OP MIJNE SCHILDERIJ,

toen GOVERT FLINCK mij uitschilderde, in het jaar 1653.

Ik sluit vandaag een ring van zesmaal ellef jaren,

En zie mijn hoofd besneeuwd, en tel mijn grijze haren,

Ook zonder glazen oog, in deze schilderij,

En nog ontvonkt mijn hart in lust tot poezij;

Terwijl ik Lucifer zijn treurrol leer volspelen,

En met den bliksem sla op hemelsche tooneelen,

Ten schrik en spiegel van de Staatszucht en de Nijd.

Wat is mijn ouderdom? Een rook, een damp, geen tijd.]]

[Illustratie: XXIV. No. 962. WYBRAND DE GEEST (1590–1659)

('t Zoogenaamd _Portret van Piet Hein_)]

Niet ééne toespeling zegt men welligt, niet ééne toespeling

herinnert hier stedemaagd bij stedemaagd, die Frederik Hendrik aan

zijne voeten buigen zag, welke hem als overwinnaar binnen hare

muren ontvingen;—slechts {XXIV} Piet Hein vertegenwoordigt er de

eerste triomfen onzer vloot; haar vader zelfs, Maarten Harpertszoon

Tromp, ontbreekt;—wat verleidde u toch te beweren, dat het zegel, door

dezen vorst op zijnen tijd gedrukt, hier viel te zien? Als ware louter

oorlogsroem het doel zijns levens geweest, neen, als hadde het hem

voldaan, de grenzen des vaderlands te veiligen en uit te zetten; als

hadde hij slechts naar den stoffelijken voorspoed des volks gestreefd!

Stel zijne verdiensten als krijgsman zoo hoog gij wilt, ik ken haar met

u gaarne den man toe, die zich aan de zijde zijns broeders, aan die van

den grootsten veldheer zijns tijds, reeds als jongeling onderscheidde en

in rijperen leeftijd de taak van dezen, het vrijvechten onzer gewesten,

roemrijk heeft voltooid; maar huldig tevens—de vier door mij vermelde

vernuften vergen het van u—huldig tevens in Frederik Hendrik andere

gaven, hoogere deugden, durf ik zeggen, dan aan Maurits ten deele

vielen, dan Maurits in beoefening bragt. Beslisse hij, wiens studie van

ons verleden dieper gaat dan de mijne, beslisse hij, of Willem's derde

zoon 's lands taal niet slechts zuiver sprak, maar ook de bloesems,

ook de vruchten, die onze letterkunde in zijnen tijd aanbood, te

waardeeren wist; er is veel, dat ten voordeele van ons gunstig vermoeden

pleit, in de bijzonderheid, dat de anders zoo verscheidene talenten,

welke hem hier omringen, eenstemmig zijn in den lof zijner heuschheid,

dat ieder hunner hem betreurde als eenen vriend. Weifelt gij nog toe

te stemmen? leen ons verder het oor. Het zou vergeeflijk geweest zijn,

hadde Frederik Hendrik hollandsche proza, hollandsche poëzij maar half

verstaan,—vergeeflijk, zeg ik, den vroegen dood zijns vaders, de

uitheemsche afkomst zijner moeder,[R35] en de aan beide die oorzaken toe

te schrijven voltooijing zijner opvoeding in den vreemde, in aanmerking

genomen;—al bleek het morgen, dat Willem's derde zoon dit niet eens

deed, zijn tijd, zijn toestand zou het verontschuldigen, hij zelf zoude

er niet minder de gevierde beschermer onzer litteratuur om zijn. Immers,

het zou er slechts te duidelijker door aan het licht komen, dat hij

verstandig genoeg was, om geene uitheemsche der inheemsche voor te

trekken; beschaafd genoeg, in den echten zin des woords, om de behoefte

zijner landgenooten aan de laatste te begrijpen. Dat de jongere tak der

Nassau's, die den zijnen verving, hadde opgemerkt, welk een voorbeeld

hij in dit opzigt gaf; dat verlicht eigenbelang, dat kennis onzes tijds,

het volgen deed! Hoe vurig heeft de ontluikende, de in de dagen zijner

jeugd nog onbeschaafde dichtkunst, de gunsten, welke Frederik Hendrik

haar bewees, hem bij tijdgenooten en nakomelingschap dank geweten; hoe

honderdvoudig heeft hij alles, wat hij voor onze letteren veil had,

weder ingeoogst, in hare vermelding van de wijsheid van zijn hoofd,

van de goedheid van zijn harte, in haren lofzang op de beschaving van

zijnen geest, op de verdraagzaamheid zijn gemoeds! Zie, de oorlogsroem,

welke Maurits' oogappel was, zij te regt elk, die den naam van Oranje

draagt, dierbaar; maar de liefde, welke zijn jonger broeder zich

verwierf, de liefde des volks, die oorsprong nam uit zijnen zin voor

verstandelijke verlichting, gelde het hart der nazaten van den eersten

Willem nog meer! Europa's voorkomen is sedert tot onkenbaar wordens toe

verkeerd; onze naburen zijn ons boven het hoofd gewassen; Engeland

heerscht op den oceaan, Frankrijk verwezenlijkte een oogenblik het

droombeeld, dat het heel het vasteland tarten kon; de kolossus van het

Noorden is ontwaakt, en de markgraaf van Brandenburg een der monarchen

van ons werelddeel geworden;—van de beide kransen, weleer om de kruinen

onzer stadhouders blinkende, is er slechts één meer binnen het bereik

van hun nageslacht. Dat het zich trooste: het is de zeldzaamste, het is

de schoonste tevens. Frederik Hendrik's tijd was onze gulden eeuw van

kennis en kunst;—ge zult niet ongeduldig worden, hoop ik, zoo wij bij

ieder der beeldtenissen, die beide vertegenwoordigen, een oogenblik

stilstaan.

[Illustratie: XXV. No. 1659. PAULUS MOREELSE (1571–1638).

_Maria van Utrecht._ (1555–1629) (geschilderd 1615).]

[Illustratie: XXVI. No. 407. DAVID BAILLY (1584–1657).

_Maria van Reigersbergh._ (1589–1653) (geschilderd in 1626.)]

De Cats van het museum, de Cats van Miereveldt, is niet de eerwaardige

grijsaard, ons door Ravestein veraanschouwelijkt, niet de twee en

tachtigjarige, dien ge voor Feith's uitgave zijner werken ziet;—ik

wenschte, dat hij het ware! „Vader Cats,” zegt het volk; „vader Cats,”

zong zelfs Bilderdijk, die het anders zelden met het volk eens was;

„vader Cats,” zeide menigeen, het hoofd schuddende bij vroegere

opstellen in de „Gids,” welke niet van onvoorwaardelijke sympathie met

dezen volkszanger van het voorgeslacht getuigden;—vader Cats, vadere

men zoo veel men wil, waarom zouden wij aarzelen, bij deze gelegenheid

andermaal voor ons gevoelen uit te komen, dat we, spijt onzen eerbied

voor zijne verdiensten, Vondel boven allen, en Hooft schier dezen

gelijk, en na beide, zelfs Huygens op de ontwikkeling van wat er

voortreffelijks in onzen volksaard schuilt grootere aanspraak toekennen,

dan het hoofd der Dordtsche school? Vader Cats... inderdaad, wij hebben

behoefte aan de sneeuwwitte lokken; aan de kruin, door het fluweelen

kalotje voor wind en weder gedekt; aan de hooge jaren en den ernst,

dien zij medebrengen, om geduldig het oor te leenen aan den lof voor

wijsheid, hem zoo kwistig toegezwaaid. Bij den man van middelbaren

leeftijd, ons door Miereveldt hier veraanschouwelijkt, bij dit

bloeijende, blozende gelaat, grijpen wij moed tot de vraag: „welk deel

hij genomen heeft aan de bewegingen zijns tijds, woelig als die was,

welke rigting hij voor den geest zijns volks de wenschelijkste achtte?”

Op de eerste blijven zijne vurigste bewonderaars evenzeer het antwoord

schuldig, als de schilderij voor ons; op de tweede vinden wij het in

zijne werken, in de voornaamste van deze, in „Huwelijk” en „Trouwring,”

zoo ge wilt. Intusschen, hoe waar wordt zijne afbeelding door

Miereveldt, als gij haar met 's mans leven vergelijkt: alle sterk

sprekende individualiteit ontbreekt in beide. Zoo gij niet wist, dat

de eerste Jacob Cats voorstelde, zij zou u nooit om den wille des

geschilderden hebben geboeid—zoo 't laatste aan zijne werken niet

voorafging, dat van den „Raadpensionaris” zou luttel belang inboezemen.

Eer ge mij van onbillijkheid beschuldigt, bid ik u, de karakteristieke

gelaatstrekken van Huygens, van Hooft, van Vondel, beurtelings met die

dezer schilderij te vergelijken; ook zonder een Lavater te zijn, merkt

men het onderscheid der physiognomiën op. Eer ge heiligschennis roept,

verzoek ik u den uitslag der gezantschappen van den Heere van

Zorgvliet over te stellen tegen die der zendingen van den Heere van

Zuylichem.[R36] Of acht ge deze te zeer verscheiden, welnu, doe het

dan den stijl, waarin de eene als de andere ons in hoogen ouderdom er

vertrouwelijk verslag van gaven. Hooft bragt als Drossaard dezelfde

verdraagzaamheid in beoefening, die hem als dichter, als denker

onderscheidde; wanneer gevoelde Cats eene liefde voor vrijheid, als op

iedere bladzijde der „Nederlandtsche Historiën” blaakt? En denk u Vondel

eens, in de plaats van den Raadpensionaris, in het kabinet van Willem

II, toen deze den laatste kennis gaf van den aanslag op Amsterdam. Zou

de dichter van „Palamedes” zich vergenoegd hebben met des vorsten

afscheping: „Schrijf, secretaris!” Waartoe heeft Feith[R37] toch van

Cats getuigd, dat hij ons, ook als staatsman, „altijd onzen eerbied

ontweldigt,” terwijl hij zich verpligt gevoelt er op te laten volgen:

„dat deze nergens schittert,” en dit dan weder goedmaakt met: „maar ook

overal vinden wij hem grooter, dan hij schijnt te zijn; mogelijk is dit

laatste het zekerste kenmerk van ware verdiensten?” Waartoe heeft de

Vries[R38] in den overvloed der gedichten van Cats naar een schaarsch te

vinden bewijs gedoken, dat hij belang stelde in 's lands roem ter zee,

terwijl datzelfde vers ieder, die het leest, koel laat, middelmatig,

redeneerziek als het uitviel? Waarlijk, wij, die den weêrzin niet

verheelen, welke ons de figuur inboezemt die hij tegenover de krachtige

bewindslieden zijns tijds maakte, wij doen zijner nagedagtenis geen

onregt, als zij, die hem verdiensten opdringen, welke hij niet bezat.

Indien Cats van ganscher harte man van zaken, man des bedrijvigen

levens, man onzer glorierijke zeventiende eeuw was geweest, met de

dichterlijke gaven, hem bedeeld, had hij niet enkel de pligten en

regten des huwelijks gezongen,[R39] ware niet louter de minne scheering

en inslag zijner schriften geweest. Een blik op de schilderij voor ons,

en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift

dan van togt had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht,

welke voor iets hoogers dan instinct past;—dat hem iets grof zinnelijks

aankleefde, 't geen ons minder ergert, wanneer Huygens het in de

volkstaal lucht geeft,[R40] wanneer het Hooft in zijne liedjes dartel

doet worden, wanneer Vondel er in enkele bruiloftszangen tot wulpschheid

door wordt verleid, dan als Cats het ontleedt en verklaart en toelicht,

de natuurlijke historie van ik weet niet wat al! Onze oude kluchtspelen

worden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds; maar het

ontsluijeren van iedere geheimnis schijnt in Cats niemand te stuiten,

dewijl hij daardoor slechts „waarschuwen wou.” Houde men ons de vraag

ten goede, welke soort van nieuwsgierigheid er gescholen hebbe in de

gretige lezing zijner werken gedurende de laatste helft der zeventiende,

gedurende de eerste der achttiende eeuw? Het zijn bedenkingen,

gedachten, vragen, die ons van het hart moesten, als zoovele indrukken

van Miereveldt's beeldtenis, vergeleken met vele verhalen uit den

„Trouwring,” afgewisseld als deze worden door dissertatiën, die ons wel

eens verleid hebben tot den wensch: „Ach, hadde Cats maar liever eene

tweede vrouw genomen!” En nu de keerzijde van den penning, den goeden

invloed door hem uitgeoefend, de schare van lezeressen, die hem gegronde

aanspraak geeft, met de drie overige vernuften den gulden tijd van

Frederik Hendrik te vertegenwoordigen. Trots het vervelende zijner

versificatie, onvergeeflijk als die was, daar Hooft's gedichten vóór

de zijne het licht zagen; trots het leuningstoelige eener dichtsoort,

die doorgaans vertelde, allerbegrijpelijkst, het is waar, maar ook

~abc~'swijze, zonder verwikkeling van knoop, zonder vragen, of de lange

redenen in den mond der sprekers pasten; trots al het achterlijke van de

theoriën der Dordtsche dichtschool, in één woord, tegenover die der

Amsterdamsche, maakte Cats opgang, voorbeeldeloozen opgang, opgang, door

dien van Vondel zelfs niet geëvenaard;—het waarborgt verdiensten, welke

al die gebreken overtroffen. Mogt het mij gelukken deze regt te doen in

de omtrekken van een genreschilderijtje, dat begaafder hand dan de mijne

op het doek overbrenge! Gedurende de laatste jaren van het bestand met

Spanje bood eene landhoeve bij Grijpskerke in Zeeland dikwerf eene

schoone groep aan: een jeugdig echtpaar en hun spelend kroost. Laat de

kleinen, jongens en meisjes, vier, vijf in getal, laat ze rondspringen

naar het hun lust, ik wensch uwe aandacht te vestigen op de oogen der

moeder, die over hen gaan, terwijl zij het oor leent aan haren gade; ik

wensch u vooral hém te doen zien. Eene veder ter hand, een blad papiers

voor hem, leest hij met welluidende stem verzen voor, verzen even

zoetvloeijende als de beek, maar neen, die faalt ongelukkigerwijze aan

het landschap, even zachtkens ruischende als het hooge geboomte, in

welks lommer de dichter zit. Immers, hij is het, al ademt zijn werk

de kalmte van het oord, al hebben de toestanden, welke hij schildert,

zoomin iets hartstochtelijks, als de natuur, welke het paar omringt,

iets verhevens heeft. Het eigenaardig karakter des geheels, van de groep

als van het gedicht, is huisselijk, is hollandsch te zijn. Behoef ik

u nog te zeggen, dat Cats zijner vrouw „~het Houwelijck ofte gantsch

beleid des echten staets~” hooren doet? Hoe karakteristiek is dat

toevoegsel, dat ~gantsch beleid~, in den mond van dien man! Tweemalen is

hij verliefd geweest, vóór hij der vrouwe, die naar hem luistert, hart

en hand bood; tweemalen op het punt te huwen, en echter deed hij het

niet dan met haàr. Laat mij het u als episode mogen vertellen, op de

schilderij zoudt ge er niets van zien. Wat zijnen eersten liefdehandel

deed afbreken—het woord past voor den tweeden of het er voor gesmeed

ware—verhaalt hij u als ge het hem vraagt. Hij kreeg in den Haag, waar

het meisje woonde, de koorts; men ried hem, om haar kwijt te raken, de

koorts namelijk, verandering van lucht, een uitstapje naar Engeland aan.

