Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom

het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is;

immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak

is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets

tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin

geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan

door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd

evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het

vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het

zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de

kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording

zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid

vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet

de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het

zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook

die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende

(want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en

tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar

het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht

over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is,

zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men

eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere

gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan,

wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate

bezit, zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het

proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak

heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het

drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste

een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het

gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar

het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in

werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te

worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig.

Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet

nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de

tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig

is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals

wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere

proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong

vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn,

zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het

bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het

zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn

ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat

in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in

werkelijkheid zoo maakt.

422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en

bij de andere zinnen en omtrent het midden—dat bij den tastzin met het

lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij

den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de

werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het

zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De

waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke

tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de

tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet

tastbare waar.

Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als

de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de

tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere

gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin

is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of

niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets

anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling

b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet;

maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en

vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing

doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen

bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en

zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere

dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag

vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.

423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het

vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk

met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van

een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de

aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en

ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen.

Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de

lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen

met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en

reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene,

waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het

lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den

tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het

bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts

zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen [51],

zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn;

zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat

aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn.

Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt

alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook

het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin

een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij

niet onderling te verwisselen zijn.

Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft

als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is,

elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch

het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat

elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn,

noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit

waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op

dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar

zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij

merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat

vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van

alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend,

zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en

de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en

zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het

geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de

eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen

alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij

het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door

een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het

afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de

lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een

middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de

zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden

door een inwerking van de middenstof op ons, maar de tastbaarheden niet

door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een

stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en

geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk.

In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het

zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t

gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er

noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer

men eenig wit lichaam onmiddellijk op het oog legt. Hieruit blijkt dat

het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt

hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de

waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording

plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het

vleesch de middenstof van den tastzin.

Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik

bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en

nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de

elementen [52]. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de

gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het

lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets

ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk

maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is.

Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar,

maar de overmaat, daar de waarneming als een midden is tusschen de

tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de

waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig,

want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel

en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid

moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet

bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals

verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare

betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft

ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de

tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en

de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu

elk der gewaarwording in omtrek behandeld.

424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de

materie. Het waarnemende verschilt in wezen van het object, doordat het

geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom

vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is

er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.

In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de

gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de

materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer

en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud

of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen

kleur of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen

(iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het

zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In

aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het

waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn

en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van

de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der

waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging

van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming)

opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk

getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel

hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden

koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch

zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen,

maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of

datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur

wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare

de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat

niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de

anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het

bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of

duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers,

b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de

tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor zouden anders

de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook

die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam

vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn

onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op

eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of

is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in

korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)

Eind van boek II.

424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die

wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de

gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.

Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor,

reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles,

waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording

(want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door

den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een

gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door

onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar,

dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door

middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en

water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden meerdere

ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het

overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen

(als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor

geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording

zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend),

zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat

door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de

zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor

van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen

zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in

staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den

tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig

is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens

en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige

wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als

er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche

lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.

Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke

dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging,

stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door

beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de

vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal

door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere

waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is dus

duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn

kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het

gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden

gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze

tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk

waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als

wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van

het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet

bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders

zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien

van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden

nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen

zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk

hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het

werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom

vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal

is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en

niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de

gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging,

grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het

witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat

tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook

in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt

het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.

424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard

met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is

hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar

mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de

gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een

verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan

worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording

dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige

waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil

tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.

Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht

waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan

betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en

zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de

waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording

van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige

waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste

waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als

gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het

kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur

moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is;

immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de

duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het

ziende in zekeren zin gekleurd; want het zintuig neemt elk der

waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de

waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de

zintuigen.

In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en

hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in

werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid

heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat

geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in

werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan men hooring

ἄκουσις en het andere geluiding ψόφησις noemen.

426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat

bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen

in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende

en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat

het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende

is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want

gehoor is tweeërlei en geluid en hetzelfde geldt van de andere

waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de

inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook

de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het

waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de

geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men

spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de

werkzaamheid van de kleur is zonder naam, en het smaken is de

werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de

smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het

waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten

noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en

behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz.,

doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere

natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder

gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin

hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men in

tweeërlei zin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels

als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het

gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij

spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.

Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een

opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is,

moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke

overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de

smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het

gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere,

omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de

waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding

komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij

genot; maar in ’t geheel meer het gemengde, het accoord [53], dan het

hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of

verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat

is er pijn of vernietiging.

Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is

aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van

het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en

en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere

andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan

nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming,

aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het

vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou

noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken.

Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen

dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten

beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook

indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn

dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen

dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte.

Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook

denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk

is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te

oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt

hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is

dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets

anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat ik nu

zeg, dat het iets anders is, maar niet dat het nu iets anders is; maar

nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus

ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat

hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en

in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de

gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte

een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in

getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is

het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds

zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaats en

getal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de

tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar

in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit

en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat

waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het

punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het

ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het

gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde

punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn

het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden

waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en

tegelijk [54]. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen

gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.

427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en

voorstelling.

Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar

plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen.

Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze

beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker

het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd:

„naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van

daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en

hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest” [55].

Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van

lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het

gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter

hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de

levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten

tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle

verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling

is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het

gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen

hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen en het denken niet hetzelfde

zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar

ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand,

wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat

is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de

eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren,

maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede

bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en

zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er

geen opvatting. Dat de voorstelling [56] niet zelf begrip en opvatting

is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen

wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij

die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het

meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien

wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk

die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de

voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of

bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting

zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun

tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken

worden.

427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet

gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of

door gewaarwording of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v.

voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De

voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid

voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige

gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd

is. Naam en werking der voorstelling.

Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels

opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over

het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een

beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een

vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen,

waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap,

begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit

dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en

aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden

aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd

aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren,

zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te

nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen

altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook

niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „dit

schijnt ons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk

gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten

ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die altijd

waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware

voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want

meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want

het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof

heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke

meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging

van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen

rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door

gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om

genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets

anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening

en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de

voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming

van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men

niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook

onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de

zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is

overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf

zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp

onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk

veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk

dezelfde meening waar en onwaar zijn. Maar zij werd onwaar, zoo

dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg [57]. Alzoo is de

voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening)

voortkomend.

Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een

ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en

niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende

hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat

door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig

moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk

zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en

door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar

zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden

is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze

dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl.

iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets

anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene

bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen

waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die

bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men

zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend

uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die

drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar,

de anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming)

onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is.

429a. Als dus de voorstelling niets anders is [58] dan is zij een

beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht

in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam van φάος

(licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de

voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de

gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels

doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het

verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als

bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en

waardoor zij is.

429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor

alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn

wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid

der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die

van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in

mogelijkheid.

Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t

onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar

grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand

komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan

door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn,

geschikt om den vorm te vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar

niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de

waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de

denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd

zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij

kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus

heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is.

Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel

denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te

denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het

lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook

een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij

er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet

verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in

werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het

waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt

bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet

waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke

geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest,

wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere

denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet

zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles

wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt

wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook

dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar maar niet zooals voordat hij

geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.

429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip

staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en

zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in

werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en

begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid,

afgezien van de stof.

Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te

onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen,

want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch

en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding;

want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige,

bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu

oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het

vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets

anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken

lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het

rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid;

maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte

verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt

men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in

’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met

den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en

met niets iets gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal

denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen

iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien,

(is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij

de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets

anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet

iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar

het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de

geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets

in werkelijkheid voordat hij denkt. 430a. Men begrijpe het zoo als op

een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het

geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de

denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het

gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt

is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan

worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der

denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de

mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest

bezit wel het denkbare.

430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest

onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De

actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid,

zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig

zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn,

want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat

eenheid van lijden en werken is.

Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor

elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is)

anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen

maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo

moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig

is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken,

als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt

ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid.

En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen

werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het

lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is

hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf

bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt

niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat

alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geen bewustzijn van,

omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de

actieve geest) zonder deze niets denkt.

430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of

onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de

geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken

van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling

heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als

het zien van het eigenlijk zichtbare.

