AANTEEKENINGEN.

[R1] De hier bedoelde vijfschaar bestond uit: Engeland, Pruisen,

Oostenrijk, Rusland en Frankrijk, die in 1830 en 1831 in Londen

confereerden over den Belgischen opstand en 26 Juni 1831 het zgn.

Londensche Protokol teekenden.

[R2] Denk aan de bekende tochten naar de beide Indiën, tegen

Portugal's heerschappij; om de Zuidpunt van Afrika en de pogingen

om het Noorden om te zeilen.

[R3] Winzucht en wetenschap gingen inderdaad samen in de

ontdekkingstochten, die door ondernemende kooplieden als De

Moucheron en Le Maire op touw gezet, tegelijk de kennis der

aardrijkskunde verhoogden. De Amsterd. predikant Petrus Plancius

(1550–1622) stelde zijn groote kennis van aardrijks-, zeevaart-

en sterrekunde ten dienste der koopvaarders; en de beroemde

kaarten en atlassen, in ons land vervaardigd, hielpen beide:

winzucht en wetenschap.

[R4] De Nederl. Handel-Maatschappij, onder Koning Willem I en op diens

initiatief tot verlevendiging van den nationalen handel gesticht.

[R5] Vergelijk, om u te overtuigen, dat Potgieter hier niet opsneed,

wat de hoogleeraar te Oxford James Thorold Rogers in zijn werk

over ons land „_Holland_” (Story-of-the-Nations-Series, Fisher

Unwin) in zijn voorrede schrijft: „Geenszins echter beperkt de

schuld van het modern Europa aan Holland zich tot de lessen die

het gaf omtrent het waarachtig doel van burgerlijk bestuur.

Het heeft Europa bijna al het overige geleerd. Het gaf les in

vooruitstrevende rationeele landbouwkunde; het was de voorganger

in zeemanschap en ontdekkingstochten en, naar het inzicht van

den tijd, de grondlegger van verstandigen handel. Het heeft de

grootste rechtsgeleerden der 17e eeuw voortgebracht. In de

kunsten des vredes stond het vooraan. De drukpersen van Holland

leverden meer boeken af dan heel het overige Europa. Het telde de

meest geleerde mannen van studie. De Oostersche talen zijn voor

het eerst aan de wereld gegeven door Hollanders. In natuurkundig

onderzoek en verstandige geneeskunst stond het vooraan.

Staatslieden onderwees het de financierskunst, handelaars het

bank- en credietwezen, wijsgeeren de speculatieve wijsbegeerte.

Langen tijd was dit bestormde hoekje van West-Europa de

hoogeschool der beschaafde wereld, het middelpunt van Europa's

handel, de bewondering, de afgunst en het voorbeeld der natiën.”

[R6] Vergelijk behalve 't geen in de Inleiding is aangehaald, ook over

den algemeenen toestand in 1844 wat o.a. Prof. Dr. P. L. Muller

in zijn „Geschiedenis van onzen Tijd,” 1e stuk, schrijft over

dien toestand vóór 1848 (pag. 93): „Het was alsof het krachtig

optreden tegen de Belgische omwenteling alle energie der natie

had uitgeput. Van alle landen van Midden-Europa had Nederland

toen de minste beteekenis.”

[R7] De stoere figuren der 17e-eeuwers, neerkijkend van het doek op de

bepruikte mannetjes der 18e!

[R8] Cicerone = reisgids.

In de dan volgende wellicht niet-aanstonds òver-duidelijke

periode geeft P. nu rekenschap ervan, waarom het aanstaand

bezoek van deze Nederl. verzameling bij den ~Protestantschen~

Nederlander (aanbidder in geest en in waarheid) hooger

verwachtingen wekt dan eene van een verzameling antieke

beeldhouwkunst, die de helden van Homerus en het

schoonheids-ideaal der Grieken doet kennen; of van Italiaansche

schilderkunst, vooral van het werk van Rafael, die bij zijn

aanbidding der vormschoonheid toch in zijn Madonna's de

gelouterde zinnelijkheid der Grieken overtreft door haar

vermenging met het Geloof. De ~liefde~, in de Christelijke

kunst uitgedrukt, en als gesymboliseerd in de moederliefde van de

maagd voor het kindeke Jezus, gaat het noodlotsbegrip van het

Griekendom, in zijn goden en helden verbeeld, te boven. Maar al

mag er wat bekrompenheid liggen in ons hollandsch verwerpen van

het goddelijke in de kunst,—de hollandsche opvatting, die de

schoonheid in de werkelijkheid en de natuur zoekt, en van de

kunst de verlevendiging vraagt van ons gevoel voor voorgeslacht,

vrijheid en vaderland, en die van het goddelijke geen afbeeldsels

duldt, staat voor P. toch hooger.

Of er in die opvatting niet nog meer eenzijdigheid schuilt dan

P. zelf vermoedde? Ik onthoud me in deze aanteekeningen, waar

mogelijk, van een meeningsdiscussie. Men vergete trouwens niet

dat P. van die zuidelijke kunst niets kende dan het werk van den

overgangskunstenaar Rafael (en dit blijkbaar nog maar in gravures

nàar zijn werk!) De christelijke kunst vóor Rafael, die meer de

innigheid dan de schoonheid zocht, was in zijn tijd (om zoo te

zeggen) nog niet weer ontdekt. De Engelsche prae-raphaelitische

beweging—die de voorgangers van Rafael tot voorbeeld

koos,—onder Ruskin's en Rosetti's leiding, was in 1844 eerst

in haar opkomst.

[R9] In 1540 moest Karel V zijn zuster te hulp komen tegen de

opstandige Gentenaren, die sinds 1537 tegen haar in verzet

waren, weigerend, met een beroep op oude privilegiën, de groote

geldsommen op te brengen, welke de landvoogdes eischte ter

instandhouding van het leger. Aan dit belastingverzet paarde zich

weldra een godsdienstige en sociale beweging, die zich over heel

Vlaanderen dreigde uit te breiden en daarom ten slotte door Karel

met groote overmacht bedwongen werd.

't Straks volgende: _chevalier sans peur et sans reproche_

beteekent: ridder zonder vrees of blaam.

[R10] d. i. ~Lamoraal~, Graaf van Egmond, door Göthe in zijn _Egmont_

geteekend.

[R11] ~Hernan Cortez~ veroverde Mexico 1519–1521; door naijvrige

tegenstanders bij den keizer belasterd, viel hij later in

ongenade en stierf als vergeten burger.