Hij verliet den Haag en zijn liefje. Waarom hij het laatste niet weder

opzocht, toen hij naar Holland terugkeerde, vertelt hij u niet—daar hij

dan fluks van zijnen tweeden liefdehandel ophaalt. Het geviel, dat hij

te Middelburg in de Fransche kerk minder naar de predikatie luisterde,

dan naar een mooi meisje keek—is het u nooit zoo gegaan?—mij weleens,

al ging ik, te huis gekomen, zoo verre niet als Cats, om fluks een

hupschen minnebrief te schrijven. Het spijt mij in één opzigt nu, dat ik

het niet deed; immers, de tijd is thans voorbij, om de proef te nemen,

of ik even gelukkig zou zijn geweest als hij was.[R41] De jonkvrouw gaf

der eerste bede dadelijk gehoor; op het bescheiden uur kwam zij des

avonds voor de deur, zooals hij haar verzocht had. „Het was of hem de

hemel opging,” zegt hij. Zij bloosde, ze zag hem aan; ik wil niet

ondeugend genoeg zijn eenige stippen te laten volgen. Genoeg, hij vroeg

haar; hij zou haar hebben gehuwd, als een gedienstig vriend hem niet

had verhaald, dat haar vader om zijne bankbreuk werd veracht. Arm,

mooi meisje! Cats nam haar niet—het ~gantsch beleid~, zeiden we. Hij

beweert, dat hij voor haar in den dood zou zijn gegaan; maar, praat

door, en gij zult hooren, dat hij haar zitten liet. Hier zette ik

tittels... En leenen wij nu met zijne gade het oor aan zijnen zang.

Zij heeft geest, zij heeft gevoel, zij leest Plutarchus, zij leest

den bijbel het liefst van alle boeken, en zoo er godsvrucht in het

harte van Cats is geweest, haar zij de eere! Wie weet, of zij hem het

onderwerp niet aan de hand deed? Er is niets, hetgeen onze gissing

onwaarschijnlijk maakt, dat zijn vroegere arbeid (de „Sinne- en

Minnebeelden”) haar minder geviel,—al was het eene eerste poging,

partij te trekken tot van de dwaasheden der jonkheid toe;—dat zij

den dichtstukken over den echt de voorkeur geeft boven „den Spiegel

van den Ouden en Nieuwen Tijd.” Uitgebreide geleerdheid en levendige

opmerkingsgave, zij weet het, doen historie en natuur Cats om het zeerst

ten dienste staan, en zijn hart—ik hoop het—kent zij beter dan wij het

achten zouden, uit de beide vrijerijen,—waarvan zij waarschijnlijk

niets weet. Doch wij zouden luisteren; maar naar wat? naar ~de maeght~,

naar ~de vrijster~, naar ~de bruyt~, naar ~de vrouwe~, naar ~de moeder~?

Hij heeft haar, vertrouw ik, het laatste het liefst voorgedragen.

Maar sla gij—want ik laat mijn schets een' schilder over,—sla

gij ieder der stukken op, en ons oordeel zal niet veel verschillen,

vlei ik mij. Verscheidenheid, dat groote middel tegen verveling;

verscheidenheid—vooral in gelijkenissen en tegenstellingen,—wie is er

rijker aan dan Cats, die zondigt door overmaat, doch misschien aan dat

gebrek eene afwisseling van gedachten heeft dank te weten, welke in dit

boek ten minste het eentoonige zijner manier vergeten doet? Vlugheid van

verbeelding, die zich in allerlei toestanden des harten te verplaatsen

weet, en door aanschouwelijkheid van voorstelling vergoedt, wat haar in

diepte van opmerking ontbreekt, wie zal hem haar ontzeggen, in wien

Feith objectiviteit huldigde, dien Bilderdijk „het verstand overredende,

het hart overmeesterende” prijst? Vol van zin voor huisselijk heil—tot

waarschuwens toe voor struikelblokken, die het storen kunnen en van

welke het welligt wijzer ware geweest te zwijgen; vol van liefde voor

het landleven—al had het een weinig van natuur gaêslaan, om daarmede

profijt te doen; vol godsdienstig gevoel—schoon dan ook riekende naar

de rechtzinnigheid van zijnen tijd, bezat hij alle vereischten om zijne

toehoorderessen te boeijen, daar hij haren toestand volkomen begreep.

En nu wenschte ik, dat het mij gegeven ware, niet die Phylissen[R42]

voor u op te voeren, door zijne Anna's maar half bekeerd, noch die

Sybillen, welke het, trots het talent des schrijvers, niet van zijne

Rosettes wonnen, maar u de bruiden te doen aanschouwen, welke in

zijn werk menigen wenk vonden, dien zij ter harte namen; maar u

vooral de vrouwen te doen zien, zooals hij ze deels vond en deels

vormde: heusch, bloeijend, aanminnig, ingetogen, huishoudelijk,

verzoeningsreê,—getrouw, geduldig, godsdienstig bovenal; vrouwen,

welker wedergade de wereld buiten Holland niet had. Doch wat wenschte

ik? Hangen hier de beeldtenissen niet van haar, die zijne idealen

verwezenlijkten? Blikt ons de bitter beproefde {XXV} Maria van Utrecht,

Oldenbarneveldt's weduwe, niet aan?[R43] Bewondert ge met mij de

beminnelijke {XXVI} Maria van Reigersbergen niet? Weest gegroet,

degelijke echtgenooten, degelijke moeders, die misschien eerder

de studies verdient te heeten, naar welke Cats schetste, dan de

treurenden door zijnen zang vertroost, doch om wier wille wij niet

mogen voorbijzien hoevele zwakkere zusteren dan gij hij heeft opgewekt,

aangespoord, overreed, om u, al was het van verre, te gelijken in

huwelijksliefde, in moedertrouw!—Vergeef ons de vervoering, lezer.

Ligt dat zij, die er ons toe verlokten, zedig als ze waren, de eersten

zouden geweest zijn, er het hoofd bij te schudden, dewijl we daardoor

den schijn op ons laden, van de verdiensten van Cats nog die ééne te

willen afdingen, door zijne verzen onze vrouwen te hebben gevormd, daar

de voortreffelijkste, eer zijn dichtstuk het licht zag, het voorbeeld

aller deugden gaven. Op ons woord, wij kennen ons van dien toeleg vrij.

Alles wat wij tegen Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige

ophemelingen zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort

doen; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de

zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht. Dulde men

voor het minst onze meening, dat het volksleven der vaderen van zijne

dichters bij uitnemendheid veelzijdiger sympathie eischen mogt, dan Cats

aan den dag heeft gelegd; dulde men die, zeggen wij, als we opregt

betuigen, dat wij eerbied voor hem koesteren, om het meêgevoel, dat hij

der ~bedaegde huysmoeder~ betoont: dien hollandschen winter, welks hemel

zoo helder is.

Een leerdicht ter zijde te leggen, om over een liedje te spreken, gaat

nog aan; maar u uit een klaaghuis te willen overbrengen in eene kroeg,

schijnt gewaagder, en echter verzeker ik u, dat gij het u niet beklagen

zult, zoo ge u uit de binnenkameren van de eerzame burgerij der steden

van Holland laat medetronen, tot waar de frissche krans in het leger der

Staten op de grenzen buiten hangt. Zie, daar wuiven de wingerdranken,

door de vingers der knappe herbergsdeerne zaâmgestrengeld; daar wuiven

zij van verre den krijgslieden te gemoet. Een likkebroêr, dien zij den

beker vult, beweert, dat hij hare blanke beentjes heeft bespied, toen

zij op de bank wipte, om tot den stang op den hoek des huizes te kunnen

reiken. Maar wat schort er aan, dat zijne scherts geen' bijval vindt,

dat het kwinkslaan geen kaartspel wordt, al drentelen er Friezen om hem

henen, die Starter's liedeboek van buiten kennen; al brengt hij het een'

Hollander toe, die Breêro op zijn duimpje heeft?[R44] Jong, jolig als

deze is, stoot hij stil aan, ziet hij vóor zich als de overigen. Eer

iemand het er voor houde, dat het aan de dubbelzinnige aardigheid zelve

haperde, zegge ik hem, hoe darteler jokkernij, hoe daverender juichen

haar pleegt te volgen:—wie heeft ooit van kieskeurige krijgsliên

gehoord? Zelve onze nuttigheidseeuw levert ze niet. Maar terwijl ik de

overbodige opmerking maakte, viel het u in het oog, dat er verslagenheid

heerscht in het gansche heir; dat de grombaarden grimmiger zien dan

gewoonlijk. Een hunner, mede voor de huismanswoning gezeten, die in

herberg is verkeerd, een hunner heeft van Nieuwpoort opgehaald. „Stil,

Floor! stil!” voegde hem een spitsbroeder toe; „Prince Mouringh is

dood!”—„En Breda over,” zuchtte Floor, dien de jongelingsjaren des

veldheers heugen, toen het vrije, vrolijke leven der lansken hem

aanlachte, toen hij niet voorzag, dat er een tijd komen kon, waarin hij

arm, en oud, misschien zou moeten bedelen om zijn brood. Er ging sprake

van afdanken;—de wapenen der Staten waren in den laatsten tijd niet

gelukkig geweest; de fortuin had den vorst, die in zijne jeugd haar

gunsteling scheen, bij het graauwen zijner haren den rug gekeerd;—er

ging sprake van afdanken, de gezeerden het eerst, dacht onze grombaard.

En wonden had Floor, wonden in menigte, maar geene enkele in den rug. De

oude landsknecht hief den grijzen kop onwillekeurig op, toen zijn hart

bij die gedachte joeg, als het plagt te jagen vóór vijf en twintig jaar.

O, als de wereld een' anderen Mouringh opleverde;—als zijns gelijke

hem aanvoeren mogt, wat maakten dan jaren, wat wonden uit? Trots beide,

zou hij met zulk eenen veldheer slechts te moediger weêr in het vuur

gaan; de dood en hij hadden elkaêr zoo dikwijls in de oogen gezien,

dat Floor van geen vreezen meer wist. Hola! wat was daar te doen? Een

liedjeszanger, om wien men kanne en kroes in den loop liet, om wien men

zamendrong, tot hij van zijne ton, over helmen, hoeden en hoofden loopen

kon, als het hem lustte; Floor lachte de dwazen uit, Floor leêgde zijnen

beker. Maar, „hoezee! hoezee!” klonk het; „hoezee!” en onze oude rees

op, als zij, die rondom hem hadden gezeten;—die deun moest iets aêrs

gelden dan mooije meisjes, zoo als hij er had gekend en gekust, niet bij

het dozijn maar bij duizenden ... in Vlaanderen;—die deun moest iets

aêrs gelden dan wijn, zoo als hij had gedronken, niet bij den kroes,

maar bij de kruik uit de kelders der aartshertogen en abten... in

Braband. „Hoezee! hoezee!” wat mare bragt die borst toch? Floor trad

digter op den zanger toe, en menig vlasbaard week ter zijde; Floor

stond midden in den kring, eer hij het wilde of wist; Floor zag

opgeruimde gezigten om hem henen.—„Eens nog, eêle baas!” riep een der

ruiterhoplieden. En andermaal galmden de forsche klanken uit de forsche

keel. Mijn grombaard luisterde. Hoe hij de ooren opstak,—acht mijne

vergelijking niet smadelijk,—hoe hij die opstak, als een dogge het doet

bij het noemen van den naam zijns meesters. „Mouringh,” begon het

liedje. Floor knikte den borst op de ton toe; Floor riep hoezee als de

overigen, zoodra het dezen als den onoverwinnelijke prees. Het was het

minst aandoenlijke van de zege, die de zang behalen zou: Floor's hoofd

zinkt op zijne borst; Floor's ruwe hand strijkt schichtig langs zijn

ruig gezigt, daar het liedje den dood van Mouringh meldt, onder het

beeld van den leeuw, die ingesluimerd is in den eindeloozen slaap.

„Hadde ik voor hem mogen sterven!” mompelt Floor, en mijmert, terwijl de

zanger den rouwe des volks zingt; den rouw te land en ter zee; Floor

mijmert, tot de borst op de ton hem ontwaken doet door de vraag van mooi

Heintge: „Of men daarom dutten zal?” Floor ontwaakt, zeg ik, en tot

geestdrift ontvlamt zijn gevoel, eer hij het liedje heeft uitgehoord.

„Vivat prince Henrik!” klinkt het uit zijn hart, „al moesten we morgen

weer in 't vuur!”—„Vivat prince Henrik!” roept het heir als hij, en de

liedjeszanger leêgt de hem toegereikte fluit,[R45] en tot kroezen en

kannen teruggekeerd, vertelt Floor, hoe Frederik Hendrik zich gekweten

heeft van den slag bij Nieuwpoort af;—het was in den zang teregt

gezegd, „dat hy allerlei gesnor van buijen over sijne muts had sien

gaen.”—„Vivat prince Henrik!”—Ik heb maar eenen indruk van het bekende

stukje „Scheepspraet” geschetst[R46]; ik zoude den invloed, dien het

uitoefende, in tal van andere toestanden kunnen veraanschouwelijken;

doch die enkele volstaat, om u een begrip te geven, hoe het hoofd en

het harte van Huygens zijn volk en zijnen vorst liefhadden in den bloei

der jeugd; hoe hij beider betrekking begreep, menschenkenner als hij

toen reeds heeten mogt. „Een liedje,” zegt men misschien, smadelijk de

schouders ophalende; „een liedje, 't is ook wat!” Zegt het, al schreven

Burns en Béranger ook maar liedjes[R47]; zegt het, en ziet voorbij, dat

wij geene eigenaardiger hollandsche voorstelling der staatshuishouding

van ons gemeenebest hebben, dan dit stukje aanbiedt; dat zestig regels

zulk eenen zanger voldoende zijn, ter bezieling van zijn volk, door een

voorstelling, uit zijn leven gegrepen; door de belofte eener toekomst,

het verleden, waaraan hij regt doet, waardig. Helaas, waarom ontbreekt

ons, gekweld als wij worden met onbeduidende genrestukjes, waarom

ontbreekt ons een Constantijn Huygens in het kabinet van Frederik

Hendrik, die zijn pendant vinden mogt in Aldegonde bij Willem I? Er

zou meer analogie zijn tusschen beide toestanden, dan gewoonlijk bij

tegenhangers het geval is. Ik weet niet, aan wie der twee vorsten de

vriendschap van zulk een vernuft meer eere deed; ik weet niet, wie der

beide vernuften het meest regt had trotsch te zijn op de vriendschap

van zulk eenen vorst. En toch zouden die stukken, om geslaagd te mogen

heeten, eenen geheel verschillenden indruk te weeg moeten brengen;

er was tusschen de elkander opvolgende tijdvakken het onderscheid

van uitzaaijen en inoogsten; dat van het worstelende Holland met het

Holland dat overwon! Vergenoegen wij ons, bij gebreke van deze, met

het meesterstukje, dat het museum ons in Huygens' beeldtenis minder

aanbiedt dan vermoeden doet. Al klaagden wij vóór twee jaren over de

plaatsing—misplaatsing zou Constanter hebben gezegd[R48]—al weêrsprak

geen der lofredenaars van 't bestaande onze klagt: wat baatte het ons?

