William Temple[R128] heeft in zijne bekende proeve, ter verklaring van
de oorzaken van den val der Vereenigde Nederlanden in 1672, vernuftig
opgemerkt, dat het verbond van Engeland met Frankrijk, tegen onzen
staat, eene dier krankten heeten mogt, „welke, naar het zeggen der
artsen, bezwaarlijk te herkennen zijn, zoolang hare genezing ligt zoude
vallen, maar door welker verschijnselen de aard der ziekte naauwelijks
aan het licht komt, of de wetenschap heeft er ook geen baat meer voor.”
Dezelfde staatsman veraanschouwelijkte tevens den toenmaligen toestand
onzes vaderlands nog treffender door zijne schets:—hoe die aanvallen
van vreemden werden verzwaard door de verdeeldheid, welke binnen'slands
heerschte,—aan te dringen met de gelijkenis van een ligchaam, aan
ongezonde vochtmenging, aan kwaadsappigheid lijdende, voor 't welk eene
kleine wonde gevaarlijk wordt, waarvoor eene groote doodelijk pleegt te
zijn. Inderdaad, de geschiedenis van dat rampvolle jaar levert ons op
iedere bladzijde bewijzen voor de droeve waarheid, zoo der eene als
der andere stelling. Opgeschrikt uit gewaande veiligheid, waarin hij
geloofde te verkeeren, zag Jan de Witt nauwelijks iedere poging, om
bondgenooten te winnen, verijdeld, of ook de staf, ter tuchtiging van
Karel II tot nog toe zoo roemrijk gezwaaid,[R129] schoot ter afwering te
kort. Vergeefs scheen de Ruyter bij Sole-bay de eere van 's lands vlag
tegen de beide koningsvloten waardig te hebben gehandhaafd. Schier
zonder wederstand te ontmoeten, schier met vliegende vendels, hadden de
mijterdragers van Keulen en Munster zoo Overijssel als Drenthe veroverd.
Lodewijk XIV onderwierp zich de reeks onzer grenssteden sneller, dan
Boileau hare barbaarsche namen konde doen bukken onder het juk des
rijms. Teloorgesteld zonder voorbeeld, daar men de schranderheid des
mans zag vergaauwd, die voor den geslepensten staatkundige zijns tijds
had gegolden; vreezende voor verraad, daar ieder dag in eene nieuwe
jammermare een nieuw blijk der lafhartigheid bragt, waarmede zijn
vertrouwdste dienaars het gevaar ontvloôn, waren weinige weken genoeg
geweest, om een volk der wanhoop prijs te geven, welks voorvaders
tachtig jaren lang in het geweer hadden gestaan, hopende op de hulp van
God. Slechts twee gewesten meer tellende, waarin de oogst door de hoeven
van de rossen des vijands nog niet was platgetreên; met uitzondering
van het manhaftig Groningen, tot Zeeland en Holland beperkt, had het in
zijne radeloosheid naar eenen redder uitgezien, en het Eeuwig Edict was
vernietigd. Helaas, dat ik er moet bijvoegen, had het in zijne woede om
een prooi gehuild, en de gebroeders de Witt waren vermoord!
Vergezel mij, als ge wilt, onder den indruk dier gedachten, ruim zes
maanden later, op een Maartschen morgen des jaars 1673, in een der
vertrekken van het Binnenhof te 's Hage, om een slanken jonkman te
bespiên, die aan een zijner half geopende vensters stond, den blik op
den Vijverberg gevest. Niets zou natuurlijker zijn geweest, dan dat het
liefelijke landschap 't welk zich aan zijne voeten uitbreidde, hem had
geboeid. Het westewindje droeg den wildzang van het gevogelte, uit de
lindelaan aan 's vijvers overzijde, te hoof. De eiland-gaarde, waarin
de nimf van het oord schijnt weg te schuilen, groende reeds. In den
gloor der ochtendzon gingen de golfjes ten dans. Echter zouden wij ons
bedrogen hebben, als wij den drieëntwintigjarige hadden verdacht in
mijmeringen verdiept te zijn; in de lente de bodinne der liefde te
hebben begroet. Hij trad van het venster; hij staarde de dubbele deuren
des vertreks aan, of zijn blik die zou doen openspringen; hij ging
peinzend heen en weêr,—maar zag de oproeijende zwanendrift niet, die u
en mij aan den waterspiegel hadde gekluisterd gehouden, noch verlustigde
zich in de vloeibare paarlen, harer hagelwitte wieken afgeschud.
