1) Het begrip (Zeller II2 3o dr. p. 207 n. 2) wordt uitgedrukt door
οὐσία, εἶδος, λόγος, τὸ τί ἐστι, τὸ τί ἦν εἶναι. De laatste term in
onderscheiding van den voorlaatsten, spreekt het begrip uit niet zooals
men er mede begint, niet in zijn aanvankelijke onmiddellijkheid, maar
als het door redeneering—zegge door zichzelf—bereikte, naar de
Grieksche spreekmanier door het imperfekt, die b.v. ook in het ὅπερ
ἔδει ἀποδειχθῆναι „quod erat demonstrandum” van de wiskundigen geldt.
Alzoo vatten wij τὸ τί ἦν εἶναι als het begrip van het wezen. „Τοῦτ’
ἄρ’ ἦν” zegt men, als men „des Pudels Kern”, het wezen van iets,
erkent, τί ἦν; wanneer men naar ’t wezen vraagt en τὸ τί ἦν εἶναι is de
gestelde wezenlijkheid, het Wezen.
Zoo staat in dit traktaat 412 b 20 [1]: ἡ ψυχή ... οὐσία ἡ κατὰ τὸν
λόγον. τοῦτο δὲ τὸ τί ἦν εἶναι τῷ τοιῳδὶ σώματι d.i. de ziel is de
begripszijde, het wezen, van het bepaalde lichaam—en verderop: zooals
het gezicht is de begripszijde van het oog. Zoo 419 a 9 τοῦτο γὰρ ἦν
αὐτῷ τὸ χρώματι εἶναι „dit is het wezen van kleur” 424 a 31 τοῦτο δ’ ἦν
ἡ αἴσθησις „dit is het wezen der gewaarwording”; zoo staat Metaph. 983
a 27 τὸ τί ἦν εἶναι synoniem met ἡ οὐσία als het eerste der principes
(αἴτια) en Metaph. 1012 b 14 λέγω δ’ οὐσίαν ἄνευ ὕλης τὸ τί ἦν εἶναι
„met het τί ἦν εἶναι bedoel ik het wezen zonder de stof.”
Het bepaalde begrip wordt uitgedrukt volgens de formule τό τινι εἶναι,
b.v. in de geciteerde plaats (412 b 13) τὸ πελέκει εἶναι „het wezen van
een bijl” en 419 a 9: τὸ χρώματι εἶναι „het wezen van een kleur”;
waarin de datief „het op iets gericht zijn”, de voltooide ontwikkeling
van het begrip aanduidt, datgene, waartoe het begrip zelf de strekking
heeft zich te ontwikkelen.
2) De term τὸ τί ἦν εἶναι ziet af van de toevalligheid der
verschijning, die in de algemeene term τὸ τί ἐστι niet afgescheiden
wordt; van daar dat, terwijl Analyt. Post. I 79 a 38 staat τὸ τί ἐστι
τῶν καθόλου ἐστίν „τ.τ.ἐ. betreft het algemeene”, in de Metaph. 1028 a
17 de vraag naar τὸ τί ἐστι beantwoord wordt met ἄνθρωπος ἢ θεός. Maar
τὸ τί ἦν εἶναι οὐκ ἔχει ὕλην „het τί ἦν εἶναι is begrip afgezien van de
stof” (Metaph. 1074 a 33). Het onderscheid tusschen beide termen wordt
evenals elders bij A. in dit traktaat verduidelijkt door de verhouding
van τὸ σιμόν en τὸ κοῖλον 429 b 13 ἡ σὰρξ οὐκ ἄνευ τῆς ὕλης, ἀλλ’ ὥσπερ
τὸ σιμόν, τόδε ἐν τῷδε; „het vleesch is niet zonder de stof, maar als
het wipneuzige, belichaamde vorm” Metaph. 1025 b 32 τὸ μὲν σιμὸν
συνειλημμένον ἐστὶ μετὰ τῆς ὕλης. ἔστι γὰρ τὸ μὲν σιμὸν κοίλη ῥίς, ἡ δὲ
κοιλότης ἄνευ ὕλης αἰσθητῆς. „Het wipneuzige is samengevat met de stof;
want het wipneuzige is holle neus, maar de holheid is zonder
waarneembare stof.” Τὸ τί ἐστι staat tot τὸ τί ἦν εἶναι als τὸ σιμόν
tot τὸ κοῖλον.
