MARTEN HARPERTSZ TROMP (1653)

_Ridder_, _L.-Admiraal van Holland en Zeeland_.

[Men weet, dat onze dichter in den strijd tusschen Cromwell en Koning

Karel I van Engeland warm partij gekozen had vóor den laatste. En had

hij dit eenmaal gedaan, hij spaarde zijn tegenstander niet, dien hij dan

ook als de plaag, 't gedrocht aanduidt:

_Pulchrumque mori succurit in armis_[Q]].

[Q] En 't schijnt ons schoon toe, in 't wapen te sterven.

De plaag van inheemsch en uitheemsch,

't Gedrocht, dat met zijn dolle honden,

In 't bloedig moordhol, aan den Theems,

Den Grooten Herder had verslonden,

Zich dronken zoog aan 's Konings strot,

En knaagde op 't Koninklijk geraamte,

Den romp van hoofd en kroon geknot;

Die moordpest, zonder God en schaamte,

Nu vlammende op een verschen buit

Van Fransch gewas, kwam nederzakken,

En dreef voor stroom den bloedstroom uit,

Om balg en buik met roof te pakken;

Maar die den afgrond palen stelt,

En ketent helsche monsterdieren,

Ontvonkte 't hart van onzen held,

Tot voorstand van zijn Batavieren.

Dees zag den gruwel in 't gezicht,

Die helsch, met vijfmaal veertien koppen,

De zon bedroefde en 't hemelsch licht;

En, om ons' zee haar keel te stoppen,

Zich dwers voor Hollands kielen smeet;

Waarop de ridder aan kwam rennen

Op zijne vleugels vlug en breed,

Voorzien met vijfmaal veertien pennen.

Hij voerde een slagzwaard in de vuist.

Het monster braakte donderklooten,

Granaten, bliksems, baldert, bruist;

Bedreef geweld met staart en pooten;

Blies rook en smook, en vlam en vier

Uit zijne kieuw en koopren kelen;

Maar Hollands Perseus trof het dier,

Dat zalf noch kruid de borst zal heelen.

Drie volle dagen hield hij 't staan.

Hoe beet het op zijn ijzren tanden!

Hoe schoot het toe! gelijk d'Orkaan

Op d'Indiaansche golf en zanden;

Totdat het eindlijk afgemat,

Gescheurd, verminkt, begon te deizen,

En liet ons' rijke vloot, van schat

En rijkdom zwanger, henereizen;

Hoewel 't alreê de vrucht vermand,

Verslonden had, ten roof geschonken

Aan zijn alvratig ingewand,

Van moord en diefstal dol en dronken.

Dus kwam de Hollandsche Admiraal,

Die voor geen zeeheld vlag moet strijken,

Een man, gelijk een punt van staal,

Bij geen Romijnen te gelijken,

Zijn Maasstroom in, en werd begroet

Van 't Vaderland en Zeven Staten,

Die hem verschenen te gemoet,

Ten trots van all', die vroomheid haten.

Wie vreest nu schutgevaart' of scherp,

Of zeegevaarten en watersmetten?

O ~Harpertszoon~, gij zijt ons' harp!

O ~Tromp~, men zal uw deugd trompetten,

Waar 's Hemels gunst ons' Zeevaart bouwt!

U komt een Scheepskroon toe van goud.

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 46 / 62 题