ARISTOTELES’ ZIELKUNDE.

402a1—22. Voortreffelijkheid der zielkunde boven andere studieën

doordat de ziel overgang vormt tusschen de waarheid in ’t algemeen en

de natuur. Haar onderwerp in ’t algemeen. Hare moeilijkheid omdat met

het onderwerp tevens de methode van wijsgeerig onderzoek en de

grondslagen van het onderzoek moeten gevonden worden.

402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene

wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat

haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om

beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle

waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur;

want de ziel is, zoo te zeggen, het principe [3] der levende wezens.

Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare

eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich

zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren.

t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent

haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in

vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor

alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding

geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen [4]—en dan zou men

dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode

betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker,

want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En

als het blijkt of die afleiding is of ontleding [5], of ook eenige

andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg,

waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende

dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken [6].

402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke der kategorieën behoort

de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of

ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het

onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene

bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de

ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7.

Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der

deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?

Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie [7] de ziel

behoort, tot die der substantie, der hoedanigheid, der hoeveelheid of

tot een andere der onderscheiden kategorieën. Voorts—wat niet weinig

verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid [8].

402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle

ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of

naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk

spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.

Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of

van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die

met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl

dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie

[9].

Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen

(van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met

de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen

de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun

verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het

waarnemingsvermogen enz. [10]. Zoo men moet beginnen met de

verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de

objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het

waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.

402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen

kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of

omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van

het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die

niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.

Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het

begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de

wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot

het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk

zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de

kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de

eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook

het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs [11]

uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der

eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande

mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.

403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met

de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs:

onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den

natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.

Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan

het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf

eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De

ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te

ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en

gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene

te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling

vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen.

Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij

gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet

scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die, als recht

onder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te

raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers

het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is

[12]. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te

betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook

vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t

lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid

van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet

geraakt wordt of ontstelt, men soms door geringe en zwakke gedreven

wordt, wanneer het lichaam tiert en in een toestand is als bij toorn.

Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends

aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden [13]. Als het

zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in

stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn

is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door

een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de

taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te

gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in

elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren

als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als

verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het

stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t

begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde

stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen

ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen,

tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm [14]

met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te

heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die

alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met

elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare

eigenschappen als ongescheiden [15], maar de natuurkundige alle doen

en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die

bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de

kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare,

wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam

verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden

(het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van

deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre

zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van

de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.

403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het

zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras.

De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles,

Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer.

Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon,

Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende,

onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit

tegendeelen of een daarvan. Etymologie.

Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der

verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de

meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het

goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het

onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t

meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten

voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze

twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de

voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en

eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen

werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat

bewogen wordt.

404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want

terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn [16], zooals de

zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de

vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de

heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel,

omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de

rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting

dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat

daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de

atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat

ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging

verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere

dergelijke atomen bij het ademhalen; want dat deze ook de uitstooting

van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen

en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook

wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van

hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze

beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook

bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich

zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging

het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden

door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat

het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt

Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de

geest het heelal heeft bewogen [17], evenwel niet geheel zooals

Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en

volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht:

„Hektor lag buiten denken” [18]. (Ilias Ο245 vgl. Odys. κ374). Hij weet

dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt

ziel en geest hetzelfde.

404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt

hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders

noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens

aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt niet de

als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig

te zijn, ja niet eens bij alle menschen.

Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de

ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der

dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die

meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel

samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze

verzen:

„Aarde zien we met aarde en water zien we met water

Lucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zien

Liefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”

Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen

samen, zeggende dat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de

dingen uit de elementen bestaan [19]. Een soortgelijke bepaling werd

gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op

zichzelf [20] samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en

het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of

nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting

heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het

lichaam de gewaarwording, want de getallen werden genoemd de ideeën

zelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen [21].

De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door

de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen

zijn de ideeën der dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen

evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden

samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is

verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral

tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging

van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen

noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend

definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát

element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen

verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en

onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andere

onmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide

omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem

hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan

bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij

het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het

vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij

boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur;

toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk

zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein

is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe,

als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de

overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets

bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een

ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen

noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en

principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij

element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk

inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel

is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt;

en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt

dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten

meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen

schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel

onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit

haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen

altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b.

Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij

lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is.

Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad

geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias,

spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de

ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed.

Alle elementen hebben dus hun verdediger gevonden, behalve de aarde;

die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle

elementen samengesteld of alles ziel acht.

Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging,

gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband

met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling

geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op

één na [22], onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke

door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen

erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe

en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of

lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de

ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van

het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen

en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat

hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de

ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de

tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of

iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo

dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’t warme,

omdat daarnaar ook het leven genoemd is; de anderen van het koude,

zeggende dat het ademhalen en de afkoeling aan de ziel den naam geeft

(ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is

over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.

406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige)

beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk

dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar,

heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf.

Kritiek van Democritus en Plato’s Timaeus. De besproken theorieën

behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.

406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is

het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat

zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het

onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat

het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger [23] gezegd. Beweging is

tweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het

eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de

schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het

schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in

het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging

der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de

schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt,

onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel

heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en

groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar

beweging geen bijkomstigheid, dan heeft zij haar van nature en heeft

zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden

op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf

beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte

of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig;

het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook

van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature

haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door

geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust;

de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige

beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der

ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden.

Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn,

naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en

overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen.

Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat

zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd

naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare

is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook

de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich

verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan

en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging

zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen

met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene,

welks wezen zelfbeweging is, niet door iets anders bewogen worden,

evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets

anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij

voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen

wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch

ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in

de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan [24], als

zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen

wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam

waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in

overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de

houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver

ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare

bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele

lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust

zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te

zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te

bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.

Op dezelfde wijs beschouwt ook de natuurleer van den Timaios [25] de

beweging die de ziel aan ’t lichaam meedeelt; door haar eigen beweging

beweegt zij het lichaam, waarmede zij verbonden is. Terwijl zij

samengesteld is uit de elementen en ingedeeld naar harmonische

verhouding, opdat zij aangeboren gewaarwording van harmonie hebbe en

het heelal zich harmonisch bewege, heeft (de demiurg) haar rechte baan

tot een kring omgebogen en den eenen kring in twee gesplitst hebbende,

die bij twee punten verbonden zijn, heeft hij weder den eenen in zeven

kringen gesplitst, daar (volgens Plato) de hemelbewegingen die der ziel

zijn. 407a. Vooreerst nu is het niet behoorlijk de ziel een grootte te

noemen; blijkbaar nl. bedoelt hij met de Alziel zooiets als wat men wel

[26] den geest noemt en niet iets als de gewaarwordende of de

begeerende ziel, want hun beweging is geen kringloop; de geest is één

en aaneen als het denken en het denken is de gedachten, welke één zijn

bij opeenvolging als het getal maar niet als de grootte; daarom is ook

de geest niet zóó aaneen, maar óf ondeelbaar óf niet als een grootte

aaneen. En hoe ook zal hij denken als hij grootte is? Met eenig deel

van zichzelf? Een deel dat grootte heeft of puntsgewijze is, als men

een punt ook een deel moet noemen. Gaat het puntsgewijze, dan komt

blijkbaar de gedachte nooit tot stand, daar de punten eindeloos zijn;

en gaat het met grootte dan zal men dikwijls of eindeloos veel malen

hetzelfde denken, maar het blijkt dat het ook eenmaal mogelijk is [27].

Als voldoende is de aanraking met eenig deel, waartoe is dan

kringbeweging noodig of moet er in ’t geheel van een grootte sprake

zijn? Wanneer het denken aanraking door den geheelen kring vereischt,

wat doet dan de aanraking met de deelen? En verder hoe kan men het

gedeelde denken met het ongedeelde of omgekeerd? Het is noodzakelijk

dat de geest de gezegde kring is, want de beweging van den geest is het

denken, van den kring de draaiing; is nu het denken de draaiing, dan

moet de geest de kring zijn welks zoodanige draaiing het denken is.