[R12] Frederik de Wijze, Keurvorst van Saksen, die na den dood van

Keizer Maximiliaan I zijn invloed aanwendde om Karel te doen

verkiezen.

[R13] ~Wolsey~ (~Thomas~), kardinaal en aartsbisschop van York, langen

tijd de machtigste gunsteling van den Engelschen koning Hendrik

VIII, nam een belangrijk aandeel in de worsteling tusschen Karel

V en den Franschen koning.

[R14] ~Frans I~—„~Tout est perdu fors l'honneur~,” „alles is verloren,

behalve de eer.”

[R15] Als het onmogelijke mogelijk ware geweest, Karel V had zijn voet

op de wereld gezet.

[R16] Zinspeling op Karels tocht, in 1535 tegen den gevreesden

zeeschuimer Kheir-ed-Din Barbarossa ondernomen; bij de verovering

en gruwelijke uitmoording van Tunis werden 10 tot 20.000

Christenslaven verlost.

[R17] ~Maurits van Saksen~ had Karel krachtig gesteund in den

Smalkaldischen oorlog tegen den keurvorst van Saksen, en nadat

deze in 1547 gevangen genomen was, kreeg Maurits een groot deel

van diens rijk en werd zelf keurvorst. Nu echter verried deze den

keizer, vereenigde zich met Koning Hendrik II van Frankrijk en

trok in 1552 eensklaps tegen Tyrol op, zoodat Karel in allerijl

naar Innsprück moest vluchten.

[R18] _Tiara_, drievoudige pauselijke kroon.

[R19] „_eenen veegen verrukten_”—veege is stervende.

[R20] ~Hendrik van Brederode~: Zie ~Hooft~ in zijn Nederl. Historieën:

„Den derden van Grasmaandt (1566) dan, deed daar zijn intreê Heer

Henrik van Breederode, persoonaadjen van hooghen aanzien en

achtbaarheit, als eerste eedelling (die te Brussel bijeenkwamen

om der Spaansche landvoogdes het bekende smeekschrift te

overhandigen, voorteeken van den opstand) en gesprooten in

manlijke lijn, uit de Graaflijke stam van Holland.” Hij was het

ook die op den vijfde voor al de edelen het woord voerde, ter

overhandiging van het smeekschrift.

[R21] De ~Zwart Jan's~ en de ~Jan Haring's~—~Zwart Jan~ was de bijnaam

van een Rotterdamschen smid, die zich kloekmoedig weerde bij

Bossu's verraderlijken aanval op Rotterdam, kort na de inneming

van Den Briel. Mede tegen Bossu, nu bij den befaamden slag op de

Zuiderzee (1573), onderscheidde zich een Hoornsch burger, ~Jan

Haring~, die zijn koenheid met den dood bekocht.

[R22] _provincialismus en urbanismus_: gehechtheid aan eigen provincie

en stad, die beletten dat men belangrijke stukken afstaat voor

een groot, _nationaal_ museum.

[R23] De onderhandelingen met don Johan (van Oostenrijk), met Matthias

(van Oostenrijk), met den hertog van Anjou, om het hoofd te

worden van de geunifieerde gewesten en dezen aldus in hun

strijd met Spanje een dynastieken rugsteun te verzekeren.

[R24] ~Miereveld~ was inderdaad pas in 1567 geboren, doch hij

schilderde het gelaat dan ook niet naar den levenden prins,

doch naar het origineel van Cornelis de Visscher.

[R25] De Friesche dichter ~Onno Zwier van Haren~ (1711–1779) in zijn

gedicht: _De Geuzen_—in den eersten druk (1769) _Aan het

Vaderland_ geheeten.

[R26] Schiller's gedicht: _Die Unüberwindliche Flotte_, met de

beginregels:

„Sie kömmt—sie kömmt, des Mittags stolze Flotte,

Das Weltmeer wimmert unter ihr.”

[R27] De ~Amirant van Arragon~, ~Franciscus de Mendoza~, was bij den

slag van Nieuwpoort gevangen genomen. Zie de aanteekening van P.

zelf bij de _Liederen van Bontekoe_.

[R28] ~Willem Barendsz~, door Tollens' gedicht op de „Overwintering op

Nova Zembla” populair genoeg geworden; ~Olivier van Noord~, de

eerste Nederlander, die den aardbol omzeilde door de straat van

Magellaan (Aug. 1598).—~Jacques le Maire~, zoon van den uit

Antwerpen geweken en naar Amsterdam verhuisden koopman Isaac le

Maire. Deze was op 't denkbeeld gekomen, dat een nieuwe doorvaart

naar het Zuiden te vinden zou zijn. Jacques stak 1615 van Texel

in zee met twee schepen, waarvan een op reis verbrandde; met 't

andere ontdekte hij de zeestraat naar hem genoemd en kaap Hoorn.

[R29] „_Al leverde hij er een fraaie schets van._” Die _hij_ is

blijkens een latere toespeling op pag. 201, de schilder ~Cornet~

geweest, zie noot R131.

[R30] ~Willem Bontekoe~. Zie P's _Liedekens van Bontekoe_.

Het is mij niet gelukt te ontdekken, ook niet bij navraag in

België, bij wie best bekend zijn met de Vlaamsche schilderkunst,

wie die Vlaming mag geweest zijn.

[R31] _Brabbelingh_ was de titel w/o de Amsterdamsche koopman ~Roemer

Visscher~ (1547–1620) in 1614, toen hij al oud was, zijn

_Quicken_, of puntdichten, _Raedselen_, _Jammertjens_ enz.

uitgaf. Heel kieskeurig was hij in zijn aardigheden niet;

Jonckbloet acht ze voor onze dagen (al erkent hij hun vroolijk

vernuft) „àl te onkiesch, zelfs plat,” en Alberdingk Thym vond

zijn „kwinkslagen van zulk een stempel, dat ze in café-chantants

onzer dagen (d. i. toen hij zijn _Portretten van Joost van den

Vondel_ uitgaf. 1876) nauwelijks geduld zouden worden.” Met

Brederoo's kluchten (en die was staage gast in Visscher's huis)

was 't niet anders; de 17e eeuw hield er niet van een blad voor

den mond te nemen, en het teekent Potgieter, dat hij „kieskauwer

noch pilaarbijter” hoog dorst loopen met deze oud-hollandsche

„oubolligheid.”

