JAN, JANNETJE EN
HUN JONGSTE KIND
Jan, Jannetje en hun jongste kind.
En leer op nietwes staat te maken
Als 't geen in eigen krachten is.
O. Z. van Haren.
Oudejaars-avond heeft in ons vaderland het eigenaardige behouden, dat
weleer alles wat hollandsch was onderscheidde: hij is huiselijk en
degelijk. Ik mag Jan en Jannetje wel, op den laatsten December, bij het
invallen der schemering voor een groot vuur gezeten, in een vertrek
welks voorkomen ietwat feestelijk is;—ik mag het paar, dat met een
opgeruimd gelaat de komst van hunne kinderen en kleinkinderen verbeidt,
ten einde te zamen uitgang en ingang te vieren. Het pleegt een vroolijk
uur te zijn, maar dat een ernstig doel heeft. Laat vreemdelingen
beweren, dat er slechts halve vreugde heerscht, waar de lach uit tranen
schemert; als zij een beetje meer zin hadden voor onzen volksaard,
zouden zij er verstandelijke levensbeschouwing in zien, die over de
zwakheden des harten zegeviert. Doch ik laat dien verdedigenden toon
varen, hij strookt kwalijk met de stemming van het paar.
„Wat brui ik er me om, wat ze van mij zeggen?” zou mijn hoofdpersoon
mij toeroepen; immers Jan is in den laatsten tijd voor lof en voor
laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens aan zijne koude
kleêren meer raken,—laat staan aan zijne onderziel.[J1]
En geen wonder!
Jan is zoo dikwijls opgehemeld, en Jan is zoo dikwijls uitgescholden,
dat hij eindelijk heeft leeren inzien, hoe hij barsten zou als de
kikvorsch, of de geelzucht krijgen als de nijd, indien hij eene hooge
borst ging zetten bij ieder:
„Aap, wat heb je mooije jongen!”
van zijne vrienden; of zich kwaad bloed wou maken, bij elk:
„Fij, wat een goore paai is dat!”
van zijne vijanden.
Het is mij of ik Jan in deze uur hoor redeneren, zittende in zijnen
leuningstoel, met de Courant van morgen, 1 Januarij 1842, vóór zich:
„Mijne talenten en mijne vernuften,—en ik heb er eene zoó onder mijne
jongens!—mijne verhandelaars en mijne dagbladschrijvers,—wie drommel
van beide zou wel de knapste wezen?—allemaal prijzen ze mij om het
zeerst, en dat hoort niet anders:—al lees ik ze niet, ik betaal ze
toch!”
„Wijfje!”—laat hij er op volgen,—„reik mij vast een' schoonen
Goudenaar uit die lâ, ik zal er den brand maar eens insteken. Wat komen
de kinderen weêr laat, het is al over achten! Het is waar, de Synode van
het jaar Zestien[J2] heeft ingevoerd, oudejaars-avond kerk te houden,—ge
hebt immers wel gezorgd, dat er tabak in de doos is?”
Jannetje knikt en reikt hem die toe, en hij stopt zijne pijp met
eene pruik,—eene verkwisting, welke zij Jan nooit heeft kunnen
afleeren,—en hij knort op de meid, die geen geglommen kooltje in het
komfoor bragt—eene huishoudelijkheid, die Jan eere aandoet,—en de lof
walmt weg als de damp, en laat als deze—~niets~ achter.
Maar hoe springt hij met den laster om?
„Hm! John Buhl,” zegt hij, „dien ik het minst vertrouw, als het zoo
mooi tusschen ons lijkt—hm! Hans Moff,” voegt hij er bij, (zou die
Courant hem weêr hebben geërgerd?) „Hans Moff, die doorslaat, nu hij
de bietekroten ~idealisirt~ hm! hm! hm! Monsieur ook al, wien het toch
heugen moest, hoe goed hij het hier had;[J3]—tot Jonathan toe, waratje!
die nog op geen New-York zoude bluffen, als ik geen Nieuw-Amsterdam had
aangelegd, allen geven ze mij steken onder en boven water, wat bliefje?
maar dat hoort ook zoo,—het is beter benijd dan beklaagd!... Een
boordevolletje, Mijne Heeren! maar, met uw verlof,—op mijn eigen
welzijn!”
„Wacht ge niet tot de kinders er zijn?” vraagt Jannetje.
„Wacht even,” roepen wij hem toe, „wij zullen gaarne medeklinken.”