Maar wat zal het zijn dat de geest altijd door denkt?—immers de

draaiing duurt altijd door. Maar de gedachten van toegepaste wetenschap

hebben grenzen, want zij allen beoogen iets buiten zich; en de

theoretische overwegingen hebben eveneens hun grenzen in de

redeneeringen, zijnde allen òf definitie òf bewijs; het bewijs nu gaat

van een onderstelling uit en heeft op eenige wijze zijn einde in de

sluitrede of de gevolgtrekking; en als zij niet afloopen, zoo keeren

zij toch niet terug tot het uitgangspunt, maar gaan voorwaarts met

toevoeging telkens van middenterm en conclusie; terwijl de draaiing

weer tot ’t begin ombuigt. De definities zijn allen begrensd. Gebeurt

verder dezelfde draaiing dikwijls dan zal men dikwijls hetzelfde moeten

denken. Verder lijkt de gedachte meer op een rust en halt dan op

beweging; desgelijks de sluitrede. 407b. Voorzeker is ook niet

gelukzalig wat niet gemakkelijk gaat maar met geweld; indien nu de

beweging der ziel haar wezen niet is, dan wordt zij tegen haar natuur

bewogen [28]. Bezwaarlijk is het ook (voor den geest) onafscheidelijk

gemengd te zijn met het lichaam; ja zelfs verwerpelijk, als het

werkelijk voor den geest beter is zonder het lichaam te zijn, zooals

Plato pleegt te zeggen, waarmee dan velen instemmen. Onduidelijk blijft

ook de oorzaak van de kringbeweging des heelals, want noch is het wezen

der ziel oorzaak der kringbeweging, maar die is haar bijkomstig, noch

is het lichaam oorzaak, maar veeleer is de ziel oorzaak voor ’t

lichaam. En eindelijk ontbreekt ook het bewijs waarom het dienstig is,

terwijl toch de godheid daarom de kringbeweging aan de ziel moest geven

omdat het haar dienstiger is te bewegen dan te rusten en zóó te bewegen

en niet anders.

Maar daar dergelijk onderzoek in een andere wetenschap meer thuis

hoort, willen wij het thans daarlaten. Deze ongerijmdheid deelt Plato’s

redeneering met de meesten over de ziel, dat zij n.l. de ziel verbinden

met en stellen in het lichaam zonder de bepaling erbij te voegen van de

oorzaak (dier verbinding) en van de verhouding van ’t lichaam. En dat

mag toch een eisch heeten; want door de gemeenschap is het eene

werkend, het andere lijdend en wordt het eene bewogen terwijl het

andere beweegt en deze verhoudingen gelden nimmer voor onverschillige

dingen onderling. Maar zij beproeven alleen te bepalen wat de ziel is,

doch geven er verder geen bepaling bij van het lichaam dat de ziel moet

opnemen, alsof het mogelijk ware dat naar de verhalen der Pythagoreërs

een ziel, welke ook, haar intrek nam in ’t eerste ’t beste lichaam.

Neen, elk lichaam moet wel eigen gestalte en vorm [29] hebben. ’t Is

hetzelfde alsof men zeide dat de timmerkunst fluiten betrok; want de

kunst moet haar (eigen) werktuigen en de ziel het lichaam gebruiken.

407 b 27—408 a 28. De ziel is geen harmonie, zooals velen gelooven:

noch harmonie als samenstelling van deelen noch als de verhouding in de

samenstelling. Bezwaren tegen Empedocles, die de ziel uit al de

elementen maakt en elk element als verhouding denkt en tevens de φιλία

(liefde) oorzaak der verbinding doet zijn, dus iets buiten de

verbinding zelve. Maar hoe dan te denken over de scheiding van ziel en

lichaam?

Ook is een andere meening geleerd over de ziel die bij velen niet

minder geloof vindt dan eenige andere der behandelden en die ook in de

tot gemeen goed gemaakte besprekingen [30] een soort van proces heeft

doorstaan. Men zegt nl. dat zij een zekere harmonie is; dat immers de

harmonie een menging en samenvoeging van tegendeelen is en dat het

lichaam samengesteld is uit tegendeelen. Evenwel de harmonie is een

verhouding van de gemengden of een samenvoeging en de ziel kan geen van

beiden zijn. Verder is bewegen geen eigenschap van harmonie en dat

schrijven allen wel ongeveer ’t meest aan de ziel toe. Het past meer

bij gezondheid van harmonie te spreken en in ’t algemeen bij de

lichamelijke deugden dan bij de ziel. Het duidelijkst blijkt (de

ongelijkheid) wanneer men zou beproeven het doen en lijden der ziel op

een harmonie over te brengen—dat is moeilijk te harmonieeren. Voorts

als wij spreken van harmonie in twee gevallen en wel eigenlijk bij de

grootheden die beweging en plaats hebben hun samenvoeging zóódanig dat

zij niets gelijksoortigs kan opnemen en ten tweede ook de verhouding

van de gemengden—nu, dan zijn geen van beide opvattingen (voor de ziel)

aannemelijk en die van de harmonische samenvoeging der lichaamsdeelen

laat zich al te gemakkelijk weerleggen. Want er zijn vele

samenvoegingen der deelen en op vele wijzen; van welk deel of hoe moet

men nu aannemen dat de geest een samenvoeging is of de gewaarwording of

de begeerte? Even ongerijmd is de meening dat de ziel de verhouding van

de menging is; want de verhouding bij de vermenging der elementen is

niet dezelfde voor vleesch en been. Waaruit volgt dat men vele zielen

zal hebben en door het heele lichaam heen, als alles bestaat uit het

mengsel der elementen en de verhouding der menging harmonie en ziel is.

