INLEIDING.

Wanneer wij na de lezing van Plato voor het eerst kennis maken met het

traktaat van Aristoteles over de ziel, dan kost het ons moeite onze

teleurstelling te verbergen. Al zochten wij niet de bekoring van de

kunst van Plato, die uit denken en schoonheid één leven schept en onze

ziel ἠρέμα ἀνάγει ἄνω „zachtkens omhoog voert”—toen wij ons

verplaatsten van het tooneel naar de grijze collegekamer, rekenden wij

op een regelmatige en volledige uiteenzetting van het onderwerp en

aangezien de vorm van het traktaat niets aantrekkelijker is dan die

onzer hedendaagsche wetenschappelijke geschriften, verwachtten wij

evenveel wetenschappelijkheid.

Hierin worden we dan in velerlei opzicht teleurgesteld. Aristoteles is

gedrongen en daardoor vaak duister, gebruikt voortdurend wijsgeerige

termen wier oorsprong hij niet aangeeft; het verband begeeft ons

dikwijls en de wetenschap die hier voor Plato’s kunst en verhevenheid

in de plaats treedt, verschijnt in nog onontwikkelde vorm.

Bij Plato moet men naar wetenschappelijkheid nog niet vragen; zijn

Sokrates, zijn wijsheid, levert hymnen op Apollo, ὁμόδουλος τῶν κυκνῶν

„medeslaaf van de zwanen” (Phaedo 85 B); weliswaar heeft Aristoteles in

alle wetenschap van hem geleerd, maar de wetenschap komt eerst in

Aristoteles tot stand. We behoeven dan ook eigenlijk niet om

Aristoteles’ traktaat te begrijpen, te vragen wat Plato over de ziel

geleeraard heeft.

Plato leert nergens stelselmatig over de ziel, al zijn Theaetetus

Phaedo Republiek en Timaeus vol van haar. Want hoe spreekt b.v. de

Phaedo, het drama van Sokrates’ onsterfelijkheidsvertrouwen, over de

ziel? De onderscheiding—heet het—van het zintuigelijk waarnemen (het

onware kennen) en het denken der ideeën (het ware weten) voert tot het

wezen van de ziel, (65 D) en het wezen der ziel doet zich kennen als

het blijvende in den kringloop van ontstaan en vergaan (72 D). Het

denken verder is de wetenschap, die in aanleg, blijkens de ervaring van

het leeren (73 A) met de ziel gegeven is en die door stelselmatige

herinnering tot stand wordt gebracht. Zij betreft de idee, het

algemeene, blijvende, onveranderlijke, waarnaar de waarnemingen

verwijzen, en dat aan de waarnemingen voorafgaat. Dat wezenlijke heeft

de ziel tot grondslag (76 E), die tevens de grondslag is van het leven

(77 D). Zoo is de ziel als onzichtbare grondslag het niet-samengestelde

(78 C); zij is het goddelijke, onsterfelijke, alleen denkbare, het

eenvormige, ondeelbare, altijd met zichzelf eenzelvige (80 B), geen

harmonie van stoffelijke elementen (86 B) of product (87 B), en niet

slechts noodzakelijke bestaansvoorwaarde (99 B) maar de ware oorzaak

van het leven, als grondslag van het leven even onverdelgbaar als het

leven zelf (104).

Zoo is de psychologie van den Phaedo; in dien trant spreken ook de

andere dialogen; het is moeilijk en hard dat alles te ontleden en ’t

is, zooals gezegd is, niet noodig in deze inleiding. Aristoteles heeft

het leerstellige van Plato in zijn eigen verband opgenomen, en dit zal

voor zoover noodig bij deze vertaling toegelicht worden; de toon van

zijn kritiek is soms grimmig: τὰ γὰρ εἴδη χαιρέτω. τερετίσματά τε γάρ

ἐστι etc. „de Ideeën laat ik daar, dat is klinkklank” zegt hij (Anal.

Post. I 83 a 32 vgl. Met. 991 a 20), maar wel begrijpelijk als van den

wetenschappelijke tegenover den theosoof. Want Aristoteles’ denken is

stelselmatig, hij staat in het teeken der wetenschap en wat boven

gezegd is, dat de wetenschap bij hem nog onontwikkeld is, dat is juist

het bewijs van zijn wetenschappelijkheid; hij moet veel zeggen wat wij

met meer kennis zeggen; want phantasie en kunst zijn voor alle tijden,

maar oude wetenschap vergaat in nieuwe.

