Inderdaad. Het was een schoone lente-namiddag. Een lichte gordijn

bedekte met een bleek-blauwe verf de hooge vensterruiten; maar de

zon, die daarachter leuterde, vond aan de zijkanten ruimte genoeg

om met schuinsche stralen binnen te schieten. Ze pletste open op een

marmeren Adonis-beeld, dat, vóor een ovalen spiegel, het groen-marmeren

schouwblad versierde. Ze stortte op de tapijten. De lotusbloemen, welke

daar in gelijke reken open lagen, kregen meteen, op oranje gronden,

een gloeiend leven van inkarnaat en brons. En het licht stoof, gelijk

een zwerm van doorzichtige dingskens, in de geheele kamer uiteen. Op de

tafel, waar een verschillig servies van porselein en zilver glansde,

rustten in breede schalen de druiven, met zomer beladen. Over die

purperen weelde, bij trossels saamgedrongen, kwam zweven het teere

gewaad der lente. Het waren blonde voolen die roerden geluideloos. De

amandels tokkelden kort in het licht.

Milly's vingeren deden in die lieve klaarten een kundig spel van

spoelen, en hooger, onder de schaduw van de rosgouden, haarkroon,

bloedde over parelen hare dubbele lip.

--Wanneer ge ver zult wezen, vezelde ze minzaam, hoop ik dat ge

steeds in geluk ouder wordt. Hebt ge nooit nog aan uwen ouden dag

gedacht, Sörge?

--Neen, zei hij, waarlijk niet!

--Het is geen troostende gedachte, want de ouderdom, die de toekomst

vermindert, vergroot maar aldoor het verleden.

--Dat is gek en waar. En ge wekt een aardig beeld in me. Indien

ik dichter ware, en bovendien een romantieker, zou ik den mensch in

breede verzen voorstellen als een reiziger--wat zeker geen nieuwigheid

is. Maar ik zou hem een knapzak over den schouder laden, zoodat

de eene buidel hem op de borst hangt en de andere op den rug. En

zie! de buidel, die van achter is, ligt plat en ijdel in den beginne,

en de voorste buidel is, als met zwellenden wind, door illuzies

gevuld. De reiziger gaat rap en vroolijk, want de knapzak weegt niet

zwaar. En al gaande neemt hij dag bij dag, gretig en onvermoeibaar,

uit den borstbuidel, die de toekomst is, een hoop plezierige daden,

die seffens in zijne handen zwaar worden van werkelijk leven, van

werkelijke smart, en, om er van af te zijn, gooit hij ze in den

ruggebuidel, het verleden. En de knapzak, die licht was, wordt zwaar

langs achter, wordt zwaarder en zwaarder, en trager wordt de oudere

reiziger, trager tot hij stillestaat, en valt.

--Dat zou eene akelige voorstelling zijn, meende Milly.

--Ja, maar een dichter is doorgaans akelig bij essentie. Ik ben geen

dichter, Goddank!

Werktuigelijk, al starend op de violette druivenkorrels, herhaalde zij:

--Neen, gij zijt geen dichter.

Hij lachte luid, brutaal, zijn overmacht uitsmijtend.

--Ik ben maar--ik ben maar .... Zeg gij het, Milly!

Ze zweeg. Ze bleef de druiven aanzien. Ze voelde dat het leven een

groote ruimte was, waar ze spartelde zonder genade. Wat moest zij nu

doen? Wat moest zij nu doen?

Twee tranen, die ze niet weerhouden kon, rolden over hare wangen. De

kamer was stil, vol met een naderend mysterie. En niets brak de rijpe

stemming, die, groeiend over de tafel, gekomen was. Sörge sprak niet,

bewoog zijne handen niet, bleef rustig. Geen minste geluid ging over

straat, en het huis, waar zij daar stille waren, luisterde.

Toen stond hij recht. Hij ging over haar leunen, omvatte haar in zijne

armen, dwong haar op te kijken naar hem. In heure haren fluisterde hij:

--Ik ben gekomen .... Hebt gij me niet seffens gevoeld? De tijd dwingt

nu. Ik kwam u halen. Ik kóm u halen. Spoed u! ....

Zijne lippen raakten bijna haren mond. Ze werd duizelig. Ze wilde

wegvluchten uit zijne zoete handen. Haar hart sprong op in die éene

gedachte:

--En .... en Fr--

Zijne lippen lagen fluks op haren mond.

VII.

DE DOOD VAN MEVROUW VERLAT.

Voor 't krieken van den volgenden morgen werd Vere berecht. Ze was

aldoor zwakker geworden. De dikke dokter en de twee beroemde heeren

der fakulteit, welke hij ter hulpe had ontboden, hadden machteloos

die volkomen uitputting van krachten bijgewoond. Alle pogingen,

om haar uit de gevaarlijke prostratie op te wekken, waren mislukt.

Den geheelen nacht hadden Ernest, Francine, Doening, du Bessy en

Peter bij de zieke beurtelings gewaakt. Na de berechting was Francine,

afgemat, naar huis gekeerd, met een hart dat schreide naar troost. De

zwijgende gasthuisnon alléen had geen oogenblik de kamer verlaten. Het

was alsof ze door den Dood zelf was afgevaardigd en alsof ze vreesde

dat hare prooi ontsnappen kon. Vere, zeer afgemat na de scène met

Ernest, had weinig gezegd en lag meestal in die zonderlinge bezwijming,

welke telkens op den nakenden dood geleek. Nadat de geneesheeren het

advies hadden uitgebracht, dat wezenlijk de dood hun scheen niet te

kunnen geweerd, werd Simon naar Lieven Lazare gespoed.

Lieven Lazare, die sinds een paar maanden, om wille van

denkbeeldige mishandelingen, den vlierzolder van de Koolstraat

onbetaald had opgezegd, woonde nu in een achterhuis van de

Camuselstraat. De Camuselstraat, die midden in de woelige wijk van

Onze-Lieve-Vrouw-ten-Roode ligt, is rijk aan achterhuizen. Vele

schilders en beeldhouwers woonden daar nevenseen en vaak boden de

ingesloten koeren een Montmartersch spektakel, dat gelukkiglijk de

ellende van het rapin-leven kwam versieren.

Lieven Lazare zou het hier ook niet lang uithouden; want hij had

ontdekt dat zijne dubbele kamer grensde aan het atelier van een

Italiaanschen heilige-beeldjesmaker.

Ofschoon de dag nauwelijks de stille stad omblauwde, was Lieven Lazare

niet te bed. Hij zat met Johan Doxa, den eeuwigen Gothieker, bij een

vonkend kacheltje en onder de bibberklaarte van eene lekkende kaars. De

deur was niet dicht en Simon, die zonder kloppen was binnengekomen,

zag hunne bleeke koppen te gelijk opkijken naar hem. Beladen, gelijk

hij zelf was, met droeve gedachten, groette hij tamelijk barsch,

en geen van beiden antwoordde. De akelige stilte, die hier binnen

den armen kalk der muren hing, stemde hem seffens zachter, en hij

ging aangedaan en zwijgend de hand van Lieven en Johan drukken.

Toen bemerkte hij, vlak vóor de kachel, den grijzen hond.

--Ja, zei Lieven somber, ja, het is de hond, het is de oude hond

Beppie.

Hij sprak met zoo droeven klem, dat Simon de leelijke tijding afbeet,

die reeds op zijn lippen lag.

--Hij is dezen nacht gestorven, hernam Lieven, en gij ziet hem

daar. Hij was oud. Zoolange jaren heeft hij mijn armoede gedeeld. God

schonk hem mij om aan zijne eindelooze trouwheid de booze trouw der

menschen te meten. God, die me hem gaf, ontneemt hem mij. Zijn wil

is heilig.

--Zie-je, Simon, vervolgde hij met een hoogen zucht, men kan bij zoo'n

afsterven niet vergeten dat een zwijgende en vriendelijke getuige de

vele tochten van een zwaar verleden heeft medegemaakt. Ik herinner

me dat deze hond de vreugde was van een onschuldig kind en de steun

van een onwaardigen vader. Weet ge nog hoe hij u, blij blaffend,

te gemoet sprong aan het hekje van onzen bloementuin, te Evere? Een

hond, die nooit spreekt en ongemerkt de dagen medeleeft, hoe wordt

hij plots na zijnen dood welsprekend! Het is zijn blik, Simon, zijn

laatste blik, die u zijne groote stem veropenbaart. Hij viel daar. Hij

was al dagen krank. Hij was eindelijk zonder een klacht neergevallen

.... Toen bekeek hij ons. Zijne oogen riepen ons, met zoete kracht en

wanhoop, het verre en uiterste vaarwel. En dat vaarwel, niet waar,

Johan? het galmde voort in onze harten, het galmde, en galmend zwol

in wijdte en forschheid. Hij stierf. Hij had zijn hoofd gewend en

halvelings zijn ouden muil geopend. Hij was dood. Maar verder uit,

breed uit ging het machtige vaarwel uitgalmen. En het strekte over

de vele jaren achterwaarts: het ontbond het gansche verleden!

Hij keerde zich naar Doxa, wiens hoofd onder het schouwkleed en in

een blonde verve krullebolde.

--Niet waar, Johan?

--Ja--ja .... zei Doxa.

--Het is een droevig geval. Gebenedijd zij de naam van God!

Simon lei zijne hand op Lazare's arm. Hij blikte met liefde in

zijne oogen.

--God, begon hij, overstelpt ons met droefheid. Laat Hij uwe ziel

sterken om de tijding die ik u breng, te ontvangen.

--Dat zal Hij, sprak Lieven, heel bleek wordend.

--Uwe dochter, Lieven, is ziek, zeer ziek.

Lieven Lazare boog het hoofd. Zijne handen vouwde hij saam, maar hij

balde ze op zijn schoot tot éene stuipige vuist. Hij sloot zenuwachtig

zijne oogen en beet op zijne lippen. Simon hernam:

--Zij is pas eergisteren slecht geworden. Zij is nu zoo slecht dat ik

gemeend heb: er mag niets meer zonder Lieven Lazare geschieden. Lieven,

denk er aan dat Vere thans den Hemel dichter nabij is dan gij. Denk

er aan dat zij bij u niet meer komen kan.

De handen van Lieven gingen pijnlijk uiteen. Hij vatte Simon bij

den schouder. Hij sprak niet. Hij steunde op den schouder van

Simon om recht te staan. Stille snikken schokten op onder het

schouwkleed. Lieven wendde zich schielijk om, vroeg ruw:

--Waarom weent gij?

En Doxa's hoofd dat bescheiden in een blonde verve krullebolde,

bleef sprakeloos. Lieven zei:

--Het hart dat God ons smeedde, kan Zijne slagen dulden. Ik ga met

u, Simon.

Zijn gang was onzeker. Zijn stem was onvast. Zijn blik zweefde

troebel. Hij nam zijn hoed, stapte aan Simon's arm naar de deur. De

dag schemerde groenig op den drempel, maar verder uit, waar de open

kier gaapte, hing een rozig licht.

--Waak bij den hond, Johan, sprak Lieven.

En Johan Doxa, die de deur, op zijn eendelijk kamerken zag dichtkomen,

bleef, zacht doorsnikkend, daar waken bij Beppie, den dooden hond.

De frissche morgenlucht beurde Lazare langzamerhand op. Hij kon

weldra met kalme oogen den toestand in beschouwing nemen. Deze

wonderlijke man, die zich waande voor eene Goddelijke zending tot

mensch geboren, ging dan met woorden strijden tegen een werkelijkheid

die hem overweldigde. Hij zei:

--Hello, die de haat-der-logen boven het vertrouwen-in-de-waarheid

stelde, stelde ook de vlijt boven de liefde. "De liefde, schreef hij,

houdt zich tevreden met haar objekt te beminnen en te bezitten. De

vlijt doet sterven al wat hem strijdig is." Heerlijk betrachten! De

vlijt doet sterven, al verschroeiend, al brandend, al verterend

in zijn absoluut streven, al wat niet met even krachtig vuur en

met eendere vlammen opgaat. Zult gij eindelijk begrijpen, Simon,

dat mijne liefde, met 's Hemels hulp vlijt geworden, niet bevredigd

kan zijn, zoolang haar iets ter vernieling in den weg staat? Het

evangelie van Kristus is een gloed geweest, die zich in alle eeuwen

heeft uitgebreid, en zijne enorme ontwikkeling heeft niet alleen het

gebed op de lippen der lijdenden doen bloeien--zij heeft den Satan

uit de harten der genieters gerukt, zij heeft de hoofden der valsche

denkers verbrijzeld, zij heeft in zoovele Sodoma's en Gomorra's de

paleizen van den trots ontmanteld, de tempels der Logen verwoest en

de Vatikanen der Schijnheiligheid uitgeroeid. Mijne weldadigheid,

op den klank van dat blijde Woord geboren, haat in u en in allen de

Logen uit liefde voor de eenige en volstrekte waarheid. De heilige

hartstocht, die naar de Goddelijke Eenheid snakt, bezit mij en bezielt

mij. Wanhopig heb ik mij rond den gewonden tronk van den Levensboom

gewenteld, en al de bijlslagen, door blinde menschelijkheid gericht,

zij treffen mij eerst, en mijne leden zijn het, die moeten vallen,

eer het domme geweld de heilige takken treft."

Hij stapte door en verzonk in lange mijmering. Het was met onherkenbare

stem dat hij, plots trager gaande en als in mystische inspiratie

opgeheven, sprak:

--Gij ziet thans hoe verminkt ik ben. Mijn lichaam ligt in honderd

bloedige deelen over mijn verleden uitgestrooid. Ik mag nu waarlijk

uitroepen gelijk de sublieme Perzische martelaar: "Heer! Heer! Meester

der Levenden en der Dooden, verhoor mij! Ik heb geene handen meer om

naar U uit te reiken, ik heb geen knieën meer om te plooien vóor U, ik

heb geen hart meer om op Uw outer te offeren, ik ben een vervallen huis

dat de kolommen mist waarop Gij gewild hebt dat het steunde! Aanhoor

mij en verhoor mij, Heer!--en bevrijd mijne ziel uit deze gevangenis!"

Hij was koortsig. Hoekig waren de gebaren van zijne armen. Zijn groot

lichaam schokte bij elken stap.

--Gij zult nooit kunnen vermoeden, Simon, hoe diep ik lijd op dees

oogenblik! ....

De morgen groeide. Een wagen, beladen met kleurige groenten, waggelde

over de straat en kleurde zijne breede kast in den grijsblauwen

uchtendmist. De voerman had een schel-rooden doek om den hals. Langs

de vage huisgevels voer eene liefelijke blondheid, als een vool door

de rijzende zon blij uitgezonden. Klokken tingelden over de daken,

heel zacht. De bronzen geluiden gonsden lang uit, terwijl klaarder

klanken opsprongen in de ruimte en lichte snoeren reesemden rond de

stad. Er wipten musschen over de goten. Simon antwoordde:

--Wanneer gij zwijgt, mijn vriend, wordt mij het gewicht van uwe

woorden echt.

--Mijne woorden vallen als een gewicht op u; maar ik, ik, Simon,

voel datgene wat geen tale heeft in mij, en steeds gefolterd werd

.... en nu zoo lijdt .... zóo lijdt .... Neen, zelfs úwe vriendschap

kan die schrikkelijke stilte niet beluisteren.

Vóor de duistere poort van het huis, op de Regentielaan, verzwakte

zijn moed. Hij voelde plots dat alles hem ging verlaten, dat hij

geen steun meer zag en dat zijn hart zou breken. Hij weerhield den

arm van Simon, die naar de bel reikte, bad:

--Wacht! .... Wacht nog een beetje ....

Hij spande zijne beenen uit en rechtte met een snok zijne borst. Dan

vroeg hij stil:

--Simon .... zeg .... is ze wezenlijk zoo slecht--zóo slecht....?

De poort stond open. Hij dierf nog niet binnengaan. De lange strijd,

dien hij aanvaard had, scheen hem een groot gestenspel zonder

uitkomst. Daar, op den drempel van dat vijandig huis, rees in zijn

ziel de twijfel, de ontzaglijke twijfel, die de werken van zijn geest

en zijne handen nutteloos maakte en wegvaagde uit de wereld. Er schoot

een prop in zijne keel. De tijd werd hem zoo plechtig, als ging hij

onder God's rechtershand verschijnen.

--Simon, deed hij, ben ik schuldig? .... ben ik schuldig, Simon--ik

vraag het u?

--Gij hebt geleefd, zei Simon--kom!