3) Zooals wij in de sub 1) geciteerde plaats (412 b 20) zagen, geldt
ook het woord λόγος voor „begrip”: οὐσία ἡ κατὰ τὸν λόγον. Zoo staat
het tegenover τὰ φαινόμενα 418 b 24 (de verschijnselen) of τὰ τινά
Metaph. 103 b 34 (de dingen) en tegenover ἡ ὕλη (de stof) en is dan
synoniem met τὸ εἶδος of ἡ μορφή (de vorm) 403 b 1 τὴν ὕλην ⁓ τὸ εἶδος
καὶ τὸν λόγον en 414 a 9 μορφὴ καὶ εἶδός τι καὶ λόγος en verderop λόγος
τις ἂν εἴη καὶ εἶδος, ἀλλ’ οὐχ ὕλη. En staat in ons tractaat 412 a 10
τὸ δὲ εἶδος ἐντελέχεια 415 b 14 heet het: τοῦ δυνάμει ὄντος λόγος ἡ
ἐντελέχεια en 412 b 16 is ὁ λόγος synoniem met τὸ τί ἦν εἶναι, het
wezen. Ten derde staat λόγος tegenover αἴσθησις (waarneming) Metaph.
986 b 32 Phys. 189 a 7. Voorzeker behoort λόγος tot de πολλαχῶς
λεγόμενα „de woorden van velerlei beteekenis”, zooals A. zegt. Behalve
in het alledaagsche gebruik voor „woord, spraak, uiting,
mededeeling”—ook wel in tegenstelling tot de gedachte, de daad, het
feit—en voor redevoering, verhandeling, verhaal of fabel” en
dergelijke, dient het meer philosophisch voor „redeneering” 407 a 25 λ.
πᾶς ὁρισμὸς ἢ ἀπόδειξις (alle λόγος is definitie of bewijs), voor
„definitie” (400 b 2 eigenlijk λόγος ὁριστικός 413 a 14; zoo vaak b.v.
ὁ λόγος τῆς οὐσίας of τοῦ τί ἦν εἶναι), voor „oordeel, rekenschap,
rede” (zoo φύσις ἔθος λόγος aanleg, gewoonte, rede) en voor
„verhouding”; zoo is volgens 426 a 27–b 7 zoowel het waarnemende als
het waargenomen-wordende en de waarneming λόγος, verhouding.
Deze uitvoerigere bespreking van λόγος, omdat dit woord voorbeeldig is
voor de moeilijkheid der oude talen, vooral van het Grieksch. Wel is
waar zijn ook in de nieuwe talen de woorden niet van één beteekenis,
maar het voortgezette gebruik beperkt steeds meer de onbepaalde
afwisseling der beteekenissen. Dit geldt meer van de zaaknamen dan van
de afgetrokkenheden: maar in ’t Grieksch zijn deze nog veel meer
onbepaald. We zagen dat A. én λόγος tegenover αἴσθησις stelt én de
αἴσθησις een λόγος noemt. Het begrip op zichzelf, waarvan bij Plato nog
weinig sprake is, worstelt bij A. om zichzelf te vatten.
4) We kunnen korter zijn met εἶδος, dat behalve „uiterlijk, gedaante”
logisch de soort, het onderdeel van het geslacht, aanwijst; voorts
metaphysisch in ’t algemeen, synoniem met μορφή en λόγος, „het
bepalende”, de „vorm” tegenover de ὕλη, de stof, zie 412 a 7 vlg.: de
οὐσία vervalt in ὕλη en μορφὴ καὶ εἶδος en het uit beiden voortkomend
geheel. Daarom is εἶδος ook uitdrukking voor de Platonische „ideeën
(ἰδέαι). Τὸ εἶδος moet meer οὐσίa heeten dan ἡ ὕλη (Metaph. 1029 a 29)
als het algemeen bepalende tegenover het onbepaalde algemeene, het
kenbare tegenover het onmiddellijke, aanvankelijke en daarom kan het
alomvattende, de geest (ὁ νοῦς) heeten „het begrip der begrippen”
(εἶδος εἰδῶν 432 a 2), zooals de hand „het werktuig der werktuigen”.