Met dit besef evenwel staan wij niet op den bodem van de moderne

beschouwing omtrent Aristoteles; „an keiner Philosophie (hat) die

neuere Zeit sich so vergangen als an ihr (d.i. aan de Aristotelische)”

zegt Hegel’s Gesch. der Phil. (p. 468 ed. Bolland). Daar is E. Zeller’s

uitvoerig werk, die in zijn slotbeschouwing (p. 801) zegt dat

daargelaten de absolute waarheid van A.’s leer (waarover hij niet wil

spreken) hij en anderen moeten erkennen, dat het A. niet gelukt is de

leidende gezichtspunten van zijn systeem zonder tegenspraak te

verbinden. Waarvan dan zeker een staaltje is wat p. 312 „een hoogst

ingrijpende tegenspraak in ’t systeem van den Philosoof” heet, dat n.l.

A. nu eens het enkele ding dan weer het Algemeene de ware substantie

(οὐσία) noemt. De onverzoenlijkheid van die tegenspraak staat voor

Zeller vast. Toch weet hij wel dat A., anders dan Plato, het Algemeene

niet op zichzelf stelt, niet scheidt van het Enkele, maar daarin het

wezen van het Enkele vindt: in zoover kan het Algemeene naar de

gelegenheid vordert het ware heeten. Doch tegenover die eenzijdigheid

staat met gelijk recht, die welke het Enkele het ware noemt, juist

omdat het andere te zeggen ook eenzijdigheid is. Geen van beide op

zichzelf is waar of onwaar of het ware—als men ’t ware zeggen wil, dan

kan men naar omstandigheden ’t Enkele zoowel als ’t Algemeene het ware

noemen. Dat doet A. geen liefhebber van eenzijdigheid, die b.v. in ’t

begin der Metaphysica de wetenschap het hoogste noemende, erkent dat de

ervaring zonder wetenschap even goed en soms beter is. Het

Aristotelische systeem, voorbeeldig voor het Hegelsche, is

werkelijkheidssysteem en vindt de werkelijkheid in de volledigheid.

„Als men in iedere richting philosofeert,” zoo zegt A. Polit. 1279 b 12

„en niet alleen naar de praktijk ziet, is het gepast niets voorbij te

zien of weg te laten, maar de waarheid omtrent alles duidelijk te

maken.” Bewegelijkheid is de philosophie van A., zooals zij is het

principe van de natuur (Phys. 253 b 5 ἡ φύσις ἀρχὴ τῆς κινήσεως vgl.

192 b 20).

Voor Zeller is dus A.’s systeem een (gebrekkige) leer, die haar tijd

gehad heeft. Gewoonlijk echter wordt een ander oordeel over A.

uitgesproken. Hoor R. D. Hicks, de verdienstelijke uitgever van ons

traktaat voor de Cambridge University (1907) in zijn inleiding p. L n.

1 „Van onze hoogere kennis uit kunnen wij ons vergunnen te glimlachen

over de naïeve onnoozelheid, de brutale vermetelheid, die beweert den

groei te verklaren zonder iets te weten van cellen, die gevoel en

beweging bespreekt zonder kennis van de natuur en de functies der

zenuwen en die vuur als een element behandelt in zalige onwetendheid

van de chemische verbrandingsverschijnselen.” Lewes Aristoteles p. 223

(vert. van Carus): „zijn geest, die noodwendig tot ongerijmdheden moest

vervallen, als hij over warmte theoretiseerde zonder thermometer en

over physica zonder kennis der bewegingswetten, stijgt tot

bewonderenswaardige hoogte wanneer hij de hoogere algemeenheden van het

leven en den geest behandelt.” Hem citeert met instemming Rudolf

Eucken, iemand van naam en groote kennis op dit gebied, wiens oordeel

en behandeling typisch mogen heeten: zie „die Methode der Aristot.

Forschung” (1872) Schlusswort p. 584 vlg. Hij zegt dat hij zijn

beschouwing zooveel mogelijk historisch gehouden heeft en dan A.

voortreffelijk acht; maar dat verder de waarde van de methode toch ook

nog te beoordeelen is. En oordeelende blijkt hem dat op ’t eerste

gezicht A. niet van waarde is voor onzen tijd, dan alleen door zijn

fouten—de fouten van een grooten geest—die wij kunnen leeren vermijden

en waardoor wij onze zekerheid meer kunnen beseffen. Maar, zegt hij,

dat maakt de vereering van de nieuweren voor A. nog niet begrijpelijk.

Die moet gegrond zijn op de blijvende beteekenis van zijn methode van

onderzoek en in ’t bizonder op zijn streven om met en door de

nauwkeurige studie van de onderdeelen tot een geheel van

wereldverklaring te komen. En hierin vindt de hoofdzakelijk kritische

richting van de nieuwere philosophie de aanvulling, die zij misschien

behoeft; want kritiek is niet het laatste doel, maar dàt is alleen door

vereenigend denken te bereiken.

