Hij zou geen Jan Crediet zijn, als hij er niet altoos wat op wist!—

„Het beste is, dat gij hem”—

„Wat? mij weêr opdringt?” valt een schalk uit,—die de eer zal hebben

zich zelven aan u voor te stellen, dewijl het u verdrieten zou, zoo ik

voort bleef varen, al die gasten hoofd voor hoofd te beschrijven; te

meer, daar de kring allengs grooter is geworden,—„hoe heb ik er voor

geboet, dat ik hem in zijne wieg een aardig wichtje vond, dat ik hem tot

mijn ~cupidootje~ maakte!

„Cupidootje! met zijn loddrige oogjes!”[J32]

„Ik, die weleer Jan de Poëet heette en het waarachtig was; ik, die nu

maar Jan de Rijmer ben, schoon ik mij betere! ik zou de koorts krijgen

van ergernis, als ik weêr naar zijne pijpen dansen moest; als ik weêr

moest toeknikken bij zijn loflied:

„Wat ben je lief,

„Mijn hartedief!

„Wat ben je goed,

„Mijn simple bloed!”

„Eer ik hem mijne kunst weêr laat verknoeijen, geef ik een'

Muzen-Almanak[J33] met louter prozastukken uit. Weet ge dan niet,

hoe ik onder zijn' saaijen dwang heb geleden; weet ge dan niet, dat

ik het Cats nog nauwelijks vergeven kan, dat hij het jongsken aan

zijne knieën spelen liet? Ik had er Hooft, ik had er Vondel eens meê

moeten aankomen![J34] Hooft en Jan Salie! Hooft, in wiens torentje

allerlei nymphen stoeiden, Grieksche en Italiaansche, Latijnsche en

Gooische nymphen; Hooft, die van kusjens en knepen zong, maar ze

nooit aan de poffertjeswangen van onzen sukkel zou hebben verkwist!

En Vondel—Vondel, wiens oogen zouden gebliksemd hebben, als ik zijne

reijën had gestoord door het salieroepen van ons broêrtje; Vondel, wien

onze westelijke luchtstreek maar half vernoegde; die naar het Oosten

uitzag; die smachtte naar licht! O, dat ik had blijven voortroeijen

op de adelaarsschachten mij door beide bedeeld; hoe hoog zou ik nu

gesteigerd zijn! Maar ik wilde der menigte gevallen, ik hield me aan

Cats, hij had op met het stille, huiselijke, bescheidene jongsken; hij

maakte er versjes zonder tal voor! Toen hij stierf, was ik al half onder

den invloed van Jan Salie ingedommeld; ik zou anders de leerlingen

hebben getuchtigd, die den meester in zijne gebreken navolgden,—altoos

herhalende,—flaauw tot walgens toe. Ook werden zij uitgevraagd zoo vaak

er wafelen werden gebakken, zoo vaak er slemp werd gelept; o, dagen

mijner schande![J35] Als ik soms—ook ik droeg in mijn geweten den wreker

met mij om!—als ik bij wijle nog eens een stuk van de groote meesters

wilde voordragen; als ik een fragment uit Antonides[J36] aanhaalde,

dan kneep Jan Salie mij in den arm, dan zette hij eene keel op,

leelijke schreeuwer als hij is! „Broêrlief!” zeî hij dan, „broer! wat

liefhebberij heb je er toch in zoo hoog te vliegen, blijf bij den grond,

en je zult meer pleizier doen!” Och! we zijn bij den grond gebleven,

totdat niemand meer dacht dat ik vliegen kon, totdat allen, wetende

dat zij toch niet meer behoefden op te kijken, om mij te volgen, in

slaap vielen, zoodra ik begon. Het heldendicht—o, wat eposjes!—het

lierdicht—o, wat odetjes!—het minnedicht—o, wat klagtjes!—ieder

genre was in predikatie's ontaard; ik wist in verzenbundels van alles

wat te vertellen, maar den hartstogt werd ik vreemd; Poëzij en Jan

Saliegeest, hoe konden zij zamen gaan? Verlamlendigd en verlamzaligd

had ik niet eens ooren meer voor Van Haren; Bilderdijk moest me tot hem

optrekken; Bilderdijk schudde mij wakker.[J37] Van toen af scheidden wij;

