Historieele Portretten.
Als ware het afbreken hun lust geworden, beijveren eenige historische
critici onzer dagen zich, om feiten, waarop de aloude geschiedenis roem
draagt, te ontzenuwen tot fabels, ons vergunnende in den volksgeest des
verledens eenen dichter te groeten, waarbij geen van Israëls zieners
haalt. Het stoute, het groote, het reine schijnt voor hunne opvatting
het vermoeden van onwaarschijnlijkheid meê te brengen; en hoe dikwijls
ook de verdichting—een begaafd ongeloovige heeft het gezegd—in
verrassende uitkomsten voor de waarheid onderdoe, bij hen vindt het
edele slechts genaê als een droom, als een wensch der verbeelding. Of er
onder dezulken zijn, die het bejammeren, dat het licht hunne wieg eenige
eeuwen te vroeg bescheen, om eene mythe te meer te hebben in Hollands
strijd tegen Spanje, om den eersten Willem te kunnen verflaauwen tot een
blijk van productieve phantasie? Ware het tijdvak verwijderd genoeg,
welke gebeurtenis zou er meer naar gelijken; welk karakter had er
grootere kans op? Hoe! de aanslibbe der Noordzee zoude uit de nevelen,
waarin de onherbergzame plek gronds ligt gehuld, heiren hebben zien
verrijzen, door helden aangevoerd? heiren, in staat aan de keur der
legerbenden van het strijdhaftige schiereiland het hoofd te biên?
helden, voor welke de grootste veldheer des tijds week? Het is maar
de helft van het wonder; het geloofelijkste der ongeloofelijkheid.
Een vreemdeling van vorstelijken bloede zou één van ziel en zin zijn
geworden met dat vrijheidzieke volk; de staatsman, wiens bijnaam onder
zijne vijanden van hunne bewondering zijns verstands getuigde, zou
regten hebben verdedigd, welker uitoefening op eenen ommekeer der
maatschappij had kunnen staan; de wijze een waagspel hebben gespeeld! En
die hoop boeren en burgers zou huis en have, zou goed en bloed hebben
veil gehad voor eene andere wereld dan die des vleesches, en van dat
stipje op de kaart van Europa zou licht zijn opgegaan over alle rijken,
tot over de afgelegenste gewesten des aardbodems toe?
Ik heb van den geest des twijfels gewaagd, om er dien des geloofs
tegenover te stellen; we staan voor Miereveldt's beeldtenis van {I}
Willem van Oranje.
[Illustratie: I. No. 1579—MICHIEL JANSZ. V. MIEREVELD (1567–1641)
_Prins Willem I._ (1533–1584).]
Indien het Trippenhuis tot nog toe iets anders was geweest dan eene
bergplaats van schilderijen, toebehoorende aan het Rijk, een beter licht
dan de schemering van eenen hoek zou den Vader des Vaderlands zijn
aangewezen. Laat ons hopen dat de dag niet verre is, waarop Nederland
der kunst invloeds genoeg zal toekennen, om meer van den bewaarder harer
schatten te eischen, dan te zorgen, dat regenscherm noch wandelstok
in den tempel kome;—ter zijde geschoven als de eerste Willem werd,
beheerscht toch voor ons de Zwijger de zaal. Staar ze aan, die
eerbiedwaarde trekken, door het penseel des meesters vereeuwigd;
staar ze aan, tot uw hoofd zich onwillekeurig buigt; tot uw harte
van dank overvloeit, en ge zult eindigen met om u, met op te zien!