Alzoo spreekt Eucken—heen en weer, zoodat wij met zijn oordeel

denzelfde graad van moeite hebben als hij zelf met Aristoteles—wel is

waar niet dezelfde soort van moeite. Hij zegt wel iets, dat wij

begrijpen; hij waardeert het vereenigend denken van A., maar wij

vernemen niet—waar het op aankomt—of die vereeniging, dat geheel van

wereldverklaring, bevredigend tot stand gekomen is en zoo ja, hoe dat

in zijn werk gegaan is bij A.’s gebrekkige methode; zoo neen, wat er

eigenlijk van houdbaar is.

De onrust nu zelf van zulk een onbepaald oordeel als van Eucken en

zoovelen doet ons beseften dat in hun beschouwing het begrip zich nog

niet heeft gevonden. Dit geldt van den heelen A., dit geldt van de

Anima. Ik heb gezegd hoe gebrekkig en zwak dat geschrift is; maar het

schijnt toch zeer gewaardeerd te worden; waarom anders die prachtige

uitgaven van Trendlenburg, Rodier, Hicks—Duitsch, Fransch, Engelsch?

Laten we dan nauwkeuriger nagaan wat van het geschrift te denken is.

Het is schetsmatig, nergens uitvoerig of geordend; wij erkennen het en

hetzelfde geldt van al het voornaamste Aristotelische. Maar door alles

loopt een draad; zooals te verwachten was bij den 3o in de rij; want

Sokrates begint, Plato zet voort en A. voltooit. Daarom is zijn

philosophie systeem in den waren zin, zelfvoltooiing van het begrip

(„voortgaande heeft de zaak zelf hen den weg gebaand en door de

waarheid zelve genoodigd zochten zij verder” zegt hij Met. 984 a 19 b

10 van de oude denkers). En toch ook weer niet; want wij moeten uit de

geschriften het systeem eerst halen, het verspreidde samenvatten,

toevoegsels afscheiden, samenhang herstellen, kortom het begrip er in

brengen.

Doch eerst moet men vertrouwen in het Aristotelische hebben en wekken,

zooals hijzelf vertrouwen heeft in het menschelijk denken—„de aanleg

van de menschen, zegt hij (Rhet. 1355 a 15) is voldoende voor het ware

en in ’t meeste treffen zij de waarheid.”—„Alle menschen—zoo begint de

Metaphysica—streven van nature naar het weten; dat bewijst de lust in

het gewaarworden; immers ook afgezien van het nut geven de

gewaarwordingen voldoening en in ’t bizonder die door de oogen. Want

niet alleen om te handelen, maar ook zonder dat wij iets willen doen,

verkiezen wij het gezicht boven alle andere gewaarwordingen. Hiervan is

de oorzaak dat die gewaarwording ons ’t meest doet kennen en vele

onderscheidingen mogelijk maakt.”

Dit vertrouwen in de wetenschap doet A. kennen als een denker voor wien

de werkelijkheid redelijk en het redelijke ook werkelijk is en het

bepaalt de houding tegenover zijn meester en voorganger Plato. Hierbij

een toelichtend staaltje. Plato in zijn dialoog „Gorgias” ontzegt der

rhetorica den naam van kunst omdat zij niet op de waarheid maar op den

schijn gericht is „protegit haec sontes, immeritosque premit” (zij

beschermt schuldigen en verdrukt onschuldigen) zooals Ovidius zegt.

Aristoteles merkt op (Rhet. 1354 a 4 etc.).

„Alle menschen hebben in zekeren zin deel aan beide (nl. aan rhetorica

en dialektiek), want zij beproeven allen tot op een zekere hoogte te

toetsen, rekenschap te geven, te verdedigen en aan te vallen. De groote

menigte doet dit òf op goed geluk af òf door gewoonte en aard. Daar het

dus op beide wijzen gaat, is het duidelijk dat men er ook methode in

kan brengen; want het is mogelijk de oorzaak na te gaan, waardoor op

beide wijzen het succes volgt: en dit na te gaan zal ieder toegeven het

werk van kunst te zijn.”

En op ’t eind van het hoofdstuk (1355 b 2).

„Het argument dat wie onrechtvaardig de woordkunst gebruikt, groot

nadeel stichten kan, geldt voor alle goed (behalve de deugd) en in ’t

bizonder voor het nuttigste als kracht, gezondheid, rijkdom,

veldheerstalent; daarmede kan men bij rechtvaardig gebruik ’t grootste

nut doen, bij onrechtvaardig het grootste kwaad stichten”—en op deze

wijze zet A. de bewering van Plato op zij of terecht. Veel meer

dergelijke rake kritiek, die tevens methode en begrip is, leveren de

Politica op Plato’s beide staatkundige werken, en de Metaphysica op

zijn Ideeënleer; maar daarover wil ik niet uitwijden.