5) Na wat boven over λόγος gezegd is, behoeft het niet te verwonderen,
dat het meest algemeene woord ἡ οὐσία groote verlegenheden baart, zóó
dat Zeller (II3 p. 312) en anderen in de Aristotelische bepaling van
dit begrip „een defekt en diepingrijpende tegenspraak in het systeem
van den philosoof” moeten vaststellen. Niemand heeft bezwaar tegen het
gebruik van οὐσία voor „vermogen”, of voor „het aanzijn, de waarheid,
het wezen” zooals Plato en verderen het woord gebruiken voor wat bij de
vóór-Sokratische denkers φύσις heette; zoo 407 b 1 εἰ δ’ ἐστὶν ἡ
κίνησις αὐτῆς μὴ οὐσία, παρὰ φύσιν ἄν κινοῖτο „als haar beweging niet
haar wezen is, dan is die onnatuurlijk”. Maar staat οὐσία als „het
eigenlijke, het eigen zijn, de substantie” tegenover „de
bijkomstigheden” (τὰ συμβεβηκότα, de accidentia 402 a 8), dan vraagt
men: wat is voor A. de substantie? Zij is in de rij der algemeene
begrippen (kategorieën) de eerste, grond van alle anderen, maar waarvan
geldt zij? Van het enkele—τὸ καθ’ ἕκαστον ἡ οὐσία heet het telkens—of
van het begrip, het wezen, als principe en oorzaak (ἀρχή τις καὶ αἰτία)
van het aanzijn der dingen? Zoo van het enkele, dan is er geen kennis
van en het begrip, het kenbare, is dan niet het ware; want dat is dan
het enkele. Dat is het bezwaar van Zeller en de meesten. Maar men heeft
aan te nemen dat A.’s philosophie in dezen wel onderscheidt, maar niet
scheidt. Wanneer hij vaak (zooals 412 a 7 vlg.) van de οὐσία spreekt
eenerzijds als ὕλη, anderdeels als μορφὴ καὶ εἶδος en ten derde als τὸ
ἐκ τούτων (wat uit beiden voorkomt) en de natuurlijke dingen, de
elementen (τὰ φυσικὰ σώματα) de eigenlijkste οὐσία noemt, dan blijkt de
οὐσία het alomvattende vooronderstelde algemeene te zijn, dat wel is
waar alleen als het enkele werkelijk voorkomt, maar zóó dat de waarheid
er aan alleen het begrijpelijke, het begrip d.i. het algemeene is. Dus
stelt A. een eenheid van tegendeelen, waartoe hij komt van de
alledaagsche ervaring der enkele dingen uit; van daar het veelvuldige
οὐσίαι δὲ δοκοῦσιν εἶναι... („pleegt men te noemen”). Een voorbeeld ter
verduidelijking: een woord is innerlijk, van wege zijn beteekenis, het
algemeene, uiterlijk („deze klank en niet die klank”) het enkele; beide
zijden kunnen οὐσίαι heeten, in klankleer (phonetiek, geldt als οὐσία
de uiterlijke, in beteekenisleer (semantiek) de innerlijke zijde; als
de meer ware geldt de innerlijke van het standpunt van den geest; de
natuur geeft het onmiddellijke, onbewuste, waarmee men ook kan beginnen
doch alleen om het op te heffen tot het geestelijke, dat aanvang en
einde in éénen is.
6) De οὐσία is de eerste in de rij der κατηγορίαι, ook genoemd γένη
(402 a 23) of τὰ πρῶτα (Metaph. 1034 b 9), der kategorieën of
algemeenste begrippen, waarvan A. er 8 of 10 optelt, niet opstelt of
althans niet duidelijk maakt dat er deze, zooveel en zoo moeten zijn in
de νόησις νοήσεως (Metaphys. 1074 b 34) „als het begrip zichzelf
begrijpt.” Hetgeen eerst bij Hegel bereikt is [2] en daardoor is de
eisch der redeleer bevredigd. De 8 kategorieën van A. zijn: οὐσία
(substantie, quidditas), hoeveelheid, hoedanigheid, betrekking, plaats,
tijd, doen, lijden: verder de 2 κεῖσθαι (liggen) ἔχειν (hebben), die ik
hier alleen noem.