Of zou er iemand onder de telgen Jan's wezen, die aarzelt hem
bescheid te doen, dewijl het hem toeschijnt, dat het ~Hoofd~ van onzen
~Volksstam~ geen kleintje, neen, verduiveld veel eigenliefde heeft; dat
de zelfzucht zoo ongeveer zijn tweede natuur is geworden? Hij zou Jan
onregt aandoen. Hij zou toonen ons aller bet-over-grootvader niet te
kennen. Hij zou mij in verzoeking brengen Jan's doopceel te ligten.
Waarom zou ik het niet doen? Hij behoeft zich zijne afkomst niet te
schamen, al overtreft hij zijne voorvaderen.
Niemand zette groote oogen op, wanneer ik hem vertel, dat Jan omstreeks
den jare Vijftienhonderd in de luijers lag, en echter heden ten dage als
een stevige zestiger nog fiksch op zijne koten staat.[J4] Hij is zoo
kloek gebouwd; hij is zoo breed van schouders; zijne knoken zijn zoo
forsch, dat tienmalen vijf jaren bij hem nauwelijks die verandering te
weeg brengen, welke eenmaal vijf op ieder onzer pleegt uit te oefenen.
Ik vrees zelfs, dat men hem zich ouder zal voorstellen dan hij inderdaad
is, als ik van over de zestig spreke; schoon Jan de wereld heeft
bekeken, Jan heeft zijne kuiten nog niet verloren: voor een ~Patertje
langs den kant~ zegt geen meisje „ba!” van hem. En wat zijne zaken
betreft, daarin geeft Jan het u en mij nog te doen; hij was de eerste
en de laatste in den winkel en op het kantoor, en schoon hij nu de
woeligheid over heeft gedaan aan zijne jongens, de rekening waaronder
hij „accoord” gezet heeft, komt uit „tot eenen penning;” zegt hij.
Spreekwoorden, aan centen ontleend, vallen nog niet in zijnen smaak.[J5]
„Dat bewijst den ouden dag,” hoor ik aanmerken; ik geef slechts toe,
dat hij den leeftijd lang voorbij is, waarin men overbescheiden,
overedelmoedig, overzelfverloochenend pleegt te wezen. Ik zou schier
durven beweren, dat Jan nooit zoo oud zou zijn geworden indien hij een
van deze drie ooit was geweest. Ik ga verder: ik geloof, dat Jan uit den
aard zou zijn geslagen, zoo hij immer zin had aan den dag gelegd voor
bleuheid, die zich zoo min weet te schatten als te doen gelden. Jan's
Vader, Jan's Ooms, al de verwanten van Jan hadden zaken uitstaan met
de Hertogen van Bourgondië, in wier wapen eer een leeuw dan een kruis
had gepast, daar zij dol veel van grijpen hielden en weinig van genade
wisten. En echter lieten de eenvoudige burgerluî van Jan's familie
zich hunne kaas en brood door die groote Heeren niet ontnemen, wat
ijzervreters ze in hunne rammelende harnassen ook zijn mogten.[J6]
„Zalig is hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt!” zegt de Schrift;[J7]
er gaat geen kind op school, dat niet weet te vertellen, hoe zuur Jan
het had onder de voogdijschap van den Koning van Spanje! Ik zou het
hem ten goede houden, al was hij wat trotsch op de ontwikkeling van
zijn karakter in dien tijd. Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik
schetste u hoe hij uit vrijën ging, in het schoone saizoen in een'
boeijer, maar met een paar stukjes geschut aan boord; in den barren
winter op schaatsen, maar met de geladen buks op zij; een flinke borst,
die gaarne allerlei gevaar trotseerde, om een uurtje met zijn liefje te
kouten. Een minder degelijk paar had, onder omstandigheden als de hunne,
het huwelijk uitgesteld, tot beiden te oud waren geworden, om zich naar
elkander te leeren schikken; maar welk een weêrga's wakker gezin was het
zijne, onder ongehoorden wederspoed! Zoo ooit jongeluî verdienden te
worden voortgeholpen, dan waren zij het—ik weet geen' grooter lof voor
beiden, dan dat Willem van Oranje er pleizier in vond dit te doen!