Hierover zou men ook Empedocles rekenschap kunnen vragen, die zegt dat

elk der deelen naar een bepaalde verhouding (der elementen) ingericht

is; is nu de verhouding de ziel of komt deze als iets nieuws in de

deelen? Is verder de liefde de oorzaak van onverschillig welke menging

of van die naar de juiste verhouding? En is deze de verhouding of iets

anders daarnevens? Dat alles zijn daarbij verlegenheden. En als de ziel

iets anders dan de menging is, waarom wordt zij dan vernietigd met het

bestaan van het vleesch en van de andere deelen van het levend wezen?

Bovendien indien niet ieder der deelen een ziel heeft, en indien de

ziel niet is de verhouding der menging, wat wordt dan eigenlijk

vernietigd als de ziel weg gaat?

408 a 29—b 29. Van beweging der ziel spreekt men minder juist, wanneer

het juiste is lichamelijke beweging van haar uitgaande of tot haar

strekkende, als bij gewaarwording of herinnering; de werkzaamheid ook

van den geest lijdt van ziekte en ouderdom, dus van ’t lichamelijke,

maar de geest zelf is een zelfstandigheid.

Uit het gezegde nu blijkt dat de ziel onmogelijk harmonie kan zijn noch

kringbeweging kan hebben. Wel kan zij, zooals gezegd is, bijkomstig

bewogen worden en zichzelf bewegen, zoo b.v. dat datgene bewogen wordt,

waarin zij is en wel door de ziel bewogen wordt, anders is ruimtelijke

beweging voor haar onmogelijk. 408b. Met meer grond zou men over hare

beweging kunnen redekavelen uit dergelijke overwegingen, dat men zegt

dat de ziel smart en vreugde ondervindt, gerust is of vreest, voorts

toornig wordt, waarneemt en denkt; want dat alles zullen bewegingen

zijn. En dus zou men meenen dat zij bewogen wordt, maar dat is niet

noodzakelijk. Want al zijn ook werkelijk smart, vreugde en denken

bewegingen en is elk daarvan bewogen worden, bewogen worden door de

ziel—b.v. toornig worden of vreezen zulk een beweging van het hart,

denken (beweging) van dit wellicht of van iets anders—en gebeurt dit

bij eenige ervan door verplaatsende beweging, bij anderen door

verandering van hoedanigheid (bij welke en welke verandering is hier

niet de vraag); dan is het zeggen dat de ziel toornig wordt, zoo, alsof

men zeide dat de ziel weeft of bouwt. Het lijkt wel beter niet te

zeggen dat de ziel medelijden heeft of leert of denkt, maar de mensch

met zijn ziel en wel omdat de beweging niet in haar is, maar soms tot

aan haar, soms van haar uit b.v. de gewaarwording van deze voorwerpen

hier uitgaande tot aan haar, de herinnering van haar uit naar de

bewegingen of stilstanden in de zintuigen. De geest schijnt (in den

mensch) te zijn een zelfstandigheid, die onvernietigbaar is. Anders

moest hij vooral vernietigd worden door de verduistering in den

ouderdom; doch denkelijk geldt hier hetzelfde als bij de zintuigen; als

de grijsaard eens zúlk een oog kreeg, dan zou hij kunnen zien als een

jongeling. Alzoo heeft de ouderdom niet tot oorzaak eenig ondervinden

van de ziel, maar van ’t lichaam waarin zij is, zooals bij dronkenschap

en ziekte. Zoo kwijnt dan het denken en studeeren doordat iets anders

inwendig afbreuk lijdt, maar zelf is het onaantastbaar. Het denken,

beminnen en haten tasten niet den geest aan, maar dat bepaalde, dat hem

bevat in zoover het hem bevat. Gaat daarom dat (bevattende) te loor,

dan houdt herinneren [31] en beminnen op; want die behoorden niet aan

den geest, maar aan het geheel, dat verloren is. De geest echter lijkt

wel iets goddelijkers en onaangedaan.

Aristoteles' Zielkunde · 第 5 / 11 题