HET RIJKSMUSEUM.

De oudejaarsavond-toespraak, de oudejaarsavond-toost, de

oudejaarsavond-uitbanning van 1841 hebben zoo spoedig niet gewerkt;

Jan Salie loopt in 1844 nog rond—(hij deed 't nog in 1880, doet

hij 't niet ook nog nu?)—Andermaal moet dus de slappe tijdgenoot

opgestijfd worden tot sterkte, en losgerukt uit de begoocheling van

zijn zelfgenoegzaamheid door een vergelijking met de stevigheid van

het voorgeslacht. Nu echter niet in een figuratief stuk—direct op

den man af. En statig, als bij het gedroomde Rijksmuseum past, dat

Potgieter niet voltooid zou zien, begint het: „Er was een tijd, waarin

de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet werd

ter hand genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het

regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren

olijftak in.”—Ge voelt, aldus aangesproken, iets vreemd over u komen;

onze welsprekendheid heeft de deftigheid, de beeldsprakigheid van zulk

een uitgevoerde figuratie afgelegd, we hebben ~alle~ welsprekendheid,

~alle~ deftigheid van ons afgeworpen, zooals we de historische

schilderij, door Potgieter de hoogste openbaring der schilderkunst

geacht, hebben vaarwel gezegd; zooals we, in de schilderkunst, in het

geheel de zorgvuldige uitvoerigheid van nog 40, 50 jaar geleden hebben

verzaakt, in onze behoefte om de bewegelijkheid, de gevoeligheid, de

door zon-en-licht-gebrokenheid van lijnen, kleuren en tonen weer te

geven. De onrust van ons leven, de prikkelbaarheid van onze zenuwen,

de gevoeligheid voor overgangen, halftonen en tinten, die we in ons

gekweekt hebben, verdraagt zich slecht met de strakheid, de vastheid, de

intellectueele stevigheid van vroegere uiting, wier rythmische zwaai zoo

ruim ~over~ de dingen heengaat, dat alle onmiddelijkheid van zegging,

alle gevoeligheid van toets er vreemd aan moet blijven.—Het is of we,

deze perioden van Potgieter lezend, onder vreemd gezelschap staan; veel

vreemder dan dat van de 17e-eeuwers en zelfs van middeleeuwers. Vondels

proza, als ge even aan zijn uitdrukkingen gewend zijt, doet u veel

inniger aan dan dat van de eerste helft der 19e eeuw, en dat Potgieter

het zijne zooveel archaïstische wendingen geeft, maakt dit niet lichter

aansprakelijk. Maar ten slotte heeft elk tijdperk en elk groot auteur

zijn ~manier~,—over de schrijfwijze der „modernen” schudden nog altijd

ouderen van dagen het hoofd—en de les, die onze studie van vroegere

tijdperken ons geleerd heeft, is immers juist déze: dóor die manier tot

het ~wezen~ van den kunstenaar en van zijn werk door te dringen. Wie het

't ~Rijksmuseum~ van ~Potgieter~ doet, nu gewaarschuwd voor wat hem te

wachten staat, zal zich dat doordringen waarlijk niet beklagen. Ik heb

beproefd hem met mijn aanteekeningen, en aanhalingen vooral, op den weg

te helpen, waar P. wat al te veel van onze kennis veronderstelt in zijn

fantaiseeren over onze historie, over en bij schilderijen, en zijn

streven dit vooral in zulk een schrijfwijze te doen, die meest zou

afwijken van het gewone.

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 16 / 62 题