grapjes begonnen, en een wedren gaan houden. Zij willen elkander
voorbijrijden. De voorste gooit zijn rijtuig naar links of rechts,
om den ander den weg te versperren. Ik weet zeker, dat het een heel
aardig gezicht moet opleveren voor toeschouwers in een circus, maar
wij zitten in de rijtuigen en vinden de zaak minder grappig. Twee- of
driemaal zouden we zóó in een petroleumplas terecht komen. Tevergeefs
waarschuwen wij de koetsiers.
Ze roepen: "Soeda, Soeda!" en jagen verder. Ik vergeet nooit hun
gebruinde gezichten en de levendige oogen....
Eindelijk raakte ons rijtuig voor. Wij hadden den ren gewonnen.
Kalm reden we Bakoe weer binnen.
Daar liepen wij te voet door de oude perzische stad, en in het hôtel
vroeg een respectabel inwoner van Bakoe ons naar onze reisplannen. Toen
hij hoorde, dat wij naar Perzië gingen, zuchtte hij: "U gaat naar
Perzië? Wat moet ge u gelukkig voelen! Daar zult ge tenminste veilig
wezen!"
Om tien uur 's avonds gingen wij scheep, na tot op het laatste
oogenblik vrees te hebben gekoesterd, dat een plotseling in de haven
uitgebroken werkstaking ons zou verhinderen naar Perzië te vertrekken.
Het gaat goed. Het anker wordt gelicht en de stoomboot glijdt
over de stille wateren, waar de duizenden lichten der stad zich
in spiegelen. De reede van Bakoe bij nacht levert een interessant
schouwspel op.
Toch zeiden we ze zonder weemoed vaarwel.
Wij gaan eerst in Perzië aan wal.
Op 8 Mei naderden we langzaam het land onzer hope. Vijf uren lagen we
te Lenkoran voor anker. Dat is een in de boomen verscholen russisch
stadje. Er achter verheffen zich de groote kruinen van de Ghilanbergen,
met wouden bedekt. Een blauwachtige damp hangt in de atmosfeer,
verzacht de omtrekken en geeft aan dit land iets fluweeligs, iets
onwezenlijk bekoorlijks, dat aan enkele vlaamsche landschappen
eigen is.
Het is intusschen een der ongezondste streken der aarde en ook een der
meest woeste. Nog voor enkele jaren huisden er tijgers in die bosschen.
Tijgers! Wat zijn we ver van Ile de France!
Rondom de boot vliegen zwarte cormorans.
Aan het ontbijt gaf een asthmatische russische doktores ons
inlichtingen over de organisatie van de medische hulp in den russischen
veldtocht. Als men haar hoort, zou men meenen, dat Rusland in dit
opzicht, net als in alle andere, aan de spits der beschaving staat. Wij
behoeven haar gelukkig niet te gelooven.
In den namiddag kwamen we te Astara aan de russische grens. Een
volle boot met gegalonneerde heeren kwam bij ons aan boord, en de
passagiers moesten zich aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen,
terwijl ik voor de honderdste maal onze paspoorten moest vertoonen.
Wij lagen bijna een kilometer uit de kust voor anker, want er was
weinig water, en onze boot kon niet dichter bij de kust komen.
Des nachts ging het verder, nu naar Enzeli.
Er was maar één ding, dat ons bezig hield, namelijk het weêr van den
volgenden dag. Als er een hooge zee is, moet de postboot ons naar
Bakoe terugbrengen. Het zou een bittere teleurstelling wezen.
Wij raadpleegden mijn barometer. Hij ging achteruit, en daar begon ook
al een flinke regen te vallen, terwijl de boot begon te rollen. Toch
vielen we in slaap...
Het weer was 's morgens te Enzeli grijs; er vielen af en toe
regenbuien; een frissche oostenwind zweepte de zee en joeg de golven
op, die hoog genoeg waren om de kust met schuim te bedekken en het
schip erg te doen schommelen. Maar de kapitein hield vol, dat wij aan
wal konden gaan. De kust was in nevelen gehuld; we konden flauwtjes
lage gebouwen onderscheiden, met een toren en enkele boomen. Wij
keken onze oogen uit. Dat is Perzië, daar voor ons!
Bootjes kwamen van land en een klein stoombootje, dat al gauw naast ons
lag en aan onze boot gemeerd werd. Wat gaat het op en neer! Een auto
hadden wij nooit hier kunnen ontschepen. Het zal een tref zijn, als we
zelf van de boot af komen zonder een of ander lichaamsdeel te breken!
Onze koffers en valiezen werden zonder ongelukken vastgebonden en
ontscheept. Toen kwamen wij aan de beurt. Er moest gewacht worden tot
de kleine boot omhoog ging en naast de onze kwam; als ze dan boven was,
moest men een der stangen grijpen, waar bij kalmer weêr de zonnetent
aan vast werd gemaakt; twee matrozen duwen iemand naar den rand,
men doet een sprong, en twee andere zeelui nemen u in ontvangst,
terwijl de kleine boot weer neervalt in een golfdal.
De dames brachten het er goed af; nu waren we op een klein dek, waar
het water overheen sloeg, en tien minuten later waren we te Enzeli
aan de kade, eindelijk in Perzië!
We bleven eerst op de boot. Beleefde ambtenaren, Belgen, kwamen ons
begroeten. Het waren heeren van de douane, maar de menigte om hen
heen was wel echt perzisch. Eenige mannen droegen de nationale muts
van gekruld lamsvel; anderen een vilten hoed zonder rand, die op het
hoofd geplakt stond en waaruit aan beide kanten toefen haar uitkwamen,
die over de ooren hingen. Bij die haren zal de profeet zijn getrouwen
optrekken naar zijn paradijs, natuurlijk alleen als ze zijn geboden
hebben opgevolgd.