Het schilderijtje hangt nog tegen den dag! Doch, dank zij het talent van

Netscher; dank zij den kijker, dien ge te onzent moogt meêbrengen, dien

men u elders aanbiedt, er valt genoeg van te zien, om hem eene gelukkige

grijsheid toe te kennen, zoo als zijne werken beloofden. Hoe opgeruimd,

hoe innemend, hoe schoon zelfs! Werken, zeiden wij, en bedoelden

daarmede niet enkel zijne schriften, maar verstaan daaronder langer dan

eene halve eeuw vroed en vroom levens, dat der „deege degelijkheid.”

Beklaag er u niet over, dat gij hem, dien ik u straks als den dichter

der scheepspraat voorstelde, eerst vijftig jaren later wederziet; in

die alle heeft hij door handel noch wandel de beginsels verloochend,

hem door eenen voortreffelijken vader, door eene gemoedelijke moeder

ingescherpt; vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk,

vrij leven! Er is schier geene ure te loor gegaan; hij is in schier

geene zijner betrekkingen, talrijk als die waren, te kort geschoten;

vraagt ge mij, door welk geheim?—door alles wat hij deed, te doen met

al zijne magt; door indachtig te wezen aan des levens doel. Hij zelf

zoude de eerste zijn, om zich te beschuldigen, als had hij het nog beter

kunnen besteden; maar de vorsten, die hij diende; maar de vrouwe, die

hij betreurt; maar de vrienden, die hem resten; maar de kinderen, die

de kroone zijner grijsheid zijn[R49]; maar de kunst, die hij blijft

liefhebben, lief tot aan het graf, allen beminden en bewonderden hem,

bewonderen en beminnen hem nog. Hoe benijdenswaardig is zulk eene

grijsheid! Wie onzer schaamt zich niet, zijn leven vergelijkende met

eene jeugd, eenen mannelijken leeftijd, eenen ouderdom, besteed als die

van Huygens werden; wie onzer schaamt zich niet, denkende aan de vele

drukten, die wij voorgeven, aan het weinige werk, dat wij verrigten!

Of zoudt gij den trouwhartige geloof weigeren, als hij betuigt, dat

hij vele zijner verzen geschreven heeft, gemaakt heeft voor 't minst,

in oogenblikken, die anderen onder hunne verlorene hadden geteld?

Wandelende in zijne geliefde woonplaats of spelevarende in hare

omstreken, was hij oog en oor voor de wereld om hem henen; slapeloos

te bed liggende, of verbeidende ten hove, dacht hij na, dichtte hij;

en de maatschappij zijns tijds spiegelt zich af in de honderde van

opmerkingen, in die sneldichten, welker wedergade in veelzijdigheid onze

letterkunde niet heeft. Het zijn geestige studiën des volkslevens; het

zijn epigrammen op de gebreken van den dag; maar de wijze, waarop hij

die verzamelde, maar hij zelf, wint het bij ons van deze in belang.

Indien Cats aarde en hemel opmerkzaam gade sloeg, om stoffe te hebben

voor bespiegeling, wij verbeelden ons dat hij het wigtig deed; immers,

wij zien zijn werk de wijsheid, waarnaar hij streefde, aan. Huygens

daarentegen, Huygens schudde in het dagelijksche leven niet enkel den

hoveling, den geheimschrijver, den man van staat uit; aan Huygens merkte

men zelfs den dichter niet. Hij koutte met daglooner, met handwerksman,

met winkelier, met handelaar, met kunstenaar, met geleerde, als ware hij

een hunner geweest; hij leerde van ieder van deze, wat zijne menschen-,

levens-, wereldbeschouwing eigenaardigs had. Iets slechts bragt hij bij

allen mede, dat niet aan hem stond te huis te laten, de geestigheid, die

zijn gesprek kruidde, maar van gezochtheid niet vrij te spreken was; die

hem geen hoofdbrekens kostte, maar het zijnen hoorders bijwijlen, maar

het zijnen lezers bij menigte deed. Praktisch, als hij gevormd bleek,

in de school van zijnen praktischen vader, smolten stadsbeschrijving

en zedegisping in het „Voorhout” onwillekeurig zamen;[R50] zong hij,

gelukkig gehuwd, niet allen echtelingen de les, maar schonk in het

„Daghwerck” een tafereel van zijn leven aan het hof, van zijn leven te

huis, dat van innige harmonie tusschen beide tuigt. Wie verbaast er zich

over, dat Huygens in zijne zendingen voor zijne vorsten slagen mogt, die

de menschenkennis, welke hij zich verwierf, die de genegenheid welke

hij den eersten toedroeg, uit zijne schriften leerde schatten? Hoe

anders was de heer van Zuylichem toegerust, om in den vreemde den

prince van Oranje te vertegenwoordigen, dan de heer van Zorgvliet, om

in Groot-Brittanje de belangen van 's lands Staten voor te staan. In

braafheid welligt elkaar opwegende, had de eerste boven den laatsten het

onmetelijk overwigt, dat bruikbare bekwaamheid geeft. Vraagt gij ons

misschien, waarom wij andermaal vergelijken; vraagt gij ons, waarom wij

Huygens tegelijk zoo hoog vereeren en zoo hartelijk liefhebben; wij

antwoorden u, dewijl zijn tijd geen volkomener voorbeeld aanbiedt, dat

gemoedelijke godsvrucht gepaard kan gaan met talent van allerlei aard.

Wij noemden hem praktisch, in tegenoverstelling van Cats; wij zouden het

willen aanwijzen in het onderscheid tusschen dichtstukken, welke wij

beider buitenleven, beider verblijf op het land in de omstreken van

's Hage verpligt zijn. Hofwyck[R51] legt gij mede aan; Hofwyck geniet

ge, als waart gij de gast van zijnen heuschen stichter geweest; op

Sorghvliet gaat gij gebukt onder bespiegelingen, die geen einde nemen,

die hangen blijven als eene wolk tusschen u en de plaats. Heer van

Hofwyck, leest Huygens zich zelven de les, in de aanmerkingen der

voorbijvarenden in trekschuit bij trekschuit; op Sorghvliet leert Cats

u niet slechts luisteren, op Sorghvliet verschijnt ook Prins Frederik

Hendrik niet dan om er onderrigt te ontvangen. Wij zouden er stelliger

bewijzen van kunnen bijbrengen, door eene vergelijking van het

„Cluyswerck” met het „Twee en tachtigjaerig Leven”[R52]—woorden der

wijsheid tegenover kouten en keuvelen—doch van het eerste gaven wij

elders verslag; doch liever scheiden wij ditmaal van Huygens met eene

verklaring van hetgeen we onder het woord praktisch verstaan, als wij

het op hem toepassen, hemelsbreed als het verschilt van hetgeen onze

tijdgeest praktikaal pleegt te heeten. Voorwaar, Huygens was er de man

niet naar, om meê te slenteren, meê te sloffen, hoe treuzelig, hoe

traag het gaan mogt: herinner u de „Zeestraet,”[R53] door hem gedacht,

ontworpen, aanbevolen, tien, twaalf jaren, eer men er ooren voor had;

„onmogelijk geheeten,” zegt hij, „als alles dat onbeproefd is!”—en stel

zulk een' aard nu eens tegenover die der lieden, welke wij bij voorkeur

in allerlei besturen zien plaatsen, lieden, met wie het bewindvoeren

zoo gemakkelijk zijn gangetje gaat. Voorwaar, Huygens was er verre van,

zijnen gezigteinder in kunsten en wetenschappen te beperken tot de enge

grenzen van ons vaderland; iedere zijner reizen vermeerderde den schat

zijner kennis, die verspreid werd, die vruchten droeg, ook in vakken,

waaraan gij hem vreemdeling wanen zoudt,—en zeg mij dan of wij vele

secretarissen hebben, die zouden voorslaan, eenen anderen Galilei eene

gouden keten te schenken,[R54] ten einde hij ons het geheim, de lengte

op zee te vinden, mogt mededeelen? Voorwaar, Huygens begreep onder

mensch-zijn een ideaal van ontwikkeling aller krachten en gaven, dat

slechts hem duidelijk wordt, hem naar de verwezenlijking haken doet,

wiens gemoed het volgend leven eene voortzetting van dit gelooft te

zijn, genadig als God zich aan zondaren in Christus heeft geopenbaard.

Och, dat de beeldtenis van den goeden en grooten grijsaard er u en mij

bij ieder bezoek meer in bevestigen mogt! We zouden dan niet vergeefs

zoo lang voor haar hebben verwijld.

„Een musiceerend gezelschap uit het begin der zestiende eeuw” hebt ge

tot vervelens toe in schier iederen catalogus onzer tentoonstellingen

aangetroffen; ik huiver bij de gedachte, dat het der pen misschien

evenmin meer een dankbaar onderwerp oplevert als het penseel. Eene

ergernis echter, aan die stukjes verknocht, het onbeduidende der

toeluisteraars, dat de ouden van dagen, dat vader en moeder plegen te

zijn, eene ergernis zal u op het mijne niet ergeren, daar ik u vertellen

mag, wat er in beider gemoed omgaat. Heen en weêr dribbelende, als de

vrouw des huizes doet, de kamer uit, de kamer in, bepalen zich hare

gedachten niet tot het lied, naar hetwelk zij naauwlijks luistert;

bepalen zich deze bij de kapoenen, die te vuur staan, gesmoord naar

het recipe van Jenny de Wael, met schijfjes van oranjes, en eene pint

wijns;—als wij meê mogten aanzitten, zouden wij moeder harer zorg

dankbaar zijn. Toeziende uit het hoekje van den haard, verblijdt de

opgeruimde oude heer zich in den voorspoed van zijn huis, in de vreugde

der jonkheid, tot hem een versje van Roemer Visscher invalt, het

draaijen van het wiel der fortuin: „Vrede, door voorspoed opgevolgd;

rijkdom, van weelde vergezeld; hoogvaardij, die twist en haat loslaat;

oorlog, die armoê brengt; ootmoed, die wat spa' komt; vreê, die alles

weêr goed maakt!” En nu ik dus mijnen beiden oudjes iets anders te doen

heb gegeven, dan louter oor leenen, merk ik nog een voordeel op, dat de

schrijver boven den schilder vooruit heeft; het is mij vergund u te

zeggen, wat de jonge lui zingen, iets dat Van Mieris noch Ter Burg

goedvinden te doen. Een nieuw liedeboek werd medegebragt door den

schalk, die bij het binnentreden de dochter des huizes in de plooijen

van zijnen mantel vangen wou, om haar eenen kus te ontstelen; mooi

Machteld was hem te gaauw af; een rukje der hand, die hij losliet om

hare dunne middel te kunnen omvaêmen, en de kraag ontgleed zijnen

breeden schouders, terwijl hij achter zich een gesmoord lagchen hoorde,

waarvan hij maar al te goed de oorzaak begreep. Een nieuw liedeboek, zeg

ik, waaruit de schalk aanhoudt, dat zij een' beurtzang met hem zingen

zal; „de wijze kent ge,” beweert hij, „de woorden zijn...” „Laat zien,”

valt mooi Machteld in, en terwijl ze die doorloopt, dwalen de oogen van

den kroeskop, van de knoopjes op hare mouw, van haren ronden arm meen

ik, naar de kap op zijn amsterdamsch gezet, naar de pracht der blonde

haren bedoelde ik, die deze milder prijs geeft, dan iedere andere

nijdige muts. Hoe mooi Machteld dubbel schoon wordt, door het blosje,

waarmeê zij het liedeboek weêromgeeft! „Aelbrecht,” zegt zij, „het ging

aan dat te zingen als ik Galathé heette,”[R55] en de schalk mag haar

te liever om den schroom voor dien dartelen deun, al stemt hij voor

alle wederwoord zelf de luit; al zingt hij het eerste lied uit den

bundel,[R56] dat zeker ook niet zedig is; dat des ondanks in ademlooze

aandacht wordt aangehoord, door de vier of vijf overige jonge lui, die

ik u een andermaal teekene; thans schiet mijne pen in vaart te kort, om

de bewegingen der groep bij te houden. „Scheî uit!” smeeken de meisjes;

„vaar voort!” roepen Aelbrechts vrienden; „een leelijk liedje,” zeggen

de schoonen; „honderd rozenobels[R57] waardig!” juichen de knapen; maar

mooi Machteld springt van haren stoel, en legt met haar blank handje

Aelbrecht het zwijgen op;—om het voorregt dat te kussen, had Pieter

Corneliszoon Hooft zelf den zang aan de heilige Venus gestaakt. Immers,

het was geen ander liedeboek dan het zijne, dat nieuwe, waarover het

oordeel der geslachten, onder die jeugd, zoo karakteristiek uiteenliep;

waartoe moeder glimlagchende het zwijgen deed, toen mooi Machteld hare

meening vroeg, dewijl vader Aelbrecht gelijk gaf: wijs bij de luî, mal

om een hoekje. Het was het liedeboek, dat der hollandsche zangster

eene plaats verzekerde aan de voeten, neen, ter zijde van de muze van

Ausonië.[R58] Hooft had Petrarcha en Guarini[R59] beurtelings het oor

geleend, meesters, als hij die achten mogt; maar Hooft begreep tevens,

dat hij hollandsche toestanden schetsen moest, als hij de minnedichter

onzes volks worden wilde. Het stukje, dat mij ten overgang strekte, is

een lofzang op het alvermogen der minne; het speelt in stad, het speelt

in de schemering, en schildert ons een bezoek bij avond, bij nacht

misschien, der liefste ter sluik gebracht,—het verdient aan het hoofd

des bundels te staan, als een triomf van zijn talent. Gelogenstraft

wordt daardoor het vermoeden, als hing de noordsche nacht zoo zwaar

over ons vaderland, dat de minne in dezen haren weg niet te vinden wist;

beschaamd de vreeze, dat onze harde taal geene heerschappij dulden zou

van het weelderig wicht. Verwijt hem voortaan gebrek aan gevoel, die

onze natuur ondichterlijk scheldt, die altijd om Arcadië zucht.[R60]

Of levert het boeksken niet bewijzen in menigte, dat liefde over ons

landschap een licht doet opgaan, waardoor zelfs het heirijke Gooi

verkeert in eenen hemel van genot? Zoo iemand, onze begaafde, bevallige,

twintigjarige dichter, had al den wellust gesmaakt, aan de boorden van

de Arno[R61] in het doorzigtig duister van eenen zuidelijken nacht,

half te denken, half te droomen; zoo iemand, hij had den gouden glans

gewaardeerd, die de vorstinne des daags in haren vuurgloed van stralen

over het dubbel azuur van de golf van Napels uitgiet. En echter ontsnapt

hem geen zucht over het gemis van beide, als hij Roozemondt wekt, als

hij Klaare beschaamt, door eenen blik op de openhartige bloemetjes.[R62]

Het is een hollandsche ochtendstond; de musschen suizelen af en aan; de

duiven kirren in de lommer van het geboomte; de zwanen duiken in den

waterspiegel, tot wiekgeklep opgaat uit een wolk van schuim; langs het

gele zand der duinen strijkt de wind den groenen beemd der dalen in;

waar de stier zijnen staart schudt, waar zijne hoorns den grond groeven:

oosterling, die naar den harem hijgt; oosterling, die brullende van

drift, het blok, dat hem boeit, verbrijzelen wil; er rijst gehinnik, er

rijst gebriesch op de lucht, daar de hoeven van den hengst de aarde

daveren doen; stroomen doorgezwommen, hekken overgewipt:—Roozemondt,

rep u, als ge weten wilt, hoe de wereld tot minnen ontwaakt!—

Het is een hollandsche avondstond: van vrijers krielt het om de deur

van een lief kind, maar geen lachje lokken ze op hare lippen, schoon de

linkers eenen schalken blik op haar slaan: schoon de linkers een praatje

maken met de pruilster. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch

oogen voor dat windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer

zij zit; dat de elzentakken strookt of hij ze lief had; voor het water,

dat slaat tegen het walletje aan hare voeten, of kabbelen kussen waar?