In de tweede plaats wordt ons vertrouwen versterkt door de bevinding

dat de werken van A. zóó samenhangen, dat het niet geheel mogelijk is

uit den inhoud te zien wat het eerst, wat het laatst geschreven is; op

elk punt schijnt het geheele systeem present te zijn, zooals dat ook

bij Hegel gaat. Ons traktaat b.v. is zeker later dan het tot een ander

deel der leer behoorende boek over de dialektische gezichtspunten

(„Topica”), maar toch staat Top. 111 b 4 over de beweging der ziel

hetzelfde als in de Anima. De uitgevers hebben dan de gewoonte bij elke

plaats alle anderen van denzelfden inhoud te citeeren; zoo wordt hun

commentaar lijvig, maar van de eenheid van het Aristotelische systeem

gewagen zij niet.

Dus beantwoorden zij b.v. de vraag niet of A. verband stelt tusschen de

abstracte denkleer van zijn logica („het Organon”) en zijn Metaphysica.

Dat dit wèl het geval is, kan blijken uit Metaphys. 1034 a 37 waar van

een betoog dat de wording uit het zijn voortkomt, het slot luidt:

„zooals bij de sluitredenen het principe van allen het wezen is—want

uit het begrip zijn de sluitredenen—zoo hier (uit het zijn) de

wordingen.” De modernen die uitdrukkingen als οὐσία en λόγος „wezen,

begrip, zijn” verstarren en waar A. onderscheidt gescheiden houden,

ontnemen zich daarmede de mogelijkheid om te begrijpen. Plaatsen nu als

de geciteerde zijn er meer; b.v. Met. 1014 b 1; die moeten ons dienen

als leiddraad om in het geschrijf het systeem te volgen. Een algemeene

inleiding, zooals door lateren voor A. wél gemaakt zijn maar dan op hún

manier, bestaat er niet en toch wordt iets algemeens van dien aard, ’t

zij als geschreven, ’t zij mondeling, vaak voorondersteld in de

bestaande werken. De tijd heeft nog veel wonderlijker omgesprongen met

de wijsheid van A. dan met Hegel. Er is geen grooter verschil denkbaar

dan tusschen de ongeveer volkomen overlevering van de dialogen van

Plato en de toevallige stukken en brokken die Aristotelisch zijn en

heeten.

Maar alles is uit één geest: in dien geest moet ik ook ons traktaat

behandelen anders dan in den aanvang, toen ik de gewone

beschouwingswijze volgde alleen wat eerlijker of nog eenzijdiger dan

deze zich gewoonlijk uitspreekt.

Wanneer de verschillende boeken die de geschiedenis der philosophie

behandelen bij Aristoteles en Hegel komen, raken ook de degelijksten de

kluts kwijt: bij deze twee vindt eenzijdige kritiek van „hoofd”punten

geen baat; al is die kritiek zoo welwillend als in ’t geval van A. bij

Eucken, die bij elke bestrijding tevens een verontschuldiging voegt en

met het geheel verlegen blijft, zooals we zagen. Ik wil trachten naar

vermogen het begrip in A.’s geschrift na te gaan als volgt.

Het boek de Anima begint met de opmerking dat de studie der ziel boven

andere studiën gewichtig is doordat zij overgang vormt tusschen de

algemeene waarheid en de natuur—geest, ziel en leven alzoo. Gewichtig

en evenzeer moeilijk, omdat met het onderwerp tevens de methode en de

grondslagen van het onderzoek behandeld moeten worden. Hierdoor worden

wij er op voorbereid dat de ziel niet van uit eenig meer of min bewust

van te voren bepaald standpunt zal bestudeerd worden; op hetzelfde

wijzen de volgende algemeene vraagpunten en vooral de zinsnede: „Wie

immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de

menschelijke ziel na te gaan”. Ten slotte staat dat de studie der ziel

kan zijn de studie van de waarneembaarheden en denkbaarheden als

zoodanig, want van het begrip komt men tot de wetten der ervaring, maar

omgekeerd is de ervaring op te nemen als kenbron van het begrip. De

ware wezensdefinitie moet van de verschijnselen rekenschap geven en de

ziel is niet geestelijk zonder meer, maar zij heeft blijkens de

aandoeningen ook een natuurlijken kant, zij is niet als lijn of vlak.

