TOT INLEIDING.

Dat Potgieter en zijn werk, hoe weinig ~populair~ beide ook lijken

mogen, te eeniger tijd in den wijden kring der lezers van onze

bibliotheek moesten worden ingeleid, stond al van haar stichting

af bij mij vast. Doch zooveel staat er mede op de lijst mijner

eigen uitgeef-verlangens, en „alle ding zijn beurt” is ook voor mij

onvermijdelijke wet!

Nu echter komt die beurt eener openbare herdenking aan den stichter

van „De Gids,” aan hem, die zelf in onze 19e eeuw gids geweest is voor

velen, en die dit ook geweest is voor mij. Wij allen vinden in onze

groei-jaren, terwijl zoovele opvoeders, onderwijzers, leeraren zich

met ons bemoeien, schier altijd buiten dien kring een of meerderen,

dichters, denkers, schrijvers, binnen wier aantrekkingsmacht we

geraken en die dan grooter invloed op ons gaan oefenen dan de

meesten onzer officieele vormers. En ik kan niet terugdenken aan

mijn burgerscholier-jaren, of onder de mannen in wier geest ik me

gevangen voelde, zie ik Potgieter voor me herleven, Potgieter, den

stoeren en sterken vaderlander; Potgieter, den bewonderaar van onze

zeventiende eeuw; Potgieter, den schrijver wiens stijl den geest lenig

maakte en wiens gevoelswarmte diep innig gloeide onder den ruigen

korst;—Potgieter, den vijand van Jan Salie. Als navolging tuigen mag

van verkregen invloed—de eerste pennevrucht die ik, op 18-jarigen

leeftijd, mocht doen drukken, was geheel ingegeven door zijn „Jan,

Jannetje en hun jongste kind,” een satyriek betoog dat Jan Salie aan

zijn hofje ontkomen was![1]—En als ik, sintsdien iets heb mogen

bijdragen, in geschrift, in woord en daad, om onze volksslofheid te

keeren en onze volkskracht te verhoogen,—de inspiratie in mijn jonge

jaren van den „dege degelijkste” onzer 19e eeuwers ontvangen, mag zich

een goed deel daarvan toerekenen.

[1] In het tijdschrift ~Nederland~ van 1881, onder pseudoniem

LEONIDAS: „~Jan Salie is los~.”

En 't is daarom dat ik mezelf zoo gaarne de taak stelde, dezen bundel

bij onze lezers in te leiden, en hem te geven wat hij, buiten Potgieters

eigen werk, scheen te vragen—

* * * * *

Dat was, allereerst, een poging om den mensch en den schrijver in korte

trekken te teekenen, vooral gelijk ze zich voordoen in zijn beide

stukken, die hier volgen.

In zekeren zin: overbodige arbeid, want èn de mensch èn de schrijver

groeien er heel sterk voor ons uit. In het Rijksmuseum wandelend, dat

toen nog de kleine verzameling in ons Trippenhuis was, (386 nummers

telde de catalogus!) maar waarin toch ook al een kern van meesterstukken

hing, heeft Potgieter zich niet allereerst geboeid gevoeld door de

schoonheid, die er van hen uitstraalde, doch door hun inhoud. Juister

gezegd, het waren niet eerst schoonheidsontroeringen die zij in hem

wekten, doch aandoeningen van geestelijken aard, die hun voorstellingen

in hem gaande maakten. Hij wandelde er rond en in zijn nog jonge

brein—hij was eerst 36 jaren toen hij dit stuk schreef—droeg hij al

bij zich een schat van verworven kennis van hollands oud leven, van

hollands geschiedenis, van hollands dichtkunst der 16e en 17e eeuw; een

beeld van het voorgeslacht dat een ~droom~beeld was van stoer en kleurig

leven, van een ontwikkeldheid van „alle krachten en gaven.” En zijn

wandelingen in dat museum waren hem aanvullingen en versterkingen van

dat beeld; hij kwam er de mannen en vrouwen aanschouwen van wie,

omtrent wie, hij gelezen had, en zijn vertoeven aldaar werd hem tot

een verrijzenis van heel dit verstorven en betreurde verleden.