Jan de Poëet gaf Jan Salie den schop. Of al mijne zangers als ik beu van

hem waren; of zij inzagen dat hij onder het mom der rethorica op nieuw

binnen zoekt te dringen![J38] Ik weer hen met vuist en voet van mijn'

drempel, die minnelijmers, wier stukjes de botste kan invullen, als hij

maar de eindrijmen kent, luister:

„De ~schroom~. In den ~droom~, Of de ~klagt~ In den ~nacht~;[J39]

„Het slordig gerijmel van ~bloesem~ op ~boezem~;

„Ik weer die nog ondragelijker spreekwoorden-berijmers, welke den volke

eene les aanschouwelijk maken, die het reeds zelf in beelden heeft

gebragt:—

„En liefst van alledaagsche zaken

„Op hun versleten doedel kwaken!

„Ik weer bovenal die venters van aardigheden, welke mij in een

hansworstenpak steken, als had ik geen andere roeping dan te goochelen

met woorden en klanken—

—, „Waar drommel haalt de bruî de woorden toch van daan!”

„Bedaar, jongen! bedaar,” roept Jan,—hij plagt van ouds van poëten te

houden—„eer de vreemden ons weêr zouden uitlagchen, ligge mijn jongste

voor een' doeniet t'huis.”

„Slechts aan hen,” herneemt Jan de Poëet, „slechts aan de rhetorici, die

mij handen vol werks geven, slechts aan deze heb ik het te wijten, dat

Jan Crediet mij ingewikkeld verwijt, dat mijne kunst eene nuttelooze

weelde, dat haar tijd voorbij is.”—

„Wie weet of ge niet juist ziet,” valt Jan Crediet in: „wij, de luî

van de negotie, we hebben altijd zin gehad voor iedere glorie, want we

trokken van elke partij. Als ge meer op de hoogte onzes tijds waart...”

„Ik tracht er te komen, zelfs door de bokkensprongen mijner nieuwere

school,”[J40] antwoordt Jan de Poëet, „kwel me maar niet met Jan Salie.”

„Hij moet gedrild—hij moet soldaat worden!” klinkt het.

„Wie zegt dat?” hooren wij van twee zijden vragen, eerst door een zachte

en aangedane stem, nu op forschen en geraakten toon—een jammerklagt,

eene uitdaging.

De eerste ontglipte aan Jannetje—verre van de hoofdgroep verwijderd,

ving zij echter het raauwe woord op, en de tevreden lach, waarmede zij

straks de feestvreugde gadesloeg, is van haar gelaat verdwenen! Hoe is

het mogelijk, dat eene zoo flinke vrouw, dat eene weleer zoo krasse

moeder zich zoo zwak betoonde voor eenen onwaardige? Het behoort tot de

raadselen des harten, tot de onverklaarbare ongelijkheden van den geest!

Hoe, ~alle ding zijn eisch~, was in hare jeugd haar woord; wilt gij er

een voorbeeld van, uit honderd, die ik zou kunnen bijbrengen? wilt gij

het eerste het beste, dat mij invalt, nu ik haar aanzie? Uit een koperen

vlootje liet zij den arme het schrale water reiken; een houten nap was

goed genoeg voor de groene wei; maar het poffe bier eischte tinnen

flappers[J41]; maar de heldere wijn moest schijnen in een' doorlichtigen

roemer; maar de gouden druif van den ~Rhijn~ vonkelde en tintelde in

eene lange en fijne fluit.[J42] En nu—wat in dit opzigt veranderd

zij—ginds is een ketel te vuur, zij heeft kandeel gebrouwen, en gulden

stoopen ontvangen alreê den weelderigen drank.[J43] O, Jannetje!

