Ze hief hare armen en lei ze om Ernest's hals. Ze hield haar gelaat

lang tegen het zijne, en langzaam, langzaam verzonken hare krachten.

--O Nessie! .... Mijn arme Nessie! .... Nessie!

Hij voelde dat ze geheel weg viel in de kussens. Hij hief zich op,

zag haren open mond en de oogen die verre uitkeken, al weenend. Nog

liepen de tranen, en haar blik, die baadde, keek uit, keek eindeloos

uit. Een kleine zucht ontviel haar. De blik brak.

--Laat ons bidden, sprak Pastoor Doening.

--Vere! fluisterde Ernest.

Maar Simon had hem omarmd en dreef hem achterwaarts. Toen schreeuwde

hij:

--Vere! Vere! Vere!

De dokter neigde over het bed, bleef daar een poos, wendde zich

om. Hij knikte:

--Ja.

Lieven Lazare barstte uit in luide snikken en du Bessy jammerde aldoor:

--Ernest, jongen! .... Ernest, mijn goede

jongen! .... Toe! .... Toe! .... Ernest! ....

Simon droeg Verlat buiten de kamer en pastoor Doening met zachte

wenken duwde iedereen, troostend, hem achterna.

In de vestibule joeg Francine voorbij. Ze botste op de trap tegen

Simon aan, die haar de handen greep. Een sombere koorts flikkerde in

zijne oogen. Pastoor Doening suste zacht:

--Stil! .... Stil! .... Gij moet niet verder gaan, mejuffrouw ....

Hij begreep niet geheel de wanhoop die, gelijk de dood, op haar

aangezicht lag. Hij zei nog:

--Het is volbracht.

Het was niet de kinderlijke Francine die vóor hem stond en hem

aankeek met wreede blikken. Ze beproefde hare handen uit Simon's

vuisten te wringen. Ze hoorde het luide geklaag van Ernest en de

kleine uitroepingen van Oomken, in het salon. En ze wilde voort,

ze vocht om voort te kunnen.

--Mijn kind, herhaalde Doening, het is alles volbracht, alles ....

Hij wilde haar naar het salon leiden. Ze riep:

--Het is gelogen! Het is gelogen! .... Ga weg! Ik moet mee .... Ik

.... Ik .... Maar ga weg!

Ze hakkelde vreeslijk. Ze stoop zich en worstelde. Haar mantel

zeeg. Haar blonde haren vielen in halfontwonden vlechten neder. Het

huis, waar in zoo wijde stilte Vere gestorven was, galmde nu akelig

met wilde geluiden.

Simon nam Francine op.

--Rup! gilde ze en ze wierp haar hoofd achterover.

Maar plots lag ze machteloos in Simon's armen. Ze werd op de sofa

geleid en men omringde haar. Het was, alsof de rijke salonkamer

verwoest was. De kroonluchter had een zenuwachtig spel van armen

en de spiegels schenen in honderd schervels gebroken. Kleuren en

lijnen en klanken, 't scheurde al dooreen, 't klaterde op elkander,

het stuwde in vreeslijk chaos overhoop. De zon was hard.

Francine jammerde:

--Rupert is weg! .... Hij heeft geschreven dat hij voor altijd

weg was .... O, Ernest, kom bij me! .. O, hij is weg met haar, met

haar! .... O, ik ben bang.. Vere! Vere! .... O! wat moeten wij nu

doen! .... En Vere, die--.... die--....

Door eigen verdriet vertroebeld, verstond haast niemand wat zij in

hotsende roepen uitschreide. Het was daar een groot geweld van in

verwarring vechtend kermen, een torment van verbrijzelde gedachten,

en de steenen van het huis daverden in hun krakenden mortel. Het duurde

lang, eer al dat dwars-stuwend wee tot waardige berusting geraakte. Dan

verzonk het in de duistere diepten van zwijgende hopeloosheid.

Alles werd stil.