Om u zien, zeide ik; want als ooit gezigten der toekomst, gelijk er
den aartsvaderen op de stervenssponde werden bedeeld, eenen veegen
verrukten[R19], welke zaligheid zou bij de zijne hebben gehaald, indien
hij de schare had aanschouwd, die hem langs deze wanden omringt;
de edelen, in den zin door hem aan dat woord gehecht? Ge zult opzien,
herhaal ik. „Heere Godt! wees myner ziele en dezen armen volke
genadigh!” waren zijne laatste woorden, na een leven, aan de verdediging
der regten, aan de ontwikkeling der krachten onzer voorvaders gewijd;
van God achtte hij er zich toe geroepen; van God gevoelde hij er zich
toe gesterkt, en de Heer heeft zijne verwachting vervuld, vervuld
boven mate. Een vorstenhuis, dat zich der dienst der vrijheid wijdde;
een klein volk, dat eene groote zending vervullen mogt; zietdaar
de wonderen, door de geschiedenis geboekt, welke de kunst ons hier
veraanschouwelijkt; een uur, in deze zaal doorgebragt, kan geen verloren
uur zijn voor wie betreurt, dat op de gulden eeuw de dagen van Jan Salie
zijn gevolgd.
[Illustratie: II No. 153 SCHILDER ONBEKEND. _Kenau Simonsdr Hasselaer_
(1573)
(Siet hier een Vrou, genamt Kenou
Vroom als een man, die talder tijt
Vromelyck bestrydt, den Spaensen tiran.)]
[Illustratie: III. No. 720. CORNELIS CORNELISZ. VAN HAERLEM (1562–1638).
_Dirck Volkertsz. Coornhert._ (1522–1590)]
Onvolledig als deze verzameling in menig opzigt heeten mag, is de
indruk, dien zij maakt, echter volkomen juist: Holland had zijne
grootheid slechts dank te weten aan zijne burgers en aan Oranje. Vroed
en vroom als hij was, wiens hoofd in helderheid geene weêrga had, en
die, des ondanks, nederig bij zijn harte leefde, onderscheidde hij in
het ruwe, maar ronde volk al de kiemen voor eenen krachtigen staat.
Opgevoed in den dampkring van het keizerlijke hof, en aan de weelderige
landschappen van 's lands zuiden gewoon, gevoelde hij toch menschelijk
genoeg om deernis te hebben met verdrukten, was zijn oordeel te
veelzijdig ontwikkeld, om de voordeelen onzer ligging voorbij te zien.
Vol geloof aan den adel der menschelijke natuur, en tevens overtuigd van
hare behoefte aan schuldvergiffenis, erkende hij haar onvervreemdbaar
regt op vrijheid van geweten, begreep hij welk een hefboom er op
ernstige gemoederen in dat beginsel school. En de uitkomst, wie eischt
dat ik haar schetse? De feiten heugen u van kindsbeen af; gij wilt de
burgers zien. Helaas, waarom zoeken wij hen hier te vergeefs? Waarom
ontbreken in deze zaal, in dit huis, de afbeeldsels van de eerste
martelaren der heilige zaak, vergeten, verwaarloosd misschien, voor
den schoorsteen eener raadzaal, of op de bordessen van een stadhuis?
Immers, Willem I en zijne broeders, schier zij alleen vertegenwoordigen
te dezer plaatse den aanvang der worsteling met Spanje, en, noch de
eenvoud der zeden des tijds, waarin niet allerlei onbeduidendheid zich
liet uitschilderen, noch de geringe afkomst der dapperen,—helden
verwekt uit de heffe des volks,—volstaat om aller afwezigheid te
verklaren. Voorzeker, geen bloed van edelen was het cement onzer
vrijheid; maar wie gelooft het, dat men, buiten Egmond en Hoorne,
hier de bloem van belgischen en hollandschen adel, dat men Hendrik van
Brederode hier vruchteloos zoekt?[R20] We weten het de Zwart Jan's
noch de Jan Haring's[R21] hebben voor eenen schilder gezeten, uit de
smidse toegeschoten, of ten masttop opgeklouterd, om den lande trouw
te blijken tot den dood; maar provincialismus en urbanismus[R22], en
onverschilligheid en geldsgebrek misschien nog meer dan deze, staan de
voltooijing eener nationale galerij in den weg.—En echter kenden we
dezer zaal het vermogen toe, den indruk te weeg te brengen: Oranje en de
burgerij;—en echter nemen we geen woord van het geschrevene terug. Of
treft gij hier eene reeks dier onbekende gezigten aan, waarvan andere
vorstelijke kunstverzamelingen overvloeijen; eene reeks, die zich
voldoende vermelden laat onder de algemeene benaming: „hovelingen uit de
dagen van”—ge hebt naam en cijfers slechts in te vullen? Of vindt gij
niet iets treffends, niet iets karakteristieks in de bijzonderheid, dat
onder de weinige personen, uit Willem den Eerste's tijd op het museum
aanwezig, {II} Kenau Hasselaar, en {III} Dirk Volkertsz Coornhert
behooren? Kenau Hasselaar, die de heldhaftigste vrouwen der oudheid
waardiglijk op zijde streeft; Dirk Volkertsz Coornhert, wiens
verdraagzaamheid der nieuwere eeuwen tot voorbeeld strekken mag? Of
ging het u niet als ons, zoo dikwijls het gemis der overigen u deerde?
