HUIG DE GROOT'S VERLOSSING.

Geweld van wallen, dubble gracht,

Ontruste honden, wacht bij wacht,

Beslage poorten, ijs're boomen,

Geknars van slotwerk, breede stroomen,

En d' onvermurwde kastelein

Verzekerden op Loevestein

Den Grooten Huygen, buiten duchten,

Van in der eeuwigheid t'ontvluchten!

Ten waar zijn schrandre gemalin

En drukgenoot en kruisheldin

Een eerlijke uitkomst had gevonden

En hem van lang verdriet ontbonden.

Zij sprak: mijn lief, mijn levenslicht,

(De tranen stonden in 't gezicht)

Sal dees spelonk uw' glans versmoren,

En is uw deugd dit graf beschoren?

Helaas! maar 't is vergeefs gesuft.

Hier helpt geen kermen maar vernuft.

Mijn geest zal nu wat groots bezoeken.[P]

Terstond verandert hij in boeken.

De schildwacht draagt dien vetten buit

Op hare beê voor boeken uit.

Een vrouw belacht al die haar parssen,

En laat hen op de tanden knarsen.

Een vrouw is duizend mannen t'erg.

O eeuwige eer van Reijgerberg,

De volgende eeuwen zullen spreken,

Hoe gij den Haat hebt uitgestreken.

Nadat ze op 't droef gevangenhuis,

Gelijk Marije neffens 't kruis,

Uw' bruigom, onder moordenaren

Gerekend, troostte heele jaren.

Zoo liet de trouwe Michal eer

Haar liefsten Schat met koorden neêr;

Toen Sauls zwaarden hem bezetten,

Gelijk de jagers 't hart met netten.

Aldus werd Lynceus ook gered

In zijn belegerd bruiloftsbed,

Toen zoo veel ledekanten smoorden

In 't gruwlijk bloed der mannemoorden.

Vergun mijn luite dat ze speel'

Het bergen van ons landjuweel,

In 't onweêr, dat het roer vermande,

Toen 't groote schip van Holland strandde.

[P] bezoeken = beproeven.

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 42 / 62 题