Simon nam Doening onder den arm en in de eenzame vestibule:

--Ge hebt nu gehoord, sprak hij kort; en ik heb geen geloof meer in

Krist, die mij gruwelen doet. De belofte die ik u eens deed--ik kan

ze niet houden.

Doening drukte hem zijn beide handen op de schouders. Hij zei heel

zacht:

--Blijf helder! Blijf helder, mijn zoon!

--Uw God is het, die over ons allen, die over mij een nacht heeft

geworpen. De pijl die door de lucht wordt gezonden, kan niet weigeren

voort te vliegen. Deze arm, door het noodlot gewapend, zal het noodlot

volbrengen. Vaarwel. Vergeet mij.

--O, blijf helder! .... Thans, thans ween ik bloed .... ween ik

bloed, Simon!

Simon had de bevende vingeren van den ouden man gevat en hij bracht

ze vluggelings aan zijn lippen. Hij was nu reeds in het portaal. Zijn

wit aangezicht glom onder de polychrome belichting van de glazen

poortkoepel.

--Simon! riep Doening.

--Vergeet mij.

Simon vluchtte weg op straat. Hij verdween onder de olmen. Pastoor

Doening, in beide handen zijn hoofd bergend, bleef staan, verzamelde

pijnlijk zijne gepeinzen, en zuchtte:

--Ik zal hem gedenken, hem vurig gedenken .... Spaar hem, o God!

Hij steeg langzaam de trap op. Vóór den salondrempel stond Ko, die

zich in zijn rooden zakdoek snoot. Het salon was stil.

Alles was stil.

Pastoor Doening stak lijze de deur der doodenkamer open en sloot ze

achter zich. Reeds hingen zwarte voolen over de vensters. Groote

kandelaars brandden aan de hoeken van de sponde en wierpen in de

beweeglijke donkerte een weifelende klaarte. Hij herkende ze. Het waren

de zelfde kandelaars die eens--was dat niet gisteren precies?--de hooge

praalkoets van mevrouw Chanteraine bestraalden. En gelijk Mevrouw

Chanteraine, slachtoffer van een zwakken zoon, lag daar, als eene

straf, mevrouw Verlat, slachtoffer van een zwakken echtgenoot. Een

eender licht bescheen het ingevallen gelaat, teekende een schaduw op

de slapen, onder de wangen, in de verdiepte oogholten, en scherpte,

met een raken toets, den puntigen neus. Een eendere vroomheid had op de

borst, over een ivoren kruis, de magere mat-bleeke handen gevouwen ....

Pastoor Doening voelde zijne gedachten bewegen in de eeuwigheid,

en over zijn folteringen rees hij, den strijd overblikkend, die

uitgestreden was. Hij raakte schier de roerselen der geheime Orde,

die over alles heerscht en alles in evenwicht behoudt. In zijn geest,

gestild door de nabijheid van den dood, zegen in klare beelden de

waarden van alle verhoudingen, en alle uitslagen ontbonden hunne

oorzaak.

Hij zag het hoopje menschen, welke het hooger inzicht der

Voorzienigheid had bijeengezameld om zich naar het rustige graf te

ontwikkelen. Hij zag ze, Ernest, Vere, Francine, Simon, vechtend

in blinden nacht om saam te komen, gestuwd door golven van driften

en telkens vervallend in hunne menschelijke onmacht. Hij zag ze,

en de anderen daaronder zag hij--en hij zag hoe ze eindelijk, hun

hartstochtelijke begeerten getrouw, haast bijeen, haast in kampe bijeen

waren geraakt, éen trossel harten met heimelijke schakels gebonden. Dan

voer door hen een duistere macht, men weet niet van waar; en ze voer,

schoon als de gevallen Engel, en ze verhaastte noch vertraagde haren

gang. Ze kwam waar men haar niet verwachtte en ze vertrok, toen men

haar niet meer missen kon. Ze had niets gegeven en alles genomen,

en ze liet, achter zich, de woestijn ....