Een portret van Jannetje te leveren, zou een lust wezen, zoo het geene
meesterhand eischte. Om er echter niet schaakmat af te komen, moet men
de gaven van Rembrandt aan die van Rubbens paren. Ik wil wel gelooven,
dat er zulke witte raven vliegen; maar ik vrees niet, dat iemand zal
ontkennen, dat zij zeldzaam zijn. Immers, louter met het gloeijend
koloriet, louter door de tot overdaad toe weelderige vormen van den
vlaamschen meester, treft men Jannetje niet. Als ze gelijkend zal worden
voorgesteld, mag de nadenkende ernst van den hollandschen schilder bij
uitnemendheid, mag de rustige zielskracht, waardoor zijn beelden de
duisternis om hen heen verlichten, er niet aan ontbreken. Eene moeder
wordt echter het liefst in hare kinderen geprezen, en die hadden de
kloeke echtelingen bij de vleet; Jan genoot onder al zijne ellende den
zegen van Roemer Visscher:
Een vrolijck wijf en eerbaer bij desen,
Slapen dat de nacht schijnt kort te wesen.
En kijk hare dochteren maar eens aan, als gij weten wilt, hoe de deftige
matrone er in den bloei van vrolijk- en jolijkheid uitzag. „Mijne
kinders vallen tengerder dan ik plagt te wezen,” moge zij klagen;
smeltend noch smachtend hebben de oolijken niets van het teringzieke,
dat uit vreemde poëzij in de onze is overgewaaid, maar dat wij toch
niet mooi vinden dan in verzen![J8] Wat goedronde gezigtjes,—blank
als de sneeuw, welke ook de kleur der geestige kijkers moge zijn,—wat
gulgaauwe lach, als we regt kennis hebben gemaakt, en zij ons wild
woelwater schelden, schoon zij stouten schalk meenen. Welke ronde,
mollige armen; welk een ~zeebarichen~[J9] boezem, zoo als een dichter
harer jonkheid zeide;—een mooi woord, Venus zelve rees immers uit het
blanke schuim der golven op?—Jannetje ziet wel eens zuur, het is waar,
als zij al den vreemden opschik gâslaat, harer dochteren om „de teêre
leedjens bengelt;” Jannetje ziet nog zuurder als zij de piano hoort
rammelen en haar oor uitheemsche klanken vangt, in plaats van liedekens,
welke zij plagt te kwelen; Jannetje ziet allerzuurst, als zij in
het huis van een harer kinderen vreemde drempelmeiden[J10] ontmoet,
Brabandsche bonnes, Zwitsersche gouvernantes, Fransche floddermadammen,
doch dat gebeurt maar enkel, doorgaans is zij over hare dochters nog al
tevreden: hoe kan het anders! Orde, spaarzaamheid, liefhebberij in het
kraak-zindelijke, huiselijkheid, deernis met armoede, vroomheid, zij
heeft ze haar van kindsbeen af ingescherpt! Hoe zij verjongt als ze hare
eigene liefelijkheid herboren ziet in den schroom van eene aanvallige
bruid!—bruidstranen zijn een eigenaardig zwak van Jannetje—; in
het geluk eener jeugdige echtelinge!—het te huis is de hemel eener
hollandsche vrouw,—in de dankbaarheid eener zalige moeder!—Jannetje
plagt in hare jeugd bij de wieg in den Bijbel te lezen.—Hoe zij
verjongt, als eene wolk van gezondheid om hare knieën dartelt; eene
wolk, waaruit zij allerlei zoete stemmetjes: „grootemoê! grootemoê!”
hoort roepen.
„Vader!” vraagt ze nu—gevalt u de trouwhartige uitdrukking niet? Jan
heeft intusschen zijn glas geledigd, wél bekome het hem!—„Vader!”
vraagt zij, „hebben we een goed jaar gehad?”
Zij heeft er alle regt toe, zij, die hem het huis hielp bouwen!
„Als ik mijne koetjes niet vroeger op het drooge had gebragt,” antwoordt
hij, met een spreekwoord van zijne voorvaders, die kaasboeren waren,
„het zou me zwaar zijn gevallen, ze in Een en Veertig uit het water te
halen!”[J11]
„Wel, Vader!” herneemt de bezorgde huisvrouw.—„Ik zeî immers ~als~,
Moeder!” valt hij in, terwijl hij in de handen wrijft; „of hebt ge mij
donker zien kijken toen ik straks mijn grootboek eens doorliep? Rigt
dus te avond maar vrolijk aan, al zal het klokke twaalf de oude wensch
wezen: „Veel geld en weinig zonde!””