Verbaast het u? Als ge een' blik op zijn gelaat hadt geslagen, ge zoudt
met mij hebben erkend, dat zijne wangen zoomin werden gekleurd door
den frisschen blos, die overvloed van levenskracht waarborgt, als van
onder zijne wenkbraauwen de geestdrift straalde, waarin natuurschoon
den lieveling der kunst ontsteekt. De hoekige lijnen van het langer
dan eironde gezigt; de zweem van stroefheid, die aan zijne ziekelijke
schraalte viel toe te schrijven, zij zouden misschien een pijnlijken
indruk op u hebben gemaakt, als de adelaarsneus geene kracht had
aangeduid; als ge de magerte niet hadt voorbijgezien, door de majesteit
van den opslag zijner oogen verrukt. Andermaal toch dompelde de
zwanendrift in het vijvervocht; wiekgeklap rees op de lucht; hij
luisterde er een oogenblik naar, en zijn blik schitterde. Ik zou u
zeggen, dat hij er de ruischende vleugels der faam in hoorde, als ik
niet vreesde, dat de gedachte, naar ge wilt, te dichterlijk of te
droomziek heeten mag voor dien slanken jonkman, voor Willem III. Beslis
het zelf, na een oogenblik studie der schets, ons van zijn karakter
geleverd, eene schets, die ik gaarne overneme. „Die jeugdige vorst,”
heet het, „paart aan de groote gaven den koninklijken bloede, waaruit
hij sproot, eigen, de deugden, door welke het volk van het land zijner
geboorte zich onderscheidt;—vriend van stilzwijgen en van nadenken,
leent hij gereedelijk een luisterend oor, en schijnt onderzoek hem lust
te zijn. Hij heeft een even gezond als bedaard verstand; standvastig
in hetgeen hij voorneemt of afslaat, vol ijvers voor zaken, voor
uitspanningen koel;—schoon der godsdienst zijns lands van harte
toegedaan, betoont hij zich liefderijk jegens andersdenkenden;—matig,
hoe weinig zijn leeftijd en de lucht des lands die ingetogenheid
beloven;—huishoudelijk in het dagelijksch leven, en echter onbekrompen
waar het pas geeft. Fier van geest en moedig van harte, dorst hij naar
krijgsroem, blaakt hem de zucht een groot man te worden; maar zou hij
toch die glorie liever verwerven, door zijn vaderland van dienst te
zijn, dan zich zijnen medeburgers te onderwerpen; een vorst, in één
woord, wiens vele deugden door geen enkel groot gebrek in de schaduw
worden gesteld.” De teekening is van de hand eens vriends, zal men
zeggen; doch die tevens, voege ik er bij, de vertrouwde van Jan de Witt
was. Het zijn woorden des mans, die met dezen de ~Triple Alliantie~
stichtte; woorden van Sir William Temple,—schrijf ze niet aan vleijerij
toe. Geen minder groot karakter dan dat, in deze regelen aan Willem III
toegekend, zoude op drie en twintigjarigen leeftijd den moed hebben
gevoeld, in zulk een onweder het roer van staat aan te grijpen; wat meer
zegt, het genie hebben geopenbaard, de veege hulk klip bij klip te doen
ontgaan, tot hij haar eindelijk in veilige haven loodsen mogt. Vreeze en
wanhoop hadden zich van het grootste gedeelte der bewindslieden meester
gemaakt; maar kalm mat de jonkman, in wijsheid zijnen jaren vooruit,
den ganschen omvang des gevaars; maar koen besloot de held dit het
hoofd te biên. De landmagt was ontzenuwd door de keuze van onbekwame
bevelhebbers; was veronachtzaamd om den wille der glorie ter zee. Eer
luttel maanden verloopen waren, bezielde zijn geest de eerste andermaal,
reikte Janmaat die broederlijk de hand, de binnenwateren beschermende.
