Wat Potgieter als zoodanig kende was de stichting van Koning Lodewijk
Napoleon in 1808, later verplaatst en aangevuld. Het ~Groot Koninklijk
Museum~, door dezen bij besluit van 21 April van dat jaar gegrond,
vond aanvankelijk berging in het Koninklijk Paleis op den Dam en
bestond uit 65 schilderijen in dat jaar te Rotterdam aangekocht; 225
stukken, afkomstig uit het kabinet van Prins Willem V en in 1798 in
den Haag in het „Nationaal Museum” aldaar geplaatst, bovenal 7 groote
doeken, afgestaan door de stad Amsterdam, w. o. de Nachtwacht, de
Schuttersmaaltijd, de Staalmeesters, het groote Schuttersfeest van
Govert Flinck. Een jaar later werd een verzameling van niet minder den
137 „meerendeels uitnemende” schilderijen (kabinet van Heteren) en nog
7 stuks van Mevr. Bicker aangekocht. Daarna was er een stilstand en
werd in 1815 de geheele verzameling naar het Trippenhuis overgebracht,
waar zij bleef tot 1885, toen het nieuwe museum geopend werd. Tusschen
1815 en 1844, het oogenblik waarop Potgieter er ons rondleidt, was de
verzameling door aankoopen en ruilingen niet onbelangrijk versterkt (ook
door enkele verkoopen verzwakt), althans tot 1830; want daarna vergde de
Belgische worsteling te veel van 's lands middelen om voor „kunst” wat
te kunnen besteden.—
De catalogus van 1844 telde dus, als straks al vermeld, 386 nummers,
tegen de ruim 3000, welke die van 1907 noemt.—Maar niet alleen dat
Potgieter er, voor zijn doel, afbeeldingen en voorstellingen miste, die
er sintsdien ruimschoots te vinden zijn, er is ook wel wat verschil
gekomen in de toeschrijving der werken van bepaalde schilders of de
omschrijving van de voorstelling en we kunnen, in ons beter weten
omtrent schilder of voorstelling, wel eens niet nalaten te glimlachen
om al wat P. uit zijn denkbeeldige stof haalde. Onze tegenwoordige
Catalogus, die op zooveel antwoord geeft wat Potgieter in dien van zijn
tijd miste, is omtrent dit alles onze gids.—In de elders geplaatste
lijst der door ons gereproduceerde werken vindt men de noodige
aanwijzingen.
* * * * *
Ten slot een woord over P's tekst en mijn ~Aanteekeningen~.
Ik heb—allereerst—bij het volgen van den gebruikelijken tekst,
mij de vrijheid veroorloofd, enkele blijkbare misschrijvingen en
drukfouten in het gedrukte te verbeteren zonder hiervan (dit is geen
filologen-uitgaaf!) precies rekenschap aan den lezer te geven.
Er bestaat van ~Jan Jannetje~ eene sterk-geannoteerde uitgaaf in de
Zwolsche Herdrukken van den heer ~J. J. Bosch~, waarheen zij, die niet
alleen maar even willen weten waarop P. doelde, maar ook er graag
~alles~ van vernemen, door mij werden verwezen. Zelf heb ik hier en
daar ook van zijn vondsten geprofiteerd; voor het overige moest ik, van
zelf sprekend, tenzij waar ik een afwijking vond of ander inzicht had,
tot gelijke uitkomsten raken. Ik heb evenwel niet alleen bij beide
stukken het stelsel gevolgd van de aanteekeningen zoo beknopt mogelijk
te houden, ik heb ze ook beperkt tot die plaatsen, die m. i. absoluut
een opheldering vroegen. Natuurlijk zal ik daarbij voor den éenen
lezer toch te veel, voor een ander te weinig gegeven hebben; laat ik
hopen de waarheid niet al te ver uit het midden gezocht te hebben. Al
proefverbeterend heb ik trouwens nog hier en daar niet kunnen nalaten
een noot, met een sterretje, tusschen de andere te voegen. Waar ik wèl
uitvoerig mee geweest ben, is de aanhaling van door ~Potgieter~ vermelde
gedichten. Deze zijn niet minder noodig ter illustreering van zijn proza
als de weergegeven schilderstukken; waar hij echter van zeer uitvoerige
gedichten als van ~Cats~' ~Houwelyck~ en ~Vondel~'s ~Lof der Zeevaert~
gewaagde, moest ik natuurlijk van overneming afzien.
Voor de illustreering van dit werk heb ik hulp genoten van den heer
Directeur en Onder-Directeur van ons Rijksmuseum (de laatste vooral
heeft zich allervriendelijkst veel moeite gegeven) en van beide
dignitarissen van 's Rijks Prentenkabinet; voor het oplossen van
eenige aanteekening-raadsels was Prof. Brugmans zoo vriendelijk den
secretaris onzer redactie, die enkele zeer tijdroovende onderzoekingen
voor mij instelde, de noodige aanwijzingen te geven, terwijl ik den
heer P. H. Mulder te Utrecht voor eenige aanduidingen omtrent den tekst
van ~Het Rijksmuseum~ heb dank te weten. Het is mij aangenaam deze
hulpvaardigheid te mogen erkennen. Onze lezers danken er vollediger
arbeid aan, dan ik hun alleen had kunnen voorleggen.