Was er dan geene stemme, die u antwoordde op de vraag: „Waar bleeft
ge?”:—„Om het geloof op het schavot onthalsd”—„onder de vanen der
vrijheid bij Heiligerlee gesneuveld”—„bezweken, na den vruchteloozen
togt over de Maas”—„juichende verscheiden, daar de zege op de
Zuiderzee was behaald”—„spijt het verdrag, binnen Haarlems wallen
vermoord”—„uitgehongerd op de vesten van Leijden”—onsterfelijk in
het harte eener dankbare nakomelingschap!—En wenddet ge u dan niet
andermaal naar het beeld des vorsten, wiens gerustheid scheen te
groeijen met het gevaar, dewijl hij geenerlei middel verzuimde,
menschelijken moed vergund, menschelijke magt verleend? En duizeldet
gij niet bij het besef, welk een beleid er in dat brein schuilen
moest voor de elkander opvolgende onderhandelingen met don Johan, met
Matthias, met den hertog van Anjou?[R23]; onderhandelingen, welker
mislukking hij zich getroosten kon, op eenen beteren bondgenoot dan alle
uitheemsche vorsten vertrouwende. En werd het harte u niet warm bij de
overtuiging, dat louter gaven des geestes eene zelfopoffering als de
zijne niet verklaren: dat hij, die zijner eeuw in ieder opzigt vooruit
was, tevens in zijn gemoed die godsvrugt omdroeg, welke het groote en
het goede één maakt? Eene lofrede eischt diepere studie; eene opmerking
vinde hier hare plaats. Er is onder al de titels der troonopvolgers van
Europa's oudste koningshuizen geen schooner, dan die, den erfgenaam
onzer dynastie bedeeld: prins van Oranje, door de herinneringen aan den
eersten Nassau van dien naam ons harte heilig. Maar ook, welke pligten
legt hij op; tot welke eischen geeft hij regt!
[Illustratie: IV. No. 1581 M. J. V. MIEREVELD:
_Prins Maurits._ (1567–1625)]
Rubbens is de schilder der vorsten geprezen, ik zou Miereveldt dien
der groote mannen uit Hollands heldentijd willen noemen. {IV} Prins
Maurits overtuige u er van. Welk eene opvatting van vorst en veldheer;
welk eene uitdrukking van magt en moed! Och, dat onze catalogus meer
ware dan louter eene naamlijst van den schilder en het geschilderde, dat
eene geschiedenis dier stukken ten langen leste wierde geschreven![B]
Een talent als dat, waarvoor wij ons hier buigen, is geenen jeugdigen
kunstenaar onverschillig; hij wenscht het te bespieden in zijne
ontwikkeling; hij rust niet, vóór hij het tijdstip van zijnen hoogsten
bloei kent; maar wat zult gij hem antwoorden, als hij u vraagt, of
Miereveldt reeds in zijn zeventiende jaar gindschen Willem I heeft
geschilderd, welligt jonger nog, daar het boeksken van 't Museum 's
mans geboorte in 1568 plaatst, en de dood des prinsen, als ieder weet,
1584 schandvlekte?[R24] Draagt dan slechts een enkel der stukken van
dien meester, draagt schier geen der overigen van deze verzameling een
jaartal; is aan niet één eene toelichtende overlevering verknocht?