6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent

geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is,

zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals

Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die

dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden

zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal;

wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er

den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd

in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men

het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar

zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat

hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de

geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar

mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare,

wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook

in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar

overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van

beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet

geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften

afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men

(lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan

denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar

soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t

ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen,

zijn deelbaar waarmee men denkt en de tijd waarin men denkt; want ook

in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t

zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle

uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat

zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de

redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of

het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde.

Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige

der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in

werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets,

zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet

altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet

eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke

waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo

verhouden zich de onstoffelijkheden.

431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte

waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het

denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een

centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige

eigenschappen in éénen.

431a. De kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak. Die in

mogelijkheid is naar tijd eerder in den eenen maar in ’t geheel ook

niet in tijd; want alles wat wordt komt voort uit wat in werkelijkheid

is. Het blijkt dat het waarneembare het waarnemingsvermogen uit

mogelijkheid tot werkzaamheid brengt, want het lijdt of verandert niet.

Daarom is dit een ander soort van beweging; immers de beweging was de

werkzaamheid van het onvoltooide, maar de volstrekte werkzaamheid, die

van het voltooide, is een andere. Het waarnemen nu komt overeen met het

zeggen en denken alleen; wanneer men het aangename of onaangename

(waarneemt), overeenkomstig met beaming of ontkenning, streeft men na

of vermijdt; en genot en smart gevoelen is werkzaam zijn met het

waarnemend gemiddelde ten opzichte van het goede of het kwade als

zoodanig. En het vermijden en de nastreving zijn in werkzaamheid

hetzelfde en het streefvermogen en ’t vermijdingsvermogen zijn niet

verschillend noch onderling noch van het waarnemingsvermogen, maar het

begrip verschilt. Voor de denkende ziel zijn de voorstellingen als

waarnemingen; wanneer zij bij goed of kwaad beaamt of ontkent, vermijdt

zij of streeft zij na. Daarom denkt de ziel nooit zonder voorstelling.

En zooals de lucht de pupil op bepaalde wijze aandoet en deze iets

anders en het gehoor evenzoo, en het laatste één is en één gemiddelde,

maar het begrip daarvan veelvoudig [59]... Waarmee men beoordeelt het

verschil van zoet en warm, is ook vroeger gezegd, en ’t kan ook zóó

gezegd worden. Het is nl. een eenheid, zooals ook de grens. En deze,

één zijnde als door verhouding en naar aantal, verhouden zich tot elk

van beiden als die tot elkaar; want wat verschilt het te vragen hoe men

de ongelijksoortige dingen beoordeelt of de tegendeelen als wit en

zwart: laat als wit (A) zich verhoudt tot zwart (B) zoo C staan tot D,

dus ook omgekeerd. Als dus C D bij één ding aanwezig is, zal het zich

verhouden als A B, één en het zelfde, maar naar begrip niet hetzelfde

en ’t andere eveneens. Dezelfde redeneering geldt als A het zoete is en

B het witte.

431 b 2–19. Denken en voorstelling met of zonder waarneming, met of

zonder handeling. Denken van het afgetrokkene. De geest in werkzaamheid

is één met zijn objecten.

De begrippen nu denkt het denkvermogen in de voorstellingen en als

daarin (verkeerende) onderscheidt zich voor ’t denkvermogen het

nastreefbare en vermijdbare en buiten de waarneming wanneer het in de

voorstellingen verkeert, wordt het bewogen b.v. van het signaal

waarnemende het vuur, erkent het door de algemeene zin de beweging

ziende, dat er een vijand is. Anders berekent en overweegt het door de

voorstellingen of gedachten in de ziel als ziende de toekomstige dingen

tegenover de aanwezige; en wanneer het zooals dààr zegt het aangename

of onaangename, zoo vermijdt het hier of streeft na en in ’t geheel bij

het handelen. En ook hetgeen zonder handeling is, het ware en onware,

is in ’t zelfde geslacht met het goede en kwade, maar het verschilt als

volstrekt of betrekkelijk. De afgetrokkenheden denkt het zooals men het

wipneuzige zou denken als wipneuzig niet gescheiden, maar als hol, zou

men het als men het in werkzaamheid dacht, zonder het vleesch denken

waarin de holheid is; zoo denkt het de wiskundige dingen die

ongescheiden zijn als gescheiden, wanneer men geene denkt. In ’t geheel

is de geest in werkzaamheid de zaken. Of het mogelijk is iets

gescheidens te denken zelf niet gescheiden zijnde van grootte of niet,

moet later nagegaan worden.