Een leger te scheppen uit luttele hoopen vlugtelingen, en dat leger te
verdubbelen, te veredelen, door hun, die op den oceaan nooit gevaar
hadden gevreesd, een nieuwe taak aan te wijzen in de verdediging van den
vaderlandschen grond, dat eischte eene zeldzame vereeniging van oordeel
en kennis en was toch nog het grootste meesterstuk niet, van Willem III
gevergd. Verdeeldheid smeulde onder de puinhoopen van het ingestorte
stadhouderlooze gezag. Partijzucht, wrevel, haat ontzeiden hem, of
beloofden hem slechts ten halve, de hulp van menigen arm, van menig
brein. Zoo 's lands redding geen hersenschim blijven zou, moest ieder
man er het zijne voor doen, met vergeting van vroegere veete, met
toewijding van lijf en ziel. De vervreemde hollandsche harten te winnen
was de beste waarborg, dat het hem gelukken zou, den buitenlandschen
vijand af te slaan. En hoe nu uw oordeel uitvalle over het dichterlijke
of droomzieke der gedachte, hem in der zwanen wiekgeklep het ruischen
van de vleugelen der faam te doen hooren, weêrspreken zult ge mij niet,
dat zoo al zijne zucht naar glorie hem daarbij een oogenblik het Sticht
voor den geest bragt, der Fransche plage ter prooi, de pogingen, die hij
ter bereiking van het laatste doel te 's Gravenhage had aan te wenden,
toch zeldzamer gaven eischten, dan het opwerpen eener verschansing, het
beramen van een uitval, het bevel over zijn heir. Hij zelf scheen dat
te gevoelen, heen en weêr gaande in het vertrek, welks wanden ik mij
gaarne voorstel, door een viertal schilderijen bekleed; afbeeldingen van
doorluchtige mannen uit zijn huis, ieder van welke zijn blik gadesloeg,
om zich fluks tot een' van deze lang te bepalen. Overmoed was het
karakter van den ridderlijken jongeling, door de eerste voorgesteld;
overmoed, aanschouwelijk in de fierheid, waarmede dat ideaal van koene
jeugd hem aanstaarde. Wie gist niet reeds, dat ik zijn' vader, dat ik
Willem II bedoele, al wiens drift den zoon door de aders vloeide, maar
in wien wederspoed deze tot deugd had getemperd? Een zucht was zijn
kinderlijk offer en hij ging voort, en zijn blik aarzelde tusschen zijn
grootvaêr en zijn' oudoom; tusschen den beminden vorst, die het snoer
der eendragt winden mogt om onze onderling verdeelde pijlen, en den
bewonderden veldheer, die den evenaar van rijken aan zijne slinke droeg,
tusschen Frederik Hendrik en Maurits. Waarom was hem de dubbele taak
opgedragen, weleer onder die beide verdeeld: het handhaven van de
vrijheid des volks tegen buitenlandsche vijanden, het verwerven der
liefde des volks, in weerwil van binnenlandsche veeten? Waarom.... Hij
vroeg niet verder, hij werd zijnen overgrootvader, hij werd Willem I
gewaar; en schoon hij zich niet weêrhouden kon te wenschen, dezen meer
dan hij deed te mogen gelijken, in de gave aller harten te mijnen, er
was onbeschrijfelijke vertroosting in de heugenis, hoe hij vaak uit
schier hopeloozen toestand gered was door God. Eene eeuw lang was de
Heer met de afstammelingen van dezen geweest, was nog met hem, uit de
verdrukking tot den rang zijner vaderen weder verheven; was dat geweest
niet enkel om hunnentwil, maar ook, maar vooral om dien der zending,
welke Hij hun toevertrouwde, waartoe ook hij zich geroepen dacht.