En kwam hij er uit, naar buiten—dan ontmoette hij er nog al te zeer

de lauwe, slappe lucht, die het tijdperk van 1815–1830 bij ons te

lande gekenmerkt had; die wèl, tijdens de worsteling met België, door

wat frisscher wind verjaagd scheen, maar die weer, toen de korte

opleving had uitgeleefd, door sterke apathie vervangen leek. „De jaren

(van 1815–1835) kenmerkten zich,” schrijft ~Jonckbloet~[2] „door een

treurig gebrek aan zelfstandigheid en pit, door oppervlakkigheid en

karakterloosheid”—„lauwheid en flauwheid kenmerkten ook nog een groot

deel van deze periode.”—En zoowel ~Groen van Prinsterer~ als ~Van

Lennep~ spreken van de grootspraak en de zelfverheffing, die ondanks

die vadzigheid en volgzaamheid heerschten, terwijl ~Thorbecke~

aan den eerste in 1831 eveneens over de ijdele zelfverheffing

klaagde.[3]—~Helmers~ in zijn „Hollandsche Natie” had dien zeepbel

aangeblazen; tal van nog mindere dichters bliezen niets stevigers. De

geliefkoosde kanselredenaar was de altijd gematigde en vlakke ~v. d.

Palm~, wiens „goedige stijl” door ~Geel~ was gehekeld; de geliefkoosde

romanschrijver onze zeker wel onderhoudende doch al heel ondiepe ~Van

Lennep~. Van de 17e-eeuwers was ~Cats~ nog altijd 't meest in tel, en

zelfs ~Staring~ had te veel pit om, ofschoon 19e-eeuwer, bijzonder te

worden gelezen. Zeker, er was velerlei reactie tegen al die slapheid,

sufheid, zelfgenoegzaamheid in geboorte. „De Gids,” in 1836 vooral

door ~Potgieter~ gesticht, was er éen centrum van; ~Bilderdijk~'s

volgelingen vormden een ander; ~Thorbecke~ een ander; aan onze

Hoogescholen begon het licht der nieuwere Godgeleerdheid en van het

wetenschappelijk bijbelonderzoek te dagen; ook met ~Matthijs de Vries~

en ~Jonckbloet~ de wetenschappelijke studie van taal en letterkunde te

ontkiemen. ~Aernout Drost~ en mejuffrouw ~Toussaint~ zouden een dieperen

en kleuriger historischen roman vooral uit de 16e en 17e eeuw geven;

~Beets~ en ~Kneppelhout~ een frisscher humor doen kennen; ~Bakhuizen

van den Brink~ de geschiedbeoefening tot wetenschap en kunst tevens

verheffen; ~Potgieter~ zelf zou niet ophouden tegen de slappe

onbeduidendheid zijner tijdgenooten de dege degelijkheid te stellen

„waaraan wij ons volksbestaan, onzen volksrijkdom, onzen volksroem,

onze volksdeugden verpligt zijn,”—en dat immers ook het beginsel der

Gidsredactie was „waarvan zij in het ~afbreken~ en in het ~opbouwen~

beide uitging.”[4]—Hij zou ijveren tegen „bekrompen kieschheid,” die

„zich ergert aan de waarheid der 17e eeuwsche voorstellingen!” hij zou

blijven pleiten voor die „ontwikkeling aller gaven van den menschelijken

geest, onder den invloed der beide geniussen, die hem wieken bedeelen:

~vrijheid~ en ~vroomheid~.”[5]

[2] Jonckbloet. Geschiedenis der Ned. Lett. 19e Eeuw, 1e deel; 340.

[3] Aangehaald bij idem; 342.

[4] Potgieter over Huygens' „Cluyswerk.”

[5] Id.

