen van kleine vogeltjes: want zij waren
ten minsten vijf mijlen[2] boven de aarde. Maar zoodra was de storm niet
bedaard, of ze vielen allen wederom lijnregt op hunne plaatsen neder, en
groeiden weêr als te voren; behalven één, op welks takken, juist op dat
oogenblik dat de wind denzelven naa de lucht voerde, een man met zijne
vrouw, een zeer geschikt en eerbaar paar volks, komkommers zaten te
plukken: (want dit heilzaam gewas groeit in dat gedeelte van de waereld
aan de bomen): als nu de boom wederom langzaam naa beneden daalde,
gebeurde het, dat dezelve, door de zwaarte van dit paar menschen,
horizontaal nederviel, en wel op den aanzienlijksten man van het geheele
eiland, waar door hij op staande voet stierf. Toen de storm begon, had
hij zijne woning verlaten, uit vreze, dat dezelve mogt instorten en hem
verpletteren; maar zoo als hij zijn tuindeur wederom wilde ingaan, viel
deze gelukkige omstandigheid voor.—Gelukkige?
[2] Als hier en elders enkel van mijlen gesproken wordt, verstaat de
Baron altijd Engelsche mijlen; anders drukt hij zig vollediger
uit en zegt, bij voorbeeld, Hollandsche of Fransche mijlen.
Ja! zeker gelukkige: want, mijne Heeren! dit opperhoofd was de
geweldigste der dwingelanden; en de bewooners van het eiland, zijne
gunstelingen en maitressen niet uitgezonderd, waren de ellendigste
schepzels onder de Maan; de levensmiddelen verstikten in zijne
voorraadschuuren, terwijl zijne Onderdaanen, wien hij ze had afgeperst,
van honger versmagteden; het Eiland had voor genen buitenlandschen
vijand te vrezen, en echter nam hij ieder jong kaerel weg, sloeg
hem met zijn eigen stok tot een held, en verkogt van tijd tot tijd
zijne verzameling aan den meestbiedende der nabuurige Vorsten, om
de Millioenen Schulpen, die hij van zijn' Vader had geërft, met
nieuwe Millioenen te vermeerderen. Dit gedrag maakte hem zoo veel te
veragtelijker, daar hij geene kinderen of naastbestaanden had.—
Meent niet, lieve lezer! dat de Baron hier zonder reden aanmerkt,
dat zijne Excellentie, deze DON PANCHE van de andere waereld, geen
naastbestaanden had. Hij had op zijne veelvuldige reizen te meermalen
waargenomen, dat de schreeuwendste onrechtvaardigheden, de ontmenschtste
wreedheden, door aanzienlijken en geringen, door Vorsten en onderdanen,
in eene blijkbare ongevoeligheid gepleegd werden, onder voorgeven, dat
zij niet zoodanig handelden om zig zelven, maar voor hunne opvolgers
enz.—Hierbij komt nog eene andere reden, welke de Baron echter niet
gaarne algemeen bekend maakte; te weten: op zijn springtogtje door dit
leven was hij niet zelden om geld verlegen geweest. Dit zal U zekerlijk
niet verwonderen; maar als hij zig, in zoodanige gelegenheden, op
eerlijke voorwaarden, welken hij aantoonde te kunnen volbrengen, bij
ongeluk vervoegde bij rijke lieden zonder edelmoedigheid, verwonderde
het hem, dat dezen zig altijd van alle menschlievendheid en
hulpbetoninge ontschuldigden, met te zeggen: dat zij hem zeer gaarne
zouden willen helpen; maar dat zij ook voor de hunnen moesten zorgen;
dat zij over het geld en goed hunner kinderen niet konden beschikken,
en dergelijke blaauwe uitvlugten meer.—--Hierom kwam het den Baron
gantsch niet vreemd voor dat deze gierige en onbarmhartige wreedaard,
zonder kinderen en namagen, bij den landzaat zoo zeer gehaat was. Zijn
dood zagen zij daarom niet alleen aan als de grootste weldaad; maar hoe
toevallig dezelve ook ware, verkoozen zij zelfs, ten blijke hunner
dankbaarheid, de komkommerplukkers tot hunne opperhoofden.
Dit paar had van deszelfs hooge vaart geen letsel gekregen, als een
klein ongemakje aan het gezicht, omdat zij dat licht, 't welk de
oorsprong van alle verlichtinge door deze waereld is, wat al te naa
waren gekomen.—De verduistering, daar door op het Eiland veroorzaakt,
was vrij groot, en ontzettede den Hollandschen schipper dermate, dat
hij zijn _Stichters Almanach_, het eenigste Zeemansboek 't welk hij
wist te gebruiken, uit zijn broekzak haalde, om te zien, of het geen
Zonne-Taning ware; schoon ik hem beduidde, dat het Volle Maan was.—Maar
het ongeluk van deze goede luidjes was het grootste voordeel voor den
Staat; de nieuwe Regent hield zulk een loflijk bestuur, (gelijk ik
naderhand vernomen heb) dat niemand op het Eiland voortaan komkommers
at, zonder te zeggen: _God zegene ons opperhoofd_.