431 b 20–432 a 14. De ziel is als ’t ware de voorwerpen,

waarneembaarheden en denkbaarheden als vormen; de ziel is de vorm der

vormen als de hand het werktuig der werktuigen. De denkbaarheden zijn

in de waarneembaarheden. Waarneming en voorstelling zijn noodzakelijk

voor het begrijpen; maar voorstelling en gedachte zijn niet hetzelfde.

8. Wanneer wij nu het gezegde omtrent de ziel samenvatten, zullen wij

zeggen dat de ziel zoo te zeggen de dingen is; want al de dingen zijn

of waarneembaarheden of denkbaarheden en de kennis is als ’t ware de

kenbaarheden, de waarneming de waarneembaarheden; de nadere bepaling

hiervan moet men zoeken. De kennis nu en de waarneming verdeelen zich

over de dingen, die in mogelijkheid over mogelijkheden, die in

werkelijkheid over werkelijkheden. Van de ziel is het

waarnemingsvermogen en het kenvermogen in mogelijkheid hetzelfde, het

eene het kenbare ’t ander het waarneembare. Dit moeten of de dingen

zelf of de vormen zijn. Nu zijn het niet de dingen zelf, want niet de

steen is in de ziel, maar de vorm; zoodat de ziel is als de hand;

immers ook de hand is als het werktuig der werktuigen en de geest is de

vorm der vormen en de waarneming de vorm der waarneembaarheden. 432a.

Daar er geenerlei ding is buiten de waarneembare grootheden (en)

gescheiden, zijn de denkbaarheden in de waarneembare vormen, de als

afgetrokkenheden gezegde en alles wat toestanden en bewerkingen van de

waarneembaarheden zijn. En daarom is ’t onmogelijk zonder iets waar te

nemen iets te leeren of te begrijpen en wanneer men bespiegelt is het

noodzakelijk met voorstelling te bespiegelen; want de voorstellingen

zijn als waargenomen dingen doch zonder materie. De voorstelling is

iets anders dan beaming of ontkenning; want de waarheid of onwaarheid

is een samenvoeging van begrippen. Maar wat zal het verschil zijn

tusschen de eerste begrippen en de voorstellingen zijn? Veeleer zijn

ook de andere geen voorstellingen, maar niet zonder voorstellingen.

432 a 15–433 a 30. Plaatselijke beweging en zielsdeelen. Streefvermogen

met gedachte of voorstelling bron van de plaatselijke beweging en in de

eerste plaats het streefvermogen, dat zich richt op het als mogelijk

goed zich voordoende.