„Veel geld, Jan! we komen al op onze dagen!—als ge het nog om den wil
van onzen jongsten vroegt—[J12]”
„Oud, wijfje! de drommel is oud,—en zoo wij het goed stellen kunnen,
daar zijn er onder onze kinderen die het meer verdienen dan....”
Eer hij er bij kan voegen wat hij er bij denkt, komen eenige van deze de
deur in, en aan hun hoofd een der oudste zijner zonen;—als gij opmerkt
hoe hij zwalkt naar den haard, dan ziet ge, dat het hun eersteling, dat
het Janmaat is.
We hebben Jannetje straks in hare dochters geprezen; hooger lof komt
haar toe, dewijl ze in hare jeugd ook jongens flink wist op te fokken,
en kloek wist groot te brengen, schoon Jan drie vierde van het jaar met
den Prins te velde was. Echter moeten we er voor uit komen, dat zij met
dezen knaap weinig moeite had—Janmaat wiegde zich zelf. Zoodra hij
in de broek was gestoken, werd hij den rapste te rap af; „weêrgasche
dreumel!” plagt zijne moeder te zeggen, als zij hem 's ochtends uit had
zien gaan, en hem 's avonds weêrom zag komen, maar den ganschen dag
niets van hem had gehoord, „waar loop je toch?” En het antwoord was in
het eerst: „op het duin,” en werd allengs „aan het strand, Moeder!”—ik
weet niet of Jannetje het geloofde, want de borst bragt nooit iets
meê, zoo als andere jongens van zijne jaren deden; hij plukte geen
helmplanten, hij zocht geen schelpen—op ieder: „wat doe je er?” waarmeê
zij den zwerver plaagde, hernam hij: „ik kijk in zee!”—
En wat zag hij, al starende?
Het is me soms gebeurd—op het land, bij eene kronkeling des wegs, aan
den uitgang van een bosch, op den top van een' heuvel, een' opgeschoten'
knaap te verrassen, de blonde haren in den wind wuivende; de groote
oogen op het verschiet gevestigd; een' jongen, die niet gewaar werd dat
ik naderde, wien geen enkel voorwerp in de verte bepaald boeide, wiens
blikken dreven, zonder rust, zonder doel. „Hij ziet zijne toekomst voor
zich,” dacht ik dan in mij zelven, „hij wikt wat hij worden zal, zijn
strijd begint.”[J13] En noode weêrhield ik mij, bij iedere ontmoeting van
dien aard, met den wild vreemde een gesprek aan te knoopen, niet om hem
allerlei jammeren des levens te voorspellen, niet om hem toe te roepen:
„vriendlief! wat ge ook in het verschiet moogt zien, de sirenen duiken
nog niet op;”[J14] neen, ik wenschte het, dewijl ik mij zoo gaarne
verlustig in al den moed der jeugd, in al het grootsche harer ontwerpen,
in al het koene, dat uit hare oogen schittert bij de denkbeeldige
worsteling. Het is een dichterlijk oogenblik, die dageraad van het
jongelingsleven—stel u Janmaat voor, die den zijnen over de zee ziet
aanlichten! Verbeeld u de kleine hulk, door hem bemand; verbeeld u het
prachtig zeekasteel, dat in stede van deze voor hem oprijst; verbeeld
u de visioenen van voorspoed en glorie, die hem over de spiegelende
oppervlakte der baren toeschitteren! Hoor het dieper ademhalen van den
breedgeschouderde, nu hij zich aan het hoofd waant van eene vloot, een
heir van schepen, wier tallooze zeilen de wind, de noordster, die
allengs feller opsteekt, volblaast—hij tart den storm,—hij overwint
den vijand,—hij verovert eene wereld, ... welk een beeld, welk een
droom! Hij verwezenlijkte dien! Toen onder de Spaansche tirannij de nood
te huis hoog geklommen was, toen kuste hij het beangste Jannetje goeden
dag, met een: „ik ga van honk, moederlief! maar je ziet mij weêr;” en
hij hield woord, woord als een man; hij voer uit in een' notendop, hij
kwam te huis in een linieschip. En zoo de vrouw door hem leerde wat
tranen met tuiten zijn, als zij hoorde, dat men hem geene haven in wou
laten, om den storm, die hem beliep te ontgaan;—„Heere!” borst zij uit,
„hoe Ge mij schreijen doet van vreugd,” zoodra de dag was gekomen, dat
hij den bezem op den mast voerde.