* * * * *

En daar hebt ge, in enkele toetsen, den man zelf voor u; den man

die ~Cats~ verwierp, om de vlakheid en slapheid van zijn geest; die

de kernige kortheid van ~Huygens~' beeldende taal prees als een

geneesmiddel tegen populaire lamzaligheid, voortgekomen als hij die

kernigheid oordeelde uit liefde tot studie, uit een hoog begrip van

kunst. De man die ~Huygens~ boven ~Cats~ verhief om het steviger

ruggemerg van zijn karakter, om de inniger oprechtheid van zijn

ruime vroomheid. Al wat slap, al wat half, al wat bekrompen, al wat

kleinzielig was, vond een stoeren vijand in dezen Gids, die zijn volk

wilde leiden uit het enge kringetje van zijn dijkenland naar een ruimer

wereld, en tegelijk geen enkelen lofredenaar op dat volk iets toegaf

in warme waardeering voor al wat het geweest ~was~. De glorie van

onzen ~gouden~ eeuw, geen ander heeft haar zoo sterk gezien, heeft

haar zoo devotelijk aanbeden als ~Potgieter~. Maar bij hem was die

vereering allereerst spoor tot ernstige studie; wat haar dichters, haar

reisjournalen, haar geschiedschrijvers hadden nagelaten, kende hij, en

indien hij het beeld van haar grootheid en kracht al vermooide, het was

niet om zich zelf en zijn landgenooten te sterken in een ijdel zich

vergapen er aan, en verheffen er op; integendeel om ze te sterker te

doordringen van eigen kleinheid, om hun te feller prikkel in het bloed

te jagen tot het weer bereiken, althans voor een deel, van de hoogte

waarop hij het voorgeslacht zag staan.—

En niet alleen hun hoogte. Ook hun genieten van de volheid des levens.

Geestelijk sterke als hij was, heeft ~Potgieter~ echter nooit in het

vergeestelijken van het leven alléén eenig heil gezien. De robuste

zinnelijkheid van het voorgeslacht, hun vermogen om de levensvreugd te

genieten trokken hem, die nooit gehuwd, en nooit sterk verliefd schijnt

geweest te zijn, niet minder aan dan hun denken en doen. „Ontwikkeling

van ~alle~ krachten en gaven,” de lijfspreuk die ge in de twee volgende

stukken herhaaldelijk ontmoeten zult, was immers de hunne geweest.—Hij

mocht de dartelheid van hun minneliedjes en klucht, den openen

werkelijkheidszin hunner taveerne-schilders er te liever om, omdat zij

de kunst verstaan hadden dien levenslust te paren aan hun vroomheid,

en deze aldus schoon te houden van lateren femelzucht; omdat zij de

vrijheid in de zelfontwikkeling hadden weten te vereenigen met de

gebondenheid aan een hoogere wet, die de kern en het wezen aller

echte vroomheid zijn moest. Blijheid en gemoedsdiepte; kracht en

gevoel, hadden zij ze niet tot die hoogere eenheid samengesmolten, die

~Potgieter~ voor zich zelf vond?—En indien wij thans nuchterder kijk

hebben op veel van dat 17e eeuwsche leven, en tot de ontdekking komen,

dat ~Potgieter~ veel er in ~anders~ zag dan koele observatie thans

heeft doen kennen, dan winnen we, hetgeen we aan de 17e eeuw verliezen,

in hem terug. Want dat beeld, dat hij van háár ontwierp, was immers

spiegelbeeld van zijn eigen innerlijkheid!—

* * * * *

~Potgieter~, tot 1865 redacteur gebleven van ~De Gids~; toen—in

ridderlijkheid partij-trekkend voor zijn jongeren vriend ~Busken

Huet~—het geliefde tijdschrift moedig verlatend, heeft er in die dertig

jaren tal van artikelen, kritieken, verhalen en gedichten in gegeven;

heeft ook na dien tijd tot zijn dood, in 1876, nog geschreven, en zijn

letterkundige nalatenschap is dan ook aller-belangrijkst, al heeft hij

feitelijk, behalve zijn uitvoerig gedicht ~Florence~, geen werk van

grooten omvang voltooid. Zijn tijdgenooten en vrienden, ~Zimmerman~,

~Beets~ en ~Huet~, hebben persoonlijke herinneringen aan hem uitgegeven;

en onder de jongeren hebben de heeren ~Groenewegen~ en ~Albert Verwey~

het hunne gedaan, om hem bekend te maken en meer lezers tot hem te

brengen. Dat hun dit ruim gelukt is, zou ik ganschelijk niet durven

zeggen. Schrijvers als ~Potgieter~ moeten eenmaal tevreden zijn met een

kleiner kring van lezers dan aan een ~Van Lennep~ ten deel kan vallen.

Al wat hij weet, al wat hij doordacht en ervaren heeft, heeft deel aan

de geboorte van zijn geschriften en in het neerschrijven werkt het

instrument van zijn geest als een eigenaardige zeef, die het gladde en

kleinere achterlaat, en alleen het kernige, gekartelde, gemarkeerde,

stevige, doorgang gunt naar het papier. Ik heb straks al een paar

woorden aangehaald uit zijn verdediging van ~Huygens~' kernachtigheid,

ik zou de geheele passage even willen overnemen, omdat ze zoo sterk

~Potgieters~ eigen schrijfwijze kenschetst:[6]

[6] Kritische Studien: ~Huygens' Cluyswerck~.