Jannetje! gij die der spreuk in uwe huishouding getrouw zijt gebleven,

waarom wilt gij haar in de lotsbestemming uwer kinderen geweld

aandoen? Gij, die een' tijd, die ontwikkeling aller gaven eischte, die

beurtelings dwong tot dulden, of riep tot durven, waarin have en hals

vaak op het spel stonden, die vervreemd scheen van tucht en trouw,

en waaruit toch beleid en beraad redde, die koen en kloek, die vroed

en vroom maakte; gij, die in zulk een' tijd Jan waardig ter zijde

stondt;[J44] gij, die hem onder dat alles gelukkig deedt zijn; gij

spreekt nu Jan Salie vóór; gij wilt hem elk zijner broeders opdringen!

~Alle zin zijn wil~, was uw woord, toen de onderscheiden aard uwer

kinderen aan het licht kwam,—gij temperdet slechts de overdrijving, die

ten verderve zou leiden; maar dezen, dien gij niet kondt verbeteren,

dien gij, zoo ge nog in uwe kracht waart, de wijde wereld zoudt hebben

ingejaagd,—„vreemde oogen maken menschen,”—dien acht gij nog te goed

voor Jan Cordaat, te goed om soldaat te worden;—wees gerust, zwakke,

beklagenswaardige moeder! Jan Cordaat weigert hem!

„Wie zegt dat?” herhaalt onze oudste krijgsman, „wie zegt dat? een

lafaard, die zijn woord niet staande durft houden!”

„Ik zeg het,” klinkt het eensklaps, „ik!” en eene forsche hand slaat op

de linkerheup, als was hij gewend er een' zwaardknop te vinden, „ik” en

de vrolijkste, de welgedaanste, de kloekmoedigste van Jan's kinderen

strijkt de haren uit het gezigt.

„Jan Compagnie!”[J45] herneemt Jan Cordaat, „de scheldnaam ~lafaard~ past

niet op u, hij heeft nooit op u gepast.”

„Verontschuldiging te over, brave borst! en toch houd ik mijn woord

staande.”

„Hoe!” roept Jan Cordaat, „hoe, waarmeê heb ik dien smaad verdiend?

Waart gij ooit op Java de man geworden, die ge nu zijt, als ik geene

andere jongens had aangevoerd dan Jan Salie's? Stel eens, dat ik tegen

den list der inboorlingen niets anders had overgesteld dan zijne

traagheid!”

„Ik wil hem niet eens tot koelie van mijn' palanquin,”[J46] valt

Jan Compagnie in; „op een' mooijen dag zou hij mij halverwege een'

berg neêrsmakken, al zuchtende: „Oei!—wat—eene—vracht!” Maar mij

dunkt, zoo iets zijn' aard kan verkeeren, dan moeten de stok, de

strafdivisie—”

„O, die zuurdeesem uit de dagen der republiek!”—barst Jan Cordaat

uit,—„toen men mij zoo noode in fatsoenlijk gezelschap ontving, toen ik

bij het uitschot van vreemden werven moest, hij is nog niet uitgegist.

Maar wie van allen hier heeft zich minder zijne herinneringen te

schamen, dan ik,—help mij, Jan de Poëet! help mij, en getuig, hoe

ik gestreden heb onder vijf Vorsten uit hetzelfde Huis—”

„En ieder een doorluchtig man,”

vult Jan de Poëet aan.

„Ik, die met den Prins over de Maas ben geweest—”

„Een eenigh zwijgher weegt de werelt in een schaal—”

klinkt het er tusschen—waar vond de schalk den regel?[J47]

„Die met Mouringh, bij Nieupoort, de zege zoo gaarne bij de vleugels had

gepakt, om ons verder te voeren,—met Mouringh—”

„Voor wien alle oorloghsman in zijnen tydt zou wijken,”

valt Jan de Poëet in.