9. Daar de ziel der levende wezens door twee vermogens bepaald is, door

het oordeelsvermogen, wat het werk is van denken en waarneming en

bovendien door de plaatselijke beweging, zij over waarneming en geest

dit bepaald, en moeten wij nagaan wat wel in de ziel het bewegende is,

of het is een bepaald deel der ziel, gescheiden naar grootte of in

begrip, of de heele ziel en zoo eenig bepaald deel, of het een bizonder

deel is naast die gewoonlijk genoemd worden en die gezegd zijn of een

daarvan. Wij hebben alvast de moeilijkheid hoe men van zielsdeelen moet

spreken en van hoevele. Immers zij lijken in zeker opzicht onbepaald

vele en niet alleen die welke sommigen [60] onderscheiden, het

redelijke, hartstochtelijke en begeerende, of zooals anderen het

redelijke en onredelijke; want in vergelijking met de verschillen

waardoor zij deze deelen onderscheiden, zullen andere verder uit elkaar

blijken te staan dan deze, waarover hier ook gesproken is, het

voedingsvermogen, dat ook de gewassen en alle dieren hebben en het

waarnemingsvermogen, dat men niet licht of onredelijk of redelijk kan

noemen. Verder het voorstellingsvermogen dat in ’t begrip van allen

verschilt, maar waarvan het zeer moeilijk is te zeggen met welk van

deze het één is of verschilt, als men gescheiden deelen van de ziel

aanneemt. 432b. Bovendien het streefvermogen, dat en in begrip en in

werking als van allen verschillend geldt. Dan is het ongerijmd dit

uiteen te rukken; immers in het redelijke ligt de wil en in het

niet-redelijke de begeerte en de hartstocht; wanneer de ziel driedeelig

is, komt in elk deel het streefvermogen. Eindelijk datgene waarvan nu

sprake is, wat is het dat de plaatselijke beweging aan het levende

wezen geeft? Want de beweging van groei en afname, die bij allen

aanwezig is, zal voortkomen uit het bij allen aanwezige voortbrengings-

en voedingsvermogen; over in- en uitademing, slaap en waken moeten wij

later handelen [61]; want ook daarbij doen zich vele vragen voor. Maar

wij moeten nagaan omtrent de plaatselijke beweging, wat het is dat aan

het levende wezen de beweging van het gaan geeft. Blijkbaar niet het

voedingsvermogen; want deze beweging heeft steeds een doel en is

vergezeld van voorstelling of streven; want zonder streven of vermijden

is er geen andere beweging dan door geweld. Bovendien zouden dan ook de

gewassen bewegingsvermogen hebben en eenig orgaan voor deze beweging.

Evenmin het waarnemingsvermogen; immers vele dieren hebben wel

waarneming maar zijn rustend en onbewegelijk steeds door. Aangenomen nu

dat de natuur niets doelloos maakt noch iets noodzakelijks weglaat

behalve in de gebrekkigheden en onvoltooidheden; de zoodanige levende

wezens nu zijn voltooid en geen gebrekkigheden, waarvoor het bewijs is

dat zij teelkracht hebben en wasdom en afname; zoo zouden zij dus ook

de organen voor den gang moeten hebben. Maar ook het denkvermogen en de

zoogenaamde geest is niet het bewegende; want de bespiegelende geest

denkt niets betreffende handeling en zegt niets omtrent wat te

vermijden of na te jagen is, terwijl de beweging altijd is van iets

vermijden of najagen. Maar zelfs niet als hij iets zoodanigs beschouwt,

beveelt hij tegelijk na te jagen of te vermijden b.v. dikwijls bedenkt

hij iets vreeswekkends of aangenaams, zonder dat hij gelast te vreezen,

maar het hart komt in beweging of, bij het aangename, eenig ander deel.

433a. Verder ook als de geest gelast en de gedachte beveelt iets te

vermijden of na te jagen, wordt men (daardoor) niet bewogen maar

handelt naar de begeerte, gelijk de losbandige. En in ’t algemeen zien

wij, dat hij die de geneeskunde verstaat, niet geneest als zijnde iets

anders beslissend bij het doen volgens de wetenschap, maar niet de

wetenschap. Maar ook is het niet het streefvermogen dat die beweging

beheerscht; immers de zelfbeheerschenden doen ondanks streven en

begeeren niet dat, waartoe zij neiging hebben, maar volgens den

(redelijken) geest.

Het blijkt echter dat deze twee bewegen, of streefvermogen of geest,

als men de voorstelling een soort van denken noemt; want velen volgen

tegen de kennis de voorstellingen en de andere dieren bezitten geen

denken of overweging, maar voorstelling. Dus zijn ’t deze beiden die de

plaatselijke beweging geven, geest en streefvermogen, nl. de met een

doel overwegende, praktische geest; deze verschilt van de theoretische

door het doel. Ook elk streefvermogen betreft een doel; immers het doel

van het streven is het begin van de praktische geest en het eind

daarvan is ’t begin van de handeling. Dus blijken redelijkerwijze deze

twee de bewegenden, streefvermogen en praktische gedachte; want het

nagestreefde beweegt en daardoor de gedachte, omdat het nagestreefde

haar begin is. Ook wanneer de voorstelling beweegt, doet zij dit niet

zonder streven. Dus is het één ding dat beweegt, het streefvermogen.

Want indien twee, begrip en streven, bewogen, zouden zij dit uit een

gemeenschappelijken vorm doen. Nu echter blijkt het begrip niet te

bewegen zonder streven; want de wil is streven, en wanneer men naar de

overweging bewogen wordt, wordt men ook naar den wil bewogen. Het

streven beweegt tegen de overweging, want de begeerte is een zeker

streven. Alle begrip nu is juist; streven en voorstelling zoowel juist

als niet juist. Derhalve is het altijd het nagestreefde dat beweegt,

maar dit is of het goede of wat goed lijkt, en niet al het goede maar

het goede van de praktijk. Dit is wat de mogelijkheid toelaat van

anderszijn.