Hoe is hij veranderd!
Al teekenen gang, houding, manieren, gelaat en spraak nog altoos den
zeerob, waar bleef de opgeruimdheid, die hem eigen plagt te zijn; wat
werd er van het woelzieke, dat hem kenschetste; wie mist het onbezorgde
niet, waarmeê zijne hand de laatste geeltjes uit den broekzak haalde?
Het is alles verdwenen,—er zijn mooije meisjes met hem binnen gekomen,
maar hij heeft er geene oogen meer voor;—Jan vraagt hem naar den wind,
en toch praat hij van geene schepen op de kust;—het onverschillige
verving het overdrokke—het moedelooze het mannelijke....
Wij zouden hem onregt doen,—al hangt hij zoo neêrslagtig over dien
stoel, of hij bij mistig weder in den mastkorf zat; zijn open aard
spreekt luide uit zijne klagt:
„Al weêr een jaar, dat ik als een landkrab sleet. ... Vader! wanneer
zult ge toch medelijden met mij hebben?”
„Jongelief!” herneemt Jan, „als het aan mij alleen hing—”
„Dat is een woord van vóór het jaar Dertig, Vader! toen heette het:
Holland
Bolland:
Zeeland
Geen land:
Ik hou het met den heikant!”[J15]
„Als je wist, Janmaat!”
„Ik weet, Vader! dat Moeder altijd plagt te zeggen: „Beter op een' ouden
wagen in de heide, dan met een nieuw schip op de zee.””[J15]
„Zeg ereis Janmaat! wil je óók een kopje slemp?”[J16] roept eensklaps
een pieperig stemmetje uit den versten hoek des vertreks,—en nu
wenschte ik u een denkbeeld te kunnen geven der verslagenheid, waarmede
Janmaat voor zich zelven zucht: „De derde streng maakt den kabel!”
Welk een vreemd begin van een feest!
Helaas,
Ieder huis
Heeft zijn kruis!
En hoe ver Jan en Jannetje het in de wereld brengen mogten, het
hunne bleef er niet van verschoond;—gluur met mij dien hoek in,
als ge weten wilt wat het is!—Oef!—De verzuchting, die aan Janmaat
bij het verzoek ontglipte, de verontwaardiging, waarmede hij hem, die
het deed, nu den rug toekeert; zij hebben niets verbazends, als men
den langen slungel aanziet, die ginder slemp schenkt, en ginder slemp
lept: welke doffe oogen!—welk een meelgezigt!—welk eene houding van
slierislari![J17]—Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer
verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje;
hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te
onzent! hij, Jan Salie!
Al had ik het u niet gezegd, ge zoudt zijne maagschap hebben gegist, als
gij, onder het korte gesprek tusschen den vader en den eerstgeborene het
gelaat der moeder had gâgeslagen; als gij de aarzeling hadt opgemerkt,
waarmede zij Jan Salie's uitnoodiging bestraffen wilde, maar niet
durfde! De pikbroek zag het en schoof zijn' stoel om, en blies eene wolk
uit zijn kort eindje, opdat niemand zien zou, hoe waterig zijne oogen
werden, ruwe zeebonk, als hij is!
En Jan—Jan, die in zijne kracht de degelijkste man was, die er op twee
beenen liep, die vroom en vroed zoo láng bewees, hoe diepen indruk het
op hem maakte, dat er geschreven staat: „~Bidt en werkt!~”—een woord
uit den Bijbel, dien hij zelf vertaalde;—eene vertaling, waardoor hij
zijne taal schiep;[J18]—wat doet Jan? Schudt hij zuchtende het hoofd,
als iemand, die onder de pantoffel staat; als iemand, die zich op de
flauwe verontschuldiging beroept:
„Bij wijlen heeft Mijnheer den naem, Mevrouw de daet?”
Goddank, neen!—„Houd moed, Janmaat! er zal te avond een einde aan
komen,” zegt hij, en reikt nu een paar anderen gasten de hand; gasten,
die Jannetje te regt vriendelijk ontvangt; gasten, van welke de eene er
alleropgeruimdst uitziet. Wie zijn het, vraagt ge?
Terwijl zij de welkomstgroeten wisselen, terwijl zij hun eerste glas
leêgen, hebben wij gelegenheid voor eene enkele opmerking—ik vlei mij,
dat gij er hen te volkomener door kennen zult.