Lustigjes ruischt het, lustigjes bruischt het; de bloempjes wiegelen

heen en weer in de dubbele weelde van avondwind en avondzon, een

landschap, dat geuren wasemt, een landschap, dat drijft in gouden

luister. Klaare, luister! leer lagchen, leer lieven als alles om u

heen!—Och, het is den doove gepreekt, in dubbelen zin, want Klaare

vaarwel zeggende, om den wille van hen, tot wie wij het woord voeren,

wed ik, dat er onder mijne lezers zijn, die het eerste liedje wel wat

wulpsch achten, die in het laatste den zedelijken zin voor levensvreugde

voorbijzien. Anders oordeelden de tijdgenooten van Hooft, die

eerstelingen toejuichende; immers spijt den schroom, dien de schalke

zangster mooi Machteld inboezemde, verwierf het geestige boekske de

gunst des publieks, de gunst onzes volks, dat zich had vrijgevochten van

dubbele dwingelandij. Het voorgeslacht bezat zin voor alles wat waar

is, voor natuurdrift als voor togt des harten; voor begeerten als voor

beminnen; hoe het talent zich ontwikkelen en veredelen kon, toen de

studie van geenerlei openbaring der liefde het werd ontzegd! Of hebt gij

nooit opgemerkt, dat hij, die de dartele drift gloeijendst schetste,

tevens gelukkig slaagt, als hij ons de heilige huwelijkstrouw schildert;

hoe de vingeren van Hooft even goed de greepen der lier wisten als de

greepen der luit! Lees dan zijne klagt van Amalia van Solms over prinsen

Frederik Hendrik's beleg van den Bosch,[R63] waaruit al de teederheid,

al de trouw van den echt spreekt, al volgt de dichter de ouden,

Ovidius,[R64] meen ik inzonderheid, na; al schijnt hare Hoogheid te

gelooven aan heidensche goden en godinnen. Laat ons billijk zijn in onze

berisping; het karakter der kunst van Hooft was oorspronkelijkheid,

al herinnert zij u bijwijlen Grieksche, Romeinsche en Italiaansche

modellen. Twee eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, en geen onzer dichters

ontschaakt den Olympus zijne onsterfelijken meer; doch begrijpt daarom

ieder onzer geleerden, dat het thans zijne taak is, de jeugd door

de studie der oude wereld in staat te stellen tot ontwikkeling der

nieuwe?—„Schoon prinssenoogh!” begint het dichtstuk, dat Frederik

Hendrik's gemalin sprekende invoert, bekommerd over den uitslag van

een beleg, door Delprat en Bosscha op nieuw in het licht gesteld, als

een der heldhaftigste feiten des stedenwinnaars;—maar sla zelf het

meesterstukje in de mengeldichten op. Gij zult het mij dank weten het

u te hebben herinnerd; ge zult met mij hulde doen aan die bevallige

beschrijving der geneugten van den echt, tegenover de stoute schildering

der gevaren, aan den krijg verknocht; hulde aan de gevoelvolle

uitdrukking van den angst, die haar martelt, bij de gedachte, dat ieder

schot des vijands op het hoofd met witte veeren is gemunt. Boven alles

zult gij den schoonen trek bewonderen, die het besluit: den wensch van

Amalia, haren Hendrik ter zijde te mogen zijn, onafscheidelijk ter zijde

als zijn zwaard, zoo glorie meer gelden mag dan leven en liefde beide,

dan vrouwe en dan kind, een zoon, een zoon van vaders naam! Bedriege ik

mij, is er niet iets vertrouwelijks, vriendschappelijks, vereerends

voor prins en poëet beide, in die idealisatie der verbindtenis van den

eerste door het vernuft van den laatste? Of zou Frederik Hendrik zich

niet gevleid hebben gevoeld, toen Hooft hem het dichtstuk aanbood;

Hooft, die niet enkel de eerste meistreel[R65] der Hollandsche minne,

die ook de voorstander der Hollandsche vrijheid was? Amsterdam, ons

vaderland, hadden er reeds van gewaagd, hoe hij, die omstreeks zijne

zonnige twintig de dichter der liefde was geweest, tien jaren later door

den bezielenden geest zijns tijds werd geblaakt; hoe zijne zangster

in den „Geeraert van Velzen” en in den „Bato” der vrijheidszucht had

botgevierd, die erfelijk scheen in zijn geslacht.[R66] Amsterdam, ons

vaderland, verbeidden toen, na verloop van het tweede tiental jaren, de

Nederlandsche Historiën van zijne hand. Een andermaal welligt een woord

over de verdiensten dier treurspelen, in verband met hunnen tijd; thans

vergenoege u, na de vermelding van den afkeer van allen dwang, alle

dwingelandij, door haar bij ons volk vernieuwd, eene enkele opmerking.

Veelzijdig vernuft als zij was, schijnt Hooft zich in de tragische, als

in de erotische poëzij slechts ten doel te hebben gesteld, door een

paar proeven zijnen landgenooten den weg te wijzen. Even als hij in het

herdersdicht door eene vrije navolging van Marino, in het kluchtspel

door eene verhollandsching van Plautus had gedaan,[R67] schijnt hem van

jongsaf de gedachte te hebben aangelagchen, door de rozen der liefde

en de lauweren der kunst ook de palmen der historie te mogen vlechten.

„Hendrik de Groote” was maar een voorbereidende oefening op een te

onzent schier nog te ontginnen veld; het „Huis der Medici” slechts eene

verpoozing van het onderzoek, voor het eerste deel der „Nederlandtsche

historiën” vereischt—[R68] het is op het laatste werk dat zijn roem

rust; het is aan het laatste werk, dat hij de liefde zijner landgenooten

van geslacht tot geslacht heeft dank te wijten;—of had ik den verleden

tijd moeten bezigen, en „rustte” en „had dank te wijten” zeggen?

Waarom zouden wij het verhelen, dat het beurtelings staren naar iedere

der beide beeldtenissen, waardoor op ons Museum Pieter Corneliszoon

Hooft werd veraanschouwelijkt, thans andere gewaarwordingen in ons

opwekt, dan het hollandsch hart te voelen plagt, wanneer het zich

weleer verlustigde in het gâslaan der mannelijke schoone gestalte

van onzen minnezanger, der hoffelijke houding van hem, die voor een'

onzer schranderste staatslieden gold! De Keyzer's penseel is even

verdienstelijk gebleven: moge de vaag der eerste jeugd voor Hooft

voorbij zijn geweest, toen deze hem schilderde, ge ziet den oogen zijne

begaafdheden zoo goed aan, als der handen hare bevalligheid; een weinig

verbeelding, en het is u zelfs als gaat gij met hem ten hove, luttel

dagen na den druk van zijnen „Hollandschen Groet,” toen de burgerij,

volgens dat vers, Frederik Hendrik, na den overgang van den Bosch,

„een zegeboog bouwde van gebogen harten!” Ook Bramer's voorstelling is

onverflaauwd; Hooft's baard moge grijs zijn geworden, Hooft's harte

is nog groen.[R69] Omstuw hem op den huize te Muiden van de geniën en

gratiën zijns tijds, van Casparus Barlaeus en Constantyn Huygens,

van Leonora Helleman en Tesselschade Roemers, van wie meer tot eene

camaraderie[R70] behoorde, die de geestigste ter wereld heeten mogt,

en ik wed, dat zijn vernuft vonken schiet, dat van al de overigen

beschamende. En echter, wij herhalen het, ondanks den triomf van

het talent dier beide meesters, blijkbaar in ons aanvullen hunner

voorstelling, in de schetsen des verledens, waartoe zij ons verlokten,

echter grijpt ons bij die schilderijen dikwijls weemoed aan; daar

Hollands grootst genie ook voor Hooft zelfs geenen zweem van eerbied

betoonde;—dewijl Bilderdijk's wrevel ook hem haat toedroeg. Er steekt

niets verbazends in, dat beider beschouwingen van onzen opstand tegen

Spanje verschilden, als beider beginselen, maar er zijn oogenblikken,

waarin men twijfelt aan de toekomst onzes volks, wanneer men den lateren

geschiedschrijver aanhang verwerven ziet ten koste van den vroegeren,

schoon de eerste—de regtzinnige—uit liefde voor het monarchale, zelfs

Alva, zelfs Philips in zijne bescherming neemt, ja, deze bij Hollanders

verdedigen durft; terwijl de andere—de wijsgeerige—ons gemeenebest

„gewrocht” hield, „door de zienlijke hand Gods,” die „den nooit

volpreezen prinse Wilhelm, wijsheit en wakkerheit verschafte, om, als

schipper en stuurman tevens, in d'uiterste noodt, zoo wel heilzame

orde te geven, als geduuriglyk aan 't roer te staan.” Verre zij het

van ons, te beweren, dat Hooft's begrippen over het regt ter regering

helder waren als die van Bilderdijk: „~périsse le monde plutôt qu'un

principe~.”[R71] Maar de weifeling van die van Hooft schijnt ons uit

zijnen toestand, uit zijnen tijd te verklaren, zoo ze, trots de

driedubbele scheldwoorden van hoeksche, staatsgezinde, aristocraat,

niet te vergoêlijken zij. Heeren[R72] heeft beweerd, „dat de Hollanders

republikeinen zijn geworden, dewijl zij geenen meester konden vinden;”

zoo ik het woord, dat voldingend wederlegd is, hier herhale, het geeft

mij gelegenheid op te merken, dat wie ook lust gevoelde iederen vorst,

iederen voogd uit den vreemde ter hand te gaan, „de beste bestevaer”

Cornelis Pieterszoon Hooft[R73] onder dezen niet te tellen valt. In de

dagen van Leycester liep hij gevaar van gevangenis, gevaar van eenen

smadelijken dood te sterven, om zijn voorstaan der vrijheid, om zijne

verkleefdheid aan het huis van Nassau. Eene beschimping van het

burgemeesterschap, door den weleerlijken grijsaard sedert waardig

bekleed, moge lachwekkend zijn, logenstraffen doet zij het feit niet.

Ongezochter verbeelden wij ons, voert het tot de vraag: welke de

begrippen waren, die hij zijnen zoon over de betrekking van Oranje tot

ons gemeenebest, onzen staat, ons wat ge wilt, inboezemde? Geen geloof

aan regt ter regeren van dezen door Gods gratie; geen' rang van rigter,

aan de Israëlitische Theocratie ontleend. Hooren wij hoe Hooft zelf er

zich in zijne opdragt der „Historiën” aan Willem's derden zoon over

uitlaat: „My,” zegt hij, „my heught noch, hoe ik in myne kindsheit,

mijnen zaalighen Vaader hoorde zeggen, dat hy de nakomelingen van zijnen

Heere, den Prinse hooghloffelijker gedachtenisse, niet aanschouwen kon,

zonder dat hem de vernieuwing van 't geen wijlen zijne vorstelijke

Doorluchtigheid voor deze landen gedaen en geleden had, tot weenen

beweeghde.” Een woord vol menschelijk, vol redelijk gevoel, de

getrouwheid uitdrukkende van eenen Hollander, van eenen Hervormde, aan

hem, dien hij geloofs-, dien hij gewetens-, dien hij schier iedere

andere vrijheid verschuldigd was. Het laat in het midden, zal men

zeggen, wat aan de Staten en wat aan den Stadhouder stond;—het

verklaart niet, hoe de zoon zich het kroost des Zwijgers verknocht

gevoelde. Voorwaar, de staatkundige verlichting onzer voorvaderen

geschiedde door geene wonderwerken, alleronverwachtst, allerovertuigendst

tevens. Zoo iets, de strijd van sympathiën in het voor het overige

bedaarde brein van onzen historieschrijver tuigt van het tegendeel.

Hooft, zeiden we vroeger, had Italië bezocht, Hooft verwijlde eenigen

tijd te Florence; de heuschheid, er hem door den huize Medicis betoond,

deed hem naderhand „de rampzaligheden der verheffinge” van dat huis te

boek brengen. Het werk biedt eenige merkwaardige plaatsen aan, waarop de

evenaar van des schrijvers meêgevoel wankelen blijft tusschen der

vorsten zucht naar gezag en der landzaten liefde voor vrijheid.

Onwillekeurig wekken zij bij u het vermoeden, dat hij de heerschappij

der eersten slechts duldbaar acht om het goede, dat deze te weeg brengen

kan. Hoe het zij, wrangst wordt zij geboet door hen die er vurigst naar

staan. „Huisselijke bitterheden hebben voor David de weelde van het

koningschap gezult; weldig is de fortuin van Augustus over den staat,

wrevel voor hem in gezin en nakroost geweest;—wij leeren het eerste uit

de heilige, wij leeren het laatste uit de wereldrijke letteren,” heet

het. En duidelijk wordt het u, dat hij de redene van regering besloten

hield in „het verkwikken der middelbare, en het intoomen der uitstekende

burgeren, in het verwekken van ieder in het gemeen tot liefde voor het

wettig bestuur zijns vaderlands.” Voeg bij zulk eene beschouwing aller

geschiedenis, den wederstand, door Hooft's vader en de tijdgenooten van

dezen den toenmaligen wettigen heer uit gemoedelijke overtuiging

geboden; voeg bij deze de studie der oude letteren, welke met de

voorbeelden van vrijheidszin, door de Romeinsche republiek nagelaten,

dweepen deed. Wat wint men er bij, door met Bilderdijk allen, die voor

dezen prikkel niet doof waren, om hunne dwaasheid uit te lagchen; of

erger nog, allen die gezet bleken op het behoud der vrijheid, tot welker

verwerving zij zich geregtigd hielden, om hunne denkwijze te lasteren?

Wat men er bij wint? buiten de zege van een beginsel, eene lofspraak

op Maurits, niet dien van Nieuwpoort, maar dien van zestien honderd

achttien,—als had Bilderdijk nooit het torentje des Binnenhofs

aangestaard, waaruit deze toezag, hoe het grijze hoofd zich

bukte,[R74]—en eene verguizing van Jan de Witt, niet enkel bij het

eeuwig edict, maar ook in zestien honderd twee en zeventig—als ware

de schim des vermoorden aan Bilderdijk op het Groene Zoodtjen nimmer

verschenen. Stel er eens tegenover wat ge er door verliest: Het

geloof aan de eerlijkheid van de helft der groote mannen, op welke

ons vaderland trotsch was; het geloof aan den zedelijken zin eener

verschijning, als die van ons gemeenebest in Gods wereldbestuur.

Holland, het hervormde Holland, dat den overigen staten van Europa eene

wijle het voorbeeld geven mag, door zijn streven het genie van het

oude met het genie van het nieuwe te doen zamensmelten;—Holland, dat

vorstenheerschappij en volksvrijheid verzusteren wil, boezemt belang

in, al slaagt het slechts ten deele;—maar Holland, hetzelfde Holland,

dat bewonderd werd aan het hoofd der beweging in het godsdienstige als

in het staatkundige, dat Holland laakbaar te heeten, als strijdige

beginselen in zijnen boezem naar bevrediging streven in eene andere

gedaante der dingen; dat Holland te doemen tot stilstand, tot

achteruitgang... God zij gedankt, dat de tweede Willem de Eerste slechts

~grondwettig~ koning wilde zijn! „God, d'allerbeste, d'allergrootste,

geve dien heerlijken gekroonden boome,” schreef Hooft in de meergemelde

opdragt aan prince Frederik Hendrik van Oranje, „geeve dien heerlijk

gekroonden boome, wiens dorren ons met gewisser angst benaauwen zou, dan

't versterven van den ruminalen[R75] de roomsche gemeente, die 't voor

een voorspook van den val des rijx hield: God geve dien gedurighlijk te

groeijen, en met zijne bloeijende telgen, alle onderzaaten tegen de

Spaansche hitte en allerlei onweeder te beschaduwen en te beschutten.”

Wij schrijven, wij zeggen het hem van harte na. Maar wij wenschen tevens

met hem, dat zijne historie, zoowel in onze burgerlijke als in onze

vorstelijke jeugd eene vlam van ijver naar glorie stoke, eenen gloed

van graatigheidt, om de dappere daden van landsluiden, medeburgeren,

bloedverwanten, voorzaten en voorouderen te achterhaalen of verbij te

streven, dat zij ons volksvrijheid en vorstengezag verzusteren leere

door wetten, welke, beiden grenzen aanwijzende, beiden waarborgen;—dat

zij dit doe, in tegenoverstelling dier geschiedenis des vaderlands,[R76]

op welke zelfs de bladzijde, die den lof van de Ruyter verkonden moest,

niet vrijbleef van de vlekken des lasters. Onze vroegere geschiedenis

behoort tot een gesloten tijdvak, beweerde men, toen achttien honderd

dertien het wenschelijk maakte, dat zeventien honderd vijf en negentig

wierd vergeten; doch dezelfde vorst, die het voorbeeld gaf, hoe men de

heugenis van de geschillen der achttiende eeuw had uit te wisschen,

stelde, door den druk der archieven van zijn huis, ter volkomener studie

der zestiende eeuw en hare opvolgster in staat. De eeuw van Willem I,

de eeuw van Willem III: waarlijk, als de geest der vaderen uit die

dagen ons volk onder de regering van hunnen eersten koninklijken nazaat

hadde bezield, deze zou roemrijker voor beide gesloten zijn: hij ware

gelukkig ten grave gedaald. Bij de hoogere beginselen, dan die van het

monarchale, door beide vorsten geëerbiedigd;—bij die beginselen, welke

den eerste den moed gaven op te treden voor een verdrukt volk, al was

die verdrukker Philips van Oostenrijk, heer van Spanje, heer der beide

Indiën;—bij die beginselen, welke den laatste aan Groot-Brittanje eene

staatsregeling deden geven, waaraan het anderhalve eeuw van weergaloozen

bloei was verpligt;—bij de teleurstellingen der laatste vijf en twintig

jaren te onzent eindelijk, in zoo menig opzigt te wijten aan de

onverschilligheid der natie, bij dat alles wenschte ik vorst en volk

beide te kunnen bewegen tot meêgevoel voor alles, dat bij Hooft

meêgevoel wekte: vaderland, vrijheid, vooruitgang.

Open zin voor het leven zijns tijds, voor wat er goeds en groots school

in den vorst en het volk zijner dagen, wie werd er in mildere mate meê

bedeeld, dan het genie, tot welks beeldtenis wij u maar schoorvoetend

brengen, ons herinnerende, hoe vóór jaren in onzen „Gids” aan Vondel met

roskam en rommelpot[R77] regt werd gedaan, regt als onze eerste, onze

schier eenige hekeldichter eischen mogt. En echter, wat is mijne taak

ligt, vergeleken bij die des talents, dat vroegere veeten te verklaren,

dat overdrijving te ontschuldigen, dat bitterheid te berispen had,

terwijl het veraanschouwelijkte, hoe de slagen en steken der satyre doel

troffen door de hand, die ieder harer wapenen zoo wel te hanteren wist!

Er werd begaafdheid van velerlei aard vereischt, om den vinnigen Vondel

op nieuw te doen bewonderen door eenen tijd, die zich verhief op zijne

verdraagzaamheid, liever, die zijner eigene laauwheid lof zong;—als de

vertegenwoordiger onzer vaderen tegenover de vorst, welke de geliefdste

der grootste mannen uit zijn huis heeten mag, heeft Vondel iets

beminnelijks, dat geene aanbeveling behoeft. Toch wenschte ik, dat u de

beeldtenis, toenmaals van hem geschilderd, nog voor den geest stond, die

beeldtenis met gerimpeld voorhoofd, met gefronsde wenkbraauwen, van

verontwaardiging zwaar—tot er vonken uit die adelaarsoogen schoten,

op het oogenblik, dat hij gevoelde zijne prooi te hebben gegrepen en

vaneengescheurd; waarna hij haar ter zijde wierp, de dunne lippen maar

even door den glimlach der wraak gekruld. Vergelijk haar, zou ik dan

zeggen, vergelijk haar met dit aangezigt, door Jan Lievensz gepenseeld,

louter goedrondheid, louter goedheid zelfs, met oogen, niet in

dweepzieke droomzucht drijvende, neen, opziende in vrolijke verrukking,

als had het gerucht hem de mare gemeld der inname van eene dier vele

vestingen, welker verovering hij bezong; als zag hij in het verschiet

de oranjevaandels hunne banen uitslaan op de bestormde bressen van den

Bosch, Wezel of Maastricht. De eerste is Vondel, die de laatste jaren

van Maurits gedenkt; de tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik

Hendrik toejuicht;[R78] Vondel, een goed hater, een beter vriend, vurig

in beide, wederzin en genegenheid, doch die, het zij tot zijne eer

opgemerkt, in Mouringh nooit den medegrondlegger des Staats, nooit den

held uit het oog verloor; die van Frederik Hendrik nimmer eenigerlei

geschenk ontving. Lakende en prijzende uit overtuiging, en uit die

alleen, doet de eerbied, voor den overwinnaar van Nieuwpoort aan den dag

gelegd, het verwijt, dezen toegevoegd, in de vraag: „Waarom zijn kling

zich in de kerktwist had gemengd?” te zwaarder wegen;—wordt de hulde,

aan den stedeveroverenden Vrederijck[R79] gebragt, te waardiger offer,

door het onafhankelijke standpunt waarop de dichter tegenover dien vorst

stond. Onafhankelijk standpunt? vraagt men misschien. Prins Frederik

Hendrik had zich in zijn kabinet door den heer van der Mijle „Palamedes”

doen voorlezen, had er met welgevallen naar geluisterd: ziedaar, wat

Vondel's harte won; prins Frederik Hendrik heette der onderliggende

partij niet ongenegen; ziedaar, wat Vondel wist.[R80] Vóor het eerste

zijn hart nog winnen kon, ja, eer dat treurspel zelfs het licht zag, gaf

Vondel blijk, dat zijn weten, wat die vorst voor het vaderland worden

zou, verder ging;—of hebt gij nooit gelezen, hoe hij hem begroette,

bij de aanvaarding van het stadhouderschap? hebt gij nooit zijn

„Princeliedt” ingezien?[R81] O, dat wij minder in den vader onzer poëzij,

ik wil niet zeggen de onbaatzuchtigheid, want wie beweerde ooit, dat

iets zoo laags als baatzucht in een genie, zoo groot als dat van Vondel,

viel?—maar minder de onafhankelijkheid van geest voorbijzagen, waardoor

de hollandsche dichtkunst zich in niemand edelaardiger vertoonde, dan

in hem, en tegelijk in niemand vermogender was: zelfverloochenende en

heerschappij-voerende tevens. „Prince Frederik Hendrik,” zegt Vondel's

levensbeschrijver,[R82] „prince Frederik Hendrik, anders zoo mild jegens

poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden,

bewees hem nooit eenige gunst—om zelf ongunst te mijden;—wel wetende,

hoe kwalijk de man bij predikanten en contra-remonstranten aangeschreven

stond.” Zeldzaam, zonderling blijk zelfs, hoe men boeten kan voor zijnen

invloed bij de burgerij;—duidde Vondel misschien die veronachtzaming,

of wilt ge, die tot onregtvaardig wordens toe vèrgedrevene

voorzigtigheid den vorst euvel? Laat zegezangen en lierdichten u

antwoord geven, luide de „Geboorteklock”[R83] van Willem van Nassau,

zoone van Frederik en Amalia, andermaal! Welligt is geen wicht ter

wereld ooit dichterlijker welkom geheeten, dan die eersteling der

huwelijkskoets van zijn geliefd vorstenpaar. Vondel huldigt in dat

lofdicht, even als Hooft het in zijne klagte deed, den smaak zijns

tijds, door den Grieken hunne godin der liefde te ontleenen; maar als

gij, kunstregter onzer dagen, voor een oogenblik vergeten kunt, dat

het stuk in den Hage speelt, dan nemen de minnegoodjes ook u gevangen,

de minnegoodjes, die Amalia nog vuriger blaken, nog vuriger naar de

verbeide wederkomst van haren gemaal verlangen doen. Vreemd, het is

waar, vreemd klinkt het kouten van een cupidootje, vooral wanneer het

der prinses op haar leger in éénen adem verhaalt, èn hoe Frederik

belaagd en belonkt wordt door zeegodessen, wanneer zijne kiel de

schuimende golven klieft, èn hoe hij voor Brussel de oorlogsfakkel

steekt in Isabelle's priëelen;—eene stuitende mengeling van de

denkbeeldige en wereldlijke wereld;—maar des ondanks, welk eene

aanschouwelijkheid van schildering in den droom, in de beschrijving

van het borduursel van Amalia; welk een overvloed van schoonheden! Wij

vermelden alleen, dat Vondel genoeg vleier was, om de liefelijke lente

van dat jaar aan de vergevorderde zwangerschap der prinses toe te

schrijven; dat op de geboorte van het wicht een veldtooneeltje volgt,

't geen den toekomstigen dichter der „Leeuwendalers” verkondt. Het is

bruiloft in de weide; het is boter tot den boôm; de koe is klaverkiesch,

vol visch zijn de fuiken; de leeuwerik kwinkeliert; de vijverberg, vol

tiers, weêrgalmt van: „Leve de jonge Wilhelm!” Doch genoeg, doch te over

voor onze grenzen, om u op te wekken, zelf nog eenmaal die poëzij te

genieten; zelf te zien, op welke wijze Vondel deel nam in eene geboorte,

die vorst en volk om het zeerst verblijdde. Zijne krijgsklaroen

schettert vast voor Grol; hij zingt den Boschdwinger en Wezelwinnaar

alreede zijnen zegezang![R84] „Oordeel heusch van hem,” voert Vondel in

den aanhef van het eerste, van zich zelven sprekende, Frederik Hendrik

toe: „oordeel heusch van hem, die geen leidstar kent als 't licht, dat

op uw helmtop blinkt!” Waartoe die beden? vragen wij onwillekeurig;—of

moest de schim van Mouringh aan zijnen broeder den dichter niet

benijden, die zoo de eerste verovering van dezen vereeuwigde? Welk een

blik vergunnen beide dichtstukken in het gemoed van Vondel, in dat van

zoovelen, als hij uit den volke vertegenwoordigde!

Terwijl het eerste de waarheid verkondigt, dat onze vrijheid gelegd is

in het kostelijke cement van dierbaar burgerbloed; terwijl het eindigt

met het beweren, dat de hemel den groei der mindere vorsten besloten

heeft, tot tuchtiging der groote, verklaart het besluit van het tweede

zijne en hunne wenschen nader: „Dale,” zingt de dichter, „dale de

vrijheid, als de zonneschijn, op allen neder; niemands gewisse worde

gekrenkt; God, God alleen, zij regter des gemoeds, en ieder vrije

ingezeten, ieder burger zal voor Hollands heerschappij ontvonken in

liefde; het zal door u, Frederik Hendrik, de wijk aller vromen, het

voorbeeld des ganschen Christenrijks zijn!” Stouter moge zijne kunst

steigeren, met iedere nieuwe verovering des veldheers; grootscher de

greep des meesters zijn, als hij de overgave van Maastricht verkondt

in de vervulde voorspelling, hoe Oranje de strenge zeissen slaan zal

in Parma's rijpen oogst; hooger, heiliger lichtkrans omschittert het

hoofd der hollandsche zangster niet, dan wanneer zij in de straks

aangehaalde regelen naar de verwezenlijking van het ideaal streeft,

dat de voortreffelijkste onzer vaderen aanlachte: „De grondvesting,

de voltooijing van eenen vrijen staat, door een vroed en vroom volk.”

Dichterlijke dweeperij, voert men ons misschien te moet, doch vergeet,

dat het de eeuw was der groote gedachten, dat we van den tijd, dat we

schier van het jaar spreken, waarin Hollanders hunne schatten veil

hadden, om den held van Leipzig in staat te stellen, zijnen strijd

voort te zetten: Gustaaf Adolf, die het werk van Grotius in zijne

tent las.—Vondel's „Lijkoffer van Maagdenburg”[R85] getuigt van zijne

sympathie voor den eerste, en wie is waardiger, al zwierf hij balling

's lands in den vreemde om, wie is waardiger, ons van Vondel's

verhouding tot Oranje in de dagen van Frederik Hendrik, tot Vondel's

veraanschouwelijking onzer burgerij over te brengen, dan Huig de Groot?

Dezelfde veder, die 's mans vijanden vinnig doorstreek, vereeuwigde

zijne verlossing uit den kerker; dezelfde hand, die hun geene ruste

gunde, heette hem hartelijk welkom,[R86] toen hij, de uitdrukking is

welsprekend van waarheid, toen hij het land, dat zijn strenge stiefmoêr

was, den kus des vredes, den kus der verzoening, brengen kwam. Wij

willen niet vermetel herhalen, hoe Vondel de schim van Oldenbarneveldt

heeft verheerlijkt, noch andermaal de tegenstelling doen bewonderen,

waarmede hij in twee trekken Cornelis Pieterszoon Hooft schildert: „een

hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel;”[R87]—wij willen hen, die

voortdurend vermaak scheppen in het beschuldigen en het belasteren dier

burgervaders,[R88] slechts afvragen, of zij ons de wedergade weten op

te noemen van een tijdvak als dit, waarin, volgens hun gevoelen, de

grootste talenten vreemdst en verst zouden zijn geweest .... van goede

trouw? Als wij Cats uitzonderen, hadden wij schier alle talenten mogen

zeggen; Huygens, de vriend der vorsten, geeft nergens blijk, dat hij

de beginselen van de voorstanders der vrijheid verdacht; Hooft—doch

laat mij terugkeeren tot de burgerij, zooals Vondel haar beschreef.