433 a 31–b 30. Weerstrevingen bij streven weerspreken niet de eenheid

in het streefvermogen. Verband met het lichamelijke. Rust bij de

beweging. Het streefvermogen oorzaak van de plaatselijke beweging in

verband met voorstelling uit gedachte of gewaarwording.

433b. Het blijkt nu dat het zoodanige zielsvermogen, het zoogenaamde

streven, beweegt. Die de ziel in deelen verdeelen, krijgen, wanneer ze

naar de vermogens verdeelen en scheiden, vele deelen, voedingsvermogen,

waarnemingsvermogen, denkvermogen, beraadslagingsen streefvermogen;

want het onderscheid tusschen dezen is grooter dan tusschen de begeerte

en de hartstocht [62]. Daar strevingen voorkomen met elkaar in strijd,

en dit gebeurt wanneer de rede en de begeerten in strijd zijn en bij

hen, die waarneming van tijd hebben (want de geest verzet zich wegens

de toekomst, de begeerte gelast om het oogenblikkelijke [63]; immers

het oogenblikkelijk aangename lijkt volstrekt aangenaam en volstrekt

goed, doordat men de toekomst niet ziet), zoo is naar vorm het

bewegende één, het streefvermogen als zoodanig en allereerst het

nagestreefde (want dit beweegt zonder bewogen te worden door gedacht of

voorgesteld te worden), maar naar aantal zijn de bewegenden meer. Daar

er drie zijn, een het bewegende, het tweede waardoor het beweegt en

verder het derde wat bewogen wordt, en het bewegende is dubbel, deels

onbewogen deels bewegend en bewogen wordend; zoo is het onbewogene het

goede van de praktijk, het bewegende en bewogen wordende het

streefvermogen (want het strevende als zoodanig wordt bewogen en het

streven als werkzaamheid is een beweging) en het bewogen wordende het

levende wezen, en het werktuig eindelijk waarmede het streven beweegt

is lichamelijk; derhalve moet dat onderzocht worden bij de

gemeenschappelijke verrichtingen van ziel en lichaam. Nu, in hoofdzaak

gezegd, is het door organen bewegende daar waar begin en einde

hetzelfde is, zooals het gewricht; want daar is het gebogene en het

holle ’t eene einde ’t andere begin; daarom rust het eene en het andere

wordt bewogen, naar begrip verschillend maar in uitgebreidheid

ongescheiden; want alles wordt door stoot en trek bewogen. Daarom moet

er als (’t middelpunt) in een cirkel iets rusten, en daarvan moet de

beweging beginnen. In ’t geheel dus, zooals gezegd is, is het levende

wezen als voorzien van streefvermogen voorzien van ’t vermogen van

zelfbeweging; het bezit van streefvermogen is niet zonder voorstelling;

alle voorstelling is of verstandelijk of uit de gewaarwording. Deze is

ook het deel van de andere levende wezens.

433 b 31–434 a 21. Streven en redeneering in wederzijdsche verhouding

en weerstreving in het streven. Het bizondere, niet het algemeene,

uitgangspunt van het streven.