7) Wij hebben de οὐσία hooren noemen ἀρχή τις καὶ αἰτία „principium et
causa” (Zeller 327 vlg.) Zulke tweeledige uitdrukkingen gebruikt A.
dikwijls b.v. hier in ’t begin 402 a 7 θεωρῆσαι καὶ γνῶναι τήν τε φύσιν
... καὶ τὴν οὐσίαν („na te gaan en te begrijpen haar natuur en haar
wezen”). Zij zijn van Homerus af een in ’t Grieksch veel voorkomende
wending om de volledigheid aan te geven: de aangehaalde uitdrukking
komt in alledaagsch gebruik voor bij Demosthenes „over den Vrede” § 15
ἡ ἀρχὴ καὶ ἡ αἰτία τοῦ πολέμου „de oorsprong en de oorzaak van den
oorlog”, in ’t Latijn bij Tacitus, Historiæ II: 1 struebat iam fortuna
... initia causasque imperio „de fortuin bereidde reeds de beginselen
en oorzaken voor een keizerschap” etc. Zoo neemt het alledaagsch
gebruik uitdrukkingen der philosophen halfbewust over. De philosophie
houdt zich bezig met het bepalen van τὰ πρῶτα αἴτια καὶ τὰς ἀρχάς „de
eerste beginselen (Metaph. 981 b 28). Bij de vóór-Sokratische denkers
waren deze meer of minder van stoffelijken aard (ὑλικαί), waarom dan
ook nog 410 a 19 (Metaph. 983 b 10) op hun standpunt van στοιχεῖα
(elementen) καὶ ἀρχαὶ ἴδιαι gesproken wordt. Bij A. heeten de elementen
(τὰ φυσικὰ σώματα, τὰ στοιχεῖα) de ἀρχαὶ van de andere lichamen (412 a
12); maar wanneer de ziel als ἀρχὴ καὶ αἰτία τοῦ ζῶντος σώματος bepaald
wordt (415 b 8), dan staat de ἀρχή tegenover de ὕλη als 430 a 18
τιμιώτερον ἡ ἀρχὴ τῆς ὕλης „voortreffelijker is de ἀ. dan de ὕ. Evenzoo
in den aanhef van het traktaat „de ziel is om zoo te zeggen het
principe van het levende”, „om zoo te zeggen”, want de ware ἀρχή is
niet de ziel (ψυχή) maar de νοῦς of ὁ θεός Metaph. 1072 a 30 en ’t
heele 7o hoofdstuk. Ἀρχή beteekent ook grond van het kenvermogen (402 a
21): denken er zijn vallen bij A. nog meestal uiteen. De zoogen.
denkwet, het principium contradictionis, is een ἀρχή en voor de
verschillende onderzoekingen gelden verschillende ἀρχαί (402 a 21). Dus
is het begrip wijder dan dat van αἰτία, waarmede ἀρχή synoniem is.
8) De causae (αἱ αἰτίαι of τὰ αἴτια) stelt A. gewoonlijk ten getale van
vier op die tot één herleid kunnen worden: de causa formalis (ἡ οὐσία
καὶ τὸ τί ἦν εἶναι), materialis (ἡ ὕλη καὶ τὸ ὑποκείμενον) efficiens
(ὅθεν ἡ ἀρχὴ τῆς κινήσεως) en finalis (τὸ οὗ ἕνεκα καὶ τἀγαθόν) Metaph.
983 a 27–32 Zeller II2 p. 327 vlg. Zoo is aan het kunstwerk wezenlijk
(c. form.) de vorm, die de kunst geeft; materieel, de stof of het
voorloopige, vooronderstelde, naar vorming strevende, efficiënt de
kunst des kunstenaars en finaal (de schoonheid van) het geheel. Bij het
verschijnsel vallen deze momenten het meest uiteen, behalve vorm en
stof; in het wezen zijn zij één. Daarom is het volledige onderzoek naar
de causae het geheel der philosophie (Metaph. 982 b 9: „de wetenschap
moet de beschouwing zijn van de eerste beginselen en gronden”).
9) De verhouding tusschen het stof- en vormmoment, tusschen ἡ ὕλη of τὸ
ὑποκείμενον en het εἶδος, welke ook in ’t algemeen geldt, wordt nader
begrepen als die van mogelijkheid (δύναμις) en werkzaamheid (ἐνέργεια)
Metaph. 1014 a 8. Het algemeene geheel, als eenheid van het onbepaalde
en het bepalende, het lijdende en werkende, stof en vorm en het
bizondere of reeds bepaalde onderscheidt zich naar mogelijkheid en
werkzaamheid; in het algemeene eerste (in ’t onbepaalde, het lijdende,
de stof) ligt de mogelijkheid van de werkzaamheid van het andere (het
bepalende, het werkende, de vorm) vgl. 414 a 11); en het bizondere is
óf in aanleg óf ontwikkeld. Zooals in ’t algemeen de ὕλη mogelijkheid
of aanleg is voor de verwerkelijking van het εἶδος, zoo is elke lagere
vorm van de ziel in den telkens hoogeren δυνάμει „naar mogelijkheid”
aanwezig, naar wij zeggen „opgeheven en bewaard” (414 b 29) en tot het
lijf zelf staat de ziel als ἐνέργεια tegenover δύναμις (412 a 20). Deze
onderscheiding, reeds bij Plato aangegeven (Theaetetus), geldt eerst
bij A. stelselmatig; zij is het die aan de leer de eenheid en
bewegelijkheid geeft, die het kenmerk van de waarheid is.