Na dat wij ons van de schade, in dezen aanmerklijken storm bekomen,
hersteld hadden, namen wij afscheid van deze nieuwe opperhoofden;
(zoo moeten wij ze noemen, naardien beiden zig aan het hoofd van de
regeeringe dezes Eilands geplaatst hadden); en zeilden met een zeer
gunstigen wind naa de plaats onzer bestemminge; evenwel niet, voor dat
wij den gedienstigen boom in zijne oude plaats hersteld zagen. Ook was
'er, op een algemeen verzoekschrift, door alle de inwoners ingediend,
door de nieuwe regeering een wet vastgesteld, dat voordaan niemand van
de vrugten van dezen boom zoude mogen eten, zonder vooraf voor den
ondergang van den geweldenaar gedankt te hebben.
Zes weeken na ons vertrek uit _Holland_, kwamen wij op _Ceilon_
behouden aan land, en werden met grote blijken van vriendschap en ware
beleefdheid ontvangen. Het volgend zonderling avontuur zal uwe opmerking
niet geheel onwaardig zijn. Indien echter iemand mijner toehoorderen zoo
bekrompen van begrip mogt zijn, dat hij aan de geloofwaardigheid van
mijn verhaal wilde twijfelen, verzoek ik dat hij, zoo menigmaal hem deze
luim overvalt, zeggen zal BONS! dan zal ik niet één woord meer spreken;
maar als een man van eer waarschuuw ik hem te gelijk dat ik zoo honende
belediging niet zonder voldoeninge zal afwagten.
Nadat wij nog maar veertien dagen op _Ceilon_ geweest waren, ging ik met
een van des Landvoogds Broeders op eene jagtpartij. Hij was een zeer
sterk man, en aan de luchtstreek gewoon zijnde, (het spreekt dus van
zelfs, dat hij aldaar reeds verscheiden jaren gewoond had), kon hij
de geweldige hitte van de zon veel beter verdragen, dan ik. Op onze
wandeling was hij mij een zeer aanmerklijk end' wegs vooruit geraakt,
door een dik bosch, wanneer ik mij nog aan het begin van hetzelve
bevond.
Ik wilde mij nederleggen, om wat uitterusten, aan den dijk van een
breed water, 't welk mijne aandacht getrokken had, wanneer ik meende een
klaterend geraas agter denzelven te horen; dit deed mij om zien, en ik
werd eenen doden gelijk, (en wie zoude niet schrikken?) op het zien van
een' leeuw, die ogenschijnlijk op mij aankwam met oogmerk, om mijn jong,
mager lijf tot zijn ontbijt te nemen, zonder daartoe mijne toestemming
te vragen.—Wat nu te doen in deze ongerustheid? Ik had geen tijd tot
eenig overleg; mijn roer was alleen met ganzenhagel geladen; ander loot
had ik niet bij mij. Om zulk een dier met zoo zwakke toerusting te
doden—daaraan was niet te denken; met dat al hoopte ik, dat ik hetzelve
door het schot zoude verschrikken, en het misschien daar door verjagen.
Ik lei daarom terstond aan, zonder te wagten, tot dat hij binnen mijn
bereik was; maar het schot maakte hem woedend; hij verhaastte zijnen
loop, en scheen met vollen spoed op mij aan te rennen. Ik zag naa
middelen van ontkominge om; maar dit, zoo het mogelijk ware geweest,
verdubbelde mijne verlegenheid, en maakte mijn toestand wanhopig: want
op hetzelfde tijdstip, dat ik mij omkeerde,—ik voel nog een rilling
als ik 'er om denk—ontdekte ik een ijslijk groten krokodil, met wijd
opgesperde kaken, om mij in te slokken. Bedenkt nu, bidde ik U, in
welken staat ik mij bevond! Aan de eene zijde het wijde water, waarvan
ik reeds gesproken heb; aan de andere zijde eene allerverschriklijkste
diepte; een verblijf, zoo als mij naderhand gezegd is, van allerleie
vergiftige slangen; van voren een woedende leeuw; van agteren de Goliath
onder de krokodillen;—met één woord, ik rekende mij zelven voor
verloren, naardien de leeuw nu op zijn agterste zat, juist in het
postuur om mij te overrompelen. Onwillig viel ik, vol schrik en angst,
op den grond, en de leeuw—zoo als naderhand bleek—sprong over mij
heen. Ik lag een geruimen tijd in een' staat, die met geen tong is uit
te spreken, niets verwagtende, dan dat ik ieder ogenblik zijne tanden of
nagels in een of ander gedeelte van mijn lichaam gevoelen zoude; maar
tot alle geluk kwam ik 'er met den schrik af: want eenige seconden plat
op den grond gelegen hebbende, hoorde ik een hevig maar ongewoon geluid,
verschillende van alle soorten van geluid, welken tot nog toe tot mijne
ooren gekomen waren. Geen wonder, waarlijk! want een wijl tijds daar naa
geluisterd hebbende, waagde ik het mijn hoofd eens even op te ligten
en rond te zien, wanneer ik, tot mijne onuitspreeklijke blijdschap,
bemerkte, dat de leeuw, met die verblindende gretigheid, waarmede hij
mij bespringen wilde, voorwaards in den gapenden muil van den krokodil
gevlogen was! Dus was de kop van den een in den muil van den ander!