[R32] ~Hendrick Spieghel~, de groote vriend van Roemer Visscher, uit

een aanzienlijk Amsterdamsch geslacht in 1549 geboren († 1612)

legde zich eveneens op handel èn dichtkunst toe; studeerde

Grieksch en Latijn, een echt man van 't Humanisme. In zijn

gedichten, vooral den _Hertspieghel_, wijsgeerig bespiegelend,

onder de zinspreuk: „_Deugd verheucht_,” legde hij zich zoo zeer

op kernachtigheid toe en op woordkoppelingen naar Grieksch

voorbeeld, dat ze moeilijk verstaanbaar werden. Doch hij legde

met ~Roemer Visscher~ en ~Dirck Volckertsz. Coornhert~ den

grondslag voor het nieuwere Nederlandsch, ontdaan van de vele

vreemde termen der Rederijkers, waarvan straks Hooft en Vondel

zich zouden kunnen gaan bedienen:

„Op dees voet ik doorwroet ons grondwoordryke taal

En my' uytheemse pronk.”

De zeehelden door Tollens en Bogaers bezongen, zijn: ~Willem

Barendsz~ en ~Jacob van Heemskerck~. Bogaers (Rotterdamsch

dichter 1795–1870) schreef _De Tocht van Heemskerck naar

Gibraltar_ (1837) dat bij onze voorouders zoo in den smaak viel.

[R33] „Waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam

leeren bij den oorlogsman, die alle overige wijken deed”—Geen

heel fraaie zin, met deze beide _die's_ en onduidelijk bovendien.

't Eerste _die_ slaat op stoet; 't tweede op oorlogsman, d.i.

prins Maurits, voor wien alle overige bevelhebbers hadden te

wijken. De straks volgende fransche zin beduidt: „Hart voor

alles, wat den roem van Frankrijk uitmaakte.”

[R34] ~Rombout Hogerbeets.~—Potgieter doelt hier op het familiestuk

van De Keyser, dat echter niet Rombout Hogerbeets „een vrome,

opregte ziel en vrij van vuile smetten,” zooals Vondel dezen

medestander van Oldenbarneveld, bij zijn dood in 1627 noemde,

doch een heel ander gezin voorstelt. Het stuk van Cuyp, waarvan

hij spreekt, wordt nu ook aan de Keyser toegeschreven.

[R35] Frederik Hendrik's moeder was Louise de Coligny, dochter van den

Hugenootschen generaal de Coligny.

[R36] ~Cats~, Heer van Zorgvliet; ~Huygens~, heer van Zuylichem.

[R37] ~Reinvis Feith~, de 18e eeuwsche sentimenteele dichter.

[R38] ~de Vries.~ Ik vermoed dat P. doelt op ~Jeronimo De Vries~

(1777–1853), den grooten vriend van Bilderdijk; schrijver o. a.

van de _Proeve eener Geschiedenis der Nederd. Dichtkunst_.

[R39] Zie later: _Het Houwelyck_ of _het gantsch beleid des echten

staets_.

[R40] ~Huygens~, in zijn _Zedeprinten_, maar vooral in zijn Antwerpsche

„_Klucht van Tryntje Cornelis_.”

[R41] „De tijd is voorbij.” Potgieter voelde zich dus op zijn 36e jaar

al verstokt vrijgezel.

[R42] De 17e en 18e eeuwsche dichters in 't algemeen hielden ervan

de meisjes, tot wie zij gedichten richtten of die zij in hun

minnedichten lieten optreden, klassieke namen te geven. Aan

~Phyllis~ vooral is menig lied door hen opgedragen.

[R43] „Blikt ons de bitter beproefde Maria van Utrecht niet aan”—'t

Portret is echter van 1615, dus vóór haar beproeving kwam.

[R44] Vergelijk de bekende uitdrukking uit Vondel's _Gysbreght_:

„Men _brengt_ het Vosmeer _toe_ met kroesen en met kannen.”

~Jan Jansz. Starter~ (1594–? nà 1627) was een vroeg 17e

eeuwsch dichter, bekend om zijn _Friesche Lusthof_ (1621)

„beplant met verscheide stichtelyke Minne-Liedekens.” De

~Breeroo~ hier genoemd, is de vroeg-gestorven Amsterdamsche

17-eeuwsche dichter, wiens blijspelen en kluchten, en een deel

van zijn gedichten, van sterke levensweelde spreken.

[R45] Potgieter hield van de 17e eeuwsche glazen; denk aan zijn

gedicht: „_Op rijnsche roemer òf fransche fluit._” Een fluit is

eigenlijk een ~geblazen~ glas—van onderen smal, en toenemend

breed naar boven.

[R46] _Scheepspraet_, ten overlijden van ~Prins Maurits van Orange~

(1625), van Constantijn Huygens. Zie onze achterstaande

verzameling, pag. 225.

[R47] ~Burns~ (1759–1796) de Schotsche liederendichter; ~Béranger~

(1780–1857) de Fransche; beide letterkundig in hoog aanzien.

[R48] ~Constanter~, schuilnaam, waarmee Huygens zijn puntdichten placht

te onderteekenen. Zoo'n aardigheid als van plaatsen en

~mis~plaatsen was echt in Huygens' trant.

[R49] De meest beroemde: ~Christiaan Huygens~, de groote natuurkundige

der 17e eeuw.—In zijn _Cluyswerk_ roemt Constantijn zichzelf

om zijn kinderen gelukkig.

[R50] _'t Voorhout_: satirieke beschrijving van Haagsch leven, zich

samentrekkend onder de Haagsche _Linde-lij_.

[R51] _Hofwyck_, Huygens' buitenplaats bij Voorburg—door den dichter

beschreven (naar zijn zoon Christiaan schreef) „dat 't de ziel

raakte, makende van die wandeling een handeling”—in zijn gedicht

van dien naam.

[R52] _Cluyswerck_, 't laatste werk van Huygens, eerst in de 19e eeuw

uitgegeven. 't Andere is van Cats.

[R53] _De Zeestraat_ van Den Haag naar Scheveningen. Huygens schreef

in 1653 een ontwerp voor een „Steen-wegh van den Haghe op

Scheveningh.” Tien jaar later kon hij in een brief uit Parijs

aan den Heere De Veer, baljuw van 's-Gravenhage, constateeren

tot zijn genoegen vernomen te hebben, dat men in ernst begon te

spreken van eenen steen-wegh uit den Haghe, niet alleen tot

Ryswyck, maar oock tot Scheveningh. In 1666, toen die voltooid

was, gaf hij zijn gedicht van dien naam uit.