Onder de spreekwoorden van Jan's buren, onder die der groote Heeren,
welke eenen belangrijken invloed op zijn vroeger leven hebben
uitgeoefend, treffen wij er vele aan, die tot in hart en nieren toe
monarchaal zijn. „Hij, die de koe des Konings heeft gegeten,” plagt de
Spanjaard te zeggen, „hij zal nog over honderd jaar hare beenders moeten
betalen!”—Wie herinnert zich den Gallischen haan niet, zoo dikwijls hij
van koning kraaijen hoort spreken? De Duitsche volksgeest wist geene
volslagener armoede uit te denken, „dan waar de Keizer zijn regt had
verloren.”—„~Must is for the King~,”[J19] zei de Engelschman, en de
groote weg heet bij de Deenen de weg des Konings!
Hoe weinig zijn daarentegen de spreuken, door Jan, in de dagen van
zijnen bloei, aan de Staatsmagten ontleend; hoe getrouw spiegelen ons
de enkele, die hij soms nog bezigt, zijne republikeinsche huishouding
af! Het Wilhelmuslied heeft de oudste brieven; maar tegen elk der
zegswijzen, waarin het voortleeft, zou ik er eene over kunnen stellen,
op het Admiraalsschip betrekkelijk; alsof de wedijver tusschen de
Landmagt en Zeemagt tot in het rijk der spreekwoorden toe had geblaakt!
Er is in geen van beide een zweem van eigenlijke heerschappij; Jan's
phlegma en Jan's spotzucht kwamen aan het licht, als hij zoowel van
Stedelijke Regeeringen als van Staten-Generaal zeide:
„Wat de Heeren wijzen
Moeten de gekken prijzen.”
Het vierigst Oranjedeuntje was niet meer dan een wensch voor de
toekomst, dan de hoop, eens een bepaald gezag te mogen toekennen:
„Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Toch zal hij eens Stadhouder zijn!”
(Een liederlijk rijm, volgens Bilderdijk, het zij in het voorbijgaan
opgemerkt!)
En echter was Jan daarom niet blind voor de gebreken, aan zijne
staatshuishouding verknocht, voor de gevaren, waaraan zij
blootstelde,—de bron van zoo vele rampen werd door zijn gezond verstand
beschreven en gelaakt, in het kernachtig woord uit zijnen mond: „Daar
dienen geene twee groote masten, op één schip!”
Van waar dan, vraagt men misschien, van waar de onverschilligheid van
Jan, van waar dat hij zoo lang den kamp duldde, schoon hij de ellende
voorzag, die er uit zou worden geboren? Dewijl, antwoord ik,—en moge
dit mijne afwijking verontschuldigen!—dewijl twee andere dingen Jan
naauwer aan het hart lagen, dan die regeeringsvormen; dewijl de welvaart
van twee andere personaadjes in zijne oogen van meer gewigt was dan
het oppergezag van de Staten of van den Prins, van den Prins of van de
Staten, als ge wilt; dewijl twee zonen zijner lendenen de eigenaardige
beheerschers van zijn handeldrijvend volk waren geworden: Jan Contant en
Jan Crediet, de beide jongeluî, die straks binnenkwamen!
Waar schuilen ze nu in de menigte van gasten, onder onze beschrijving
allengs om haard en disch gegroept? Jan houdt nog van eene zaal als eene
kerk als hij menschen ziet, al hebben zijne dagelijksche vertrekken
dat luchtige, dat opene, dat ruime niet meer, waarop hij weleer gezet
was. Een vrije geest ademde u toen uit alles wat hem behoorde toe; hij
wist van geenerlei engte, noch stoffelijke, noch verstandelijke. Dit
feestvertrek voldoet nog aan die vereischten, uitgezonderd dat de hooge
schouw, en de brandstapel, van turfmuren en beukenblokken opgebouwd,
verdwenen zijn. Jan! Jan! waarom deedt gij daar afstand van, ten behoeve
van een schoorsteentje met marmeren mantel, eene spanne breed, waarom
liet gij dien inkrimpen tot zijne schaduw, tot eene nis? Foei van
Engelsche haarden, Duitsche kagchels, smakelooze vierkanten van
porselein,—hoe plagt de vlam u toe te lagchen, weêrspiegeld in de
koperen zijkelooze vierkanten van porcelein,—hoe plagt de vonken weleer
den donkeren krater in! Hoe,—maar daar zien wij ons paar weder, zij
zitten naast elkaêr als leden van eene firma,—zoo hoort het!
