(_by den dood van myn zoon Constantyn_):
Konstantijntje, 't zalig kijndje,
Cherubijntje van omhoog,
d'IJdelheden, hier beneden,
Uitlacht met een lodderoog.[R]
„Moeder!” zeit hij, „waarom schreit gij,
Waarom krijt gij op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van 't hemelrijk;
En ik blink er, en ik drink er,
't Geen de schinker alles goeds
Schenkt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar paleizen, uit het slik
Dezer werreld, die zoo dwerrelt.—
Eeuwig gaat voor oogenblik!”
[R] Weelderigen blik.
* * * * *