IJdele vragen! even ijdel als die, waardoor, wanneer, van waar, hoe
deze schilderijen de eigendom des Rijks zijn geworden; waarop zelfs een
man, wiens voorgeslacht in de geschiedenis der kunst beroemd is als
dat harer erfelijke beschermers, mij het antwoord schuldig bleef. De
klagte over zoo groote onverschilligheid voor onze oude kunst moest me
van het hart, door de meesterlijke voorstelling een oogenblik van ons
historisch terrein verlokt; waarom roept {V} Huig de Groot, waarom roept
{VI} Oldenbarneveldt, beide door onzen Delftenaar geschilderd, er ons op
terug?
[B] [Vele der hier geuite wenschen werden in 1858 door den heer P. L.
Dubourcq bevredigd. Wij zijn hem eene ~Beschrijving der schilderijen
op 's Rijks-Museum te Amsterdam~ en een ~Notice des tableaux du
Musée d'Amsterdam~ verpligt, van veelzijdige studie getuigende.
Gaarne brengen wij hem onze hulde, zoo voor hetgeen hij gaf, als
voor zijne bekentenis dat hij meer zou hebben gegeven, had het maar
aan hem gestaan ons Museum te voltooijen.]
[Illustratie: V. M. J. V. MIEREVELD (1567–1641)
No. 1604. _Hugo de Groot_ (1583–1645) (1631).]
[Illustratie: VI. No. 1587. MIEREVELD: _Johan van Oldenbarneveldt_
(1547–1619)]
[Illustratie: VII. No 1177. PAUWELS VAN HILLEGAERT (1595–1640): _De
Afdanking der Waardgelders._
(31 Juli 1618)]
[Illustratie: VIII. No. 2489. ADRIAEN PIETERSZ. V. D. VENNE (1589–1662)
_Prins Maurits, de Koning van Bohemen, Philips Willem, Frederik
Hendrik, Willem Lodewijk en Ernst Casimir, Johan Ernst en Johan
Lodewijk_, allen te paard.]
[Illustratie: IX. No. 1180. VAN HILLEGAERT: _Prins Maurits, met zijn
hofstoet, afrijdend ter jacht._]
[Illustratie: X. No. 97. (Schilder Onbekend). „_De kat die de bel wordt
aangebonden._”
(„~Allegorie op Maurits' leven~”)]
[Illustratie: XI. No. 1997. JAN ANTH. VAN RAVESTEYN (1572–1657)
_Dudley, Graaf van Leycester._ (1531–1588)]
[Illustratie: XII. No. 355. _Albertus_, Aartshertog van Oostenrijk.
(Schilder onbekend; Vlaamsche School.) (1559–1621)]
[Illustratie: XIII. No. 356. _Isabella van Oostenrijk._ (1566–1633)
(Schilder onbekend; Vlaamsche School.)]
[Illustratie: XIV. _Reinier Pauw_,
Burgemeester van Amsterdam, (naar een gravure).]
[Illustratie: XV. No. 1348. TH. DE KEYSER:
_Portretstuk van Heer, Dame en Kinderen_ (vroeger _Rombout
Hogerbeets_.)]
Eene {VII} afdanking van waardgelders te Utrecht—eene {VIII}
voorstelling des prinsen te paard aan het hoofd der leden van zijn
geslacht, en eene andere aan de spits zijner krijgsbevelhebbers—een
paar portretten van deze—zijn {IX} afrid ter jagt, omstuwd van
hovelingen en paadjes—en eindelijk eene {X} allegorie op zijn
leven—ziedaar alles wat het tijdvak van Maurits hier vertegenwoordigt.