„Die met Fredrick Henrick zeven steden nam,” vaart Jan Cordaat voort.

„Geen heilstar kende als 't licht dat op zijn helmtop ~blonck~,”[J48]

zegt Jan de Poëet.

„Die met Willem den Tweeden voor Amsterdam”—[J49]

„Wat haper je?” roept Jan uit: „Grootvaêr, Oom en Vader hadden den kroon

verdiend, dien hij nemen wou.”—

„Die met Willem den derden”—

Het is of Jan de Poëet het stilzwijgen, straks door hem bewaard, wil

vergoêlijken; hij haalt Vondel's meesterstukje aan:

„Prins Willem draaft alle Aemstelridders voor!”[J50]

„Dat was de profetie van hetgene er in den borst stak,” herneemt Jan

Cordaat. „Hij, die ons Land voor den ondergang behoedde—”

„Die 't Christenrecht beschermde en 't recht van 't Algemeen,”[J51]

klinkt het zegevierende, alsof het Lodewijk XIV nog in zijn graf tarten

moest.

„Of ik zoo mocht voortvaren,” zucht Jan Cordaat; „maar van den

Utrechtschen Vrede af, totdat ik met Napoleon van de Bidassoa naar de

Berezina zwerven moest, was ik aan Jan Salie-geest ter prooi;[J52] we

zijn er wreed voor gestraft,—wie wil er zich weêr een blootstellen?

Ik heb geen plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij de

schutterij! Waterloo! Hasselt! Leuven![J53] zeg mij, wat ik er zou hebben

uitgevoerd, als hij meê was geweest! als hij geroepen had: „Langzaam,

jongens! langzaam!—komen we er van avond niet dan morgen toch!” Plaats

hem in mijne gelederen, als ge durft; waar de Koning hem aantreft,

op de parade, of op schildwacht, in garnizoen of in het kamp, Hij

zal hem zien, Hij zal hem wegjagen; ik heb zijn woord, dat hij

Vader van het Leger zal wezen; al mijne jongens zijn tegenwoordig

Landskinderen!”[J54]—

Arme Gastheer!

Hoe menigh vader lijdt in zijne(n) zone alleen!

zegt Vondel[J55]; indien gij Jan vóór u zaagt, zoo als ik het doe,

gij zoudt het met hem uitroepen. Welke herinneringen verlevendigt het

verlangen, zich van het huiskruis te ontslaan,—in welk een' tweestrijd

brengen hem zijn verstand en zijn gevoel! Hij moge zich verheugen

in de degelijkheid, die over het booze beginsel zegevierde, in de

degelijkheid, welke den gevaarlijken invloed, dien het uitoefende, te

keer ging en overwon; hoe springt deze hem des ondanks nog in de oogen;

hoe anders plagt hij in zijne jongheid Oudejaars-avond te vieren! Dan

heerschte de vreugde in aller hart, dan speelde de minne haar spel;

dan werd er gekust[J56]—en nu! Aan wien valt die ommekeer te wijten,

aan wien anders dan aan het Benjaminnetje, dat nog altijd in den hoek

staat, altijd slemp lept? Want Jannetje moge klagen over den zin voor

vreemde muzijk en vreemde pret, aria's en walzen; heeft zij zelve niet

om het gezeur van Jan Salie vedel en luite der vaderen weggeborgen, tot

verveling gezelligheid verving; tot onze zeden zoo stijf werden, dat we

niet bij elkaêr komen dan om te eten en te drinken? Jan's blik zwerft de

feestzaal rond en het is hem droef te moede. O de dagen van weleer, de

dagen zijner jeugd, toen het achttal kaarsen op den disch het duister

slechts aarzelend deed wijken in den hoek bij de schouw, waar de bank

plagt te staan, die hem heugt! Wat zat hij er gaarne op, als het er zoo

van passen donker bleek, voor zijn eerste, voor zijn eenige vrijaadje!

