O, wat zon is komen dalen
In den maagdelijken schoot!
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.
Ai, hoe schijnt dit hemelsch kind,
Aller zielen licht en hoeder,
Zon en maan en starren blind,
Uit den schoot der zuivre moeder!
Englen, daalt van 't Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vreê de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.
Ziet hoe staroogt daar een Oude
Achter deze maagd, op 't pand,
Dat de Hemel hem betrouwde;
Dat de kroon van ootmoed spant.
Salomon, vol majesteit,
Rijk van diamanten stralen,
Mag het in zijn heerlijkheid
Bij Gods needrigheid niet halen.
Englen, daalt van 't Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vreê de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.
Komt, gij, koningen en heeren,
U hier spieglen in dit licht;
~Jezus~ zal u ootmoed leeren,
Die Zijn hof in stallen sticht.
Ziet de Moeder, ziet den Zoon.
Kust de windsels, kust de doeken.
Buigt uw hoofden, buigt uw kroon.
Zwijgt, vernuftigen en kloeken,
Englen, daalt van 't Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vreê de harten kroont,
Daar een goede wil in woont.
* * * * *