JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND,

op oudejaarsavond van 1841 geschreven, is zoozeer het praeludium tot het

langere opstel geweest,—dat ik toch eigenlijk niet kon nalaten haar

te doen voorafgaan. Jan en Jannetje—dat zijn de figuren, waarin P.

zich ons Holland uitbeeldt, vader en moeder van een talrijk kroost. De

figuratie lag als voor de hand voor zulk een goed kenner van onze taal

als Potgieter. We kennen immers allen ~Janmaat~ en ~Jan Compagnie~; we

kennen ~Jan Hen~, ~Janhagel~, ~Jankalebas~, ~Jan Klaassen~, en al in de

17e eeuw immers had W. D. Hooft in zijn ~klucht~ van ~Jan Sali~ dezen

naam tot kenschets van een sukkel gebruikt! ~Potgieter~ had de groep

maar te voltooien—en hij deed het met vernuft, met valsch vernuft ook

wel (maar dat is de verleiding van het genre!) en, vooral, hij deed

het met den zin van den kleurrijken schrijver, die oud-hollandsche

binnenhuizen met de pen weet te schilderen, en uit het gemoed van èen,

die Jan en Jannetje hartelijk liefhad, en die in Jan Salie hun en zijn

ergsten vijand wist. Alles heeft de sukkel, de machtelooze, de durfniet

voor Jan en de zijnen bedorven: Jan's macht ter land en ter zee; Jan's

handels- en ondernemingslust; Jan's open levenszin, Jan's letterkunde,

Jan's tooneel, Jan's kunst—en hartgrondig moet het er uit: „Ik schaam

me dat ik zijn vader ben!—Moeder, morgen moet Jan Salie naar een

hofje!”—We zien de vergelijking tusschen de 17e en de 18e en 19e

eeuw, die het eigenlijke thema voor het Rijksmuseum zal worden, al

in de kiemen zich ontwikkelen; naar Vondels zegswijze is 't, of in

deze oudejaarsbespiegeling: „het zaad voor het toekomende (stuk) is

gezaaid!”—Vooral de kennis en waardeering van Vondel, Hooft en Huygens

boven Cats, straks zoo uitvoerig uit te werken, gaan al spreken. Als we

nu Cats hebben leeren vergeten, Huygens waardeeren, van Hooft en Vondel

genieten—we hebben er zeker niet weinig Potgieter voor te danken, al

meten we weer onzen afstand van hèm er aan, dat alleen-kernigheid en

vroomheid, die samen hèm tot Huygens trokken, òns minder zeggen dan

Hoofts gevoelige beeld-taal, dan Vondels grootmogendheid over taal,

gevoel, verbeelding.—

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 15 / 62 题