Slechts zóó beschouwd, gaat Willem III niet boven mijn begrip.
Bedriege ik mij, als ik me voorstelde, dat oogenblikken van
verteedering, van verheffing als deze, behoefte konden zijn voor den
jeugdigen vorst; dat zij hem sterkten voor de taak, die hem in dat uur
beidde? Niets minder toch gold zij, dan te beproeven twee mannen met
elkander te verzoenen, wier pogingen, mits vereenigd, evenveel als zijne
eigene konden bijdragen tot de redding des vaderlands. Alles wat het
hoofd, alles wat beleid ter bereiking van dat doel vermogt, was door hem
overpeinsd en uitgevoerd. Ik herinnerde u straks met een woord, hoe hij
van de zeemagt partij wist te trekken, om den vijand binnen'slands
afbreuk te doen; ik vermeldde slechts de helft zijner wijsheid. Onder
het bestuur des mans, wiens wil zijne bevordering had gedwarsboomd, was
de oceaan niet alleen onze weg ter glorie geworden, zijne golven hadden
den lof van de Witt heinde en verre verbreid. Hoe het voor Willem III's
verlicht verstand pleitte, dat hij het middel geen' haat toedroeg,
waardoor zijn mededinger in staat was geweest, den vorsten van ons
werelddeel eene wijle de wet te geven; dat hij het waardeerde, schoon
het hem geene gelegenheid ter ontwikkeling zijner gaven bood! Eer ge mij
gispt over die hulde voor den vrijdom van eene alledaagsche zwakheid,
verzoek ik u op te merken, hoe algemeen zij ook onder groote mannen
is. Volgaarne herroep ik het echter tevens in uw geheugen, dat de drie
en twintigjarige het niet bij de erkenning der diensten, welke de
vloot ook hem konde bewijzen, liet; dat hij den geest, waarmede de Witt
haar had bezield, weder zocht op te wekken, door het vernieuwen der
verordeningen, die de kennis van dezen had aangegeven en uitgevaardigd;
een maatregel, welke den vorst eere aandeed, terwijl hij een
verzoeningsoffer aan de schim des vermoorden heeten mogt. Doch ik dreig
weder dichterlijk te worden, terwijl ik wilde optellen, wat het hoofd,
wat het beleid had beproefd, om den goeden uitslag van eenen nieuwen
zeetogt te verzekeren. Ik keer er toe weêr, in het gewagen van de
onpartijdigheid, waartoe Willem zich had weten te verheffen, om twee
mannen voor de vloot te behouden, tot zijne komst aan het bestuur door
een' onzaligen twist verdeeld: eene prinsgezinde, die zich gekrenkt
achtte, maar wien hij, ondanks vernieuwde benoeming, van vroeger
ongelijk te overtuigen zocht; een staatsgezinde ... wat zeg ik? Cornelis
Tromp mogt eene partij aankleven, de Ruyter was voor partijschap te
groot,—het vaderland ging hem bovenal. Eere wien eere toekomt! De
geschiedenis getuigt, dat de vlootvoogd den moord der de Witten met
ontsteltenis en droefheid hoorde; dat hij den gruwel verfoeijen dorst,
terwijl die zelfde muze vergeefs den vorst zocht te vrijwaren van
het verwijt, waartoe zijn verzuim, de schuldigen te straffen, der
nakomelingschap regt geeft. Niemand moge het Willem III in die dagen
hebben gezegd, zijn eigen geweten zeide het hem voorzeker, toen de
omstandigheden, die het schenen te verontschuldigen, voorbij waren, toen
de smet kleefde op zijnen roem. Helaas, hij was nauwelijks het derde
tiental jaren ingetreden, toen het geschiedde, en wat hem van de twee en
twintig heugde, waren dagen, weken, maanden, jaren, verbitterd door den