De rest van het boek dient om in de theorieën van de voorgangers kaf en

koren te onderscheiden; dat A. dit doet van zijn eigen systeem uit en

dat de modernen hem dit verwijten kan ons naar wat wij gehoord hebben

even weinig bevreemden als dat bij Hegel de geschiedenis der

Philosophie er anders uitziet dan in de overige

philosophiegeschiedenissen en dat de modernen Hegel dit verwijten. Zoo

zegt Enrico Soulier in een boek over Eraclito Efesio (Roma 1885) p. 33:

„costrurre a priori la storia del pensiero filosofico, come volle

Hegel, cioè ridurre la sostanza dei sistemi diversi ad una mera

successione di categorie logiche necessarie, sarebbe dunque volere

annientare in ciascun sistema la particolarità che lo distingue.”

De schrijver drukt zich onnauwkeurig uit: hij bedoelt dat Hegel door de

substantie van de verschillende systemen te maken tot een simpele

opeenvolging van logische kategorieën afziet van de bijkomstigheden van

elk systeem. Dat keurt hij af. Evenzoo Eucken p. 12: „Wenn A. ... durch

die geschichtliche Betrachtung eine Bekräftigung der eignen

Anschauungen erstrebt und dabei den eignen Standpunkt als einen

abgeschlossenen voraussetzt, so kann er natürlich die Vorgänger nicht

unbefangen betrachten, er wird vielmehr in den Fehler verfallen, seine

eignen Gesichtspunkte in sie hineinzutragen enz. enz.... Dass er aber

den eignen Standpunkt also zum massgebenden auch für seine Vorgänger

macht, dazu trug ohne Zweifel eben die Ansicht bei, dass ... seine

Philosophie die geistige Bewegung abzuschliessen bestimmt sei. Eine

solche Überzeugung konnte ihn dazu verleiten den eignen Standpunkt für

den absoluten zu halten und darnach alle geschichtlichen Erscheinungen

zu messen.” Maar als 3o in de opvolging der Voor-Sokratische,

Platonische en eigen philosophie én als man der wetenschap die het

zoeken der waarheid geen zinneloosheid (πετόμενα διώκειν) noemt (Met.

1009 b 38) had A. inderdaad terecht deze opvatting en dat geeft hem het

recht of legt hem de plicht op in zijn voltooidheid van de

bizonderheden der voorgangers af te zien, wat zeker niet geoorloofd is,

als ’t gaat om de beschrijving van eenig systeem op zichzelf genomen.

Ook ik kan in deze beschouwing weer afzien van deze Aristotelische

kritiek, die voornamelijk Plato en zijn onmiddellijken opvolger

Speusippos geldt; alleen neem ik enkele passages op, die opbouwend

zijn, zooals dat de beweging die de ziel geeft geen natuurlijke maar

een geestelijke moet heeten en dat de eenheid van den geest en de

gedachte geen natuurlijke maar een eenheid als die des getals is; en

stukken als „Deze ongerijmdheid” en „uit het gezegde blijkt” (vertaling

p. 53 en 56). Afgezien van deze en dergelijke plaatsen is verder het

eerste boek gewijd aan op zij- en terechtzetting van de δόγματα τῶν

προτέρων (de meeningen der vroegeren) die vaak, om met Xenophanes te

spreken—slechts πλάσματα (verzinsels) blijken.

Daarom moet methodisch onderzocht worden en begint het 2o boek met de

algemeene bepaling van alle ziel: „de eerste (d.i. aanvankelijke)

entelechie van een bewerktuigd natuurlijk lichaam.” Wat de entelechie

is—in de Anima wordt de term als bekend voorondersteld; ’t door A.

gemaakte woord moet „voltooidheid” beteekenen—dat had Hermolaüs

Barbarus (Hegel Gesch. der Phil. p. 472 Boll.) niet aan den Duivel

moeten vragen; A. zelf zegt 3 tekstregels na zijn definitie, dat de

entelechie is het ware ééne en het ware zijn, die het levend wezen tot

één maakt, één uit en in onderscheid van stof en vorm. Laten wij

zeggen: de Aristotelische definitie van ziel luidt: de ziel is de

aanvankelijke zelfbepaling van het bewerktuigde natuurlijke. Het

natuurlijke definieert dan A. als datgene, wat beginsel van beweging en

stilstand in zichzelf heeft—en dus als datgene, wat ziel heeft; en we

hebben dus welbeschouwd hier te doen met een cirkelredeneering in de

bepaling. Edoch, wij deinzen daarvoor niet terug; wie zelfbepaling

begrijpt, begrijpt ook cirkelredeneering in de bepaling; want

zelfbepaling is ook cirkelredeneering, eenheid van het bepalende en het

bepaalde in zelfbewerking of terugkeer tot zichzelf.