Die weltevredene, tonronde, overdrieste vent is Jan Contant; hij rigtte
het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde. Wie dezen met
een paar streken teekent, hij treft hem niet. De man heeft in zijn
voorkomen iets van een zaakwaarnemer van grooten huize, zoo deftig is
hij, zoo bedaard, zoo fijn schier. Niemand verdenke mij, dat ik dit
woord kwalijk meene; zou hij het zoo ver hebben gebragt als hij niet
eerlijk van inborst was? Gij kunt het den stouten opslag zijner oogen
aanzien, hoe ondernemingziek hij is; maar, even sterk als deze, spreekt
uit de plooijen om zijn' mond eene bedachtzaamheid, die zich niet op éen
nacht ijs waagt. Hij is er klaarblijkelijk de man naar, om, wat Jan
Contant met al zijne voortvarendheid begint, vol te houden en op te
trekken, en deze, daarentegen, het levend gezond verstand, dat Jan
Crediet bij den arm wakker schudt, als de laatste zich, al mijmerende,
toegeeft in het bouwen van luchtkasteelen. Geen wonder, dat zulk eene
associatie het verre bragt! Hunne firma is niet alleen op iedere beurs
van Europa, zij is in de beide Indiën, zij is tot in China toe zoo goed
als de Bank; hunne naamteekening geldt meer dan die van Koningen en
Keizers! Het zijn leepe vogels, die zich den dubbelen roem mogen
toeëigenen, dat hunne wijsheid
„Uitheemsche ballingen, van have en huis berooft,
„Gelockt, gewelkomt ~heeft en in hun schoot~ gestooft.”
en bovendien:
„Met kielen ingesleept den oogst dien 't Oosten las,
„Ja, daer de naelde zwijmt gestaen naer vrijen pas.”[J20]
„Kinders!” zegt Jan tot hen, „kinders! Janmaat heeft zich straks bitter
beklaagd, dat ik in langen tijd niets voor hem over heb gehad dan een
onnoozel kruistogtje,[J21] dan eene verdrietige non-activiteit! Mijn
oudste heeft niet geheel ongelijk. Maar als ik wat aan hem zal doen, dan
moet mijn jongste kind geplaatst wezen, dan moet die kwelgeest mijn huis
uit.”
Jannetje! hoort gij het?
„Wie van jeluî wil nog eens beproeven wat er in hem steekt? Jan Contant
en Jan Crediet, wat dunkt je? er moet wel weêr eene plaats bij je open
wezen, het wordt anders met den borst twaalf ambachten dertien
ongelukken!”
Ik heb met Jan op, dewijl de naam Jan Salie niet over zijne lippen wil!
„Probeeren, Vader! probeeren?” herneemt Jan Contant, „ik heb hem acht
dagen lang achter den lessenaar zien druilen, toen had ik er wèl van—”
„Acht dagen?” valt Janmaat in, „hij lag me van Doggersbank af al aan
boord.”[J22]
„Mijn vennoot,” begint Jan Crediet—de man heeft eene eigenaardige
phraseologie—„mijn vennoot joeg hem in de eerste week het magazijn uit,
het kantoor af, de straat op; alles wat er in den knaap school, wou hij
een, twee, drie aan den dag zien komen, even als de muntspeciën uit den
geldzak; ik vleide mij, dat ik wist wat de tijd vermag! Maar schoon
er geen betere school is dan de mijne, als men leeren wil, „van niets
iets” te maken, zeggen mijne vijanden,—om weinig in veel te verkeeren,
beweer ik,—toch moet ik bekennen, dat ik na al mijne proeven niet weet,
waartoe ik hem gebruiken zal. Voor den goederen-handel, dat zag ik bij
het eerste gezigt, voor den goederen-handel deugde hij niet—die eischt
allerlei kennis van reederij—van uitreize en van tehuisvracht—van
assurantie—van wissels—van artikelen—van markten—van talen—van
zeden—van volken,—Jan Salie zou overal te laat komen en zich overal
beet laten nemen,—ik zal er maar niet meer van reppen, ge mogt
anders denken, dat ik mij zelve prees. Ik dacht een baantje voor hem
gevonden te hebben in de fondsen,[J23] wat dagbladen-lectuur,—een
