KLACHTE DER PRINSESSE VAN ORANGIEN OVER 'T OORLOG VOOR 'S HERTOGENBOSCH.

Schoon Prinsenoog, gewoon te flonkeren,

Met zuiver hemelvlam! kan ook

De grimmigheid u dan verdonkeren,

En smetten met een aardschen rook?

Wat tocht verleent die glinsterlichten

Hun zoeten zwier

Om liever brand van Mars te stichten

Dan Venus vier?

Zoo gloriezucht uw zinnen prikkelt

Voert in triomf mijn slavernij:

Een krans van bloemen, blij gespikkeld,—

Geen lauwerkroon en heeft erbij—

Zal ik u vlechten, heel doorwasemd

Op nieuwen vond,

Met geur, mijn handjes aangeasemd,

Van uwen mond.

Op gouden lelien en stralen

Laat trotsen Fransche en Spaansche Kroon;

Om daar een perel af te halen

En streeft zoo niet door duizend doon.

'k Zal d'uw al aardiger doen blaken

Van stee tot stee,

Met traantjes, dauwend op mijn kaken,

Uit minnewee!

Ik poogde 't gloedje van mijn liefde

Misschien te koelen voor een stond

Kon nijptang 't flitsje, dat mij griefde,

Wat trekken uit de diepe wond.

Maar 't schijnt geweerhaakt; dit 's 't mangel.—

Helaas mijn hart

Voelt maklijk inwaarts gaan den angel

Terug met smart!

Mijn zuchtjes, teedere getuigen

Van d'ongeneeselijke kwaal

Die plag uw open oor te zuigen,—

Nu stoppen 't koper en metaal.

Terwijl ge breidelt d'oorlogskansen

Met wal en graft;—

Trompet en schut—och arme!—schansen

Mijn klachten af.

Indien 't u lust Jupijn te spelen

Zijn vriendlijkheen te volgen tracht:

Zijn hoogste lof in menschenkeelen

Noch donder is, noch bliksemjacht.

En beter dat mijn smijdig smeeken

Uw hart verfraai

Dan in gedruisch van slaan en steken

Het veldgeschraai!—

'k Hoor alle daags van versche dooden

Geveld in hol of galerij!

Elk overlijdt aan eigen looden

Maar aller koevoets moorden mij!

Want ik mij elkmaals voel bezeeren

Als van een punt,

Die denk: op 't hoofd met witte veeren

Was dat gemunt.

Wat moogt gij, die u niet en zoeken

Bestooken in hun voordeel gaan?—

Zooveel en is 't niet waard, de vloeken

Van heel Kastielje op zich te laân!

Denkt liever hoe Madril zou stoffen

En zijn verkwikt

Vernam 't van scherp te zijn getroffen

U—Ach mij schrikt!

Maar is om lief, om lijf, om leven,

Om kind, om zoon van Vaders naam

Zooveel op veer na niet te geven

Als om een glorierijke faam;—

Zoo gunt mij dat ik met u rijde

Door koud, door heet;

En voert mij bij het rapier op zijde,

Waar dat gij treedt.—

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 40 / 62 题