Het wezen van de ziel wordt dan voorloopig verduidelijkt door de

vergelijking die het gezicht de ziel van het oog noemt. Hieruit volgt

dat de ziel niet te scheiden is van het lichaam, behalve wanneer wij

werkingen van haar kennen die van geen lichamelijk orgaan afhangen of

wanneer de ziel moet genomen worden als leider van het lichamelijk

geheel in de verhouding van stuurman tot schip.

Van de gegeven definitie zal dan verderop verklaard worden, dat zij

niets leert omtrent het bizondere en op zichzelf evenmin bevredigt als

men in de meetkunde tevreden kan zijn met een algemeene bepaling van

figuur, zonder te letten op 3-hoek, 4-hoek enz. Let men op de ervaring,

die zegt dat de ziel de oorzaak van het leven is—dan is leven om te

beginnen voeding, groei en ’t tegendeel; verder plaatselijke beweging,

gewaarwording, denken. Van deze vermogens is het threptikon, het

onderhoudende, voor ’t leven de grondslag en ’t noodzakelijke: de

andere, de gewaarwording, de plaatselijke beweging, het denken treden

op met den voortgang van het levende. Evenzoo is in de gewaarwording de

eerste, de tastzin, de noodzakelijke; de anderen treden op in

overeenstemming met de algemeene vermogens. Planten hebben alleen de

voedende ziel, dieren op zijn minst nog bovendien den tastzin. Zoo is

er een uitbreiding van het psychische met het levend wezen, waarvan

reden moet worden gegeven. Levende planten en sommige dieren blijken

splitsbaar zonder wezensverandering: zoo blijkt het voedende en het

gewaarwordende en daarmede het voorstellende en begeerende—en dus, al

het zielige, voorloopig afgezien van den geest—met het levende

lichamelijke samen te gaan en onafscheidelijk te zijn. Die functiën

moeten dus in hun opvolging onderzocht worden om tot het ware begrip

van de ziel te komen en de functiën worden bepaald uit hun uitwerksel,

de voedende uit voeding, de gewaarwordende uit het waarneembare, de

denkende uit het denkbare. De algemeenste functie, de voedende, heeft

betrekking op voeding en voortplanting en daardoor reeds is het

natuurlijk levende boven het natuurlijke zonder meer uit en heeft elk

in verschillende graden deel aan het eeuwige, goddelijke, waarnaar al

het natuurlijke streeft. [Zoo is dan de ziel het wezen van het lichaam

als oorzaak van het leven, het doel van het lichaam dat van nature voor

de ziel is bewerktuigd, bewust of onbewust; en ten slotte de oorzaak

van de beweging en de verandering, die aan de gewaarwording vast zit.

Daardoor is de mechanische opvatting betreffende de voeding van

Empedokles weerlegd, alsook van hen, die de voeding tot verbranding

herleiden]. Bij de voeding doet zich de vraag op, of het gelijke voor

het gelijke of het tegengestelde voor het tegengestelde voedsel is. Aan

den eenen kant verandert het voedsel door de voeding en is het dus het

ongelijke; aan den anderen kant, als oorzaak van de groei, is het het

gelijke. Het blijkt dus dat beide opvattingen gelden naar gelang men

voedsel noemt het aanvankelijke, onverteerde of het aangeeigende,

verteerde. Voedsel is noodzakelijk, niet bijkomstig, verbonden aan het

begrip van het bezielde, omdat alleen het bezielde lichaam gevoed

wordt. Het voedsel als zoodanig is te onderscheiden van hetgeen wasdom

veroorzaakt; want het betreft niet de grootte maar het wezen zelf van

het levende wezen en het heeft als doel de voortplanting; daarom

behoort de voedende ziel de voortplantende te heeten. Zooals hand én

stuurriem in verschillenden zin bij het sturen werken, zoo is in de

voeding bij het voedsel de warmte noodzakelijk die het doet verteeren;

dus heeft al het bezielde warmte. Het omtrent het voedsel gezegde is

bedoeld als schets; de bizonderheden komen elders ter sprake.