{XI} Leycesters beeldtenis schuilt onder die der onbekende meesters, het
is waar; doch te vergeefs wenscht gij hen in elkanders tegenwoordigheid
te zien; den eerzuchtigen vreemdeling, die naar de heerschappij dezer
landen dong, en den begaafden achttienjarige, ter verijdeling van dat
ontwerp door de Staten met den hoogsten rang bedeeld. Hebt gij onder
de schilderijen, uit het begin van den vrijheidsoorlog, hier naar een
gedenkstuk omgezien voor de dapperheid der Zeeuwen, toen Medina-Celi
hunne kusten bedreigde, en werdt ge teleurgesteld, ondanks al de
treffende toestanden welke Van Haren's genie aan onze ontluikende
zeemagt boeiden,[R25] een ander gemis uit de dagen van Maurits verbaast,
grieft ons nog meer. De Nederlanden, Engeland, Europa, hebben van de
Armada van Philips gewaagd; het kleine Zeeland liet gedenkpenningen
slaan op den ondergang der onoverwinnelijke; Schiller wijdde aan die
stof zijne lier.[R26] En echter blikt ge vruchteloos deze wanden rond,
of gij er eenige heugenis van mogt aantreffen; onder den overvloed van
zeestukken uit lateren tijd zelfs geen enkel, dat het onvergetelijke
feit herinnert. Parma ontbreekt; {XII} Albertus en {XIII} Isabella
vindt gij, als ge ze zoekt, maar geene trofeën der overwinning bij
Nieuwpoort;—ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin den Admirant
van Arragon, als den koning van Sumatra;[R27]—misdeelde Maurits,
die slechts Oldenbarneveldt tegenover u hebt!—misdeelder burgerij!
Of schuilt er voor menig aardig tafereel niet stoffe te over in de
Houtman's dier dagen, in een portugeesch handelshuis de geheimen der
Indische zeevaart bespiedende? Of wenschtet ge u niet verplaatst te
zien in eene burgerlijke woning van Middelburg, van dien tijd, in
de woning der Moucheron's, om hunnen ontdekkingslust tot in het
verre Noorden vermaard? Of zou het uitzeilen van eenen der eerste
walvischvangers,—God zij met hen in eene zee, uit welke de Biscayers
het spreekwoord medebragten: „Wie vaart, leert bidden!”—of de
tehuiskomst van eenen der vroegste Oost-indiëvaarders, beladen met
de weelde van het morgenland,—God was met hen geweest, al hadden zij
ook meer dan twee jaren reis!—of zouden zulke voorstellingen u hier
niet welkom zijn? Wie heeft regt op de plaats der eere in eene
verzameling als deze, zoo niet onze wereldontdekkers, op den oceaan
geen minder gevaar braverende dan Maurits aan de spits des legers tarten
moest,—deze in het harnas voor 's lands veiligheid, gene voor 's lands
welvaart aan het roer? Willem Barendz, Olivier van Noord, Jacques le
Maire[R28]—en wien al doen ik geen onregt, uit een twintigtal jaren
slechts deze noemende, van hen, welke door het Noorden eenen weg naar
China zochten; die den aardbol omzeilden; wier hoop in de Stille Zuidzee
zich vleide met land?—Wat aandoenlijke stoffe biedt gij om strijd
het penseel aan! Of mishaagt iemand de somberheid van het sterven
van den eerste?—al leverde hij er eene fraaije schets van, die
onze oude meesters begrijpt, door de liefde welke hij hunner kunst
toedraagt;[R29]—of weigert men zoo droefgeestig te worden gestemd, als
de beeldtenis van den laatste mij maakt?—een jongeling, die den roem
van zijnen togt niet oogsten mogt, op de tehuisreize overleden van
hartzeer over het verlies van zijn schip.—Welaan, de dagen van Maurits
waren die der grondlegging onzer Indische heerschappij; voorbeeldeloos
geluk bekroonde voorbeeldeloozen moed; werelden werden veroverd—ach,
dat ge er hier geen blijk van vindt! Het penseel eens Vlamings
verlustigde zich in het schilderen van Willem Bontekoe, over eenen
der woudstroomen van Sumatra, door inlanders voortgeroeid;[R30] de
graveerstift van een Yankee schetste ons Henry Hudson en zijne
togtgenooten, op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Amsterdam verrijzen
zou. Doch staar deze zalen rond, tot het u schemert; noch de weelde van
het West, noch de gloed van het Oost lacht u aan, of lucht u toe. Geene
ongerepte bosschen der nieuwe wereld, eene maagdelijke natuur; geen
morgenlandsche ochtendstond, louter vuur en vlammen. Eer gij onze klagt
overdreven noemt, herhalen wij, dat wij spraken van vroegere en latere
kunst, en brengen gaarne nog een paar voorbeelden bij. Onder Willem's
heldhaftigen zoon werd de Oostindische Compagnie opgerigt; maar zoomin