Of hij ons vertellen wilde, wat hij Jannetje in dat tweelicht al

toefluisterde, tot zij opsprong, tot zij eene vedel voor den dag haalde,

tot zij hem die toereikte. „Stoutert!” zeî hij dan, „je wil is mijn wet,

maar boeten zul je er voor,”—en ijlings greep hij den strijkstok en

speelde den inheemschen volksdans, waarin de meisjes een kusje achter de

ooren niet konden ontwijken[J57]. Hoe het schalke Jannetje hem uitlachte,

hem, dien zij verpligt had te vedelen; hem, die toe moest zien, dat

een ander haar kuste! Eens zwierde zij hem voorbij en hij liet haar

zwieren—een tweeden male stoof zij hem langs, en hij speelde in schijn

geduldig door—maar daar kwam zij ten derde male aan, en weg wierp hij

den vedel, en flink greep hij haar om haar middel, en boeten moest

zij—maar niet achter de ooren! Hoe kuste hij haar dan, dat het klapte,

terwijl de overige dansers en danseressen als malloten stonden toe te

kijken, en Jannetje bloosde als een roos!

Jan Salie! wat kwaad stak daarin?

Of een andermaal plaagde hij Jannetje hem hare eel te laten hooren, en

rustte hij niet vóór hij de luite[J58] had opgeschommeld; de luite, die

hare blanke vingeren zoo zoet tokkelden. Lang wou ze en lang zou ze niet

spelen; zij wist het wel, hoe zoet een jent[J59] neen zeggen is met een

lachje daarbij; ondanks het bekende tafelregt, dat ieder voor het minst

een liedeke kwelen moet, aarzelde zij voort. Eindelijk echter kwam het

mopsje, het mopje met de zilveren sloten uit de beugeltasch aan het

licht,[J60] maar tegelijk rees de groote vraag, wat er gezongen zou

worden: iets geestelijks of iets wereldlijks?[J61] „Een zoet deuntje,”

mogt hij smeeken; andermaal schudde het lieve kopje „neen!” en dan—dan

had hij in een omzien het speeltuig van hare knie geschaakt, tot zij

berouw gevoelde. Want het meesterstukje der zangster, die wel dartel

zag, maar toch niet onbeschaamd was, het „~Heilige Venus!~”[J62] klonk

door de kamer, en Jannetje wist niet, hoe gaauw zij de luit maar weêrom

zou nemen, opdat zij niet te veel klappen mogt.—

Jan Salie! hebt gij ooit lief gehad?

Streelende herinneringen! waarom wordt gij verbitterd door de

vergelijking met het heden, dat getuigt, in hoe menig opzigt hij te

kort is geschoten bij wat hij toen hoopte, bij wat hij toen had kunnen

worden? Zie zijne wenkbraauwen fronsen zich; zijn voorhoofd rimpelt!

Jan is er geheel de man naar, om zich in zijne overpeinzingen zelf te

verdedigen en te veroordeelen, zoo als twee personaadjes het in een oud

treurspel[J63] doen. Jan zegt zoowel:

„Van achter zien we dit met andere ooghen aan;”

als:

„Zoo staan ze u in den nek; zij plaghten voor te staan.”

[Illustratie: No. 2528. JOHANNES VERMEER van Delft (1632–1675).

_Juffrouw met de luit_ (fragment.)]

„Vader!” valt Jan Compagnie in, die deernis schijnt te hebben met de

mijmerzieke vlaag van den anders opgeruimden oude, „vader! wat suft gij?