Bij de gewaarwording herhaalt zich de vraag omtrent gelijkheid of

tegenstelling, die elders behandeld wordt en komt verder de vraag op,

waarom men de gewaarwordingen zelf niet gewaarwordt en voorwerpen van

buiten noodig zijn, terwijl toch de elementen, die men in de voorwerpen

gewaarwordt, in de zintuigen aanwezig zijn. Dus zijn de elementen in de

zintuigen alleen naar mogelijkheid, niet in werkzaamheid, zooals het

brandbare het vuur-in-werkelijkheid noodig heeft om te branden. Daarom

moet men onderscheiden tusschen gewaarworden naar mogelijkheid en

werkzaamheid. En die onderscheiding lost ook de 1o vraag omtrent

gelijkheid of tegenstelling op. Naar mogelijkheid lijdt het

tegengestelde door het tegengestelde, naar werkelijkheid het gelijke

door het gelijke. De onderscheiding tusschen mogelijkheid en

werkzaamheid moet nog verdiept worden. De mensch is naar mogelijkheid

b.v. taalkundig, als geschikt voor wetenschap; ook taalkundig als

bezittende de taalkunde; en eindelijk of in werkzaamheid taalkundig als

bestudeerende en kennende een bepaald punt van taalkunde. De eerste

twee wijzen—beide naar mogelijkheid—staan niet gelijk; de eerste alleen

kan verandering, soms omslaan, heeten.

Zoo is ook het ondergaan der werking niet éénduidig; het is deels

vernietiging, deels voltooiing b.v. wanneer het denkende denkt of de

bouwmeester bouwt. Dat bij het denken niet, bij het gewaarworden wèl

voorwerpen van buiten noodig zijn, komt omdat deze de enkelheden

betreft, het denken het algemeene dat van zelf in de ziel aanwezig is.

Daarom kan men wel denken, maar niet gewaar worden wanneer men wil en

betreffen ook de wetenschappen der gewaarwordingen de enkelheden die

van buiten komen.

Als slotsom blijft dat het gewaarwordende naar mogelijkheid is wat het

waarneembare in werkzaamheid is; het gewaarwordende ondergaat het

waarneembare als het niet gelijke, maar is er aan gelijk gemaakt

gewaargeworden hebbende. Het waarneembare is in 3erlei zin: óf het aan

elke gewaarwording alleen eigene (zooals kleur aan gezicht),

waaromtrent geen vergissing mogelijk is; óf de algemeene

waarneembaarheden: beweging, stilstand, getal, figuur, grootte (want

beweging b.v. is waarneembaar én door den tastzin én door ’t gezicht);

óf de bijkomstige waarneembaarheden b.v. dat het witte, dat ik zie, een

bepaalde persoon is; dat heeft voor de gewaarwording als zoodanig geen

belang. Van het niet-bijkomstige maar op zichzelf waarneembare is het

eigene of bizondere het eigenlijke, waarvan het wezen van elke

gewaarwording afhangt.

Dan volgt in de rest van het boek de behandeling van de verschillende

gewaarwordingen; waarop ik niet inga; ook hier is meer te begrijpen van

het algemeene dan de behandeling der modernen in Aristoteles opmerkt.

Een enkel staaltje: de samenhang tusschen gewaarworden en denken op ’t

eind. Wij worden, staat er bij de behandeling van den tastzin, alleen

gewaar wat meer of minder warm of koud enz. is dan wijzelf; dus

fungeert de gewaarwording als een midden en wordt oordeelend; want het

midden is het oordeelende; het wordt nl. tegenover elk van beide

uitersten het andere uiterste. Men ziet hier tevens weer het verband

bij A. tusschen logica (immers het midden is ook in de sluitrede het

oordeelende) en wat men gewoonlijk ontologie noemt.

Het slot van boek 2 zegt dat de gewaarwording is wat de vormen zonder

de stof (andersgezegd wat de waarheid) aan de waarneembaarheden

opneemt; naar ’t begrip te onderscheiden van het waarneembare doordat

zij geen grootheid is, maar een verhouding van en vermogen in een

grootheid; verhouding die verstoord kan worden door overmaat van het

waarneembare, waardoor de gewaarwordingsorganen vernietigd worden als

de toon bij te sterke spanning der snaren. Daarom nemen de planten niet

waar, al bezitten zij een begin van tastzin: zij hebben geen

onderscheidend midden en nemen niet vorm zonder stof aan. Zooals de

gewaarwording is voor het waarneembare, zoo is het waarneembare ook

alleen voor de gewaarwording—te weten het in werkzaamheid waarneembare,

zooals hij elders er bijvoegt.

Het 3e boek begint met de aanvulling en toelichting van het behandelde

over de gewaarwording; wij moeten dit voorbij gaan. Het 3e hoofdstuk

bespreekt de 3e functie van de ziel, het denken. De vóór-Socratici en

nog anderen onderscheidden het ten onrechte niet van het gewaarworden

en meenden tevens dat het gelijke door het gelijke waargenomen en

gekend werd; zoodat voor hen óf alle verschijnselen waarheid waren of

alleen in het ongelijke het bedrog mogelijk was; terwijl toch waarheid

en bedrog omtrent het tegengestelde één en hetzelfde zijn, ieder levend

wezen gewaarwordt, maar weinige denken en het denken, niet de

gewaarwording als zoodanig foutief kan zijn.