beursgangetje—een beetje cijferen—luttel werks en toch rente—een
bedaard verbeiden van den verschijningsdag der coupons—en dan eene
groote schaar om ze af te knippen—wat is gemakkelijker? Ik had hem een
kapitaaltje toevertrouwd, om te beleggen in ~Surinaamsche Obligatiën~;
als hij het met verstand had gebruikt, was hij al een ~man in
bonis~[J24] geweest, maar wat is er van teregt gekomen? Hij schoot voor
op allerlei Plantaadjes; hij gaf voor de beste driemaal meer dan zij
waard waren; wie weet niet hoe hij geplukt is, hij, die alles maar liet
vlotten en drijven!—Sedert heb ik een oog meê in de boeken gehad en hem
aandeel in betere leeningen gegeven, de Metallieken,[J25] de Russen,
Onze papieren”—(Jan Crediet blijft toch altoos Jan Crediet!)—„maar
zoo vaak ik mijn handen met andere dingen vol had, en de zijne dus
vrij waren, wat kocht hij anders in dan prullen? In den laatsten tijd
~Ardoins~[J26]—, niet nu ze voor een zuur gezigt te krijgen zijn,
maar toen ze boven de zestig stonden,—~Griekjes~—minder omdat hij
zooveel tegen Turken had, dan dewijl zijn beunhaas hem te fijn af
was,—~Zuid-Amerikaantjes~...”
„En Kansbilletten?” klinkt het uit den hoop.[J27]
„Stil, kwâjongen!” roept Jan.
Wij willen niet vragen wie de vrager is, die Jan Crediet zoo eensklaps
zuur doet zien; wij willen hem niet opzoeken onder de Jantjes Goddome en
Jannen Kalebas[J28] die in een' hoek des vertreks zitten te klinken, dat
hooren en zien vergaan! Er zijn spotters genoeg onder de snaken. Waarom
Jan de ploerten ontvangt, waarom hij er soms nog al meê op heeft, wie
zal het zeggen? Valt die liefhebberij voor het gemeene welligt aan zijne
burgerlijke afkomst toe te schrijven? Is het de overdrijving eener
deugd, is het onwil een' der zijnen te verloochenen? Dat hij hen dan ten
minste allengs aan strenger tucht gewende, dat hij hen dwong, leden van
het ~Matigheids-Genootschap~ te worden, waarmeê hij nu zijne misdeelde
kinderen, wien armoede toch al tot matigheid verpligt, waarmede hij nu
Jan en Alleman kwelt! Waarlijk, ik begrijp zijne toegeeflijkheid jegens
die heertjes van luttel verwachting, wier hoed op het linkeroor zit,
wier neus van karbonkels schittert, wier gebaren zoo ruw zijn, ik
begrijp haar niet half zoo goed als de genade, welke hij, allengs
milder, aan Jan Hagel en Jan Rap en zijn' Maat bewijst.[J29] Hij heeft
zich te lang het vaderschap over die ellendigen geschaamd; hij heeft
hen zoo dikwijls en zoo vruchteloos met galg en rad gestraft, dat hij
eindelijk is begonnen te twijfelen, of geeselen en genezen wel één en
hetzelfde was? „Ik heb allerlei straffen beproefd,” zeide hij; „als ik
hen eindelijk eens verpligtte te werken?”[J30] En het pleit voor zijn
vaderingewanden, dat hij tegenwoordig meer doet dan hun stichtelijke
predikatiën te houden, als ze in de boeijen zitten, als ze naar het
treurtooneel gaan;[J31] dat hij hunne kinderen op school neemt, hoe
haveloos, hoe havikkig ze er ook uitzien! Jan's goed hart vertrouwt te
regt, dat er verband is tusschen verlichting en veredeling, Jan zou een
weêrgalooze vent zijn, als hij zijn jongsten zoon maar niet had.
„Zoo als ik zei, Vader!”—herneemt Jan Crediet, „ik heb de proef
genomen, of er wat bruikbaars in Jan Salie stak; de uitslag was
ontmoedigend, ja, ontrustend zelfs; in de laatste jaren... maar... wie
zijn neus schendt, schendt zijn aangezigt,—gij eischt niet, dat ik er
ons huis weder aan wage.”
Krachtig schudt Jan het hoofd.
„En dus heeft Jan Salie voor goed zijn afscheid van ons. Het beste wat
gij met hem doen kunt.”—