Overheid en gemeente, hoe herleeft zij voor ons in zijne lof- en

lierdichten!—weezen verzorgende, wetende, dat niemand den vader

der weezen derft, die weezen in hunne verlatenheid troost;—wapenen

zaâmtastende ter handhaving van ons gezag op zee, die de vrijheid

veiligde, toen de vaste grond haar ontzonk;[R89]—de erfvijanden van den

uitheemschen dwingeland de erfvrienden van den inheemschen vorstenstam

verklarende, als zij de keizerlijke kroon den achterkleinzoon

biedt;—den krans der kunst haren dichter reikende, wanneer hij een

treurspel ten tooneele doet voeren, dat twee eeuwen lang de wisselzucht

van den volkssmaak tarten zal;[R90].... maar u zou de adem falen,

eer mijn volzin einde nemen mogt. Het zijn vlugtige trekken der

veelzijdigste ontwikkeling, ooit door een volk aan den dag gelegd;

het weldadig, het strijdhaftig, het feestvierend, het kunstlievend

Amsterdam, waarbij ik nog, ware het niet honderd malen gedaan, het

handeldrijvend zou kunnen voegen, het schilderachtigst welligt van al.

En echter, liever dan het te beproeven, weer ik de beschuldiging van

Vondel af, als hadde hij zich, uit bekrompene voorliefde, louter tot de

beschrijving van het leven der hoofdstad bepaald. Schoon hare burgerij

het meest zijne aandacht trok; schoon Amsterdam het middelpunt heeten

mogt van het hollandsche volksleven zijns tijds, geen gevierde in kennis

of kunst, geen geleerde, geen genie, geenerlei grootheid zijner dagen,

welke hem koel laat; al falen hunne beeldtenissen hier in stomme poëzij,

zijne sprekende heeft hen veraanschouwelijkt. Houd mij de uitvoerigheid

der vergelijking ten goede, die mijne meening verduidelijken zal.

Er is een hollandsch dichter, wiens verzen hunne eigenaardige beeldtenis

vinden in de spiegelgladde oppervlakte van een onzer vaarten, effen

in bijna alle wind en weêr, door geenen voorjaarszucht tot darteler

golfslag gespoord, door geenen najaarsstorm in brandend schuim op den

oever gejaagd; een water in één woord, dat schier geene andere beweging

kent dan die der groeve, door de trekschuit bij het heên en weêr varen

voor een oogenblik gegraven; dan de blinkende bellen, die hare roerpen

rijzen doet; dan de kringen, welke de lijn van 't jagertje vormt. Het is

de poëzij van Cats, welke,—gelde het onderwerp wat het wil, uitheemsche

of inheemsche historie, een' keizer of een' koning, een heidinnetje of

eene herderin,—geenen anderen indruk op u maakt, dan dien, welken gij

in den naauwelijks schommelenden stuurstoel ontvangt; eene volslagen

vreemdheid aan alle verheffing; eene kalmte als die de vloeistof,

welke u draagt, daar aan den dag legt. Het is eene poëzij, welker

aanschouwelijkste schilderingen we ons verbeelden, dat we onder het

voorbijvaren bespiên: in geboomte, welks lommer een oogenblik ter zijde

week; in gebouwen, welker vensters wij zagen openstaan.—Ook hebben wij

te zamen eenen anderen zanger gadegeslagen, die ons wel op weinig

woeliger vlak verplaatst, maar de grenzen van den omtrek des vijvers

vergeten doet, wanneer hij bijwijlen de wieken klept als de zwanen,

welke wij er zoo statig, zoo sierlijk op drijven zien, als hij er voor

ons eene halve wereld in weêrkaatsen doet, niet enkel aan deze zijde een

hofgesticht, en aan gene zijde een lindenlaan, maar ook hen, die in het

eerste bewind voeren; maar ook hen, die in de laatste spelevaren, ten

arbeid spoeden en slooven, maar ons den ganschen Haag, maar half Holland

in zijne krachtige, kernige korte zinnen weêrgeeft: Huygens, wiens

standbeeld op het eilandje in den vijver staan moest. Of als gij duldt,

dat ik de vergelijking verder voortzette, is er tusschen dat vocht en

zijne verzen niet de overeenstemming, dat beide zich soms in te engen

band voelen gekneld, als de herfstadem over het eerste giert, als de

hartstogt zich in de laatste lucht geeft?—Een onderscheid echter voegt

het ons evenmin voorbij te zien, het verschil in diepte tusschen die

twee; doch wie heeft ooit een beeld geëischt, dat meer dan voor een

derde toepasselijk was? En daarom aarzelen wij niet, u, voortgaande,

eene hollandsche poëzij te herinneren, beurtelings zachtkens en zoetkens

ruischende als eene beek langs bloemrijken boord, beurtelings eenen

stouten golfslag slaande, als de Zuiderzee op de zoomen der kust, waar

een vervallen torentje het voor ons in aandoenlijk belang van weidscher

tinnen wint;—eene beek, al de schalkheid verklappende, van welke zij

getuige was, toen de zonnestralen door de bosschaadje drongen, die zich

luisterende naar haar gemurmel boog[R91]—de binnenzee, al de kracht

verkondende, waarvan zij bewustzijn heeft, hoe luttel voor de woeling

harer wateren de muur bezwijkt, door haar sedert eeuwen gebeukt. Gij

herkent de zangster van Hooft, aan hare dubbele gelijkenis, spiegel van

allen lust, geesel van allen dwang; verzen, die ruischen als golfjes,

door den adem van het westen gestreeld; verzen, die bulderen als baren,

door den schrik van het noorden gezweept; een' stoet van nimfen, die

spelemeit; een verdrukt volk, dat zijne boeijen breekt; doch waartoe

meer tegenstellingen, die u van zelve in het oog vallen, overvloed van

deze als het weelderig minneliedje en het majestueuze treurspel

opleveren?—Eene laatste vergelijking toeft ons voor eene veelzijdiger

poëzij, dan eene der drie vermelde heeten mogt, voor de poëzij van

Vondel, vaart, vijver, beek en binnenzee overtreffende,—al huwde ook

zij op hare beurt zoowel het kalme aan het keurige, als het schalke aan

het stoute,—een woud, een wereldstroom![R92] Oneindig verschillende,

als het geklank zijner golven, van de plek, waar hij oorsprong neemt, in

droppels den bergwand afgesijpeld, tot de plaats, waar hij het dal van

zijne donders daveren doet, in waterval bij waterval neêrstortende,[R93]

zijn ook de melodijen van Vondel's muzijk. Hoe die stroom wegrukt, en

meêsleept en voortwielt, wat hem weêrstaat;—hoe hij zich schijnt te

verlustigen in het afspiegelen van wat hem aanlacht! Zie, daar kronkelt

hij de vlakte in; daar wordt hij de grens van gewesten; daar splitst

hij rijken, zong Borger te regt;[R94] landschappen zonder tal drenkende

uit zijnen overvloed; hoofdsteden de schatting brengende der staten,

waarover zij gebiên. En echter, geen schoon der natuur, geene pracht der

kunst vermag hem te boeijen, die voortbruist over verbreede bedding;

voortbruist, beken en vloeden in zich opnemende; voortbruist door de

loofzaal der eiken, als langs het koningshof, door geen van beide

geboeid, even of er weelde school in de vaart, als gold het de

verovering eens nieuwen gebieds. Het wordt zijn deel; andere schatten

voert hij mede; andere voorwerpen spiegelt hij af; andere hindernissen

wijken—het landvolk aan zijne zoomen, de schepen op zijn glinsterend

vlak; de burgerij der steden, welker torenspitsen opdoemen in het

verschiet; alles juicht hem toe, alles dankt hem, die scheidspalen

slecht, die de volken vereent;—verder stroomt hij, verder ten

onmetelijken oceaan, bij wiens grootheid hem duizelt, in wien hij zich

verliest,—als de muze van Vondel het deed, toen zij in den „Lucifer”

het „Driemaal Heilig” gezongen had.[R95] Immers, waar zou ik eindigen,

indien ik mij verpligt achtte, ieder vroeger punt van vergelijking als

met den vinger aan te wijzen, in elke van de sympathiën des dichters,

in de eindelooze afwisseling der onderwerpen, door hem bezongen, in

de wereld zijns tijd, door zijn werk omvat? Wereld, herhalen wij, want

gelijk het vasteland den woudstroom onvoldaan laat, verlangde ook

Vondel, in eenen anderen zin dan den straks aangegevene, naar zee,

volgde zijn adelaarsblik iedere verschijning op deze, bragt zijn

adelaarsgreep ook van daar allerlei buit meê: Willem Schouten

aan America's zuidelijken uithoek, den naam zijner vaderstad

vereeuwigende;[R96]—Piet Hein, met de voor Spanje bestemde schatting der

nieuwe wereld onze havens inzeilend;[R97]—Lourens Reael, op reize naar

Oostindiën onder de keerkringszon zijn kusjens dichtende[R98]—gij zoekt

hen aan deze wanden vergeefs; luister naar Vondel, als ge wenscht naar

hunnen lof; luister naar zijn voorspel van dien van Maarten Harpertszoon

Tromp,[R99] wiens roem het volgende tijdvak vervullen zou, ware de

Ruyter niet reeds geboren, niet reeds aan boord. Of als gij eindelijk,

die woelige buitenwereld moede, met den dichter een' blik in onze

binnenhuizen wilt slaan, en niet tot schreijens toe wilt worden bewogen

door zijn „Konstantijntje”,[R100] en geen italiaansch penseel waardeeren

wilt in zijn meesterlijk „Kerstlied”,[R101] verkwik u dan—ik weet niet

waarom ik aarzelen zou, de hulde aan den open' zin van Vondel met den

lof zijner bruilofsdichten te voltooijen—verkwik u aan zijne zangen der

liefde, vol gloeds, het is waar, mits ge vol gezonden gloeds zegt;

weelderig, ik geef het u toe, maar zooals weldige naturen het zijn in

den bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in één woord, zooals

een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, dat zich voor het

zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke

van dien eerbied had. Vondel was ook de dichter van „d' Opregtste

Trouw”[R102].

Vergeef mij zoo ik uw geduld op te zware proef heb gesteld, door mijne

schetsen der vier vernuften, welke Frederik Hendrik in ons museum

omringen;—vinde ik mijne verontschuldiging in het doel, waarmede ik

het wagen durfde. Er wordt maar weinig zin voor het schoone in de

schilderkunst vereischt, om in Govert Flinck's „Doelenstuk” een groot

talent te genieten, om de zoogenaamde „Nachtwacht” van Rembrandt van

Rhijn te roemen, als nimmer geëvenaard, om den „Schuttersmaaltijd” van

Bartholomeus van der Helst, ondanks de schennis, aan het meesterstuk

gepleegd, het hoogste der drie te bewonderen.[R103] En echter, hoe het

genot dier gave, in geringe mate als ze ook mij ten deele viel, hoe het

verdriedubbeld werd, telkenmale als de tijd, waarin die groepen uit het

leven werden gegrepen, als de toestanden, waarin de meesters iederen

dier mannen hadden aangetroffen, als het huisselijk en het openbaar

verkeer onzer vaderen, als hunne gedachten en gevoelens in één woord,

mij levendiger voor den geest stonden; als ik—val mijner vermetelheid

niet hard—in de werken hunner schrijvers eene wijle met hen had

geleefd. Het was mij bij ieder bezoek, of wij vertrouwelijker bekenden

waren geworden; het was me,—maar beproef het op uwe beurt, bid ik

u, onder den indruk van Huygens, van Hooft, van Vondel bovenal. De

historische beteekenis dier voorstellingen eener heldhaftige burgerij in

hare wapenpraal; in haren uittogt, om te schieten naar den vogel; in

hare tentoonspreiding eener voor den eenvoud des volks voorbeeldelooze

tafelweelde, zal u duidelijker worden, dan uit de vermelding in den

catalogus, uit zijne waarschijnlijkheden en zijne gissingen. Gij

zult gevoelen, zooals zij het deed, welk een werk voltooid was in de

vrijverklaring onzer gewesten, van wege geheel Europa, door den vrede

van Munster; gij zult in haar de vereeniging van alles wat groot en goed

was veraanschouwelijkt zien. En hare deugden daargelaten, „de wereld

zien ze uit uwe werken,” zouden zij tot ons zeggen; „het overige blijve

tusschen uw geweten en God!” hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het

meesterstuk der Hollandsche schilderschool u levenslust leeren zal. Het

is slechts eene der openbaringen van harmonie tusschen hoofd en hart.

[Illustratie: XXVII. No. 857. A. VAN DYCK, (1599–1641)

_Prinses Maria van Engeland en Prins Willem II_

(bij Potgieter vermeld als vermoedelijk voorstellend een harer

broeders).]

[Illustratie: XXVIII. No. 1135. BARTHOLOMEUS V. D. HELST (1613–1670)

_De Schuttersmaaltijd_ (fragment).

(Luitenant _Johan Oetgens van Waveren_ wenscht zijn kapitein _Corn.

Jansz. Witsen_ geluk met het sluiten van den vrede.)]

[Illustratie: XXIX. No. 2016 REMBRANDT: (1606–1669) _Nachtwacht_ (1642)

(fragment: _Frans Banning Kok_).]

[Illustratie: XXX. No. 925. GOVERT FLINCK (1625–1660)

„_Doelenstuk_”—_Schuttersfeest bij het sluiten van den vrede 1648._

(fragment: _Kapitein Joan Huydecoper_).]

Tegenstelling bij tegenstelling dringen zich onzen geest op, als wij

in het museum de schilderij gadeslaan, die het overgangsstuk verdient

te heeten tusschen het vijf en twintigjarig stadhouderschap van Frederik

Hendrik, en de wijle dat Willem II dezelfde betrekking bekleeden

mogt. Wij bedoelen Antonie van Dijck's beeldtenis van {XXVII} prinses

Maria van Engeland; „aan de zijde van haren broeder, den hertog van

Gloucester,”[R104] zegt de catalogus, hoe ongeloofelijk dit ook zij,

daar die derde zoon van Karel I pas in 1645 geboren werd, en de

schilder al in 1641 stierf. Immers—wij keeren tot onze tegenstellingen

terug—immers, dat doek brengt ons niet enkel uit de Hollandsche school

tot de Vlaamsche over,—voor zooverre gij in van Dijck slechts den

leerling van Rubbens ziet,—het troont uwe fantasie ook in andere

rigtingen mede. Onwillekeurig lokt de naam van hem, die het vorstelijk

kind penseelde, dat later de gemalin van Willem II werd; onwillekeurig

lokt van Dijck u uit, zijn leven te Londen over te stellen tegen dat der

drie meesters te onzent, wier werken we u straks ter studie aanbevalen:

Govert Flinck, Rembrandt van Rhijn, Bartholomeus van der Helst. Gij

verlustigt er u in, het lot van geniën in eene monarchie te vergelijken

met dat van geniën in eene republiek; den gunsteling der Stuart's, met

den vriend van Six.[R105] En echter, voor een ander hoofdstuk dezer

schetsen, dan dat, 't welk in zijn opschrift: ~Historiële Portretten~,

het doel aangeeft, u eenige oogenblikken bij deze verzameling te bepalen

om den wille harer veraanschouwelijking onzer geschiedenis, voor een

andermaal blijve de sombere stoffe bewaard: van Dijck in weelde,

Rembrandt in armoê, beide groot, beide beroemd, beide ongelukkig te

doen zien. Het is eene derde tegenstelling waartoe wij ons door het

overgangspunt voelen genoopt. Hoe verre is het er van, dat deze zich

maar bepalen zoude tot die, welke bij den eersten blik in het oog valt,

onze burgerij de vreugdebeker opheffende, dewijl de vrede is gesloten,

dewijl hare onafhankelijkheid werd erkend,—tegenover de vorstelijke

kinderen, wier lauwe levenslust het gevolg schijnt der schaduw, welke

het naderend onweder reeds over hunne hoofden werpt. Er is in de

laatste voorstelling al de statelijkheid, al het koninklijke, dat de

droefgeestige Karel I liefhad; schoon het om Willem II's toekomstige

gemalin niet wemelt van paadjes, wier leden de spaansche kleederdragt

in sierlijke plooijen omgolfde; schoon der schilderij de vurige rossen

en de vlugge hazewinden ontbreken, wier bewegingzucht de meester zoo

wel te waardeeren wist, bij de deftigheid door dat hof bewaard[R106].