10) T.a.p. (412 a 21) is sprake van ἐντελέχεια. De vorming van dit
woord, van het adjektief ἐντελεχής d.i. ἔχον τὸ ἐντελές
(voltooidheidhebbende) als νουνεχής voor ἔχων νοῦν is na veler pogingen
eindelijk verklaard door Herman Diels in Kuhn’s Zeitschrift 1916 p. 201
door vergelijking met ἐντελόμισθος bij Demosth. c. Polyclem 18 „die
volledig loon heeft.” De term is veelal synoniem met ἐνέργεια (zie No.
9) b.v. 417 a 9 τοῦ ἐντελεχείᾳ πυρὸς ὄντος „van het vuur dat in
werkzaamheid is” en evenzoo in het geheele 5o hoofdstuk van het 2o
boek. De werkzaamheid is echter slechts een zijde van het geheel der
entelechie. Zooals de Part. Anim. II 646 a 20 staat dat de elementen er
zijn voor de gelijkdeelige, deze voor de ongelijkdeelige of organische
deelen des lichaams, ταῦτα γὰρ ἤδη τὸ τέλος ἔχει καὶ τὸ πέρας „want
deze vormen het doel en de voltooiing,” zoo wordt de ziel eene
ἐντελέχεια des lichaams genoemd, zijnde deze vorm (εἶδος) tegenover de
stof. Want τὸ εἶδος ἐντελέχεια (412 a 10) en τοῦ δυνάμει ὄντος λόγος ἡ
ἐντελέχεια (415 b 14) „(de ziel of) de entelechie is het begrip van het
naar mogelijkheid zijnde.” Zoo verklaart een scholium (oude
aanteekening) terecht ἐντελέχεια door τελειότης en wordt er mede
bedoeld de voltooidheid van het begrip in elke verhouding. Tegenover τὸ
δυνάμει ὄν valt zij samen met de ἐνέργεια, ten opzichte van het begrip
op zichzelf duidt zij de volstrektheid, de alomvattendheid, de
voltooidheid aan, als 431 a 3 ἐξ ἐντελεχείᾳ ὄντος πάντα τὰ γιγνόμενα
„alles wat wordt, wordt uit wat in voltooidheid is,” 412 b 9 τὸ κυρίως
ἡ ἐντελέχεια „het ware (zijn) is de entelechie.” Van daar Metaph. 1039
a 7 ἡ ἐντελέχεια χωρίζει „de entelechie stelt op zichzelf, sluit
verdere bepaling uit” zoodat het niet aangaat met de scholastici als
bij een bizonderheid nadere bepaling der entelechie te vragen. De
laatst geciteerde plaats doet denken dat het begrip van het
voor-zich-zijn, de terugkeer van het begrip tot zichzelf met ἐντελέχεια
aangeduid wordt.
11) De overige termen, die in het traktaat voorkomen: ἀπόδειξις
(deductief bewijs) διαίρεσις (analyse ontleding) συλλογισμός (ook
συμπέρασμα), ὑπόληψις (opvatting), φαντασία (voorstelling uit
zintuigelijk waarnemen) στέρησις (ontzegging, ontstentenis), ἕξις
(bezit, toestand, eigenschap) zijn duidelijk uit het verband.
Hiermede vertrouw ik deze vertaling aan de belangstellenden toe,
slechts een poging om van de diepzinzinnigheid van het oorspronkelijke
besef te geven. Wanneer ik aan Hegel’s bovenvermelde aanmaning op mijn
wijze heb gehoorzaamd, dan vertrouw ik, al zijn er na Aristoteles en
Hegel beiden vele nieuwe philosophieën geweest, niet slechts
philologisch werk te hebben verricht.
Dr. J. M. FRAENKEL.
Utrecht, 31 Jan. 1919.