De voorstelling (φαντασία) staat tusschen gewaarwording en denken in en

is iets anders dan beiden; want voorstellen is willekeurig, denken is

aan waarheid of leugen gebonden; het laatste werkt onmiddellijk op het

gevoel in (het denken van ’t schrikwekkende veroorzaakt schrik), het

eerste indirekt, als het zien van een schilderij. Gewaarwording is zij

niet; want voorstelling is in werkzaamheid ook in den slaap,

gewaarwording niet; gewaarwording is naar mogelijkheid of in

werkzaamheid steeds aanwezig, voorstelling niet; in werkzaamheid zijn

ze ook niet hetzelfde, want niet alle dieren hebben voorstelling;

gewaarwordingen zijn altijd waar, voorstellingen grootendeels onwaar.

Voorstelling is niet weten of begrip, want er is ook valsche

voorstelling; niet meening, want daarmede is overtuiging verbonden die

de dieren missen, die toch veelal voorstelling hebben; niet meening met

of door gewaarwording of verbinding van ’t een en ’t ander. Maar daar

de voorstelling toch met de gewaarwording verbonden is, behoort zij tot

een soort van gewaarwording die niet als de eigenlijke steeds waar is,

maar tot de werkelijkheid van die gemeenschappelijke gewaarwording (als

beweging en grootte) die het bijkomstige betreft, die waar en valsch

kan zijn, ’t laatste vooral wanneer het waarneembare verwijderd is. De

voorstellingen beklijven en gelijken de gewaarwordingen en zijn voor de

dieren de gronden van vele handelingen en voor de menschen wanneer door

hartstocht of ziekte of slaap het verstand omhuld is.

Wat het denken is, komt nu ter sprake. Het verhoudt zich tot de

denkbaarheden als het gewaarworden tot de waarneembaarheden en moet dus

allen kunnen bevatten; dus moet de geest, zooals Anaxagoras zegt, zelf

rein zijn en is in werkzaamheid niets, voordat men denkt. Het

eigenlijke denkbare is het zuivere begrip en dat is in de dingen als

zoodanig en op zich zelf alleen naar mogelijkheid aanwezig: de geest of

het denken is de ware werkelijkheid der dingen. Zoo is in den geest

zelf te onderscheiden de geest als het werkzame, zooals in de natuur

het licht dat de kleuren zichtbaar maakt, en de geest als het in

mogelijkheid zijnde, de passieve; het eerste is dan het eeuwige dat ons

bewustzijn overschrijdt. Dan komt de gedachte ter sprake, de eenheid

waartoe door den geest het vele wordt gebracht; de gedachte berust op

de voorstellingen. Tot de gedachten heeft de geest dezelfde verhouding

als tot de werktuigen de hand, het werktuig par excellence, dat de

anderen eerst tot werktuigen maakt. Het slot van het traktaat behandelt

den praktischen geest, waarvan plaatselijke beweging, begeerte en

streven uitgaan en den grond van de opeenvolging der zielsvermogens in

verband met de lichamelijkheden.

Zoo is in hoofdzaak de inhoud van A.’s zielkunde; in kleinere

geschriften (de zoog. „Parva naturalia”) worden bizonderheden

uitgewerkt. Wie daarin mist de behandeling van de natuurlijke zijde van

de ziel, verhouding van hersenen of hart tot het denken, functie der

zenuwen en afzonderlijke organen, miskent de taak van de zielkunde

zooals van de wijsbegeerte in ’t geheel. Zij bevat geen beschrijving

van pathologische of normale verschijnselen in voorondersteld verband

van veroorzaking, maar volgt in alle betrekkelijkheden, die liggen

tusschen natuur en geest, de zelfontvouwing van het begrip dat ook

volgens ons traktaat alle dingen omvat (ἡ ψυχὴ τὰ ὄντα πώς ἐστι).

Dit begrijpen blijft onder alle vermeerdering van bizondere wetenschap

de taak van de algemeene, de wetenschap des Begrips, die A. gegrondvest

en in een zekere mate voltooid heeft en Hegel zegt terecht:

„Würde es Ernst mit der Philosophie, so wäre nichts würdiger als über

Aristoteles Vorlesungen zu halten” (Gesch. der Phil. p. 408 ed.

Bolland). De moeilijkheden, die de studie van A. den beginner oplevert,

zal ik voor ons geschrift in de vertaling zelf trachten te verlichten

en in deze inleiding door eene

Aristoteles' Zielkunde · 第 3 / 11 题