Gerard Bicker als {XIV} Reinier Pauw vertegenwoordigen binnen deze muren
den ondernemingslust onzer patriciërs—en toch twijfelen we er niet aan,
dat tijdgenooten hunne gelaatstrekken hebben bewaard. Onder Maurits
is het octrooi ter Groenlandsvaart verleend; maar geen enkel stukje
veraanschouwelijkt ons die lievelingsschool der ruwste gasten uit het
plebs,—en toch was de vangst nog weêrgaloos voorspoedig, toen de
kunst voor zulke onderwerpen niet langer te schoolsch zag. Verlies de
onderscheiding niet uit 't oog: we vroegen slechts wat de tijdgenoot
voortbragt, wat de nakomelingschap aanvullen kon. Overdreven, onredelijk
zou ons verlangen zijn geweest, als we voorstellingen uit het volksleven
hadden geëischt, die buiten het kunstbegrip van de schilders des tijds
lagen, of van latere eeuw hadden gevorderd, wat met vroegere te loor
ging. Wilt ge het nog duidelijker uitgedrukt? we zochten geenen Jan
Steen, in de dagen toen van Mander aan Miereveldt het portretteren
naauwelijks ten goede hield. „Door winste verlokt of door behoefte
gedrongen,” zegt hij, „slaan de meesters dien zijweg in, zonder lust of
tijd te hebben, om de heirbaan der historie en der beelden te zoeken.”
Wat zou hij wel van de studie van lager leven, van geuzen bij den
beker, of lansken bij den kroes, hebben gezegd? Het was de zuurdeesem
van het katholicismus, antwoordt ge, dat slechts naar altaarstukken
streefde; het was de zoogenaamde klassiek der akademie, voege ik er bij,
die gaarne alle kunst in éénen vorm gieten zou. Maar wat baat het ons,
de bekrompenheid te laken? zij was aan de orde van den dag. Wat al
schalkheid, wat al boert, wat al jok dierven zij er door! Hij, die een
volk slechts van zijne deftige, van zijne zondagszijde ziet, kent het
maar ten halve. Driewerf jammer, dat de schade onboetbaar is,—of
waardoor wilt gij het verlies vergoeden? Kieskaauwer noch pilaarbijter,
loop ik hoog met de ~brabbeling~[R31] van eenen onzer oudste dichters,
als schets der zeden eener burgerij, met moeite aan velerlei dwang
ontworsteld, en alreede geprikkeld tot velerlei lust, onderscheide ik,
wat meer zegt, er die wijsbegeerte van het gezond verstand in, welke
weldra de hollandsche worden zou; biedt zij stoffe te over aan voor
studie; maar zou ik toch de laatste zijn, om iemand uit te noodigen,
er genrestukjes aan te ontleenen, ... al spijt het mij, dat de tijd er
zulke niet gaf. Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen,
moet op de daad worden betrapt. Eerst toen de tint kleur was geworden,
had de kunst er oog voor. Of wie waren de voorloopers van Ostade en
Teniers, die dichters van de grepen der minne, bij de veêl en bij de
kan? Als iemand er kent, als iemand er in zijn kabinet overheeft, hij
sta iets van zijnen schat aan ons museum af, dat Maurits als veldheer
alleen laat staan, dat Maurits als landvoogd naauw kennen doet, dat niet
eens gezegd mag worden, zijn tijdvak af te schaduwen. Waar bleef
Hendrick Spieghel, waar bleef Roemer Visscher? waar de beide zeehelden,
door Tollens en Bogaers bezongen?[R32]—waar de stoet van buitenlandsche
vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige
wijken deed?[R33] Lodewijk Philips heeft een deel van zijn vermogen veil,
ter aanvulling der kunstzalen van Versailles. „~Sympathie pour toutes
les gloires de la France?~” is zijne spreuk, en de natie juicht hem
toe;—of het mij gelukt ware vorstelijke kunstliefde en burgerlijke
belangstelling ter aanvulling dier leemten van ons panthéon op te
wekken! Oranje en de burgerij, zeiden we bij den aanhef;—maar hoe
verdienstelijk de beide familietafereelen zijn mogen van {XV} de Keyzer
en van {XVI} Cuyp, de blik, dien zij op het huisselijk leven dier
dagen vergunnen, mag slechts ter sluik geworpen heeten: het is een
allereenzijdigst kijkje op den bemiddelden stand. Bovendien, er heerscht
in de beelden van den laatste eene rust, der gemeente van dien tijd
vreemd; er is aan den naam van het gezin, door den eerste geschilderd,
eene herinnering verknocht, die de schets van stil geluk schier in een
schimpdicht verkeert. Dat gezin heette Hogerbeets, en die vader was
Rombout van dien naam...[R34]—Maurits, schreven wij straks, staat in
deze zaal slechts tegenover Oldenbarneveldt!
