WELLEKOMST

_van den heere_ HUIG DE GROOT,

_t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap._

Wat zaal'ge wind is 't, die, van 't Leliestrand

Den stroom op, in 't ondankb're Vaderland

Hervoert het Delfsche wet-orakel, dat,

Gekofferd, als een kostelijken schat,

Weleer de bange Maas afdrijven kwam,

Totdat de Sein het in haar' armen nam,

En zette dat gebergde Gods-kleenood

Met blijdschap op den koninglijken schoot

Des allerchristelijksten Luydewijcx,

Die 't herberg schonk tot glorie zijnes Rijks;

Opdat het, na 't verstuiven van die wolk

Des druks, verscheen tot heil van 't vrije volk,

En 't misverstand, aanziende 's Helds geduld,

Hem weder eerde, en riep: „Het is mijn' schuld!”

De Vader der welsprekendheid herblonk

Zóo weêr te Rome, als d' ordenloosheid stonk

Van Clodius, die schadelijke pest

Voor 't lichaam van het algemeene best.

Het treurig aanzicht van den Staat dat lacht,

De zwakke wetten voelen nieuwe kracht,

Zelf d' ontucht wordt beschaamd van 't eerlijk licht,

Rechtvaardigheid houdt vreê door evenwicht.

De Rede stemt niets troebel, maar gezond;

Zoo vele steên besluiten uit éen' mond.

Men tast niet meer in blinde duisternis,

Der burg'ren oorbaar 't eenig doelwit is;

En rept' er ergens een van dwingelandij,

Daar oogt men op, als hiel hij Spanjes zij.

O groote ziel! o zon van mijn gezang,

Die weêr verrijst na uwen ondergang,

En ons verheugt met dezen gouden dag,

Dien Holland wel met eere vieren mag;

Wat woorden zal de dankbare gemeent

Best vlijen, als de goudsmid dier gesteent',

Om u t' onthalen op den hoogsten trap,

Van 's kerkers ramp, na zure ballingschap?

O stalen hart, al gloeijend hard gesmeed

O Groothart! met wat hemelschen magneet

Bestreek Standvastigheid uw vast gemoed,

Dat het zoo heet van liefde t' onswaart woedt,

En wraakt de weelde van een aartspaleis,

En kust het land, zijn' strenge stiefmoêr, peis!

* * * * *

Uit: ROSKAM.

_aan den heer_ P. C. HOOFT, _Drost van Muiden_ (1630) (_over de

godsdienst-huichlarij_).

Zoo was uw vader niet, die burger-vader, neen,

Van binnen was hij juist, gelijk hij buiten scheen.

'k Geloof, men had geen gal in dezen man gevonden,

Indien, na dat de dood zijn leven had verslonden,

Zijn lijk waar opgesneên. Hoe was hij zoo gelijk

Dien Burgermeestren, die wel eertijds 't Roomsche rijk,

Door hunne oprechtigheid, opbouwden van der aarde

Ten top, doen d' akkerbouw in achting was en waarde;

Doen deege deeglijkheid niet speelde „raap en schraap,”

En 's vijands goud min gold dan een gebrade raap.

Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel,

Een hoofd vol kreuken, en geweten zonder rimpel!

O ~beste Bestevaêr~! wat waart gij Holland nut!

Een stijl des Raads, toen 't lijf van 't stoksken werd gestut,

Opdat ik ga voorbij ons Catilinaas tijen;

Doen 't Vaderland in last, door twist der burgerijen,

Gij 't leven waart getroost te heiligen den staat,

En doen uw hoofd gedoemd, door 't hoofd van eigenbaat,

Gij geen gedachten hadt van wijken of van wanken.

De wees en weduwen, de ballingen u danken;

Hoewel ge, nooit om dank, hebt zonder onderscheid

Beschenen met den glans van uw goedaardigheid

Ondankbre en dankbre, dien ge kondt ten oorbaar strekken.

O spiegel van de deugd! o voorbeeld zonder vlekken!

Nooit zoopt ge 't bloed en merg der schamele gemeent,

Nocht stopte d' ooren voor haar rammelend gebeent.

Wat liet ge uw zonen na, doen 's levens licht woû neigen?

„Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen!”

Zoo was uw uiterste aâm slechts ware, klare deugd,

Daar gij, vermaarste stad! uw kroon meed' cieren meugt.

* * * * *

KLINKERT (Klinkdicht).

_op de wonderlyke reize van den Hoornschen meerman_ WILLEM CORNELISZ.

SCHOUTEN (1618) _na de uitgaaf van zyn Reisverhaal_.

('t Is een gedicht uit Vondel's vroegen tijd en draagt er de sporen van;

want wel was hij toen al 31 jaar, hij is zeldzaam laat rijp geworden.

Werd hij daarom zoo welig-krachtig, toen die rijpheid eenmaal gekomen

was?)

Als over Hooren blies de faam haar gulden hooren,

Hoe Schouten d' aardenkloot op nieuws was omgegaan

Niet meer als andre, door de straat van Magellaan,

Maar de engte van Lemair, zoo niemand deê te voren;

„Nu is,” sprak Ferdinand, „mijn eerekrans verloren!”

Draak vuur en vlam uitspoog en Thomas zag men staan

Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaân:

„'t Is ~olie~ in het ~vier~ om na iets nieuws te sporen!”

En Spilbergh nauwlijks nog 't gerucht en kwam verrassen:

„Nu leggen” (riep hij) „al mijn ~spillen~ in der asschen!

O Magellaan, vaartwel, Draak, Candish, Olivier,

En Spilbergh, die tot nog geweest zijt trouwe makkers;

't Is heel met ons gedaan; de ~Schout~ komt met zijn rakkers,

Fluks jongens! op een zij, en pakt u weg van hier!”

[Men zou bij dit klinkdicht een college kunnen gaan geven in de historie

der ontdekkingstochten: Ferdinand Magellaan, Lemaire, Drake, Thomas

Cavendish of Candish, Olivier van Noord, Spilbergh—om niet in noten bij

noten te vervallen, zet ik slechts even de door Vondel verwerkte namen

op een rijtje, ter verduidelijking. De aardigheid, de klankspeling,

waar 't ~klinkdicht~ op rust, zal men wel vatten, als men maar bij

de uitdrukking „De schout en zijn rakkers” (rakkers, beulsknechten,

dienders) aan de 16e en 17e eeuwsche politie—en aan den naam van den

ontdekker denkt.]

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 43 / 62 题