Verlaten moge zij daar staan, indien ge met mij het meisje het meest

gadeslaat,—verlaten van edelliên en edelvrouwen, door van Dijck in

de galerijen der Britsche grooten vereeuwigd; hare houding verraadt

hare afkomst, en er is ernst in die trekken, ernst haren leeftijd

vooruit. Laat de dag aanbreken, waarop de edelliên, die wij thans

ongaarne aan hare zijde missen, (al zou de meester ons die maar

hebben vertegenwoordigd, opmerkelijk door de kleur hunner handen,—de

kostbare kant, die zij droegen, beschamende,—opmerkelijker nog door

de nauwgezette kleingeestigheid, waarmede ieder hunner zich van het

hofceremoniëel kweet) als mannen zullen gesneuveld zijn in Marston-Moor

en bij Naseby;[R107]—laat de dag aanbreken, waarop de edelvrouwen,

wier blondheid, dank zij den schilder, wereldvermaard is geworden, zich

door hare trouw in het ongeluk schooner zullen onderscheiden dan door

halskraag, die in keurigheid geene weêrga had;—laat de dag aanbreken,

waarop het voorhoofd van koning Karel I, door van Dijck ons bewaard, in

de blankte, die het onderscheidde, voor de eerste maal zijns levens

blozen zal, blozen tot de kruin, bij het naderen des beuls: Maria van

Engeland, ge ziet het haar aan, Maria zal het ongeluk waardiglijk

dragen, waardiger dan de knaap, die haar ter zijde staat, wie harer

broeders hij dan ook zij. „Arme Maria!” zegt gij misschien; zegt het,

niet geheel door het kinderlijke van haar voorkomen misleid; zegt

het, zonder te vergeten, dat zij toen[R108] reeds zes jaren met den

jeugdigen, overjeugdigen Willem II was gehuwd geweest; dat zij toen

aan zijne hand over de burgerij stond, ons hier in drie stukken

veraanschouwelijkt, op ieder van welke één der hoofdpersonen óf den naam

draagt van een der geslagten, die op het leven van dien vorst eenen

belangrijken invloed oefenden, óf zelf den invloed uitoefenende was.

Och, dat eene volgende uitgave van den catalogus, in plaats der slordig

gestelde berigten, waarmede in den tegenwoordigen de meesterstukken

onzer oude school worden afgescheept, die treffende bijzonderheden

toelichtte! Welke was de betrekking, waarin de van Waveren van den

{XXVIII} „Schuttersmaaltijd” tot den Amsterdamschen burgemeester,

Antonie Oetgens van dien naam,[R109] stond; was de geschilderde

misschien de man zelf, die met zijnen ambtgenoot, Pieter Hasselaer, den

prins te gemoet werd gezonden, toen de vroedschap besloten had, Zijne

Hoogheid aan het hoofd der bezending uit de Algemeene Staten niet te

ontvangen? De {XXIX} „Frans Banning Kok,” heer van Purmerland,[R110]

hoofdfiguur op Rembrandt's „Vogelschieten,”—want „Nachtwacht” luidt hier

kwalijk,—was, het lijdt naauwelijks twijfel, geen ander dan het lid

des Raads, dat bovengenoemden heeren met nog vier leden werd toegevoegd,

om zich bij den prins te verontschuldigen over het geweigerde gehoor in

die vergadering; de commissie, aan welke Z. H. in gramme woede toebeet:

„dat hij wel Duitsch verstond, en geenen uitlegger noodig had,” toen een

der heeren hem de meening des raads verduidelijken wilde. Welligt was

{XXX} Joan Huydecoper, heere van Maarsseveen, op Govert Flinck's

„Doelenstuk,” dezelfde raad, die grave Willem Frederik van Nassau bij

Welna zoo eigenaardig den aftogt ried, dreigende, dat de regeering op

Zijne Doorluchtigheid den storm zoude loslaten, die haar zelve dreigde;

welligt was hij het, zeg ik, hoe zeer het volgens het boeksken van het

museum, dat voor mij ligt, onmogelijk is, want naar blz. 22, is Govert

Flinck in 1616[R111] gestorven, schoon hij dat stuk ter gedachtenis van

den vrede van Munster heet te hebben geschilderd. Volsta dit vlugtig

woord ter opwekking, om den indruk dier stukken te doen winnen in

veelzijdigheid;—wij keeren tot ons onderwerp weêr, ons zelven geluk

wenschende, dat de scheppingen der oude kunst niet, als het belang,

dat het algemeen in haar plagt te stellen, zijn verflaauwd; dat een

blik op die schilderijen nog genoeg is, om onze tegenstelling te

voldingen[R112].—Maria, de dochter der Stuart's, in tegenwoordigheid

eener burgerij, die hare vreugde over het sluiten van den vrede botviert

aan den disch van Van der Helst; maar deze tevens veraanschouwelijkt

door haar optrekken ter wacht, door hare wake in het geweer, van Govert

Flinck; Maria, de dochter der Stuarts in tegenwoordigheid van burgers,

die, in andere woorden uitgedrukt, vaardig zijn, zich uit de armen der

weelde los te rukken, om andermaal voor de vrijheid pal te staan;

Maria, de dochter der Stuart's, verkrijgt, in dat licht gezien, eene

hoogere beteekenis, dan eene der gemalinnen van onze vroegere

stadhouders,—optredende aan de hand van Willem II.

[Illustratie: XXXI. No. 1245. W. V. HONTHORST (1604–1666).

_Prins Willem II_ (1626–1650) (geschilderd in 1661).]

Bilderdijk heeft, in een zijner uitvallen, Honthorst, dien hij een

schilder van vioolspelers en ligtekooijen scheldt,[R113] onwaardig

gekeurd, ons eene afbeelding van Willem II te leveren;—het was de

partijschap van den prinsgezinde, die het penseel niet vergeven kon, dat

het ook de schaduwzijde van 's vorsten karakter had veraanschouwelijkt.

Hoe zou het des dichters adelaarsblikken zijn ontgaan, dat het bleek van

's prinsen wangen op de eenige der beide afbeeldingen van {XXXI} Willem

II, die min of meer binnen het bereik der toeschouwers hangt, niet

alleen aan het doffe harnas valt toe te schrijven, dat de gestalte des

vorsten omsluit; dat er onder die zielvolle oogen en om dien fraaijen

mond diepten zijn, als bijwijlen maar inspanning van geest, als meer dan

deze uitspatting in genot, gelegenheid geeft op te merken? Voor ons, die

van geenen maatstaf van zedelijkheid houden, welke zich uitzet, waar het

hertog Aelbrecht geldt, welke zich inkrimpt als er sprake is van vrouwe

Jacoba;[R114] voor ons, die wenschten, dat de tijd gekomen ware, waarin

vorsten het beneden zich zullen achten, in dit opzigt met eene andere

weegschaal te worden gewogen, dan die, welke voor burgers vonnis wijst;

voor ons steekt er niets ergelijks in de afschaduwing van wat zoo

waarschijnlijk waar was, terwijl we tevens Honthorst's schilderij de

verdienste toekennen, vele der groote gaven van den prins te hebben

gehuldigd. Er is geen arbeid zoo vergeefsch, als het pogen in woorden

terug te geven, wat slechts volkomen mede wordt gevoeld, als men meê

ziet; doch vergelijk, bij uw eerstvolgend bezoek dezer zaal, den indruk,

dien de beeldtenis op u maakt, eens met den volgenden. Anders, dan

Honthorst u Willem II aanbiedt, anders, ik geef het u toe, anders

wenscht ge 's vorsten oogen te ziet schitteren op den zomermiddag des

jaars 1650,[R115] toen eene sloep dien anderen Caesar en zijne fortuin

over de flikkerende golven van het IJ voortdroeg, maar hij het schuim

niet opmerkte, dat de roeispanen om zich heenspatten; maar hij met

éénen blik de wereldstad, welke zich voor hem uitbreidde, te omvaêmen

zocht. Amsterdam, gij weet het, Amsterdam was in die dagen aan de

oostzijde nog niet volbouwd; doch achter het mastbosch, dat op de

reede lag; doch achter de wimpelpracht, die het ter eere van de komst

Zijner Hoogheid wuiven deed, weêrkaatste toch de gulden zonneglans

van torenspitsen zonder tal; verhief de stedemaagd, als ge mij de

beeldspraak gunt, zich uit den schoot der wateren, grootsch genoeg,

om den prins eenen zucht te ontlokken: „Waart ge mij!” Hij had hem

naauwelijks geslaakt, of de blik der verrukking, waarmede hij het

schoone schouwspel had aangestaard, ging schuil in rimpeling des hoogen

voorhoofds en fronsing der bruine wenkbraauwbogen. Die stad zou hem

toegedaan zijn, trots de winzucht harer inwoners, welke een doorn in het

oog zijns vaders was geweest, daar ze, door den vijand van buskruit

te voorzien, had bijgedragen, om zijnen toeleg op Antwerpen te

verijdelen;[R116] trots de staatzucht harer regering, welke geen middelen

onbeproefd had gelaten, om te Munster het sluiten van den vrede te

bespoedigen, opdat haar invloed op 's lands zaken in dezelfde mate

wassen mogt, als de zijne dan moest ebben! Hoe bitter lachte hij om de

genegenheid, waarvan hij droomde, zoodra die wenschen van hoog en laag,

die wensch naar gezag, die wensch naar goud, hem weder levendig voor den

geest stonden. Vonken van haat schoten zijne oogen uit, terwijl zijne

vingers speelden met den knop van zijn zwaard. Honthorst, gij bekent het

mij, Honthorst heeft ons den vurigen jongeling ook niet in zulk een

oogenblik geschilderd, toen waarschijnlijk aandoeningen als deze zich in

's vorsten gemoed vervingen, terwijl de boot nog altijd voortstoof over

de blinkende baan. Amsterdam, zoo voer Willem II voort zijne grieven op

te sommen; Amsterdam had hem tot drie malen gekrenkt, door de weigering

van hoogere wedde, door de beraamde afdanking van krijgsvolk, door het

zenden van eenen gezant naar Cromwell. „Voort!” riep hij den roeijers

toe, of zij de spanen te traag in het water sloegen, of hij zelf van

traagheid te beschuldigen viel, schoon hunne gespierde armen de slagen

verdubbelden; schoon hij de bezending der Algemeene Staten, aan wier

hoofd hij de steden van het Noorder Kwartier had bezocht, in het

prachtige jacht al verre achter zich liet. En digter kwamen zij het

gewoel der vaartuigen, dobberende op de reê; digter den bootjes, die

van schip tot schip schoten, als pijlen den boog ontsneld; digter der

schuiten, met de weelde van Oost en West belaên; midden waren zij,

midden in den bijenkorf, die gonsde, maar van allerlei tongslag, maar

van allerlei taal. 's Vorsten oor ving de klanken van het Zuiden als

van het Noorden; 's vorsten blik vermeide zich in het gâslaan der

voortbrengselen van het eene als van het andere halfrond. En er was

geen Sommelsdijk, er was geen hoveling aan zijne zijde, om dien indruk

te verbitteren, door van gelijkenis met Venetië op te halen, door

Amsterdams aristocratie harer oligarchie[R117] over te stellen.

„Een hoop winkeliers,” had Willem II hen meermalen, de inwoners der

hoofdstad, hooren beschimpen; en echter dacht hij het dat oogenblik in

zich zelven niet. Een betere geest behield de bovenhand. In spijt van

zijne liefde voor de oorlogskunst, door zijn' oom schier tot eene

wetenschap verheven, waardeerde de vorst zijns ondanks den handel; de

velerlei kennis, die hij eischt; de volharding die zijne voorwaarde is;

den vrede.... Het zou Honthorst, het zou den eersten schilder zijns

tijds onmogelijk geweest zijn, u den ommekeer te veraanschouwelijken,

die dat woord den gedachtengang van Willem II nemen deed; den vrede,

waardoor men de diensten van zijn geslacht voorbijzag; den vrede, die

hem van het staatstooneel dreef! Het was de eerste stormvlaag, die den

lieveling der fortuin over het hoofd ging; het was het eerste blijk van

geduld, dat den ongeduldige werd gevergd; hij, die in de vroegste vaag

der ontwikkeling slechts naar de hand der dochter uit een van Europa's

oudste koningshuizen had behoeven te dingen, om zich die toegereikt

te zien; hij, die, naauwelijks jongeling in het veld, maar te paard

behoefde te stijgen, om den lauwer van verre te onderscheiden, om dien

te plukken. „Zalig hij,” zegt de Schrift, niet te vergeefs: „zalig hij,

die zijn jok in zijne jeugd draagt.” Te wijken, te wachten, zou wijsheid

zijn geweest, zijnen onsterfelijken grootvader waardig. Zoo de geest

van dezen over Willem II had gezweefd, hij zou hebben beweerd, dat

geen handelsstaat ooit zijne veelzijdige, zijne heinde en verre

wortelschietende belangen duurzaam handhaven kon, zonder dat zijn bewind

een zwaard op zijde droeg, dat het te regter ure in de schaal wist te

werpen. Maar hij had er 's volks zucht naar verademing niet minder

om gevierd; van het voorbijgaande van dat verlangen overtuigd, had

hij den dag, die den zijnen zou mogen heeten, ~verbeid~. Helaas, het

vooruitziende, dat den eersten Willem onderscheidde, ontbrak zijnen vier

en twintigjarigen naamgenoot, in den schoot der weelde van vleijers

omringd. Hij herinnerde zich hunne inblazingen, ook in de ure, die wij

poogden te schetsen, en de welvaart, die uit de naderende stad scheen

op te gaan, wekte schier zijn' weerzin; en de onafhankelijkheid, waarop

hare burgers roem droegen, heette slechts overmoed; en hij besloot

haar te tuchtigen, als zij hem langer tergen zou. Honthorst hebbe er

dank voor, dat hij ons den vorst niet in eene dier hartstogtelijke,

heerschzuchtige vlagen heeft vereeuwigd, aan welke Willem II een

oogenblik later ten prooi was: van de bank in de boot naar den steven

gesprongen, staande en òm zich ziende, met neusvleugels opgesperd, als

die van het oorlogsros, dat het krijgsgerucht insnuift; met oogen,

vonkelende van vuur, als die des leeuws, wanneer hij zijne prooi binnen

zijn bereik ziet! En echter eene wijle later, en de vorst zit weder

temidden der wacht zijner dienstbaren, en zijne oogen zien zoo zacht,

zoo weemoedig om zich heen; de vervoering is geweken; de toekomst, die

hij zich zoo glorierijk dacht, schijnt in nevelen schuil gegaan. Als

ge ons vergunt te gissen, wat de stemming zijns gemoeds dus wijzigen

kon, dan herinneren we u het lot des koninklijken martelaars, dien

Willem II's gemalin zoo dikwijls in tranen gedacht: Karel I, wiens

besluiteloosheid zijnen schoonzoon bijwijlen ten spoorslag strekte,

om eer naar hooger gezag te grijpen, dan zich het verworvene te laten

ontglippen, maar wiens dood niettemin, als een waarschuwend, als een

dreigend voorbeeld, soms aan zijne heerschzuchtige droomen een somber

einde maakte. Vreeze mogt Willem II's gemoed vreemd zijn, een zweem van

zwaarmoedigheid verduisterde bij de verschijning des vermoorden te met

zijn schoon gelaat. Het had dier tempering van den overvloed zijns

luisters; het had dier uitdrukking van verholen smart; het had der

vraag, die hem op de lippen scheen te zweven: „waarom werd ik tot

werkeloosheid gedoemd?” iets boeijends, iets belangwekkends dank te

weten, dat geene zijner groote gaven in te donkere schaduw stelde, dat

die alle door de wolk heenschitteren deed. Zoo ten minste bespiedde, zoo

schilderde Honthorst hem, indien mijne opvatting niet te veel van de

uwe verschilt; indien gij, evenmin als ik, ooit zonder aandoening voor

zijne beeldtenis kondt stilstaan.