[Illustratie: XVI. No. 1349. THOMAS DE KEYSER. _De familie Meebeeck
Cruywaghen._
(bij Potgieter aangeduid als werk van Cuyp.)]
Vóór twintig, vijf en twintig, dertig jaren, bragt de geest des tijds
mede, geenen blik op dat tweetal beeldtenissen te slaan, zonder ~onze
eeuw~ te prijzen; als waren de vergrijpen van het voorgeslacht slechts
bestemd vrucht te dragen in de zelfverheffing der nakomelingschap.
„Eendragt” predikte men, „eendragt” zong men, tot voorbijziens toe, of
deze haren oorsprong nam uit overtuiging of uit onverschilligheid. Als
de fakkel der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de vonk der
belangstelling uitgaan. Verheugen we ons, dat die stemming voorbijgaande
was, als de vermoeijenis na de vrijheidskoorts, als de krachteloosheid
onder het keizerschap! Verheugen we ons, dat eene billijker beschouwing
die bekrompene heeft vervangen; wij waardeeren de voordeelen van een
éénhoofdig bewind, al houden wij aan om vrijzinniger vertegenwoordiging.
Ontwikkeling aller gaven en krachten, scheen ons de leuze der
hollandsche historie, toen we Oranje en Granvelle in den voorhof van
dezen tempel wenschten aan te treffen; bij wien van beide zoude de wijze
van zien, vóór twintig jaren onzer jeugd aangeprezen, de levendigste
sympathie hebben gevonden?—Het is haar vonnis. Was het u ooit, onder
eene mijmering in deze zaal en starende op de beeldtenissen van den
veldheer en den staatsman, was het u dan ooit te moede, of de geest van
den grondlegger onzer vrijheid, en die van den voorstander van Spanje en
van Rome, ze omzweefden? Wij verbeeldden het ons bij wijlen. Granvelle
lachte, Oranje zuchtte. Doch reeds leenden wij het oor aan beider
gesprek, en weigerden in te stemmen met den bisschop, dat het beter ware
geweest, het juk der onderwerping te blijven dragen, en vonden rust bij
het gevoelen van den Vader des Vaderlands, dat er stormen vereischt
worden tot zuivering van het zwerk. En zoo we bevredigd den blik elders
wendden, wij waren het niet zóo als men het vroeger plagt te zijn,
dewijl alle verschil van gevoelen is ondergegaan in traagheid van
geest,—neen, dewijl het hoe langer hoe zeldzamer wordt dit door het
zwaard te zien beslissen, ook bij hemelsbreed verscheidene begrippen
over de toekomst van kerk en staat; dewijl de meening veld wint, dat hij
tot de slechtste burgers behoort, die naar de bevrediging der behoeften
des volks, naar den vooruitgang van allen ter goeder trouw niet streeft.
[Illustratie: XVII. MICHIEL JANSZ. VAN MIEREVELD (1567–1641).
No. 1582. Portret van _Prins Frederik Hendrik_. (1584–1647)]
[Illustratie: XVIII. No. 1238. GERARD VAN HONTHORST (1590–1656).
_Prins Frederik Hendrik._ (Geschilderd 1650).]