[R54] Hier doelt Potgieter op den gouden ketting en penning, door de

Staten op 25 April 1637 aan Galilei toegezonden, als waardeering

zijner verdiensten, en in verband met zijn in 1635 gedane

aanbieding, om hun zijn uitvinding van de lengtebepaling met

behulp der verduistering der satellieten van Jupiter over te

doen. Ofschoon uit de mededeelingen van Prof. ~D. J. Korteweg~

(Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van

Wetenschappen 1888, 3e rks., 4e deel, pag. 275 vlgg.) duidelijk

blijkt, dat Huygens zich veel moeite heeft gegeven om de zaak te

doen slagen, is niet duidelijk of juist hij tot het verleenen van

dien ketting—als Potgieter verklaart—den stoot gaf. Voor

waardeering van H. blijft dit intusschen 't zelfde.

[R55] _Galathe._ Het gedicht van Hooft, waar P. aan denkt, zie achter,

pag. 228.

[R56] Het eerste lied uit den bundel. Dit is het _Heilige Venus_,

vermeld in verband met P's toespeling in _Jan, Jannetje_. Aldaar

noot J62, en verder achter, pag. 227.

[R57] _Rozenobel_, Gouden munt, die ten tijde van Hooft een waarde van

ƒ 8.90 vertegenwoordigde (A. C. Oudemans, Snr. Woordenboek op

Hooft).

[R58] _Ausonië_: Beneden-Italië. In ruimeren zin ook voor geheel Italie

gebruikt.

[R59] ~Petrarca~ en ~Guarini~. ~Petrarca~ (1304–1374) was Italiën's

grootste lyrische dichter, tegelijk geleerde en inleider der

nieuwe klassieke studiën (Humanisme). Zijn sonnetten aan _Laura_,

wier liefde hem op 23-jarigen leeftijd, toen hij al in den

geestelijken stand getreden was, overviel, zijn hoogberoemd om

hun vormschoonheid, vernuft, welluidendheid, en hebben ook op

onzen ~Hooft~, die van 1598–1601 in Italie reisde, grooten

invloed geoefend. ~Guarini~ (1537–1612) had toen kort te voren,

in 1585, zijn herdersdrama „_Il pastor fido_” („de Getrouwe

Herder”) doen vertoonen, dat Hooft na zijn terugkomst inspireerde

tot zijn eigen herdersspel: _Granida_ (1605).

[R60] _Arcadie_: Het klassieke land der herdersspelen.

[R61] _Arno_; de rivier w/a. Florence ligt, en vanwaar uit Hooft een

rijmbrief schreef.

[R62] _Als hy Rozemondt wekt_, _als hy Klaare beschaamt_. 't Zijn twee

liedjes van 1621.—Zie hierachter, pag. 228 en 229.

[R63] _Klachte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlog voor

's-Hertogenbosch_: Zie achter, pag. 230–232.

[R64] ~Ovidius~. Latijnsch dichter.

[R65] _Meistreel_ = minnestreel, liederzanger.

[R66] De vrijheidszucht, „die erfelijk scheen in zijn geslacht”—Hoofts'

vader was Burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, die ten tijde

van Leicester dezen zoo krachtig in zijn aanslagen weerstond.

(Zie Vondels eerewoorden in zijn _Roskam_, noot R87 en pag. 238.)

Ook Jan Cornelisz. Hooft, een der hopluiden der stad, speelde een

rol in de verdediging der stad tegen Leicester.

Wat des dichters eigen vrijheidsdenkbeelden aangaat, men behoeft

slechts te denken aan de _Rey van Aemstellandsche Jofferen_ uit

het door Potgieter aangehaalde treurspel van _Geeraardt van

Velzen_:

Den openbaren Dwingeland

Met moed te bieden wederstand

En op de harssenpan te treden;

Om met het storten van zijn bloed,

Den vaderlande 't waardste goed:

De gulden vrijheid, te bereeden;

Dat is, van ouder herkoomst wijd,

Bij d'aldertreffelijksten altijd

Beloond met eerebeelden danklijk.

Die roem is uitgeblazen met

Geleerdheids heldere trompet.

In schrift en dichten onverganklijk.

De lofkrans groenens nimmer moe,

Die komt het hair der zulken toe,

_Die 't al voor 't algemeene wagen_, enz.

[R67] _Navolging van Plautus._ In zijn kluchtspel „_Warenar_,” naar de

„_Aulularia_” van ~Plautus~.

[R68] Potgieter denkt aan de geschiedwerken van ~Hooft~: _Hendrik de

Groote_ (1626); _Rampzaligheden van den huize Medicis_;

vervolgens _Nederlandsche Historien_, behandelend de jaren

1555–1586, in 1642 door hem uitgegeven.

[R69] Wat Potgieter al niet zag!—Bedenk, dat de zoogenaamde de Keyser

een Sandrart is en dan geschilderd naar een plaat van Persyn!

[R70] _Camaraderie._ „_Bentgenooten_” was 't hollandsche woord, waarmee

Potgieter zelf 't woord _Camaraderie_ vertaalde, bij 't bespreken

van Scribe's blijspel van dien naam. Voor de leden van den

„Muiderkring” misschien een naam met te veel bijsmaak van

onderling bewierooken, al lag dat toen in de zeden van den tijd.

Het „genie” ~Caspar van Baerle~ (Barlaeus op 't Latijnsch!),

eerst te Leiden, later (1630–1647) te Amsterdam, hoogleeraar

in de wijsbegeerte en welsprekendheid, werd in zijn dagen

hoogvereerd als „aartspoeet” en „vorst der dichters.” Hij

schreef meest in 't Latijn, een enkel maal in 't Nederlandsch.

~Leonora Hellemans~ werd in 1627 Hoofts tweede vrouw; haar naam

komt veelvuldig in zijn gedichten voor („Leonoor, mijn lieve

licht”—„Lieve lichte, Leonoor”). ~Tesselschade Roemers~,

dochter van Roemer Visscher, dien we al ontmoet hebben, was

de Hollandsche muze van haar tijd; zij inspireerde Brederode,

Huygens, Hooft, Vondel en Van Baerle door haar schoonheid, geest,

kunstzin.

[R71] „De wereld ga eer ten onder dan een beginsel.”

[R72] ~Heeren~ (1760–1842) beroemd Duitsch geschiedschrijver,

hoogleeraar te Göttingen. Enkele zijner werken zijn in het

Nederlandsch vertaald.