man, wiens slagtoffer hij gedreigd had te worden, wiens uiteinde hem
geene deernis inboezemen kon. Ook onze voortreffelijkste vorsten waren
slechts menschen, zou ik er bijvoegen, als ge de herinnering behoefdet,
als ge om den gevierden wraaklust zoudt weigeren hulde te doen aan de
voorzichtigheid, waarmede Willem III niet eerder aan Tromp het voeren
van het Amsterdamsche Admiraalsschip toestond, vóor hij zich in zijne
tegenwoordigheid met de Ruyter had verzoend. Tromp aarzelde, zegt
de historicus onzer zeetriomfen,[R130] tot hij bemerkte, dat het
de volstrekte voorwaarde, dat het de vaste wil des prinsen was. En
ik weet niet, wat het meest te bewonderen, òf het vooruitziende,
òf het regtvaardige, òf het menschkundige van een besluit, door
den vorst genomen, eer hij nog op de vervulling van den vermelden
eisch aandrong; het besluit, waarbij de Ruyter verheven werd tot
luitenant-admiraal-generaal van Holland en Westfriesland. Een maatregel,
die driedubbel doel trof: verdere mededinging tusschen de vlootvoogden,
die vroeger slechts gelijken titel voerden, te voorkomen; de Ruyter's
weêrgalooze verdiensten regt te doen; Tromp het uitzigt te geven op de
opvolging in deze waardigheid. Het hoofd, herhalen wij gaarne, het hoofd
had alles overpeinsd en uitgevoerd, en het beleid was geslaagd, geslaagd
boven verwachting. Tromp had toegegeven; thans was het de ure voor de
taak van het hart. De beide vlootvoogden waren bescheiden, om binnen
weinige oogenblikken hunne verzoening in 's vorsten tegenwoordigheid te
bezegelen; het zou eene andere, eene hoogere eedsaflegging van trouw
zijn. Wie durft er Willem III minder om achten, als hij zich zelven
gewantrouwd heeft, in hoeverre het hem gelukken zou, den vereischten
indruk te weeg te brengen, dewijl hij niet alleen menschenkennis genoeg
bezat, om te weten, dat hij Tromp stemmen kon, zoo als hij wilde; maar
ook zoo veel zin voor zedelijke grootheid als vereischt werd, om hem te
doen opzien tegen de Ruyter? Het is waar, hij was vorst, en de beide
mannen, welke hij wachtte, waren maar burgers; doch daargelaten, hoe
luttel een hollandsch harte uit de zeventiende eeuw van den aangeboren'
of ingezogen' eerbied voor menschelijke hoogheid wist, waarop zoovele
vorsten tot het einde der achttiende eeuw vermetel zondigden, onze
slanke jonkman streefde te vurig naar eene onderscheiding, die
hij slechts zichzelven, en niet den stam, waaruit hij sproot, zou
verschuldigd zijn, om zijne geboorte in de weegschaal te werpen. Het
is waar, hij had zijne nog niet volkomen verstreken drie en twintig
levensjaren voortreffelijk besteed, en zich gedurende de laatste tien
maanden niet ten deele, maar met al zijne krachten der dienst des
vaderlands gewijd. Doch wat zeiden deze bij den eerbied, dien meer dan
een halve eeuw heldenlevens moest inboezemen; eene halve eeuw, die de
Ruyter de bewondering der wereld verzekerde, en hem echter nederig
genoeg liet, om in den laatsten slag admiraal, kapitein, matroos,
soldaat, om dat alles te gelijk te zijn geweest, om alles te verrichten,
wat zijne hand vond te doen? Hoe Willem III dat beginsel: toewijding
aan zijnen pligt, opmerkte, waardeerde, hulde bragt;—hoe hij er den
oorsprong van ontdekte, in liefde, in dankbaarheid voor een zestig jaren
lang bekroond vertrouwen op den bijstand van „Gods almagtigen arm!”
De deuren gingen open,—Tromp en de Ruyter werden aangediend. Ter
voltooijing der groep, ten einde drieërlei vermaardheid vereenigd te
zien, zou ik schier wenschen, dat de grijze Constantijn Huijgens hen,
als geheimschrijver des prinsen, hadde binnengeleid. Doch hoe dit
geweest zij, Willem III sprak met de warmte der overtuiging, met die
warmte des getroffenen gemoeds, welke alleen waarachtig welsprekend
maakt. Lang van elkander vervreemde handen werden weder ineengeslagen;
Holland zou niet van de wereldkaart worden gewischt. Ziedaar het
tafereel, waarmede ik de galerij onzer roemrijkste eeuw gesloten
wenschte te zien.
Onvoorzichtig genoeg, heb ik in dit opstel de grenzen, mij aangewezen,
misschien meermalen overschreden, door te bepaald uit te drukken, hoe
ik de voortbrengselen eener zusterlijke kunst ter voltooijing van ons
museum verlangde. Er is weinig aan verbeurd, daar ik niet dwaas genoeg
ben mij te vleijen, dat het meer dan vrome, maar vergeefsche wenschen
zullen blijken; en toch wachte ik mij, en dat niet enkel om den wille
der vriendschap, die ik er door krenken kon, het voor dit onderwerp
andermaal te doen. Een der weinige onder onze jeugdige kunstenaars, die
aan liefde voor den stijl van de Hollandsche meesters de studie der
gewichtigste gebeurtenissen in de Hollandsche historie paart[C] heeft
onlangs de stoffe in beeld gebragt, en slaagde, naar het oordeel des
algemeens, daarin niet zoo gelukkig als vroeger zijn „Barendsz” en zijn
„Vondel” regt gaven te hopen. Voor mij, die misschien ook den moed niet
zou hebben gemist, hem mede te deelen, hoe weinig zijn Willem III, met
opgeheven, met zegenende handen, ons de jonkman schijnt, die onder
Jan de Witt geleerd had zelfs zijne gebaren te bedwingen; die niet
aanmatigend genoeg was, om den grijzen de Ruyter Gods zegen te durven
beloven; voor mij, vergun me dit er bij te voegen, voor mij, ik zou ons
verschil over de opvatting niet hebben uitgedrukt, zonder tevens zijn
streven te huldigen. Waarom verzwegen, wat mij bovendien op het hart,
op de tong ligt! Ik zou Cornet[R131] niet hard zijn gevallen over de
misgreep eene ~roode~ hand te schilderen, waarvan slechts de dichter
partij trekken kon, zonder hem tegelijk uit te noodigen voort te
varen, door zijn penseel den indruk van het goede en groote in onze
geschiedenis evenzeer te verlevendigen en te versterken, als Royer dit
door zijnen beitel doet. Voor mij, ik zal niet vermetel genoeg zijn,
nadat hij faalde, de groep waarin Willem III en de vlootvoogden mij voor
den geest staan, om te trekken en aan te bevelen. Volgaarne erkennende,
wat al zwarigheden er in de stoffe schuilen;—hoe hagchelijk eene
onderneming het is, den driftigen Cornelis Tromp te schilderen op
een oogenblik waarin slechts stugheid hem karakter schijnt te geven,
ofschoon eene uitdrukking van edeler zielstoestand wenschelijk zoude
zijn; hoe diepe gemoedsstudie er vereischt wordt, om aan de Ruyter's
goedrondheid regt te doen, zonder haar te laten vervallen in eene, ik
zeg niet ruwe, maar toch wel naar die schaduwzijde zweemende
overdrijving van gebaren, welke men maar te veel met hartelijkheid
verwart;—hoeveel gevoel, of wilt gij liever, hoeveel genie ter nood
volstaat om de voorstelling te vrijwaren van het gebrek, waarvan dichter
en schilder, bij de behandeling van dit onderwerp, om strijd gevaar
loopen ophef te leveren in plaats van eenvoud, rhetoriek voor poëzij,
declamatie, in één woord;—dat alles erkennende, wenschte ik niet
minder onze eerste talenten tot een' wedstrijd over dat feit te kunnen
uitlokken. Immers als een hunner er in slagen mogt, hoe rijk zou de
symbolische zin der veraanschouwelijking zijn, hoe heerlijk zou de groep
de reeks onzer groote mannen besluiten! Oranje en de burgerij, merkten
wij in de beide voorgaande schetsen op, was de hoofdindruk, door de
schilderijen dezer zaal gemaakt. Oranje en de burgerij weder vereenigd,
na de wijle verdeeldheid, die in de dagen van Oldenbarneveldt smeulde,
welke in die van Jan de Witt tot lichtelaaije vlam uitsloeg, zoude in
zulk een tafereel het zegel op onze beschouwing zetten. Oranje, voor
geenerlei glorie des volks koel; Oranje, de zeemagt waardeerende,
uitbreidende, bezielende, schoon hij zelf aan het hoofd der landmagt
schittert;—de burgerij, die van hare veeten afstand doet, om zich
's lands onafhankelijkheid, de wederoprichting des staats uit zijne
bouwvallen, toe te wijden tot in den dood, ziedaar de tweede les, die
ons in beeld zou worden gepredikt. En wel aller verbeelding, aller
verheffing van gedachten vreemd moest hij zijn, die op zulk eene
schilderij starende, hare wieken niet aanschoot, die zich volgende
gebeurtenissen niet dankbaar herinnerde! Of zou het er u niet bij te
moede zijn, als zaagt ge den geest van de Witt de Hollandsche vloot in
den eerstvolgenden zeeslag op Schooneveld omzweven; als zaagt ge dien
dankende opwaarts varen in de ure, toen de Ruyter Tromp te hulp kwam,
en uit het hart van den laatste de woorden welden, waardoor hij de
edelmoedigheid van zijnen redder opwoog?[R132] Of zoudt ge, den jeugdigen
Willem III aanziende, die op drie en twintigjarigen leeftijd zijn
vaderland redde, niet voorgevoelen, hoe hij bestemd was, het later
geheel Europa van de dubbele kluister van Lodewijk XIV te doen, de
voortzetting, de voltooijing der taak, aan zijnen onsterfelijken
overgrootvader opgedragen, in de bevrijding van den menschelijken geest?
[C] Nogmaals verwijzen wij den lezer naar het onder dit opstel
geplaatste jaartal. Het verklaart niet slechts het hierboven
uitgesproken oordeel over onze jongere schilderschool; maar ook de
waarde van geheel den omtrek eener beeldtenis aan wier voltooide
uitvoering Macaulay de onsterfelijkheid dankt.
P.
* * * * *
[Illustratie: XLII. No. 2559. JOH. FR. AUG. TISCHBEIN (1750–1812)
Pastel-portret van _Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen_, gemalin
van _Prins Willem V_.]