[Illustratie: XIX. No. 1584. MIEREVELD: _Jacob Cats._ (1577–1660)
(Geschilderd in 1634).]
[Illustratie: XX. No. 1726. CASPAR NETSCHER (1639–1684).
_Constantijn Huygens._ (1596–1687.)
(Geschilderd in 1672.)]
[Illustratie: XXI. No. 1832. JURRIAEN OVENS (1623–1678).
_Pieter Cornelisz. Hooft._ (1581–1647)
(in Potgieter's tijd aan _Bramer_ toegeschreven)]
Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking
van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan
Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet
ergert, dat ik den stukken, ter gedachtenis van den vrede van Munster
vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen
slechts regtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeldtenis niet enkel de
lauwertwijgen vlechten, welke hij zich verwierf; zoo wij om deze tevens
de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die
gepast hadden bij zijne baar. Het is andermaal {XVII} Miereveldt, die
den voortreffelijke heeft vereeuwigd; hij slaagde in deze afbeelding
minder gelukkig dan in die van Maurits, zou ik er bijvoegen, als de
schemering, in welke zij hangt, mij het uitbrengen van een oordeel
niet verbood. {XVIII} Honthorst leverde hier op zijne beurt ook eene
beeldtenis van Willem's derde zoon; maar van vergelijking dier stukken
kan geen sprake zijn, het eerste, als ik zeide, zelden licht ziet, en
het laatste ter zoldering streeft, hooger dan ooit een reus reiken kon.
Doch waar zouden onze klagten een einde nemen, als wij die bij iedere
ongelukkig geplaatste schilderij uit de dagen van Frederik Hendrik,
lucht wilde geven? De een hangt tegen den dag, de andere hangt onder de
knie;—buig u, wend u, krom u zooveel ge kunt; de derde valt niet met
eenen blik te omvaêmen, valt niet te genieten, want aan uwe slinke of
regte weêrkaatst zij den dag;—de vierde—maar twijfelt dan iemand er
nog aan, dat de zalen van het ~Trippenhuis~, in haren tegenwoordigen
toestand, niet geschikt zijn tot eene tentoonstelling onzer oude school?
Neen, maar hoe verre is het er nog van, dat overheid en gemeente beide
zich den gruwel zouden schamen, de laatste glorie uit onze gulden eeuw
geene gelegenheid te gunnen allen toe te stralen, den vreemde te
overschijnen! Eerst als dit besef in dat des algemeens verkeert, eerst
dan zullen de Frederik Hendrik van Miereveldt en de Frederik Hendrik
van Honthorst, tot welke wij terugkeeren, zigtbaar worden, zigtbaar
als de overige stukken uit den tijd van dien vorst, zigtbaar als de
schilderijen van welke ik u nog de opgave, in welke ik u nog het bewijs,
waarom ik hem gelukkig prees, schuldig ben. Het zijn de afbeeldingen
der grootste vernuften, op welke Hollands letterkunde in de dagen van
Hollands heerschappij roem droeg; het is {XIX} Cats door Miereveldt; het
is {XX} Huygens, door Netscher gepenseeld; het is Hooft, om strijd door
{XXI} Bramer en door {XXII} de Keyzer veraanschouwelijkt; het is {XXIII}
Vondel, wiens hoofd wij aan Jan Lievensz zijn verpligt—Cats, Huygens,
Hooft, Vondel, in wier werken de zeventiende eeuw herleeft. Het zijn
de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van eenen
krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspattingen, en goedrond
bij den beker: de burgers, die Spanje in drie werelddeelen hadden
overwonnen, ons door Govert Flinck, Rembrandt van Rijn en Bartholomeus
van der Helst aangeboôn.
[Illustratie: XXII. No. 2118. J. VON SANDRART (1606–1688)
_Pieter Cornelisz. Hooft._
(in P's tijd aan DE KEYSER toegeschreven.)]
[Illustratie: XXIII. No. 928. GOVERT FLINCK (1615–1660)
_Joost v. d. Vondel_, (1587–1679)
(door P. toegeschreven aan _Jan Lievensz._)
[Hierop is dan toepasselijk V's gedicht: