Uit deze beschouwingen dus blijkt dat het niet mogelijk is dat de ziel
bewogen wordt en als zij in ’t geheel niet bewogen wordt, dan
natuurlijk ook niet door zich zelf. Verreweg het ongerijmds van de
beweringen is die, dat de ziel een zichzelf bewegend getal is; want wie
dat zeggen hebben vooreerst de onmogelijkheden die uit de beweging
voortkomen en dan nog bizondere uit de stelling dat zij getal is. Hoe
toch moet men denken een eenheid, die bewogen wordt, door wat en hoe,
daar zij ongedeeld en ononderscheiden is? Is zij immers bewegend en
bewogen dan moet er onderscheid in zijn. En dan: aangezien naar men
zegt de beweging van een lijn een vlak, die van een punt een lijn
maakt, zoo zullen ook de bewegingen van de eenheden lijnen zijn; het
punt is nl. een eenheid met plaats en het getal van de ziel is dan
zeker ergens en heeft een plaats. Verder: als men van een getal een
getal of een eenheid aftrekt, dan blijft er een ander getal over; maar
de planten en vele dieren blijven na verdeeling leven en blijken dan
soortelijk dezelfde ziel te houden. Men zou ook evengoed als van
eenheden kunnen spreken van molekels; want als men de bolletjes van
Demokritos terugbrengt tot punten, zoodat slechts de veelheid blijft,
moet daarin zijn het onderscheid van bewegen en bewogen worden evenals
in het aaneengesloten geheel; dat onderscheid immers hangt niet samen
met het verschil van grootte of kleinheid, maar het is er om het
aantal. Dus moet er iets zijn dat de eenheden bewegen kan. Wanneer nu
in het levend wezen het bewegende de ziel is, dan is zij het ook in het
getal en dus zou de ziel niet zijn het bewegende en wat bewogen wordt,
maar alleen het bewegende. Hoe kan dat dan een eenheid zijn? Er moet
dan toch een onderscheid zijn tusschen haar en de andere (eenheden). En
welk onderscheid kan een eenheid-punt hebben behalve van plaats? Zijn
nu de punten in het lichaam verschillend van de eenheden, dan zullen de
eenheden op dezelfde plaats zijn (met de punten); want elke zal de
plaats van een punt innemen. Echter wat belet dat, zoo er twee, dan ook
eindeloos vele op dezelfde plaats zijn? Want dingen wier plaats
ongescheiden is, zijn zelf ook ongescheiden. En indien de punten in ’t
lichaam het getal van de ziel zijn of indien het getal van de punten in
’t lichaam de ziel is, waarom hebben dan niet alle lichamen een ziel?
Punten moeten er toch in allen zijn en wel eindeloos vele. En dan hoe
is het mogelijk dat de punten gescheiden en afgescheiden worden van ’t
lichaam, terwijl toch niet de lijnen zich laten verdeelen in punten?
Zooals gezegd is, stemmen zij eenerzijds overeen met hen die de ziel
iets fijns lichamelijks noemen, anderzijds is er een bizondere
ongerijmdheid doordat zij als Demokritos de beweging laten uitgaan van
de ziel.
409b. Want daar toch de ziel in het geheele gewaarwordende lichaam is,
moeten er twee lichamen op dezelfde plaats zijn, als de ziel een
lichaam is; die de ziel een getal noemen, moeten aannemen dat in het
eene punt vele punten zijn of dat elk lichaam een ziel heeft, wanneer
niet het er in zijnd getal verschillend is en iets anders dan het getal
van de in de lichamen zijnde punten. Ook is een gevolgtrekking dat het
levend wezen bewogen wordt door het getal, zooals wij zeiden dat ook
Demokritos het laat bewegen; want welk verschil maakt het te spreken
van kleine bolletjes of groote eenheden of in ’t geheel van bewegende
eenheden? Op beide wijzen toch is noodzakelijk de beweging van ’t
levend wezen door hen veroorzaakt doordat zij bewogen worden. Die dus
beweging en getal samenvlechten leiden tot die en vele dergelijke
gevolgen. Zoo iets kan immers niet slechts geen definitie van de ziel
zijn, maar zelfs geen bijkomstigheid. Dit blijkt als men zou beproeven
op grond van die bewering rekenschap te geven van ’t lijden en doen van
de ziel, b.v. van redeneeringen, gewaarwordingen, vreugden, smarten
enz. Immers die beweringen geven, zooals wij vroeger zeiden, niet eens
licht grond tot gissingen [32].
409 b 19—410 b 15. De ziel, het waarnemende, uit de elementen, zóó dat
het gelijke het gelijke waarneemt. Bezwaren tegen deze theorie en tegen
Empedokles.
Drie wijzen zijn geleerd waarop men de ziel definieert: als ’t bij
uitstek bewegende doordat zij zich zelf beweegt; als het fijnste of
meest onlichamelijke lichaam; de moeilijkheden en tegenspraken die zich
hierbij voordoen hebben wij in hoofdzaak besproken en er blijft over na
te gaan hoe het staat met de bewering dat de ziel uit de elementen
bestaat. Dat zegt men, opdat zij de dingen zal waarnemen en elk ding
zal kennen, maar vele onmogelijkheden volgen uit die redeneering
noodzakelijk. Men stelt n.l. dat het gelijke het gelijke kent, de ziel
als ’t ware de dingen noemende. Maar dat zijn niet alleen deze (de
elementen) maar nog vele anderen of liever tallooze die er uit
samengesteld zijn. Toegegeven dat de ziel kent en waarneemt de elk ding
samenstellende elementen; waardoor zal zij echter het geheel kennen of
waarnemen, b.v. god, mensch, vleesch of been en desgelijks elk ander
samenstel? Want ieder daarvan is niet uit de elementen willekeurig,
maar in een bepaalde verhouding en samenstelling, zooals Empedokles
omtrent gebeente zegt: „De vriendelijke aarde nam in den ruimen
smeltkroes twee achtste deelen glanzend vocht en vier deelen
Hephaestus: zoo ontstonden de witte beenderen” [33].
Het helpt dus niets dat de elementen in de ziel zijn, indien niet ook
de verhoudingen en de samenvoeging er in zijn; elk element immers zal
het gelijke erkennen, maar niets het gebeente of den mensch, zoo niet
deze ook er in zijn—onmogelijkheid die geen betoog behoeft; want wie
kan twijfelen of er in de ziel een steen of mensch is? Evenzoo zal
niets het goede en ’t omgekeerde erkennen; en zoo ook met ’t andere.
Verder wordt er van het zijnde in vele beteekenissen gesproken: als
substantie, hoeveelheid, hoedanigheid of eenige andere der
onderscheiden kategorieën; zal nu de ziel uit allen bestaan of niet?
Maar het blijkt niet dat er elementen zijn die aan alle kategorieën
gemeenschappelijk zijn. Dan alleen uit de substantie-elementen? Hoe
kent zij dan al het andere? Of zal men aannemen dat er van elke
kategorie eigen elementen en principes zijn en dat de ziel daaruit
bestaat? Dan zal er hoeveelheid, hoedanigheid en substantie (in) zijn.
Maar het is onmogelijk dat uit hoeveelheids-elementen een substantie,
niet een hoeveelheid is. Die dus de ziel uit alle elementen
samenstellen treffen deze en meer dergelijke bezwaren. Het is ook
ongerijmd te zeggen dat het gelijke onaandoenlijk is voor het gelijke
en dat het gelijke het gelijke waarneemt en door het gelijke het
gelijke kent, terwijl men het waarnemen een lijden en bewogen worden
noemt en desgelijks het denken en kennen. Van de vele verlegenheden en
moeilijkheden die het geeft om met Empedokles te zeggen dat alle dingen
door de stoffelijke elementen gekend worden, en bovendien het gelijke
door het gelijke, is één aanwijzing wat nu gezegd wordt: alles nl. wat
in de lichamen der levende wezens zonder meer aarde is, als gebeente,
spieren, haren, blijken niets waar te nemen en dus ook niet het
gelijke, wat toch behoorde. Bovendien zal elk der elementen meer
onkunde dan begrip hebben; want elk zal één ding kennen maar vele
dingen niet kennen nl. al de andere. Empedokles moet besluiten dat de
godheid het onwijst is; hij toch alleen kent één element, de strijd
[34] niet; wel alle sterfelijke dingen, die immers uit alle elementen
bestaan. Waarom in ’t geheel hebben niet alle dingen een ziel, daar elk
ding of een element is of uit een of meer of alle elementen bestaat,
zóó dat het een of eenige of alle dingen moet kennen? Ook zou men de
vraag kunnen opwerpen wat het wel is dat in de elementen de eenheid
maakt; want zij gelijken de stof en dat samenhoudende, wat het ook zij,
is het krachtigste; maar het is onmogelijk dat er iets krachtigers zou
zijn dan de ziel of dat voorgaat; nog onmogelijker dan de geest; die
moet redelijkerwijze de eerste en heerschend uitteraard zijn; maar zij
zeggen dat de elementen de eersten der dingen zijn.
410 b 16—411 a 23. Deze opvatting omtrent de ziel en die van de ziel
als het bewegende omvatten niet alle ziel noch eenige in haar geheel;
bij beperking van de eerste tot denken en waarnemen evenmin. Bezwaren
tegen de Orphische leer omtrent de ziel als deel van de Alziel door
inademing opgenomen. De ziel behoeft om te kennen niet uit alle
elementen te bestaan, maar slechts uit de eene helft der tegengestelde.
Thales’ Alziel.
Allen zoowel die zeggen dat de ziel uit de elementen is om het kennen
en gewaarworden van de dingen, als die haar het allerbewegelijkste
noemen, spreken niet over elke ziel. Want eensdeels is niet al wat
gewaarwordt bewegend; [35] aangezien sommige levende wezens aan hun
plaats gebonden blijken; en toch geeft de ziel wel deze beweging in ’t
bizonder aan het levende wezen. ’t Zelfde geldt van wie den geest en
het gewaarwordingsvermogen uit de elementen doen bestaan; want het
blijkt dat de planten leven zonder beweging en waarneming en dat vele
dieren geen verstand hebben. Als men dit ook zou toestaan dat men den
geest en desgelijks het waarnemingsvermogen een deel van de ziel noemt,
dan spreken zij toch niet gemeenschappelijk over alle ziel noch over
eenige in haar geheel. Dit geldt ook van de opvatting in de zoogenaamde
Orphische verzen: dat de ziel uit het heelal intreedt bij het
ademhalen, gedragen door de winden. Dan kan dit niet uitkomen voor de
planten en voor eenige dieren, daar niet allen ademhalen; maar dit
hebben zij, die zoo meenen, niet opgemerkt. En als men de ziel uit de
elementen moet doen bestaan, behoeft het geenszins te zijn uit alle;
want van de tegendeelen is de eene helft voldoende om zichzelf te
beoordeelen en het tegendeel. Immers door het rechte kennen wij dit
zelf en het kromme, want over beiden oordeelt het richtsnoer, maar het
kromme noch over zich zelf noch over het rechte. Ook zeggen sommigen
dat de ziel in het heelal gemengd is, van waar misschien ook Thales
meende dat alles vol van goden was. Dit baart eenige verlegenheden;
waarom toch maakt de ziel in de lucht of het vuur geen levend wezen,
maar wel in de mengselen en dat nog wel als zij in de eersten beter
moet zijn? Verder zou men moeten vragen waarom de ziel in de lucht
beter en onsterfelijker is dan die in de levende wezens. In beide
gevallen komt men tot iets ongerijmds en onredelijks; immers het vuur
of de lucht een levend wezen te noemen is erg onredelijk en geen
levende wezens aan te nemen als de ziel er in is, is ongerijmd. Het
schijnt dat zij meenen dat de ziel in deze (elementen) is, omdat het
geheel gelijksoortig is met de deelen; zoodat zij ook moeten zeggen dat
de ziel gelijksoortig is met haar deelen, als de levende wezens bezield
worden doordat een deel van de atmosfeer in hen afgezonderd wordt. Maar
als de lucht na verdeeling gelijksoortig en de ziel ongelijksoortig van
deelen is, zal er blijkbaar iets van haar aanwezig zijn en iets anders
niet. Alzoo moet de ziel óf gelijksoortig van deelen zijn of niet in
elk willekeurig deel van ’t geheel daar zijn.
411 a 24—b 30. Kritiek van de leer der soortelijk onderscheiden
zielsdeelen. De ziel blijft één na verdeeling van het lichaam bij
planten en sommige insecten; die ziel is dan het principe dat planten
en dieren gemeen hebben.
Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond
heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel
niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel
behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen
en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de
levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en
neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of
wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere
doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking
zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in
meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan
zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander
begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij
gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel
het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden is, „verwaait
en vergaat” [36] het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan
is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het
één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de
ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het
samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze.
Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk
deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele
lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam
samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest
samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat
de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenige insecten, zóó
dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek;
want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging
een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij
hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin
hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn
soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of
zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel
zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort
ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het
bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft
gewaarwording zonder dit principe.
Einde van boek I.
411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste
(voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam.
Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.
412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent
volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en
trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te
geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van
deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets
bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets
bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De
stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid [37] en dat in tweevoudigen
zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in
den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want
die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn
levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is
elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde.
Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is,
is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een
voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als
vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm
van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die
substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de
werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis, deels zooals
het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van
de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het
uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als
verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de
ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar
mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd
is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo
is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de
wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel
op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie
geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk,
bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het
lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen
van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want
terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het
eigenlijke de werkelijkheid.
412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht
het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende
lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de
ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam.
Ziel en lichaam als schipper en schip?
Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naar het
begrip beschouwd. En dat is het wezen voor het bepaald lichaam. Stel
dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou
immers het bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van
deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is
het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het
begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het
principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde
ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou
’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog
naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht;
ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen
oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op
’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden)
staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het
heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren
heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel
heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam.
413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de
werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de
ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het
oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét
het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als
zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige
(zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf
behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen,
doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog
niet duidelijk of niet de ziel zóó de werkelijkheid des lichaams is als
de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen
en omtrekken van de ziel zijn.
413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de
ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven.
Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de
planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst
de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun
onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten.
Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare
vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het
denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.
Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het
duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij
weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie
moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities
doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de
definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het
maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen.
Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die
kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van
de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het
bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer
van de meerdere opvattingen die het woord leven heeft er maar één in
het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand,
gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door
voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle
planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben
zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen;
want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar
gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven
voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de
anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke
wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen
hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit
principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier:
immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar
gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van
gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het
voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle
gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het
voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen
toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke
oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.
Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde
vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende,
gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel
der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats,
dat is betreffende sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar
eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij
verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus
daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid
meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel
gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk
van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met
gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar
gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is
noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is
nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en
dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van
het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het
gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen [38] zeggen, maar
wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en
vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden
verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere
genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze
vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal
het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak
hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de
gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen
alleen de noodzakelijkste, den tastzin.
414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet
stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een
eigen stof vooronderstelt.
Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen
bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant
wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen
wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de
eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t
lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en
begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de
eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het
op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en
aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is
waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus
de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar
substantie, zooals wij zeiden, drieërlei beteekent, eensdeels vorm,
anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof
mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde
is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van
een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de
ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen
lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam
aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in
een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig lichaam,
ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan
ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de
werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid
inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid
is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te
zijn, is hieruit duidelijk.
414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot
het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks,
waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie
voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en
elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder
de denkende geest.
Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij
zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij
het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk
bewegende, het denkende.
De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het
gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen;
want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben
althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft,
geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die
gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t
aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de
tastzin is de gewaarwording van het voedsel; want alle levende wezens
worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de
tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden
bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch
reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is
begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte
en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt
worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben
ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en
dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de
plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de
menschen en wat verder zoodanig is of hooger.
Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel
kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz.,
noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een
gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan
geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is
het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie
te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch
betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is,
daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds
is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren
en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het
gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk
nagaan wat de ziel van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van
een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden
moet men nagaan. 415 a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het
gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het
voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den
tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de
anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch
gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben
sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste
hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens
die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk
daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens
voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende
geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering
over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.
415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun
uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting,
die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.
Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk
der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende
en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is
b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men
nog eerder zeggen wat het denken of gewaarworden is; want vóór de
vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen.
Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan
hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl.
omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst
over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel
bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste
vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De
verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken;
immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover
zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken
van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een
plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want
daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen
volgens de natuur. 415b. Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de
zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor [39]. Daar het (enkele)
nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn
doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er
aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft
is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar
wezen één.
415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van
’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei
en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme.
Voeding is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de
zelfbepaling.
De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer
dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie
onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel;
en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het
laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het
zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is en daarvan de ziel
oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het
begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel
de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde
wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de
levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de
natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren
zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel. Het „terwille
van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon
waarvoor. En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel;
maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en
groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere
verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het
met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder
voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is
Empedokles af te keuren wanneer hij zegt dat door bijvoeging de planten
hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten doordat zoo
de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat
het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar
boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde
voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo
verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of
dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het
vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want
is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er
wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de
voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak
van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de
lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men
ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten
toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet
eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur
gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk
samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en
wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van
begrip dan van stof.
416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk
op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van
wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste
(eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte
voorondersteld als de hand bij het sturen.
Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen
is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die
verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent
dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar
die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook
wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde
grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde
grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar
het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet.
Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel
eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet
zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed
wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het
tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt
van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de
verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden
(neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed
wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar
de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot
bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het
eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als
onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over
het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel
door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door
het gelijke. Dus blijkt dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist
spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het
bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft
niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip
van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l.
het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het
een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en
iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de
wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want
zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich.
Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter
handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot
bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij
drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het
voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze
bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men
naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van
zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken
kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men
stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende,
het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk
verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt;
daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd
wat voeding is, uitvoeriger moet later de zaak verduidelijkt worden in
de daarover handelende geschriften [40].
416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over
deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij
de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maar objecten
vereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de
mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot
vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een
woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de
kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste
is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als
tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t
gelijke of ’t ongelijke op.
Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen
spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals
gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat
ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of
onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingen omtrent ’t doen
en lijden [41] gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er
ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de
zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand
brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop
de gewaarwording zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het
is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts
in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet
brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf
verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op
tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen
naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt,
evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze
van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in
bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in
werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en
het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging
is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is [42], zooals
elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het
bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het
inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij
zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden
hebbende is het gelijk.
Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid;
nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op
die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort
tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij
kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit
het vermogen niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en
stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot
kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; die nu aan de
uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin
kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig,
maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde
toestand omgeslagen, maar anders die uit het bezitten van de
gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen
overgaat.
417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is
een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een
bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid
zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot
werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf
geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot
werkelijkheid) òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet
zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de
bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit
hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet
leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid
leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is,
daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van
verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de
gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de
eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is,
verhoudt het zich reeds als kunde en het gewaarworden [43]. En het
gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen,
maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de
bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en
eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de
gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de
algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf.
Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden
niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig
is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de
waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden
zijn de enkele dingen van buiten.
Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker
uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid
genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat
het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de
militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het
gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan
geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid
bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de
geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in
mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk
gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de
inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.
418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De
eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording
bepaald is.
6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst
spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij
neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee
is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk
aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet
kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het
gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de
smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen
gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet
dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat
het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke
(zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte;
want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan
allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en
voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v.
wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men
bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat
men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het
waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de
waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in
haar wezen betrekking heeft.
418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en
licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op
Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de
inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als
middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij
geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat
water en lucht gemeen hebben.
Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het
zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen
naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het
zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig
zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip [44], maar omdat het in
zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt
hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b.
Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van
alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het
licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat
wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd,
maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste
lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar
omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige
bovenaardsche lichaam [45]. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het
doorschijnende als zoodanig. Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de
duisternis [46]. Het licht is als de kleur van het doorschijnende,
wanneer het in werkelijkheid doorschijnend is door vuur of iets
zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat
een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is,
is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een
uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een
zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in
het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen
tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de
duisternis; de duisternis is de ontstentenis van dusdanige geaardheid
bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het
licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat
het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t
hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de
klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine
ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand
van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur
aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos
is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals
zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet
wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid
doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht.
419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen de eigen
kleur van alles; immers eenige dingen worden niet gezien in ’t licht,
maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en
stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als
paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets
daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen
gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t
licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder
licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in
werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende
is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het
gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur
bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend
geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos
zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een
mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk.
Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet
gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat
het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof
moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet
duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.
Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is
gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien
eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor
doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want
niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig
aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en
daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of
riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording.
Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt;
later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht,
voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor
kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets
bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de
waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de
ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De
oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.
419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis
van hoog en laag.
Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is
tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in
mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons,
wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat
het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het
gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid
gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die
’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat
wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan
wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat tegen iets (slaande)
en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid
niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen
wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper
omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na
de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook
hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het
water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen
zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht
die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de
lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging
van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer
men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle
beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die
bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert
gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het
lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat
met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd
weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten
wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water
of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het
licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het
hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men
hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat
zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In dat
geval wordt zij één [en] in samenhang [47] door het oppervlak; want het
oppervlak van het gladde is één.
Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor
beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het
in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in
bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt
de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en
bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid
door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan
is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog
op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der
beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet
indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de
ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook
niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de
pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd
het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren
een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom
zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren
met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande
wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het
geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als
hetgeen van de gladde oppervlakken afgestooten wordt, wanneer men ze
aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen
wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar
wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd
afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende
dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder
licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het
hooge en ’t lage niet [48]. Deze benamingen zijn overgebracht van de
tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd
diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel,
het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid
zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt
overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want
het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene
in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk
’t eene snel, ’t andere traag is.
Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid
van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar
men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere
onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt
dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de
bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn
grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is.
Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de visschen in den Acheloûs,
maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het
geluid van een dier, niet elk [49] en niet met een willekeurig
lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen
iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem
uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt
de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den
smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die
daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het
hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als
iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de
stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is
de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in
dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook
de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is
het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de
stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen
de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder
geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en
zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld
zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met
beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht,
zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen
deze. 421a. Een bewijs is dat men geen stem kan uiten bij in- of
uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt
die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom
zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen
zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom
dit zoo is, behoort in een andere behandeling.
421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen,
Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk
betreft het droge.
Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij
het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het
geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet
nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt
slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of
genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is
aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren
gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat
zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht
de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de
smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben
nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die
gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen
blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin
bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook
het verstandigste der levende wezens. Een bewijs is dat ook onder het
menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt
en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor
’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de
andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben
overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere
omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar,
gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer
duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend
naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en
honig, de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b.
Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare
betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo
betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels
gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig
of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak
heeft.
Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de
waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals
de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van
dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen.
Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk
ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of
zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer
het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op
het zintuig zelf geplaatst wordt onwaarneembaar wordt is aan alle
zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming
plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming
blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen,
eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter
onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van
het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij
vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals
van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar
niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover
dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der
staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of
hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de
staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zien onmiddellijk wat zich in
het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen
onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een
bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en
porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren
niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is
onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het
vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig [50].
422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het
vochtige. Onderscheidingen van smaken.