Beladen met zijn twijfel, volgde hij. De vestibule was duister. Ko

stond bij de trap en wenkte zwijgend. Als antwoord op een teeken

van Simon, hief hij bedrukt en moedeloos zijne ronde schouders. Er

brandde een groen lichtje over de trap. Ko ging Lieven en Simon voor,

nam hun hoed en hun mantels, en deed geluideloos de ziekekamer open.

Mijnheer du Bessy stond aan het voeteinde van het bed. Bij het

hoofdkussen, even over het bed gebogen, was Ernest. Pastoor Doening

zat op een stoel naast hem, in biddende houding. Ernest boog meer

voorover, fluisterde:

--Vere! .... Vere! .... Kijk op, uw vader komt u bezoeken.

Ze lispelde in een teeren zucht:

--Ja.... ja.... Maar hare oogen bleven gesloten.

Ernest herhaalde, de stem verheffend:

--Vere, hier is uw vader!

Maar ze keek niet op. Doening was rechtgestaan, had Lieven Lazare

bij den arm genomen en leidde hem naar voren. De vader zag het witte

gelaat van zijn kind.

--Mevrouw! .... verwittigde Doening zorgzaam.

Hij legde de hand van Lieven op de sprei en duwde ze langzaam

naar de witte hand van Vere. Ze raakte nu de doorzichtige hand van

Vere. Pastoor Doening zei nog:

--Mevrouw, ge moogt blijde zijn!

Roerloos lag Vere. Op hare hand beefde de hand van Lieven. De groote

hand van Lieven drukte er eene innige liefde, die hare omzichtige

schuchterheid overwon.

--Ach, Vere! ....

Laag en gloeiend gonsde de ontstelde stem. Vere glimlachte, en een

langzaam leven hief hare blauwe wimpers op. Het was of ze knikte. Hare

lippen roerden even. De stem van vader trilde over haar.

--Hoe komt ge zóo .... Vere, hoe komt ge zóo .... zóo .... mijn

kind ....!

Ze glimlachte stillekens voort. Ze zei:

--Dank u .... Dank u ....

En ze wilde knikken, ze wilde in een vriendelijk doen haar aangezicht

opwekken. Ze vroeg:

--Ben ik leelijk? .... Ben ik al leelijk?

Zijn machtig hoofd kwam lager over haar, streelde haar met zijn diepe

warmte en terwijl hij haar kuste, herhaalde ze, vol blijdschap:

--Dank u .... Dank u ....

Ze beloerde nu zijn blik, ze bespiedde den indruk, dien zij maakte op

hem en welken hij met zijn blik zoude verraden. Ze zag er geen spijt,

geen teleurstelling, geen verbazing, maar eene groote smart, zwaar

van medelijden. Ze dacht: hij herkent mij nog, ik ben nog niet geheel

veranderd. En die gedachte troostte haar uitermate. Lieven stamelde:

--Mijn kind, ik moet u vergiffenis vragen .... maar weet dat ik nooit

opgehouden heb u met al mijn hart te beminnen. En nu ....

--Zwijg, vezelde ze minzaam, wat zoude ik u te vergeven hebben?....

--Wanneer ge weer goed zult zijn, zal--

--Zwijg, glimlachte ze weer, waar kan ik beter wezen? Wij zijn te

zaam.... allemaal te zaam .... bijkans!

Ze zag haar vader en ze zag Pip, den kleinen zoon. Al wat ze geweest

was, kwam in rappe beelden vóor haren geest, en ze herleefde terug

op in dat vervlogen leven. De krachten, die ze bij het aanschouwen

van het groot verleden won, hielpen bij kleine trossels de woorden

op hare lippen.

--Wij hebben 'nen keer gespeeld in een tuin ....

Er hingen roode bessen in de struiken .... en onze hond sprong langs

onze beenen .... En we hebben 'nen keer een nest met eiertjes gezien

tusschen de vliertakken .... Eens dat het sneeuwde, hebt ge verteld

van de sterren en den Kersteman .... Johan heeft me eene pop gegeven,

die een touwtje had, in den rug, om ze te doen spreken. In de kerk

te Evere, vóor het outer, lag na de mis een appelschil--en al de

wespen die er rond zongen, weet ge dat nog? En van een kind dat op

zijn bloote voetjes in de beek liep om braambessen te plukken--weet ge

dat nog? .... We hadden een schoon tafelkleed in dat huis, en de klink

glansde op de deur, en ge hadt een muizenval onder de trap gezet ....