Wij moeten ook nagaan wat het bewegende is bij de onvolmaakte wezens

die alleen den tastzin als gewaarwording hebben, of deze voorstelling

en begeerte kunnen hebben of niet. 434a. Het blijkt dat zij voor smart

en genot plaats hebben. Met deze moeten zij noodzakelijk ook begeerte

hebben. Maar hoe zouden zij voorstelling kunnen hebben? Of zooals zij

zich onbepaald bewegen, zoo zijn er ook deze vermogens in aanwezig maar

onbepaald. De op gewaarwording berustende voorstelling nu is, zooals

gezegd is, ook in de andere levende wezens aanwezig, die uit de

overweging voortkomt, in de met rede begaafden; want de keus tusschen

twee handelingen is ten slotte het werk van redeneering en maakt een

maatstaf noodzakelijk, want men zoekt het grootere. Dus kan zij uit

meerdere voorstellingen er één maken. En dit is de oorzaak dat zij

zonder oordeelskracht lijkt, omdat zij het oordeel uit de sluitrede

niet heeft, wel omgekeerd dat haar. Daarom heeft het streven niet de

oordeelskracht, soms echter overtreft het die en beweegt den wil; soms

deze het streven, soms als de bal het eene streven het andere [64],

wanneer er losbandigheid is; van nature is altijd de hoogere heerschend

en beweegt; zoodat er ten slotte drie bewegingen gelden. Het wetende

wordt niet bewogen maar rust. Daar opvatting en begrip deels het

algemeene deels het bizondere betreft, (de eerste nl. zegt dat de

zoodanige het zoodanige moet doen, de tweede: dit nu is zoodanig en ik

ben een zoodanige), is het ten slotte deze meening die beweegt, niet de

algemeene; of beiden, maar de eene meer rustende, de andere niet.

434 a 22–435 b 25. Rangorde in de zielsvermogens en overeenkomstige

bepaaldheid des lichaams. De tastzin als het algemeenste vereischt het

samengesteld-zijn van het lichaam en zij is zelf noodzakelijk voor het

bestaan, de andere zinnen voor het hoogere.

De voedende ziel moet noodzakelijk alles hebben wat leeft en ziel heeft

[65] van de geboorte af en tot den ondergang; want het is noodzakelijk

dat het geborene groeit en hoogtepunt en ondergang heeft en dit is

onmogelijk zonder voeding; dus moet noodzakelijk de voedingskracht

aanwezig zijn in alles wat groeit en afneemt. Gewaarwording is niet

noodzakelijk in alle levende wezens; want alle wier lichaam enkelvoudig

is, kunnen geen tastzin hebben, noch die de vormen niet kunnen opnemen

zonder de materie. Maar het dier moet noodzakelijk gewaarwording

hebben, indien de natuur niets doelloos maakt. Want alle natuurlijke

dingen strekken tot iets of zijn bijkomstigheden van de doelbeoogende

dingen. Indien dus elk lichaam dat loopen kan, als het geen

gewaarwording bezat, zou omkomen en zijn voltooiing niet zou bereiken,

wat het werk van de natuur is; immers hoe zal het zich voeden? 434b. De

rustende immers hebben datgene waaruit zij gegroeid zijn (als

voedingsbodem). Ook is het niet mogelijk dat een lichaam een ziel en

oordeelende geest heeft maar geen gewaarwording bezit, wanneer het niet

rustend is en iets gewordens is. Want waarom zou het die hebben? Of is

’t belang van de ziel of van ’t lichaam. In ’t gestelde geval geen van

beiden; want de ziel zal toch niet kunnen denken en ’t lichaam niet

meer kunnen bestaan daardoor. Dus heeft geen lichaam, dat niet rustend

is, een ziel zonder gewaarwording.

