Klaare, wat heeft er uw hartje verlept,
Dat het verdriet in vroolijkheid schept,
En, altijd even benepen, verdort,
Gelijk als een bloempje, dat dauwetje schort.
Krielt het van vrijers niet om uw deur?
Moog je niet gaan te kust en te keur?
En doe je niet branden en blaken en braân
Al, waar 't u op lust een lonkje te slaan?
Anders en speelt het windetje niet,
Op elzetakken en leuterig[N] riet,
Als: lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat
Het watertje, daar 't tegen 't walletje slaat.
Ziet d'openhartige bloemetjes staan,
Die u tot alle blijgeestigheid raan.
Zelfs 't zonnetje wenscht u wel beter te moe;[O]
En werpt u een liefelijk oogelijn toe.
Maar zoo ze niet, door al hun vermaan,
Steken met vreugd uw zinnetjes aan,
Zoo zult gij maken aan 't schreien de bron
De boomen, de bloemen, de zuivere zon!
[N] ~leute~ (nog in 't Vlaamsch gebleven): pret, jooligheid.
[O] Zou wel wenschen dat ge beter te moe was!
* * * * *