Beiden worstelden om van elkander los te worden. Op dien zelfden stond
dacht ik gelukkig aan mijn' hartsvanger, welke ik op zijde had. Met dit
gedugt geweer hakte ik den kop van den leeuw in éénen slag af, en zijn
romp viel voor mijne voeten neder! Hierop nam ik mijn ganzen-roer, en
rammeide met de kolf den kop van den leeuw zoo vast in den bek van
den krokodil, dat hij stikte en stierf: want hij kon de kop noch
doorslikken, noch uitspuwen.
Nadat ik alzoo eene volkomen overwinning over mijne beide gedugte
vijanden behaald had, kwam mijn vriend mij opzoeken: want ziende, dat
ik hem in het bosch niet volgde, keerde hij terug, vrezende, dat ik van
den weg was afgeraakt, of dat mij eenig ongeluk bejegend was. Na dat
wij elkander over den overwagten en gelukkigen uitslag geluk gewenscht
hadden, maten wij den krokodil, en bevonden, dat hij volkomen veertig
_Rhijnlandsche_ voeten en zeven duimen lang was.
Zoodra wij te huis gekomen waren, en dit buitengewoon en zonderling
voorval aan den Landvoogd verhaald hadden, zond hij een wagen met eenige
slaven, om de twee dode dieren naa het kasteel te brengen. De huid van
den leeuw was geheel onbeschadigd gebleven, met al het hair 'er op. Ik
maakte 'er vervolgens tabaksdozen van, welke ik, bij mijne terugkomst
in _Holland_, aan eenige aanzienlijke en voorname Heeren ten geschenke
aanbood, waar voor Hun Wel Edelen en Hoog Geboren mij duizend dukaten
wilden vereeren, dat ik met veel moeite van de hand wees.
De huid van den krokodil liet ik op de gewone manier opvullen; en
tegenwoordig maakt ze een zeer aanzienlijk stuk van de verzameling van
zeldzaamheden te A.... uit; alwaar de lijmende man met het stokje, of,
zoo als hij zig zelven nederig gelieft te noemen, de opziener, dezelve
aan iederen nieuwen aanschouwer vertoont, met zoodanige veranderingen
en bijvoegselen als hij goed vindt, en waarvan sommigen de waarheid zoo
wel als de waarschijnlijkheid in een een hogen graad beledigen. Een
dezer oorspronglijke veranderingen luidt: dat de leeuw geheel door den
krokodil sprong, en op het punt was om 'er van agteren geheel weder uit
te vliegen, zonder den krokodil in het minst of in het meest, zoo als
hij zig sierlijk uitdrukt, beschadigd te hebben. Maar dat de grote
Baron, gelijk het hem gelieft mij te noemen, dit niet gewaar werd, of
hij hieuw den leeuw den kop, zo rasch die voor den dag kwam, met nog
drie voeten van den staart van den krokodil 'er bij, af. Ja, deze kaerel
heeft zoo weinig eerbied voor de waarheid, dat hij zig niet ontziet, 'er
somtijds bijtevoegen: dat, zoodra de krokodil zijne gewone lengte miste,
hij zig omkeerde, den Baron den hartsvanger uit de hand rukte, dien
opslokte, en hem met zulke gretigheid naa binnen slingerde, dat zijn
hart doorboord werd, en hij op het ogenblik dood op den grond nederviel.
Ik behoef u, mijne Heeren! niet te zeggen, hoe onaangenaam de
onbeschaamdheid van dezen knaap mij moet zijn. Menschen, die mij niet
kennen, zouden, door diergelijke handtastelijke leugens, in onze
twijffelzieke eeuw, ligt aanleiding krijgen om zelfs aan de waarheid van
mijne bedrijven te twijffelen: iets dat een man van eer in den hoogsten
trap grieft en beledigd.
[Decoratieve illustratie]