En dat alzoo het leven was, dat de wereld niet instortte om zulk

leven te dragen, Pastoor Doening begreep het.

Dan, zich overgevend aan de stijgende aandoening die hem beklemmen

kwam, keek hij zonder schaamte in de schaduwen van zijne eigen

ziel. Met eene scherpe nauwkeurigheid zag hij het nauwe jakje

van Reinildeken, gelijk zij het placht aan te doen. Hij bekeek

Reinildeken zooals zij placht te staan, heel nietig en profijtig,

tegen den grooten rooden avondhemel. En, blikkend op het roerlooze

gelaat van de doode Mevrouw Verlat, herkende hij dat, in Vere,

Reinildeken was groot geworden, dat zij, in Vere, had geleefd en

geleden, dat hij haar, in Vere, met zwijgende liefde had ontvangen,

en dat zij nu een tweede maal, in Vere, gestorven was.

Zijne oogen werden warm.

Even zag hij de lange schim der gasthuisnon voorbij glijden.

Hij knielde. Hij wenschte, uit al de krachten van zijn hart, dat God

hem zou laten bidden. Hij boog zijn wonderbaar hoofd, dat wanhopig

was geworden--maar bidden kon hij niet.

Hij weende.

EINDE VAN HET VIERDE EN LAATSTE GEDEELTE.

INHOUD.

Eerste deel: Pag.

Hoofdstuk I. De dood van Mevr. Chanteraine 1

Hoofdstuk II. Idem (Vervolg) 15

Hoofdstuk III. Idem (Slot) 32

Hoofdstuk IV. Pastoor Emanuel Doening 59

Hoofdstuk V. Mijnheer Lieven Lazare,

Pamfletschrijver, en Mijnheer

Johan Doxa, Gothieker 81

Hoofdstuk VI. Het ontstaan en de ontwikkeling

der Volkspartij 107

Hoofdstuk VII. Mijnheer du Bessy aan den gang 127

Hoofdstuk VIII. De geboorte van Pip 141

Tweede deel:

Hoofdstuk I. Het Ivoren Aapje 159

Hoofdstuk II. Pastoor Pezza 181

Hoofdstuk III. Het schrijn met het gouden hartje 194

Hoofdstuk IV. Een Nieuwjaarsnacht te Brussel 211

Hoofdstuk V. Pezza's Politiek 222

Hoofdstuk VI. Het Blindemannetje 248

Hoofdstuk VII. Nog het Blindemannetje 275

Derde deel:

Hoofdstuk I. Wittebroodsweken 289

Hoofdstuk II. Iemand uit zijn schik 313

Hoofdstuk III. Aftocht 336

Hoofdstuk IV. Aphrodite, Godin der Liefde, en Here,

Patrones van het Huwelijk 354

Hoofdstuk V. De Roode Garve 368

Hoofdstuk VI. Het Ankertje van Hoop 386

Hoofdstuk VII. Vervolg op de Roode Symfonie 401

Vierde deel:

Hoofdstuk I. Donaat en Cordule 421

Hoofdstuk II. Het Ivoren Aapje 436

Hoofdstuk III. Pastoor Doening overrompeld 452

Hoofdstuk IV. Morgenbezoekjes bij Florjan Pacôme 470

Hoofdstuk V. Een gewaande Sörge 484

Hoofdstuk VI. De echte Sörge 503

Hoofdstuk VII. De dood van Mevr. Verlat 521

AANTEEKENINGEN

[1] Zie over den aard van die relatie mijn klein verhaal: "Johan

Doxa, Gothieker."

[2] "Ploerten," blz. 79.

[3] Blz. 130 van Lazare's "Het boek van Job" waar het geval incidenteel

verhaald wordt.--De cursiveering is van mij.

[4] Voorstander der "Unie."

[5] Mevrouw Chanteraine werd in die maand begraven.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 35 / 35 段