„Men ziet het—de duisterste onzer dichters (Huygens is er niet zelden

voor uitgekreten) behoorde tot die zangers, welke hunne uitdrukking

zorgvuldig wogen en lang overpeinsden. Maar waartoe toch, vraagt men

welligt—en de school van ~Cats~ vroeg het in de dagen van Constantyn,

en de middelmatigheid bauwt het haar in onze dagen na—waartoe dat

streven naar het kernige en korte? Waarom van den lezer zooveel moeite

geëischt, als de oplettendheid waarop Huygens aanspraak maakt, het

nadenken, waartoe Huygens verpligt, (ook) de studie, welke Huygens

vergt, in zich sluit?—Eer wij antwoorden, vergunne men ons de

opmerking, dat alle stijl ter wereld bijwijlen aan overdrijving lijdt;

dat ieders trant soms in manier ontaardt; dat elke overdrijving, iedere

~manier~ afkeuring verdient. Niemand zal dus verwachten, dat wij Huygens

in onze bescherming zullen nemen, waar hij aan deze euvelen hinkt.

Alles, wat wij ter vergoelijking zijner gebreken hebben in te brengen,

nadat wij van zijne duisterheid hebben afgeschreven wat op rekening der

~verouderde taal~, wat ~vooral op die van den gewijzigden kunstsmaak~

moet worden gebracht, wat is het anders dan dat zij ons minder dan die

der populaire lamzaligheid stuiten, ~dewijl het beginsel, uit welks

verkeerde toepassing zij geboren werden, ook nog in de verbastering

eerbied eischt~?—Het was liefde tot studie; het was een hoog begrip van

kunst!”—

Ook als wij Potgieter lezen, hebben wij, begin 20e-eeuwers, wel wat

op rekening van verouderde taal en van gewijzigden kunstsmaak af te

schrijven! (herkent ge in de uitdrukking den koopman niet?) Wij denken

er niet meer aan, de aanvoegende wijs deftiglijk te gebruiken; iemand

sprekend in te voeren, en hem te laten zeggen: „denk niet dat ik er

mijn beroep om smade,”—„De kroone des wouds,” „vooral dewijl ik” zijn

uitdrukkingswijzen, wier deftigheid ons afschrikt. Maar geheel de

trant van een betoog, als ik hier boven afschreef, zijn we immers

ontgroeid!—We zouden den gedachtengang, dien ik 't laatst spatiëerde,

eer aldus uitdrukken: „Maar zijn gebreken hinderen ons minder dan die

van de populaire lamzaligheid, omdat de liefde tot studie en 't hoog

begrip van kunst, waaruit zij voortsproten, waardeering blijven vragen,

ook waar zij, te ver doorgevoerd, in verbastering ontaarden.”—Mijn

omschrijving, intusschen, behoeft ge slechts met P's volzinnen te

vergelijken om te bemerken dat haar 't rethorische rithmus vreemd

is, waar de zijnen op golven. Het plechtstatig-indirecte, het

beeldsprakig-omschrijvende, het grammaticaal-omslachtige van P's

zegswijze was eenmaal èn het vers èn het proza van zijn tijd eigen. Wat

hem moeilijker leesbaar maakt dan zijn tijdgenooten is vooral dat hij,

indirect schrijvend en dus ~doelend~ zonder te ~noemen~, ons in het

nadeel stelt van zijn veelwetenschap en kennis, en we niet altijd raden

kunnen wàt hij beoogde, en wat van zijn beschrijving het betuurde

middelpunt—voorwerp of gedachte—was. Vooral in zijn twee hier gekozen

stukken, waaraan heel zijn kennis der 16e en 17e eeuw ten grondslag

ligt, is dat menigmaal het geval, en ik wil wel bekennen, dat het

mij, bij het neerschrijven der aanteekeningen, meermalen was of ik

raadseltjes te ontcijferen had. Doch als dit wat moeite vergt—er is

zekere genoegdoening in het ontschild-~hebben~ van een noot, zoo de

vrucht maar goed blijkt. En wat ~Potgieter~ ons te zeggen had, is de

moeite van een rustig-ontschillen waard. Heeft men eenmaal het geheim

van zijn trant te pakken, dan is de vreemdigheid ook wel spoedig

overwonnen!—

* * * * *

Na deze algemeene opmerkingen zullen een paar over de twee werken zelf

moeten volgen. Aanvankelijk lag, laat ik het vooropstellen, alleen het

geven van een geïllustreerde uitgaaf van het ~Rijksmuseum~ in het door

een onzer abonnés geopperde plan. Maar de allegorie van

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 14 / 62 题