hebt ge mijne broeders, hebt ge mij niet?—Eéne slechte vrucht onder de

honderd; ik zou den boom wel eens willen zien, die er geene had; schud

hem af, en ge zijt weder de kroone des wouds! Ik weet wel, dat het

ligter gezegd dan gedaan is; vooral dewijl ik Jan Salie niet meê zou

nemen, al schreeft gij hem drie h's op den rug.[J64] Allerlei uitspatters

weet ik te temmen, allerlei loshoofden tot nadenken te brengen—de

zee, de luchtstreek, de eenzaamheid doen wonderen op zulk slag van

jongens:[J65] maar voor zijns gelijke hoop ik, dat de Heere mij bewaren

zal! Als hij ooit op Java voet aan wal zette, zou hij er honderd jaren

worden, maar ik er geen tien meer baas zijn! Hoe hij zich bakeren zou in

den glans van mijne weêrgalooze zon, hoe hij zich zou laten bewierooken

en bewaaijen! Wat zou het anders zijn dan nederliggen, en sluimeren, en

slapen? schoon ik het ook bij wijle doe; schoon ik misschien maller ben

met mijne danseressen, dan het ooit den slungel in zou vallen te zijn,

ik leide geen louter Nabob's leven;[J66]—de rijstbouw—de koffijpluk—de

suikerteelt geven mij handen vol werks! Het is waar, ik dartel om in een

paradijs, als mijne geurige Molukken in bloei staan, maar de maaijer,

die hier tusschen zijne schoven en op zijn zeissen inslaapt, heeft

nooit zwaarder gearbeid, dan ik het op den dag der inzameling van mijne

nagelen en noten doe! Honderd-, neen duizendvoud geeft mijn Oost de

korrelen weder, er in den vruchtbaren grond geworpen, en weeldiger

plantenrijk is er niet dan dat, wat mij nieuwe wonderen bloot legt, zoo

dikwijls ik zijn' eeuwigen bloei gâ sla, en toch verrijk ik dien rijkdom

nog—dat tuigen de indigo, de thee, de chochenille, die Bengalen en

China en Mexico zullen beschamen! Eerst als mijne zorgen over dat alles

zijn gegaan, eerst als eene wolk van schepen, met die weelde van het

Oosten voor het handelshuis mijns vaders[J67] bevracht, uit mijn gezigt

is verdwenen, waar het azuur mijns hemels in het goud van mijnen oceaan

smelt, eerst dan luik ik mijne oogen, om in den droom de stemme te

hooren, dat, „wie meester is van Java, beheerscher kan worden van

Indië!””

Jan Compagnie heeft den waren toon aangeslagen, om Jan op te beuren;

zijne oogen schitteren bij de grootsche toekomst hem voorgespiegeld;

zijn gemoed schiet vol:

„Jongen!”—berst hij uit—„jongen! gij steekt mij een' riem onder het

hart,[J68]—ik begon mij zelven te verwijten wat plannen ik al voor Jan

Salie heb gemaakt: Jan Salie poëet,—Jan Salie professor,—Jan Salie

diplomaat,—Jan Salie lid van de tweede kamer, Jan Salie minister!—ik

verbeeldde mij, waarachtig, dat hij 't al was!—ik meende overal zijn

geest te zien! Immers ik, die weleer een' vloed van vreemdelingen naar

de werkplaatsen van mijne kunstenaars zag stroomen, om er de wonderen te

huldigen door hun genie geschapen, ik teerde in de kunst tientallen van

jaren op den roem van het voorgeslacht,—ik nam het middelmatige voor

lief.[J69] Immers ik, die in geheel Europa vermaard plagt te zijn om

de wijsheid, welke er van mijne hoogescholen uitging, ik meende eene

halve eeuw lang een heel licht te zijn, als ik eindelijk te hooi en te

gras vernam, wat in den vreemde al overbekend, al weder vergeten was,

in allerlei vakken van studie! Heb ik er niet op gestoft, dat ik de

kronkelwegen der staatkunde beu werd? ik, die de slimste diplomaat ter

wereld plagt te zijn, die van alle voorvallen, van alle bewegingen ten

gunste der Vrijheid partij trok; ik, die vrede en oorlog maakte voor

Koningen en Keizers! Of weet ik mij op het punt van mijn geloof niet

maar kwalijk naar mijne Grondwet te schikken; ik, die terugdeins voor

het onderzoek mijner vroegere partijschappen; ik, die roestte in mijn

rust—jongens! laat mij uitspreken!—dáár hebt ge er mijne hand op, Jan

Compagnie! dat ge op Java nooit gekweld zult worden met Jan Salie!”