Ze vermoeide zich zeer. Ze bleef eindelijk haperen en staarde strak

naar de zoldering, waar de beelden voorbijgleden, mekaar verdringend

en de kamer vullend. Ze beleefde al de avonden, waar Ernest met

Simon was gekomen. Ze zag hoe ze bij de schouw naast Ernest zat,

terwijl vader met Simon onder de lamp diskuteerde. En ze hoorde

zijne bekentenis van liefde, en ze volgde hem, en ze geraakte in

de bedwelmende vervoering. Niets dat ze vergat of maar halvelings

herkende. En hoe ze wegging uit het goede huis van vader ....

--Neen, lispelde ze traag, gij moogt niet meer vragen .... vergiffenis

vragen .... Och!....

Dan, na een poos de oogen sluitend, zuchtte ze:

--Vader, hoe laat is het nu?

Het docht haar dat de tijd soms stillestond of, andermaal, naar een

zwarte holte snelde. En ze hoorde niet dat vader haar antwoordde. Hare

hand werd levenloos in de zijne en het breede bed was bedekt met

stilte.

De dokter naderde en betastte haren pols. De gasthuisnon stond achter

hem met haar gelaat dat niemand vatten kon. Ze rees lang uit, zoodat

eene schaduw van haar afviel over de kanten sargie. Ze hield de twee

bokalen waaruit de dokter het vocht mengde, dat hij langs een zilver

buisje onder de bleeke huid van Vere's arm sproot.

Mijnheer du Bessy roerde niet aan het voeteinde. Hij voelde zich een

nietig wezen zijn en hij verging in schaamte. Geen oogenblik dacht hij

aan wat al die anderen daar in Vere's leven waren geweest en hoe zij

hare groote liefde hadden mishandeld of verwaarloosd. Hij had te veel

reeds met zijn eigen misdaad. In zijne oogen had hij haast alleen dezen

treurigen afloop van het noodlot bewerkt. Dat hij eene teleurgestelde

jeugd had beleefd, dat, op den drempel van zijn leven, reeds de lieve

wegen hem verboden werden, het was alles geen voldoende boete voor de

zonde, die hij zich bij dees afscheid van de mildste aller vrouwen

verweet. In het scherpste oogenblik van zijne smart, terwijl Vere,

weer ontwakend, hem ginder aan den verren bedhoek bemerkte, beloofde

hij in zijne verwarde gepeinzen dat hij het verzenbundeltje, waaraan

hij de laatste hand had gelegd, vernielen zou.

--Oomken, zei Vere, waarom kijkt ge zoo droef? Ge hebt me altijd

gaarne gezien....

Oomken beet op zijne lippen. Zijn snor, zonder het minste apparaat aan

eigen welgevallen overgelaten, hing scheef over zijn mond. Maar hij

schudde toch zijn hoofd en meende Vere te moeten geruststellen. En

hij beweerde dat hij niet droef was, in het geheel niet droef. Wat

zou hij? Hij was opgeruimd. Vere zou gauw genezen zijn en zij begreep

dus wel dat hij opgeruimd was. Niet?

--Laat mij de heerlijke sjaal herzien, dien ik van u gekregen heb,

Oomken ....

Ja, hij zou de sjaal halen. Men bracht de Indische sjaal die, over

al zijn teekeningen heen, eene schoone oranje kleur vertoonde. Vere

liet er hare handen langs gaan, betastte de zoete stof en, seffens

huiverende, trok hem over hare armen tot onder hare kin.

Dat gebaar van Vere bracht in iedereens gemoed een ijselijken

angst. Iedereen had den kouden adem voelen gaan, die Vere zoo deed

huiveren, en iedereen bleef stil, den schrik verbergend om anderen niet

af te schrikken. Op dat oogenblik ook vertrok het gelaat van Vere in

pijnlijke stuipen. Ze kreunde, ze opende wijd haren mond en de lucht

reutelde in hare keel. Maar dat duurde niet. Ze lag weer rustig in

hare diafane zwakheid en, een tweede maal huiverend, vingerde in den

shawl en wilde hem over haar kin opscharten. Dan opnieuw wachtte de

stille ruimte.

