Uit: LOF DER ZEEVAART (1623)

_voor_ LAURENS REAEL (1583–1637).

Gelijk een vogel als de dag begint te krieken,

Ter vlucht zich rust, en rekt en wakkert zijne wieken,

Zoo doet mijn zeilbaar vlot en watertreder meê:

Hij spant zijn vleugels uit en maakt zijn zeilen reê.

De wind de doeken vult en doet het hennep klemmen.

De(n) eik de baren spouwt en wint de diepte in 't zwemmen.

Recht als een zwemmer doet die, moedernaakt, ontkleed,

Met handen water schept, en met de voeten treedt,

En stiert, en 't oever ziet al meer terugge deizen,

Zoo neemt ook 't schip te baat al wattet kan in 't reizen.

En als een duif, ter vaart zich gevend, driemaal klept,

„Geeft vier, Konstabel!” is 't, wanneer de kiel zich rept;

Trompetten slaan de locht, met trommels met schalmijen,

Met een vermengd geluid van lachen en van schreien”—

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 44 / 62 题