[Illustratie: XXXII. No. 2117. JOACHIM VAN SANDRART (1606–1688)

Fragment: _'t Corporaalschap van Cornelis Bicker._ (1638)]

De geschiedenis vermeldt hoe Willem II Amsterdam invoer, een paar uren

vóór men hem er te gemoet zag, eer de kanonnen te zijner eere van de

Nieuwe Brug konden losbranden, eer de schutterij langs het Damrak stond

geschaard;—hoe hij over de naauwelijks voltooide brug bij de Waag aan

wal stapte, en den maaltijd, waartoe hij door de burgemeesteren op het

Prinsenhof werd genood, afsloeg met de woorden: „Om met elkander te

eten en te drinken, zouden wij beter vrienden moeten wezen, dan wij

tegenwoordig zijn.” De geschiedenis vermeldt tevens, welke geweldige

maatregelen de vruchteloos beproefde bezending opvolgden: in het

kerkeren van zes afgevaardigden ter vergadering van Holland op

Loevestein, in den aanslag op Amsterdam.[R118] Verbaast het ons bij de

onvolledigheid dezer verzameling al niet, dat wij hier geen enkelen dier

magistraatspersonen aantreffen, welke met verlies der vrijheid, hunne

verkleefdheid aan beginselen boetten, het deert ons, hier ook hem te

missen, die aan het hoofd van den weêrstand stond, door de belaagde stad

aan Willem II geboôn; die zich zoo waardiglijk opofferde, toen zijn

beleid den aanslag had verijdeld. Wij herhalen het, we stellen prijs

op Kok en van Waveren en Huydecoper van Maarsseveen; maar welkomer

nog zoude ons hier {XXXII} Cornelis Bicker wezen.[R119] Hoe dierbaar

hun, die er eene eer in mogen stellen zijnen naam te dragen, 's mans

beeldtenis zij, men onthoude hem langer in deze zaal de verdiende

hulde niet. Onze eerste geleerden hebben de rechtsvraag van den stap

des stadhouders voldoende toegelicht, bestreden, opgelost; voor

de staatkundige ontwikkeling onzes volks heeft het voorbeeld des

burgemeesters weinig vruchten gedragen. Oppositie, hoe eerlijk, hoe

belangeloos, hoe gemoedelijk ook, wordt te onzent meer gewraakt dan

geschat; om die eerder oostersche dan westersche volgzaamheid bij de

menigte te keer te gaan, wenschten wij Bicker hier. Hoe de stomme

poëzij in zijne afbeeldingen welsprekend verkondigen zou, dat men zijn

hoofd veil kan hebben voor wat men zijne regten gelooft te zijn, zonder

daarom zich zelven te zoeken; dat er een tijd was, waarin onzen besten

burgers geene verloochening,—die hunner eer uitgezonderd,—te zwaar

viel, als deze konde bijdragen ter bevordering van het welzijn des

algemeens!

[Illustratie: XXXIII. BARTHOLOMEUS V. D. HELST, (1613–1670).

No. 1144. _Prinses Maria Henriette Stuart, moeder van Prins Willem

III_, (Ao. 1652)]

[Illustratie: XXXIV. No. 401. JAN DE BAEN (1633–1702).

_Johan de Witt_, Raadpensionaris. (1625–1672)]

[Illustratie: XXXV. No. 410. LUDOLF BAKHUYSEN (1631–1708)

_Raadpensionaris Johan de Witt gaat op 13 Sept. 1665 aan boord van

de Nederlandsche Vloot._]

[Illustratie: XXXVI. No. 1850. JAN PEETERS (1624–1677).

_Het verbranden van de Engelsche Vloot voor Chatham._ (20 Juni 1667).]

[Illustratie: XXXVII. No. 2470. WILLEM V. D. VELDE DE JONGERE.

(1633–1707)

_Vierdaagsche Zeeslag_ (11–14 Juni 1666.)]

[Illustratie: XXXVIII. No. 2471. WILLEM V. D. VELDE DE JONGERE.

_De veroverde prijzen in den 4-daagschen Zeeslag._]

[Illustratie: XXXIX. No. 549. FERDINAND BOL (1616–1680).

_Michiel Adriaensz. de Ruyter_ (1607–1676) (1667).]

[Illustratie: XL. No. 402. JAN DE BAEN (1633–1702).

_Portret van Cornelis de Witt_, (1623–1672)

Gedeputeerde ter Zee, Burgemeester van Dordrecht, Ruwaard van Putten.]

[Illustratie: XLI. No. 2140. GODFRIED SCHALCKEN, (1643–1706).

_Willem III v. Oranje, Koning van Engeland_, (1650–1702). (bij

kaarslicht).]

Eene huivering overvalt ons, zoo dikwijls wij iemand vermetel de

weegschaal Gods zien ter hand nemen; en echter, wie durft ontkennen, dat

vergelding zoowel door het leven der vorsten, als door de geschiedenis

der volken gaat? Willem II,—Jan de Witt,—Willem III; welk eene

opvolging! En hoe gaarne voegen wij er bij, wanneer wij Maria van

Engeland, op het schilderij van {XXXIII} Van der Helst, verweduwlijkt

beklagen: welk eene wijsheid! Het lijdt geen' twijfel, dat hare oogen,

waaraan de vreugd vreemd schijnt geworden, die schikking hebben

beschreid. Acht dagen na het verscheiden van haren gemaal werd zij

moeder, een zegen, door haar niet alleen in rouwe ontvangen, maar voor

een gemoed als het hare vergald, eer zij uit de kraamkoets herrees.

Amsterdam mogt zich tot peter van den jonggeborene hebben aangeboden;

Amsterdam had hem de opvolging in 's vaders waardigheden tevens ontzegd;

Amsterdam achtte het voortaan gevaarlijk, zoo veel gezags in éénen

persoon te vereenigen. Er was weelde, onbeschrijfelijke weelde voor het

moederhart weggelegd in de voorspoedige ontwikkeling des knaaps; maar

eer hij vier jaren oud was, eischte Cromwell zijne uitsluiting van de

betrekkingen tot den staat, door 's prinsen voorouders bekleed, en Jan

de Witt bevlekte zijn leven[R120]—om den wille des vredes. Hoe zij in

hare verslagenheid het jongsken hartstogtelijk kuste, toen de mare tot

haar kwam, dat de gemeente het „Wilhelmus” had toegejuicht, waarmede

die vrede, ten koste van Oranje gesloten, te Amsterdam was gevierd.

Een oogenblik van hoop, de aanvang der lange jaren van beurtelings

teloorgestelde en beurtelings weêr aangewakkerde verwachting, gedurende

wier loop zij en haar zoon in de schaduw schuil gingen, terwijl de roem

van Jan de Witt, als eene rijzende zon, hare stralen al verder schieten,

al vuriger schitteren deed. Laat ons een oogenblik den hoveling

spelen, door mede naar haar op te zien; in deze zaal leverde ons het

penseel van {XXXIV} de Baen de afbeelding des mans, die in schier nog

jongelingsleeftijd „de wijsheid van Holland” heette. Staar naar de

hoogte, als ge wilt, en beken met mij, dat Jan de Witt dien schilder wel

het bewaren zijner trekken heeft dank te wijten, maar hem geene houding,

zijn karakter waardig, is verpligt. „De duurzaamste geschiedenis,” heeft

een vernuftig schrijver opgemerkt, „moge in muntpenningen geschreven

zijn, de treffendste biographie spreekt ons uit portretten toe. Langer

dan de indrukken, door de hoofdfeiten van een historisch leven op u

gemaakt, bewaart het geheugen uws gemoeds de gewaarwording, welke u bij

het zien van de beeldtenis eens beroemden mans aangreep. Het ware te

wenschen,” voegt de geestige vreemdeling er bij, „dat ieder vernuft, 't

geen zijnen naroem, in dit opzigt, een schilder prijs geeft, het bij de

keuze van den stand, bij het bepalen der houding, bedacht!” Wie het

deed, Jan de Witt niet! Maar tot geluk zijner gedachtenis, heeft hij

zich voor de voorstelling van eenige der grootste daden zijns levens;

van de glorie, die hij zich door zijne liefde voor 's lands zeemacht

verwierf; van de triomfen, die hij haar in staat stelde te behalen, tot

andere, tot groote meesters gewend. {XXXV} Backhuyzen, {XXXVI} Peters,

{XXXVII} {XXXVIII} Van de Velde[R121] verklaren u in ditzelfde gebouw

om strijd, waaraan het toe te schrijven viel, dat Janmaat hem op de

handen droeg; waarom deze, „jongen van Jan de Witt,” nog een' eernaam

houdt[R122]. Eene volgende schets zal ons, zoo uw geduld mij niet

begeeft, tot die schilderijen brengen; eene schets, in welke wij, door

de eenvoudige vermelding zijner feiten, tevens den man zullen huldigen,

dien ieder onzer het eerst noemt, als de vreemdeling vraagt, om welke

historische karakters wij Hollands zeventiende eeuw zijner studie waard

achten; den held, dien {XXXIX} Bol ons hier heeft veraanschouwelijkt:

Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Ons volk heeft hem onlangs een

standbeeld opgerigt, dat, zoo men wil, niet naar zee ziet, of men

vreesde, dat hij zich onzer onbeduidendheid schamen zoude. Onze eerste

redenaar was, bij de onthulling van het metaal, de tolk van het dankbare

vaderland. Maar men moet Royer, maar men moet Van der Hoeven[R123] zijn,

om zich van de veraanschouwelijking, van de waardeering van uit liefde

betrachten pligt waardig te kwijten; wat zoude mij voegen, dan eene

eerbiedige verwijzing naar Bol's schilderij? Ik gun u al het genot, aan

de gedachte eener zoo harmonische vereeniging van deugden verknocht.

Ik zou aarzelen u uit te noodigen, nog naar iemand anders om te zien,

ware de jongeling, dien ik zoek, Willem III niet; hadde ik langer dan

voor een oogenblik den hoveling willen spelen. Hoe de weêrspoed anders

vormt dan de weelde; hoe die jeugdige vorst vele der vijanden zijns

vaders met zijn geslacht heeft verzoend! Vondel, met het hart op de

tong, Vondel, die Willem II der verwenschingen des volks prijs gaf,

Vondel heeft hem reeds, als tienjarige knaap, aan het hoofd der

Aemstelridders gevierd.[R124] En echter—we spraken van Willem III's

jongelingschap—echter is zijne toestand bewolkter dan ooit; het Eeuwig

Edict[R125] werd uitgevaardigd; wie weet of zijne moeder niet wanhoopt!

Waarom ontbreekt hier eene schilderij, welke hem ons in die dagen

veraanschouwelijkt; welke ons Willem III doet zien in tegenwoordigheid

van Jan de Witt, hij die de eerste staatsman zijns tijds is; hij, die

de eerste staatsman zijns tijds worden zal; de burger, die half Europa

de wet geeft; de vorst, zich in den opgang der jeugd de kracht bewust

het roer te sturen, dat de beschikker van zijn lot, zoo ge wilt, geen

oogenblik glippen laat? Ons museum biedt ons niets, dat er naar zweemt,

aan—en als we billijk willen zijn, welk schilder zou haar in beeld

kunnen brengen, de rustelooze, maar verborgene, de onvermoeide, maar

ontveinsde, opmerkzaamheid, waarmede Willem III Jan de Witt gadesloeg,

en van iedere zijner zwakheden partij trok, en den oorlog te lande meer

in bespiegeling bestudeerde, hoe minder aan dezen om den roem ter zee

werd gedacht? Ons museum laat, met uitzondering van {XL} Cornelis, de

Ruwaard, den raadpensionaris alleen zijnen tijd vertegenwoordigen; eene

toevallige, eene treffende overeenkomst met onze geschiedenis, die ook

de verantwoordelijkheid voor de stormen van den avond zijns levens

slechts op zijne schouderen laadt. Eer men zijn vonnis wijze, dewijl hij

hoog genoeg boven zijne tijdgenooten stond, om Holland naar zijne hand

te kunnen stellen, wikke men welk verwijt deze verdienen, zoo verre in

ontwikkeling ten achter te zijn gebleven. Het is eene opmerking, die

evenzeer van Willem III's lateren invloed gelden mag. Och, dat ge mij

niet beschuldigdet, mijn onderwerp vooruit te loopen, dat gij mij niet

weêrhield u voor Willem III's beeldtenis te brengen, eer ik de gordijn

van voor dien gruwel[R126] ter zijde schoof!... Ga voorbij, bid ik u;

de tijd biedt overvloed van tooneelen aan, waarbij ge u niet te schamen

hebt mensch, niet te schamen hebt Hollander te zijn. Het vaderland was

in gevaar; het vaderland eischte een genie, dat de gaven van Frederik

Hendrik, van Maurits, van den eersten Willem in zich zou vereenigen;

een twijg uit den verworpen' tronk ontlook, zie! Hoe? hoog in den hoek,

een stuk van {XLI} Schalcken, bij toortslicht den man, die zijn' tijd

door geene fakkels wilde zien bestralen, slechts aan bevoorregte handen

toevertrouwd; hoe, Willem III in de schemering? hij, die niet rustte,

eer het ieder, die de zon des lichts liefhad, vrijstond, zich te

koesteren in de volheid harer stralen; den held, die Holland redde; den

staatsman, die Europa hervormen mogt? Vergeef mij de vermetelheid, dat

ik hem u anders wensche te doen zien.[R127]

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 25 / 62 题