Eene klagt over ons volksverval, over ons onbeduidend gewigt in de
weegschaal van ons werelddeel, over ons verloren gezag ter zee, over
wat niet al? was de aanhef dezer beschouwing. Als ooit eene herhaling
verschoonlijk mogt heeten, hier zoude zij het zijn, waar de afneming
onzer glorie onwillekeurig veraanschouwelijkt wordt, niet alleen door
de weinige beeldtenissen, welke wij uit den volgenden tijd, welke wij
uit de achttiende eeuw aantreffen, maar ook door het gehalte der kunst
zelve, dalende tot zij ons {XLII} portretten van vorsten en vorstinnen
uit het Huis van Oranje levert—in pastel. Een hoogleeraar heeft u
onlangs willen vertroosten door eene verhandeling[R133] ten bewijze dat
wij hooger geklommen waren dan wij kracht hadden te blijven staan; ons
is het hier te moede, als waren wij dieper gezonken, dan met zulke
voorvaderen, met zulke voorbeelden, in eene reeks van eeuwen te vreezen
viel. Intusschen, wij herinnerden hier slechts den aanvang van dit
opstel, om den wensch lucht te geven, dat men de stukken uit lateren
tijd dan dien van Willem III elders plaatsen mogt. Onze oude meesters
hebben geene behoefte aan de vergelijking, waartoe zij gelegenheid
biên, om naar waarde te worden geschat. De indruk des geheels, de
historische, lijdt onder die doellooze vermenging. Of hebben wij geheel
ons wit gemist, toen wij na de klagte, waarmede wij begonnen, lieten
doorschemeren, dat de hulde, welke wij den vaderen meenden toe te
brengen, ons, ja, beschamen, maar ook bezielen moest? Een der kleinste
volken van Europa handhaafde twee malen in ééne eeuw de belangen der
menschheid tegen de magtigste staten van het werelddeel,—tegen Spanje,
dat bovendien de beide Indiën beheerschen mogt;—tegen Frankrijk, dat
geene heugenis bewaarde, hoe zijne hervormde bondgenooten[R134] het tegen
Philips II hadden beveiligd. Gevoelen wij vanwaar wij uitgevallen zijn?
Der verschijning van ons gemeenebest in de wereldgeschiedenis, zoo
hoog, zoo heilig een doel toekennende, moesten ons vorst noch volk
ter harte gaan, als zij het doen, zoo wij ons koningrijk in honderde
opzigten niet gaarne meer zagen gelden, dan het tot nog toe doet. Een
oordeel, in hoeverre de pogingen, tot dat einde aangewend, gelukten;
eene verklaring, of ge u opgewekt gevoeldet, naar het voorbeeld des
voorgeslachts, ontwikkeling aller gaven en krachten ten beste des
algemeens pligt te achten, heiligen pligt, staat niet aan mij, maar
aan u. Slechts dit bidde ik u, wijt het, wanneer ik te kort schoot, om
dien indruk te weeg te brengen, wijt het mijner zwakheid, wijt het ons
museum niet. „Der grieksche kunst mogt het gegeven zijn,” als een groot
man heeft gezegd,[R135] „zoowel den voorwerpen der zinnen eene ziel te
bedeelen, als den afgetrokken' begrippen der wijsbegeerte een ligchaam.”
Er is geenerlei gebrek, waaraan onze landaard hinkt, voor 't welk de
Hollandsche schilderschool dier eeuw niet waarschuwt; geenerlei deugd
des landzaats, waaraan we onze vroegere volksgrootheid zijn verpligt,
die zij geenen onverwelkbaren krans heeft gevlochten. Stelden wij er
eenige misschien slechts schemerachtig in het licht, ga die op uwe beurt
zelf aanstaren tot ze u toeschitteren. Daartoe te hebben aangespoord en
uitgelokt, zal ons roems genoeg zijn. „De oude mythologie der Grieken,”
ik haal nogmaals een gezag uit de kunstwereld aan, „leverde overvloed
van stoffe op voor plastische scheppingen; de kunst draaide om de spil
eener levende nationale poëzij.” Beschuldig mij, als ik er niet in
geslaagd ben, u Hollands oorspronkelijke schilderschool te doen huldigen
als eene aanschouwelijking dier met de liefde voor het vorstenhuis
gepaarde vrijheidszucht, welke ons volk niet verloor—dan om onder te
gaan.
1844.