Bravo, Jan!

„Jan Contant! Jan Crediet! Jan de Poëet!” vaart hij voort, „u zal ik

evenmin met hem meer lastig vallen; Jan Salie heeft geen verstand

genoeg, om geld te verdienen; Jan Salie heeft geen talent genoeg, om

roem te verwerven; ik schaam mij dat ik zijn vader ben.”

Hij houdt een oogenblik op, maar vermant zich, en herneemt:

„Priesters van de Kunst, van de Wetenschap, van de Godsdienst! waarom

hebt ge mij niet vroeger op mijne zwakheid opmerkzaam gemaakt? Ik was

~maar~ een koopman; denkt niet, dat ik er mijn beroep om smade; er

is geen nuttiger ter wereld!—een man, die verstand moet hebben van

allerlei dingen en van allerlei menschen,—een man, die moed dient te

hebben voor de veelsoortigste ondernemingen; moed ten oorlog, te water

en te land, als zijne belangen gevaar loopen;—een man, die zin moet

hebben voor alle wetenschap en voor alle kunst, om zijne mededingers

op zijde, om op de hoogte van zijn' tijd te blijven,—een koopman als

ik was in één woord,—~maar~ een koopman, herhaal ik. Of stond ik, toen

ik de hoogste ontwikkeling van mijn karakter had bereikt, niet aan

de ergste ontaarding van mijn' aanleg bloot?—Weelde ontzenuwt, verslapt,

ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn' overvloed! Wat klaag ik over

hem, ik, die mij zelve moest aanklagen! In plaats van den verhevenen en

edelmoedigen geest, die mij in de dagen mijner opkomst bezielde, werd ik

de prooi van de bekrompenheid des verstands en van de onverschilligheid

des harten van den nieuwelingsrijke! Ik ben verwaten en verwaand; ik

ben trotsch en traag geworden,—jongens! het was geene liefde, dat ge

mij niet teregt weest! Toen ik een geloof op mijne eigen hand had,

toen ik er driest voor uitkwam, dat ik het mijne het best van allen

hield, toen was ik te gelijk voor andersdenkenden de verdraagzaamste

man van mijn' tijd; toen beschermde ik alle vervolgden, die tot mij

vloden;[J70]—waarom leert ge mij, nu ik allen gelijk heb gesteld,

niet de waarachtig-verlichtste, niet de waarachtig-vroomste, niet de

waarachtig-liefderijkste van allen te worden,—het beste bolwerk voor

de Kerk, in het bloed van mijne vaderen gevest?”

Bravissimo, Jan!

„Jan-maat!” vervolgt hij, „kom naast mij, Jongen!”—en de trouwe borst

springt op, alsof hem het sein werd gegeven in zee te steken, zoo rap en

zoo blij!—„Jan-maat gij zijt altijd een man van daden geweest en niet

van woorden,—vergeeft ge mij? ik zal me beteren!”

Het is veel van zulk een' vader—maar niet te veel voor zulk een' zoon!

Zie, daar rijzen beide op,—Jannetje geeft het teeken, dat de tafel is

aangerigt, en Jan leunt met welgevallen op den arm van Janmaat; zoo zij

het, zoo blijve het, handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander

verknocht!—Waartoe zou ik u den disch beschrijven? er is niemand, die

niet weet, dat Jan van tafelvreugde houdt; er is niemand onder ons, die

ze hem niet gunt! al wat ik nu nog te vertellen heb,—maar daar is

Jannetje Jan op zijde.

„Vader mag Jan Salie meê aan zitten?”

„Onder aan vrouw! Het is van avond voor het laatst; morgen besteed ik

hem op een hofje.”