[R73] ~Cornelis Pietersz. Hooft.~ Zie noot R77 en R87. De uitdrukking

„O beste bestevaer!” is door ~Vondel~ in zijn _Roskam_ op den

ouden Hooft toegepast. (Zie noot R77 en R87 en de aanhaling pag.

238.)

[R74] _'t Gryze Hoofd_—van Oldenbarnevelt, in 1618 op 't Binnenhof te

's-Gravenhage door den bijl gevallen.

[R75] _ruminalen der roomsche Gemeente._ Roomsche is hier bedoeld,

gelijk ook zoo dikwijls bij Vondel, als Romeinsch. De _ruminalis

ficus_ was de vijgenboom, w/o volgens de overlevering de

stichters van Rome, Romulus en Remus, door een wolvin zouden

gezoogd zijn, en hij werd aldus betiteld naar de godin Rumina,

schutsvrouwe der zoogende kinderen.

[R76] Potgieter denkt aan de geschiedenis door Bilderdijk geschreven,

wiens opvattingen en leerstellingen hem, blijkens 't

voorafgaande, zeer dwars zaten.

[R77] Bekende studie van Bakhuijzen v. d. Brink over Vondel als

hekeldichter, genaamd naar twee van diens gedichten: _Roskam_,

gericht tot Pieter Cz. Hooft, in antwoord op een brief van dezen,

waarin Vondel diens vader ten voorbeeld stelt aan de latere

bestierders van land en stad; en _Rommelpot van 't Hanekot_, op

de aanvallen der Contra-Remonstranten op de Remonstranten. Over

't eerste gedicht zie verder noot R87 en pag. 238 vlgg.

[R78] De tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik

toejuicht.—Het portret is van 1653, toen er van 't toejuichen

dier zegepralen wel geen sprake meer was.

[R79] _de Stedeveroverende Vreeryck_: Frederik Hendrik, in wien Vondel,

bij allen lof aan zijn krijgsmansdapperheid en beleid geschonken,

toch al aanstonds een man des vredes zag, en dien hij dan ook,

met steeds volgehouden woordspeling, reeds in 1626, bij het

dichten van zijn „Geboorteklock op Willem II,” liet zeggen:

„Myn naam is _Vrederyck_, dies schep ik geen behagen

In borgerlyken twist.”

[R80] _De onderliggende party_: de Remonstranten. Vondel had 't voor hen

en Oldenbarnevelt opgenomen; in zijn _doel_-treurspel _Palamedes_

en tal van gedichten.

[R81] _Princeliedt_, op de wijze van 't Wilhelmus. Daarin vooral deze

regels:

's Lands rechten en vryheden

Ik helpen zal in zwang;

In geen vereende steden

Gewetens felle dwang

Of tyrannye lyen;

Ik wensch de goê gemeent'

En trouwe borgeryen

_Door liefd' te zien vereend._

[R82] ~Geeraardt Brandt~. Dezelfde, die ook het _Leven van de Ruyter_,

bij ons verschenen, schreef.

[R83] _Geboorteklock._ Een gedicht te lang om hier op te nemen.

We halen er alleen de regels uit aan, waarin Potgieter den

toekomstigen dichter van _De Leeuwendalers_ (het landspel 22

jaar later, ter eere van den vrede van Munster, door V. gedicht)

alreeds meent te herkennen. Zie hierachter, pag. 233.

[R84] _Verovering van Grol_ (1627). Hierop maakte Vondel een klinkdicht

(~Sonnet~) en een lang gedicht van ruim 800 regels, dat in

klassieken trant begint:

Ik zing den legertocht des Princen van Oranjen,

Die 't heer van Spinola, en all' de macht van Spanjen

Met zijn slagordens tartte, in het bestorven veld,

_En Dulcken de stad Grol deed ruimen met geweld._

… … … … … … … … … … … … … … … … … …

En gij, o Frederik! die fier en trots te paarde.

Voor Hollands vrydom vecht, en yvert met den zwaarde;

En 't volk, dat hier geschoold krielt als een byenzwarm,

Verdedigd door Gods kracht en uwen ijzren arm;

Indien ge t' eeniger tyd van 's lands bekommeringen

En zorregen ontlast, myn ruw gedicht hoort zingen;

_Zoo oordeel heusch van hem, die door Uw deugd gewinkt

Geen leidstar kent als 't licht dat op Uw helmtop blinkt._

In de tweede plaats doelt P. hier op Vondel's _Zegezang_ ter eere

van _Frederik Hendrik_, ~Boschdwinger~, ~Wesel-winner~, ~Prince

van Oranjen~, geschreven ter eere van de inneming van Den Bosch

(14 Sept. 1629). Er steekt in al deze stukken veel klassieke

toespelingen, veel vernuftsspelingen, veel kennis van 't

oorlogswezen van den tijd. Voor den hedendaagschen lezer zijn ze

wel wat rijklijk lang en overladen.

[R85] ~Lijkoffer van Maagdeburg~ (1631) „dat in Mei 1631 door de

keizerlijken onder Tilly en Pappenheim geplunderd, maar in

September daarna, door Gustaaf Adolfs overwinning bij Leipzig,

gewroken was.” (v. Vloten.)

[R86] _de Groot's verlossing._ _Wellekomst_ van den Heere Huig de Groot,

t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap (1631). Zie

hierachter, pag. 235 en 236.

[R87] In het reeds aangehaalde gedicht (noot 64 en 68) De Roskam. Zie

achteraan, pag. 238.

[R88] —„De beschuldigers en beschimpers der burgervaders”—de

aanhangers van Bilderdijk en deze zelf.

[R89] „de zee, die de vryheid vestigde, toen de vaste grond haar

ontzonk.”—Toen deze vryheid niet meer op 't vasteland, door

verwaarloozing van het leger, veilig was, waarborgde haar ons

gezag ter zee.

[R90] 't Is nu al 260 jaar! sints _Gysbreght van Aemstel_ het eerst ten

tooneele kwam, en nog steeds wordt gespeeld, hoe dan ook!

[R91] P. denkt aan het begin van ~Hooft's~ herderspel _Granida_:

Het vinnig stralen van de zon

Ontschuil ik in 't bosschage;

Indien dit boschje klappen kon,

Wat meldde 't al vryage?

[R92] De vergelijking met den ~wereldstroom~—straks blijkt dat P. vooral

aan den ~Rijn~ denkt—past te gelukkiger bij Vondel om diens

eigen verheerlijking van den Rijn, zijn geboortestroom (V. werd

immers in Keulen geboren!) in zijn terecht beroemd gedicht _De

Rynstroom_:

Doorluchte Ryn, mijn zoete droom!

Vanwaar zal ik u lof toezingen?

Myn trekkende geboortestroom,

Gij koomt uit Zwitsersche Alpen springen, enz.

[R93] Hier heeft P. gedacht aan de beschrijving in ~Helmers~'

_Hollandsche Natie_, van den Rijn en Rijnval bij Laufen:

„En stort bij Laufen zich, met _ongehoord gedonder_”

[R94] 't Is: het _Rijntje_ uit de „Familie Stastok” (Hildebrand's _Camera

Obscura_) van ~Elias Johannes Borger~, daar Potgieter nu aan

denkt:

De stranden kust, en scheurt de dijken,

_De wereld splitst in koninkrijken_,

En 't vorstelijk rechtsgebied bepaalt.

Ook straks weer:

_En 't landvolk spelende aan zijn vloed_

Brengt vader Rijn den lentegroet.

[R95] 't Beroemde treurspel _Lucifer_ op 66-jarigen leeftijd geschreven

met den hoògstijgenden Reizang:

Wie is het die zoo hoog gezeten?

en het plechtstatig slot:

Heilig, heilig, nog eens heilig!

Driemaal heilig!—Eer zij God! enz.

[R96] _Klinkert_ (klinkdicht). Zie het klinkdicht hierachter (blz.

239).

[R97] Een zesregelig gedicht op ~Pieter Pietersz. Hein~ van 1628;

alleen belangrijk om Vondels belangstelling.

[R98] ~Laurens Reael~ (1583–1637) van 1616–1619 Gouverneur-generaal van

Indië, wien Vondel zijn _Lof der Zeevaart_ (1632) wijdde, een

gedicht waarin rake beschrijvingen van scheepsbouw en kleurige

van de scheepvaart, door, voor onzen smaak, nogal te veel

klassieke goden- en godinnerij worden bedorven; maar waarin

men bewondert hoe de dichter zich door het afluisteren van de

volkstaal en kennis der realiteiten van zijn onderwerp een smedig

werktuig gemaakt heeft van onze, laat in de 16e eeuw, nog sterk

verknoeide en stroeve taal.

Hierachter een proefje er uit (blz. 240).

Aan 't slot, de thuiskomst in 't „_Zee-prieel_:” Amsterdam, met

de bekende regels:

„Hier open ik mijn reis in 't zalig Roemers huis:

Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten

Van schilders, kunstenaars, van zangers en poëten.”—

De „kusjens” van ~Reael~ zijn minneliederen, aldus genoemd naar

het voorbeeld van onzen beroemden 16e eeuwschen Nederlander

Johannus Secundus (14 Nov. 1511 in Den Haag geboren) wiens

latijnsche verzen door Grotius geprezen werden als die van

Ovidius te evenaren. Op het voetspoor van zijn _Basia_ (kusjes)

dichtte ook de Leidenaar Van der Does of Douza, stichter der

Leidsche Akademie, zulke „kusjes,” en hem volgde ~Reael~.

[R99] ~Maarten Harpertszoon Tromp~—Vondel dichtte hem zijn „_Vrye

Zeevaart_” toe, na den driedaagschen zeeslag van 28 Febr. 1653.

Zie hierachter, pag. 241.

[R100] _Konstantyntje._ De eigenlijke titel was: _Kinderlijk_, bij den

dood van zijn zoontje Constantyn. Zie hierachter, pag. 243.

Ik kan, intusschen door dit vers, hoe „knap” ook, allerminst tot

schreiens toe bewogen worden, als Potgieter. 't Is mij te knap en

te veel boven de wereld en haar smart, meteen. De _Vertroostinge

aan Gerard Vossius_ spreekt me dieper toe. Maar ik mag geen

uitvoerige bespiegelingen geven over Vondels kunst.

[R101] Ik ben niet geheel zeker omtrent 't door Potgieter hier bedoelde

gedicht. Immers er is een _Kerstlied_ van Vondel (door Van Vloten

ongeveer 1643 gedateerd) beginnend:

„Emmanuel is nu geboren.”

Er is een ander dat Unger op 1660 stelt.

Doch ik kan in dat eerste geen Italiaansch penceel ontdekken;

veeleer in 't bekende: „O Kersnacht, schooner dan de dagen!” Doch

dit geeft Alberdingk Thijm niet onder den titel _Kerstlied_, maar

als: _Kersnachjen_, „bij Joffr. Tesselscha gezongen, in 't jaar

1632” (waarschijnlijk op muziek van onzen beroemden componist D.

J. Sweelinck, op wien Vondel zelf ook eenige gedichten maakte.)

Dit laatste vers kent iedereen nu wel, die ooit iets van Vondel

las. Ik geef dus liever dat van 1660. Men kan dan zelf kiezen:

Zie hierachter, pag. 243.

[R102] _Opregtste Trouw._ De vierde Reizang uit de _Gysbreght_. Zie

hierachter, pag. 245.

[R103] De schennis aan den _Schuttersmaaltyd_ gepleegd. Sommigen beweren,

dat deze schilderij bovenaan zou zijn afgesneden; in verband met

't muurvlak waar ze te voren hing, wordt dit door anderen

ontkend.

In het Rijks-museum dat Potgieter kende, hing deze schilderij

van v. d. Helst (1613–1670), den leerling van Frans Hals en

Rembrandt tegenover _De Nachtwacht_. Dat Potgieter haar stelt

boven dit werk en boven het, evenals de Schuttersmaaltijd om het

sluiten van den vrede van Munster geschilderde, doek van Flinck

zal men hem nu niet meer toegeven. Doch de cultus van Rembrandt

is vooral weer nà zijn tijd toegenomen. En—waardeerde hij niet

de _Schuttersmaaltyd_ vooral ook om den levenslust, dien ze

leeren zou?

[R104] Men stelt nu vast: „aan de zijde van haar jongen gemaal Prins

Willem II,” met wien ze in 1641, kort vóor van Dycks dood, gehuwd

was, hij nauwelijks 15 jaar! Jules Guiffrey, in zijn groot werk

over Van Dyck, noemt beide jongelieden „verloofden.”

Wat Potgieter uit deze beschrijving voor bespiegelingsstof

gehaald zou hebben! Niet heel duidelijk trouwens is hoe hij, die

er den hertog van Gloucester in zag, twee pagina's verder iets

kon zeggen over de wijze, waarop deze 's vaders dood zou dragen.

Want dat zou 3 jaar nà zijn geboorte gebeurd zijn!

[R105] Rembrandt.—Burgemeester Jan Six, naar wien hij een zijner

schoonste portretten penceelde, dat nog de glorie is van de nu

voor het publiek gesloten Six-galerij, was zijn vriend.

[R106] Van Dyck schilderde o. a. Karel I 25 malen, daarvan niet minder

dan 3-maal te paard, alsook zijn paard aan den teugel leidend.

Behalve deze nog veel ruiters (St. Martyn; den Graaf d'Aremberg,

enz.)

[R107] _Marston Moor_ en _Naseby_—bekende Engelsche slagvelden in den

strijd tusschen de aanhangers van Karel I, en de IJzervreters

onder Cromwell en de andere vertegenwoordigers van 't Parlement.

[R108] „_zonder te vergeten dat zij tóen reeds_” d.i., niet heel

duidelijk: _toen_ haar vader onthoofd werd.

[R109] Luitenant ~Johan Oetgens van Waveren~, wiens beeltenis we uit

het welbekende geheel hebben gelicht, was toch waarschijnlijk

dezelfde ~niet~ als ~burgemeester~ van Waveren, die ~Antoni~

heette en volgens Wagenaar met ~Pieter Hasselaar~ door de

Amsterdamsche vroedschap naar Prins Willem II gezonden werd. Uit

de familieregisters van ~Elias~ (~De Vroedschap van Amsterdam~)

schijnt af te leiden, dat deze luitenant de zoon van burgemeester

~Antoni~ was.

[R110] ~Frans Banning Cock~ of ~Kok~, de hoofdfiguur op Rembrandt's

schilderij, was inderdaad in 1650, tijdens Willems aanslag op

Amsterdam, een der burgemeesteren van die stad.—Dat hij deel

zou hebben uitgemaakt van die deputatie naar den Prins, blijkt

echter uit niets.

[R111] Een blijkbare drukfout in dien ouden catalogus voor:

1660.—Potgieter mocht wel zoo'n fijn steekje onder water geven!

[R112] _Te voldingen._ Voor voltooien.

[R113] Er zijn twee Honthorsten: Gerard (1590–1656) en zijn jongere

broeder Willem (1604–1666). Ook van den laatste heeft ons Museum

een portret van Willem II, dat echter blijkbaar niet door P.

bedoeld is. De ~vioolspeler~ van Gerard vindt men er onder No.

1233; het stelt een rondreizend speler, blijkbaar door drank

opgevroolijkt, met een glas in de hand, voor.

[R114] Met de namen van ~Hertog Aelbrecht~ en ~Vrouwe Jacoba~ worden

wij even verplaatst naar het tijdperk onzer geschiedenis, dat

gekenmerkt werd door de zoogen. Hoeksche en Kabeljauwsche

twisten. Potgieter heeft hier de partijdigheid op 't oog, die

bij het bespreken van dit tijdperk in Bilderdijk's oordeel over

deze beide personen doorstraalde. Zijn eigen „kabeljauwsche”

gezindheid, d.w.z. zijn afkeer van vrouwenregeering deed

Bilderdijk over Jacoba van Beieren, meer bepaald uit het oogpunt

van zedelijkheid, oordeelen met een gestrengheid, die scherp

afsteekt tegen het milde oordeel, dat hij in dit opzicht voor

Hertog Aelbrecht over heeft, wiens moraliteit, gemeten naar

Bilderdijk's leerstelligen maatstaf, toch niet minder dan die van

Jacoba te veroordeelen viel.

[R115] Herinnering aan de moeilijkheden tusschen Willem II en Amsterdam,

waar beider belangen tegen elkander schenen te botsen; hij, wiens

macht door den vrede daalde; de Amsterdamsche heeren, wier macht

er door wies.

[R116] Frederik Hendriks aanslag op Antwerpen werd door de Amsterdammers

nog uit andere „winzucht” verijdeld: Antwerpen binnen de „Unie”

getrokken, zou voor onze eerste koopstad te groote mededingster

geworden zijn.

[R117] _Oligarchie_: Regeering van weinigen.

Die „~Sommelsdijk~,” w/o. P. het heeft, was ~François van Aerssen

van Sommelsdyk~, te voren raadgever van de Prinsen Maurits en

Frederik Hendrik, en een tijd lang gezant der Staten te Venetië.

[R118] Deze zes afgevaardigden waren: ~Jacob de Witt~, oud-burgemeester

van Dordrecht, ~Jan de Waal~, burgemeester en ~Albert Ruil~,

pensionaris van Haarlem, ~Jan Duist van Voorhout~, burgemeester

van Delft, de pensionaris ~Keizer~ van Hoorn, en de pensionaris

~Stellingwerf~ van Medemblik.

[R119] ~Potgieters~ wensch is vervuld in No. 239: ~Cornelis Bicker~,

(1593–1654) zoon van den vroeger genoemden medestichter der O.-I.

Compagnie, heer van Swieten, door onbekende hand geschilderd;

't portret werd in 1881 van de Gemeente Amsterdam in bruikleen

ontvangen. En no. 2117 stelt denzelfde voor als kapitein met

zijn corporaalschap, gereed om Maria de Medicis, Koningin Weduwe

van Frankrijk in te halen—Sept. 1638.—'t Schilderij van den

Duitschen schilder Joachim von Sandrart (1606–1608) (leerling van

Gerard Honthorst, die ook Vondel en Hooft schilderde en den ouden

Vossius en bij wiens portretten Vondel zoo dikwijls bijschriften

maakte, denk aan: „Sandrart bekrans hem vrij met bloemen en met

blaâren, Al wat in boeken steekt, is in dat hoofd gevaren!”)—'t

tafereel dan hing in 's burgemeesterskamer ten stadhuize, en werd

in 1885 aan 't Rijksmuseum in bruikleen afgestaan.

Of de les, die Potgieter van zijn beeltenis aan 't geslacht van

heden verwachtte, ook door de beschouwers sints 1885 zou zijn

getrokken?

Vondel maakte omstreeks 1665 ook op dezen Bicker een kort

gedicht.

[R120] Door dien eisch toe te geven. Meent P. niet vooral: door 't

toegeven aan dien eisch van den vreemdeling omtrent 't geen

alleen aan 's lands belang door 't land had mogen worden

getoetst?

[R121] ~Backhuyzen~: ~Bakhuysen~ (Ludolf), een Embdenaar van geboorte

(1631) werd te Amsterdam leerling van Allert van Everdingen,

en eindigde daar ook zijn leven (1708). Hij is vooral zee- en

waterschilder geweest; P. denkt hier bizonderlijk aan schilderij

410—~De Raadpensionaris Johan de Witt, als gemachtigde der

Staten-generaal aan boord van de Nederl. Vloot op~ 13 ~Sept.~

1665.

~Jan Peeters~ was een Antwerpenaar; hij schilderde het verbranden

van de Engelsche vloot voor Chatham, 20 Juni 1667.

~V. d. Velde.~ Er zijn verschillende schilders van dien naam, en

ons Museum telt thans een aantal werken van ~Willem v. d. Velde~,

den oude (1611–1693), penteekening-schilderijen, die voor de

geschiedenis onzer Zeemacht van het hóogst belang zijn, maar door

Potgieter niet kunnen bedoeld zijn, omdat ze alle pas later

verkregen zijn. De stukken, die hij op 't oog had, waren van den

zoon des vorigen, ~Willem v. d. Velde de Jongere~ (1633–1707)

leerling zijns vaders en van Simon de Vlieger en evenals zijn

vader geëindigd als hofschilder van de Engelsche koningen (1637).

Van zijn hier aanwezige werken, geeft het éen den ~Vierdaagschen

Zeeslag~ te zien, Juni 1666; het ander de verovering van het

Engelsche admiraalsschip, en het binnenbrengen der daarbij

veroverde schepen in het gat van Goeree.—Zie onze afbeeldingen.

[R122] „_Waarom deze (Janmaat) hem op de handen droeg; waarom deze

jongen van Jan de Witt nog een eernaam houdt._” Deze laatste,

wat òverduistere zinshelft bedoelt: waarom Janmaat het

„jongen-van-Jan-de Witt” nog als een eerenaam beschouwt.

[R123] ~Royer~; de beeldhouwer, die ook het standbeeld van Coster te

Haarlem maakte; ~Van der Hoeven~ (~des Amorie~), de uit P's tijd

beroemde kanselredenaar.

[R124] De poging om Amsterdam te verrassen heeft Vondel, vredesman en

sterk partijganger van Amstels burgemeesteren en raden, een

aantal felle gedichten tegen Willem II en zijn medestanders in

de pen gegeven. Potgieter dacht hier zeker voornamelijk aan dat

van 1650: _De Monsters onzer Eeuw_, w/i. Willem II op één lijn

gesteld wordt met de Engelsche anti-koningsgezinden, en de moeder

van Ibrahim, die in 1649 haren zoon door de Janitzaren liet

vermoorden. Zie pag. 247.

Vondel, als partijganger, was niet malsch!—In een ander gedicht,

_Aan de blokhuizen van Amsterdam_ sprak hij van Willem II als van

een tiran, een wulpschen (onervaren, onberaden, als een welp)

heer die ons met schorpioenen en niet met roeden plaagt!

Maar, gelijk Potgieter herinnert, tien jaar later toen, ter

gelegenheid van de troonsbestijging van koning Karel II van

Engeland, de Amsterdamsche vroedschap diens zuster, de moeder van

Willem III en dezen zelf naar Amsterdam noodde, was ook Vondel in

een andere stemming jegens deze bezoekers. Dat de Stuarts weer

den Engelschen troon innamen verheugde hem, den legitimist en

aanhanger van de vermoorde, katholieke Maria Stuart, en zoo kwam

hij er vanzelf toe ook de Prinses-Royaal in zijn genegenheid te

betrekken. Daarbij voegde zich zijn hoop op een bondgenootschap

tusschen Engeland en Holland. Had Karel, die hier gastvrijheid

genoten had, niet daarvoor zijn dankbaarheid betuigd, en waren

niet de Puriteinen, die ons den eersten Engelschen oorlog op den

hals gejaagd hadden, nu machteloos geworden?—Zoo gaf dit bezoek

van de Prinses, die immers ook den geliefden naam Maria Stuart

droeg, Vondel allereerst aanleiding om het te bezingen met een

gedicht, dat hij: _De bruiloft van den Theems en Amstel_ noemde.

Terwijl hij, naar aanleiding van een rit door Willem III bij dit

bezoek aan het hoofd der eerewacht door de stad gedaan, liet

volgen het door Potgieter bedoelde gedicht op de _Ridderschap van

Amsterdam_. Zie hierachter, pag. 248.

[R125] _Het eeuwig edict_, van 1665, door de Witt aan de Staten-Generaal

ontlokt, en w/i. bepaald werd, dat het Stadhouderschap

onvereenigbaar zou wezen met het opperbevel over leger en vloot.

De „eeuwigheid” duurde juist 7 jaren; de gebeurtenissen van 1672

haalden er een scheur door.

[R126] Dat is van den moord op de ~de Witten~.

[R127] Sindsdien verkreeg ons Rijksmuseum nog allerlei beeltenissen van

Willem III, van Honthorst, Maas, Netscher, Wissing enz.

[R128] ~Sir William Temple~ (1628–1699) was tot tweemalen toe onder

Karel II Engelands gezant in ons land, en de grondlegger van het

drievoudig verbond tusschen Engeland, Zweden en Holland, dat ons

land in 1672 zoo treurig in den steek liet.

[R129] D.w.z. die van de vloot.

[R130] De historicus onzer zeetriomfen.—Waarschijnlijk ~Brandt~, wiens

Leven van de Ruyter we uitgaven.—De heer P. H. Mulder te Utrecht

wees me sints de eerste uitgaaf er op, dat P. ook ~de Jonge~, den

schrijver der _Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen_ bedoeld zou

kunnen hebben.

[R131] ~Jacobus Ludovicus Cornet~ (18 Aug. 1815–1882), Leidenaar.

Directeur van 's Rijks Prentenkabinet aldaar. Zijn schilderij te

vinden is mij niet gelukt.

[R132] Zie Brandt's _De Ruyter_, in onze uitgaaf pag. 292–293.

[R133] Een Hoogleeraar.—Wie dat mag geweest zijn, weet ik niet. Naar 't

vermoeden van Prof. H. Brugmans, die echter de plaats niet wist

aan te wijzen, H. W. Tydeman.

[R134] Dat waren de Hollanders.

[R135] Aan wien Potgieter dit citaat ontleend mag hebben, weet ik niet.

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 27 / 62 题