Verder als het lichaam gewaarwording heeft, moet het of enkelvoudig of

gemengd zijn. Maar het kan niet enkelvoudig zijn, want dan kan het geen

tastzin hebben, die het noodzakelijk moet hebben. Dit blijkt uit het

volgende. Daar immers het levende wezen een bezield lichaam is en alle

lichaam tastbaar, d.i. waarneembaar voor den tastzin is, moet ook het

lichaam van het levende wezen tastgevoel hebben als het in stand zal

blijven. Want de andere gewaarwordingen als reuk, gezicht, gehoor gaan

door middenstoffen, maar als er aanraking is zonder gewaarwording, zal

het wezen niet in staat zijn het eene te vermijden het andere te nemen

en in dat geval zal het zich niet kunnen handhaven. Daarom ook is de

smaak als een tastgevoel, want zij betreft het voedsel en het voedsel

is het tastbare lichaam. Geluid en kleur en reuk voeden niet noch

veroorzaken groei of afname. Dus moet ook de smaak een tastgevoel zijn,

omdat zij de gewaarwording van het tastbare en voedende is; deze nu

zijn noodzakelijk voor het levende wezen en het is duidelijk dat zonder

tastgevoel geen levend wezen kan zijn. De anderen zijn voor het hoogere

en moeten dan ook niet voor een willekeurig soort aanwezig zijn maar

voor sommigen, als voor het voortgaande; want indien dit zich zal

handhaven moet het niet alleen bij aanraking maar ook op afstand

gewaarworden. Dit is mogelijk, wanneer het gewaarwording heeft door de

middenstof, doordat deze door het waarneembare aangedaan wordt en het

levend wezen door de middenstof. Want zooals het plaatselijk bewegende

tot een bepaald punt doet veranderen en het stootende iets anders doet

stooten en de beweging in het midden is en het eerste stoot zonder

gestooten te worden, het laatste alleen gestooten wordt zonder te

stooten en het midden beiden, terwijl het midden veelvoudig is, zoo is

het ook met verandering, behalve dat die plaats heeft terwijl het

voorwerp zijn plaats bewaart, zooals indien men (iets) in was doopt, de

was zoover bewogen wordt als het indoopen gaat; een steen in ’t geheel

niet, maar ’t water ver door en de lucht wordt het verst bewogen en

doet aan en wordt aangedaan als hij blijft en één is. 435a. Daarom is

het betreffende weerkaatsing beter (te zeggen), niet dat het gezicht

uitgaande weerkaatst wordt, maar dat de lucht door den vorm en kleur

aangedaan wordt tot zoover hij één is. Op het gladde is hij één; daarom

beweegt weder deze het gezicht, even alsof het merk in de was

doorgevoerd werd tot aan het einde.

Dat het lichaam van het levende wezen niet enkelvoudig kan zijn b.v.

van vuur of lucht, is duidelijk. Want zonder tastgevoel kan het geen

andere gewaarwording hebben; want alle bezield lichaam bezit tastzin,

zooals gezegd is. De andere elementen behalve aarde kunnen zintuigen

zijn, en allen bewerken de waarneming door iets anders, de

middenstoffen. De tastzin vereischt de aanraking van de dingen zelf en

heeft daardoor dien naam. Evenwel ook de andere zintuigen nemen door

aanraking waar, maar door iets anders heen, de tastzin blijkt alleen

door zichzelf waar te nemen. Dus kan geen lichaam van het levend wezen

uit dergelijke elementen zijn. Ook niet van aarde. Want de tastzin

betreft alle tastbaarheden als een gemiddelde en het zintuig neemt niet

alleen de verschillen van aarde op, maar ook van warm en koud en alle

andere tastbaarheden. En daarom nemen wij door beenderen, haren en

dergelijke deelen niet waar omdat die van aarde zijn. 435b. En de

planten hebben daardoor geen waarneming omdat zij van aarde zijn; maar

zonder tastzin kan geen andere gewaarwording aanwezig zijn en dat

zintuig is noch van aarde noch van een ander element. Het blijkt nu dat

beroofd van deze waarneming alleen de levende wezens noodzakelijk

moeten sterven; want het is niet mogelijk dat een niet-levend wezen

deze heeft noch is het noodzakelijk dat een levend wezen een andere

behalve deze heeft. En daarom vernietigen de andere waarneembaarheden

door overmaat het levende wezen niet, als kleur en geluid en reuk, maar

alleen de zintuigen, behalve bijkomstiglijk als b.v. met het geluid

tegelijk stoot en slag komt en door gezichten en reuk andere dingen

bewogen worden die door aanraking vernietigen. Ook de smaak vernietigt

in zoover hij tevens als aanrakend werken kan. Maar de overmaat der

tastbaarheden als warme koude en harde dingen vernietigt het levende

wezen; want de overmaat van elke waarneembaarheid vernietigt het

zintuig, dus ook het tastbare den tastzin en daardoor is het leven

bepaald, want er is aangetoond dat zonder tastzin het levend wezen niet

kan bestaan. Daarom vernietigt de overmaat der tastbaarheden niet

alleen het zintuig, maar ook het levende wezen, omdat het noodzakelijk

dezen zin alleen moet bezitten. De andere gewaarwordingen heeft het

levend wezen, zooals gezegd is, niet om het bestaan maar om het

hoogere, als gezicht omdat het in lucht en water, of in ’t algemeen in

het doorschijnende is en moet zien, smaak om het aangename en

onaangename in het voedsel waar te nemen en te begeeren en aangedaan te

worden, gehoor om een mededeeling te ontvangen, de tong om aan een

ander een mededeeling te doen [66].

Aristoteles' Zielkunde · 第 7 / 11 题