De volle dag was gerezen. Hij was rond de venstergordijnen werkzaam

en ijverde gretig met gouden ringen langs de randen. Vere vroeg:

--Het is klare morgen, niet waar? .... Als 't u belieft .... Simon ....

Zij beproefde te wenken. Ze keek naar de ruiten.

--Schuif de gordijnen open ....

Terwijl Simon den dag naar binnen bevrijdde, zuchtte ze dat het hier

zoo benauwd was geworden. De zonne vuurde meteen.

--Hoô-oô!.... fluisterde Vere, het schoone licht!

Het licht spetterde langs de ramen, vloeide gulzig de kamer in,

spande zilveren lijnen rond alle vormen en dingen. Uit den blauwen

hemel kwam de jonge Lente gevaren en zijne zwellende vaandels zwierde

hij overal. Hij barstte van uitbundig leven. Hij sprong met geweld

over de gonzende stad en hij plaste in bundels van stralen. Zijne

jeugd veranderde het uitzicht van al wat binnen de kamer was.

--Het begint nu te groenen, in de velden, zei Vere, O! er zijn zooveel

menschen en dieren en planten op de wereld .... en de zonne, wat is

zij overdadig .... en dat duurt altijd, altijd .... Pastoor Doening,

wilt gij mij uwe hand geven?

Ze keek naar den grooten dag, met kracht. Ze begon traag en statig:

--Onze vader, die in den Hemelen zijt, geheiligd.. die in de Hemelen

zijt, die in de.... Hemelen zijt....

Het licht deed haar pijn. Ze vroeg om de gordijnen dicht te doen en

zocht naar woorden die niet meer wilden komen.

--Wees gegroet, Maria, vol van gratie .... gebenedijd zijt gij boven

alle vrouwen, en gebenedijd .... gebenedijd is de vrucht .... is

.... is ....

Iemand snikte. Ze wendde wild haar hoofd om, had in hare oogen een

spokige bangheid, hakkelde gebroken klanken, en werd dan, in een

kleinen glimlach, heel vredig, buitengemeen vredig. Het was alsof

zij ging opstaan. Een zonderling leven roerde over haar, en met een

peiselijke vastheid kon zij spreken.

--Vader, zegen mij. Het leven is u en mij ongunstig geweest. Het

heeft groote schaduwen tusschen ons geworpen, en wij hebben

geweend en geleden, elk van onzen kant. Ik voel wel dat ik u

voorgoed .... voorgoed .... heb weergevonden .... en dat uw hart

het mijne raakt. Zegen mij in dat oogenblik. Ik heb u niet gelukkig

kunnen maken. Ik heb niet uit uwe oogen kunnen zien. Ik ben zwak en

menschelijk geweest .... zooals gij, misschien, ook zwak .... ook zwak

en menschelijk zijt, lieve vader .... lieve vader. Maar gij zijt bij

mij gekomen .... nu .... en gij moet uwe oogen niet dwingen droog te

blijven, terwijl ge mij zegent ....

Geen grootschheid reikte ooit zoo verre als de sublieme eenvoud

van deze stervende vrouw. Hare stem klonk zonder falen. De

eenige aarzelingen, die haar soms braken, waren niet de vormen van

onmachtige wanhoop, maar de voorzichtige teekens van eene liefderijke

kieskeurigheid. Met heldhaftigen moed ontving ze Lieven's kus en

voelde zij op haar voorhoofd zijne vele tranen branden.

Al hare krachten spande ze in. Ze lag uitgestrekt, in volle lengte,

de kin omhoog.

--U ook, Ernest, u ook .... Kom dicht bij me .... Ik heb den weg van

vader verlaten zonder den uwen seffens te vinden. Wij hebben malkander

de hand gegeven .... de hand gegeven .... en de kwade struiken hebben

ons doen bloeden .... Maar die handen, eens ontbonden, zij zijn--ik

voel het, o goede God!--zij zijn weer vast en saam .... Laat mij

u kussen.... en ik zal met ons jongetje daarboven .... O Nessie! O

Nessie toch! O Nessie!

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 34 / 35 段