Houd het Jannetje ten goede, dat zij met haar voorschoot langs hare

oogen strijkt!—doch zij rept zich reeds hare plaats aan tafel in te

nemen;—luister nog een oogenblik, bid ik u, naar een paar jongens, die

't langst bij den haard blijven drentelen, die den woordwissel tusschen

Jan en Jannetje hebben gehoord.

„Als Jan Salie onder aan moet zitten,” zegt een snaaksche

bogchel[J71]—de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van

Jan's kinderen,—en zijn lach is dus ook bitter, „dan wordt hij mijn

buurman!—Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen[J72] hier geen'

toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mij

halen! Broertje! wat eene flaauwe aardigheid was dat—ik zeî er beter

in mijn' jeugd. Mijn' jeugd!”—en hij slaat met het houten zwaard,

dat hij op zijde heeft, tegen zijne spillebeentjes,—„Welk een andere

jongen was ik toen; Huygens had plezier in me—Huygens, de taalgeleerde

Hagenaar—Huygens, die de geheimen van drie Prinsen wist![J73] Sinds

hebben de poëten mij verstooten; allerlei vreemde snoeshanen stapten als

paauwen over het tooneel; ik mogt er niet op; ik was te gemeen.[J74] „Op

straat met je ronzebons!”—schreeuwden ze.”—En hij schuift de muts uit

zijne oogen: de wonderbaarlijke, graauwlederen muts; en zijn voorhoofd

blijkt zoo geheel eng niet.—„Maar had ik dan geen' aanleg,” vaart hij

voort, „school er dan geene geestigheid in mijne breinkas?”—en hij tikt

er tegen;—„was ~Trijntje Cornelis~ niet aardig, niet weêrgaas aardig?

Als de latere jongens van de lier aan mijne invallen de helft van de

moeite hadden besteed, die ze voor uitheemsche prullen over hadden,[J75]

ze zouden nu op een oorspronkelijk tooneel mogen stoffen,—ik ben

gewroken!—maar ten koste van het volk! Is het niet jammer, broer?”—De

bogchel is al zóó gewend alleen voort te praten, dat hij niet eens

antwoord afwacht. „Als ze mij vrijheid hadden gegeven voort te hekelen,

als ze vermoed hadden wat er in mij school, zie, het jongsken, dat

moeder het laatste doldijnde,[J76] het zou nooit Jan Salie zijn geworden;

ik had hem zoo lang uitgelagchen, hem zoo lang gestriemd, tot hij zich

had gebeterd; ik heb van mijn Huygens geleerd:

„Ick spaer de roede niet, ik heb ~het volk~ te lief.””

„Jan Klaassen!” herneemt de andere zoon Jan's, tot wien onze vriend uit

de poppenkast zijne ietwat paradoxale[J77] klagt rigtte, „als ~hadden~

komt, is ~hebben~ te laat; maar een ding beloof ik je, wanneer Jan

Salie zich van zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof

maken;[J78] ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.”

„Aan tafel, broêrtje! aan tafel,” herneemt Jan Klaassen, „vader stelt

den feestdronk al in.”

En hoe luidt hij?

„Oranje in het hart, en niemands slaaf!”

Een luid „hoezee!” beantwoordt den toast; Jan is met Oranje gevallen;

Jan rigtte zich met Oranje weder op. „Oranje boven!” blijve zijn

eigenaardige volkskreet.

En even weinig als dezen verloochene hij ooit den anderen

karaktertrek,[J79] die uit den wensch spreekt, welken hij bij den

twaalfden klokslag van middernacht slaakt,—de bede, die geloovig en

vertrouwend over Jan's lippen rolt, terwijl hij zijne oogen ten hemel

slaat; terwijl hij zijne armen zegenend uitbreidt,—de verklaring, dat

hij bij alle ontwikkeling zijner krachten Hem niet vergeet, wien hij die

heeft dank te weten; het kernige woord:

—„God zegene ons, kinderen!”

* * * * *

God zegene u, Jan! u en de uwen!

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 19 / 62 题