uit _Gysbreght van Aemstel_ (1638).
[Deze reizang wordt door de Amsterdamsche hofjuffers gezongen als
Baedeloch in zwijm is gevallen in wanhoop of haar Gysbreght nog ooit uit
het nachtelijk overvallen Amsterdam behouden zal wederkeeren.]
Waar werd oprechter trouw,
Dan tusschen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden?
Twee zielen, gloeênde aaneengesmeed,
Of vastgeschakeld en verbonden
In lief en leed.
De band, die 't harte bindt
Der moeder aan het kind,
Gebaard met wee en smarte
Aan hare borst met melk gevoed,
Zoo lang gedragen onder 't harte—
Verbindt het bloed.
Nog sterker bindt de band
Van 't paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze, jaren lang gespaard,
Een kuisch en vreedzaam leven leidden
Gelijk van aard!—
Daar zoo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart tegader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde komt Gods liefde nader,
Noch schijnt zoo groot.
Geen water bluscht dit vuur,
Het edelst, dat natuur
Ter wereld heeft ontsteken.
Dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bindt, als muren breken
Tot puin in 't end.
Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurd
Van haar beminden tortel;
Zij jammert op de dorre rank
Van eenen boom, verdroogd van wortel,
Haar leven lank.
Zoo treurt nu Aemstelsvrouw,
En smelt, als sneeuw, van rouw
Tot water en tot tranen.
Zy rekent Gysbreght nu al dood,
Die om zijn stad en onderdanen,
Zich geeft te bloot.
O God verlicht haar kruis,
Dat zy den held op 't huis,
Met blyschap mag ontvangen,
Die tusschen hoop en vreeze drijft,
En zucht, en uitziet met verlangen
Waer Aemstel blijft.
[Het _die_ in den vierden regel van dit laatste couplet slaat natuurlijk
terug op het _zy_ van den tweeden regel. Dus: Moge zy, die tusschen hoop
en vreeze dryft, den held met blyschap op het kasteel ontvangen!]
* * * * *