Die Perzen dragen voor het meerendeel wijde, bruine kleêren. Enkele
baarden van een lichte mahoniehoutkleur verhoogen voor ons de
belangwekkendheid van deze exotische menigte. Ze kijken ons zeer
nieuwsgierig aan, wat wij op dezelfde manier beantwoorden.
Perzië te Enzeli, dat gelijkt op Cochin-China.
Ik ben niet in Cochin-China geweest, maar naar beschrijvingen moet
het hierop lijken.
Een vlak land, zand, biezen, zeer groene boomen en veel water. Aan
beide zijden van het breede water, dat de Kaspische Zee in verbinding
stelt met het groote binnenmeer, de Moerdab, staan strooien hutten
op palen, en op het houten stoepje voor de hutten zijn goederen
uitgestald. Platboomde vaartuigen brengen die aan; de beide einden
van de jonken zijn spits en omhoogloopend, en een groot vierkant zeil
wappert hoog in den wind.
Het water is grijs, en de lucht hangt laag in grijsheid, en tusschen
die beide grijze doen de verschillende tinten van bruin van de hutten,
het touwwerk en de zeilen en dan het groen van het riet genoegelijk
aan.
Groote vluchten cormorans scheren over de golven; bij honderden
vliegen ze achter elkaâr aan, maken wendingen en draaien om ons heen.
Het weêr is drukkend, zwaar en vochtig.
Dat lijkt alles op Cochin-China.
Wij voeren over de Moerdab op de kleine paketboot, die twee jonken
sleepte voor onze bagage.
We dronken thee op het dek en keken naar de evoluties van de cormorans.
Bij de monding van de rivier, de Piré-Bazar, verlieten we de stoomboot
en gingen aan boord van de jonken. Acht forsche kerels, met den vilten
hoed zonder rand, zetten zich aan de riemen en roeiden, waarbij ze
zich van de banken verhieven en weer neervielen. Ze waren al gauw in
't zweet gewerkt.
De rivier kronkelde tusschen het riet door en tusschen
gladiolusstengels. Kleine schildpadden kropen langs den
oever. Noteboomen stonden er, en er waren een massa vogels, die door
ons in het minst niet werden verontrust, reigers van allerlei soort,
snippen, valken en wouwen.
Spoedig werd de rivier te smal voor de riemen. Onze roeiers sprongen
aan land, en aan een touw, dat ze boven aan den mast vastmaakten,
trokken ze ons in snellen pas voort.
Waarom moest dat touw zoo hoog worden bevestigd? De mast boog door,
gaf mee en de acht trekkers vielen met hun neus in het slik.
Toch maakten ze daarna het touw weer vast, zoo hoog, als ze konden
klimmen.
Een oogenblik later kruisten we een boot, die verschrikkelijk vol was
met koffers en kleurige kisten, waar gesluierde vrouwen op zaten en
mannen met rokken. Nu begrepen we de manoeuvre. Het touw van de andere
boot ging onder het onze door en de booten passeerden aldus elkaâr,
zonder dat men behoefde op te houden.
Eindelijk waren we aan het doel, Piré-Bazar.
Stel u voor in een wat verwijde bocht van de rivier de meest grootsche
verwikkeling van een oneindig aantal booten, vlak naast elkander
gelegen. Onze roeiers vonden toch nog gelegenheid, ons bij de plek
te brengen, waar we konden landen.
Er werd een plank uitgeworpen naar den oever. Die bestond uit dik,
kleverig slijk, en daar de kanten steil waren, kostte het ons veel
moeite, vasten grond onder de voeten te krijgen. Er stonden rijtuigen
op ons te wachten, en een troep koetsiers en sjouwers, die zeker
gauw wat van onze bagage zouden hebben geroofd, als wij niet op de
ontscheping van ieder stuk nauwkeurig toezagen.
Gelukkig kwamen er twee kozakken te paard aan van het russisch
consulaat-generaal te Resjt.
De weg was vuil en door de overvloedige regens bedorven. Wij zouden
er met de auto's niet door zijn gekomen.
Halfweg werden we begroet door ruiters, die de gouverneur der stad,
een der zoons van den Shah, ons tegemoet zond.
Iets verder liet een der hoofdambtenaren, de Salar, admiraal der
perzische vloot, naar ik begreep, ons prachtig opgetuigde paarden
brengen, en een der ruiters, die ze vergezelde, stelde ons een brief
ter hand, waardoor de Salar ons meedeelde, dat hij een van zijn huizen
te onzer beschikking stelde. Maar we zouden te Resjt de gasten zijn
van Rusland.
Wij reden stapvoets door de plassen en kuilen. Met de kozakken, die
voor ons uit reden, de stalknechts, die de rijk opgetuigde paarden aan
den teugel voerden, want de étiquette wil, dat ze met ons meegaan,
maar niet bereden worden, en de perzische ruiters, die onze vier
rijtuigen volgden, hebben we wel een beetje van een buitenlandsch
circus, dat in een nieuwe stad binnen trekt, en we wisselden van
wagen tot wagen genoegelijke glimlachjes....
Tegen den middag kwamen we in een tuin, waar een groot huis stond,
vierkant en van steen op zijn Europeesch opgetrokken. Dat was het
keizerlijk consulaat van Rusland.
De consul-generaal, de heer Olferieff, ontving er ons op de
vriendelijkste manier. Hij bood ons wat hij had, groote, ledige kamers,
en wij zagen dadelijk, dat het veldbed geen weelde was in Perzië,
maar het allernoodzakelijkste meubelstuk.
Resjt is de hoofdstad van Ghilan, de provincie die in het zuidwesten de
Kaspische Zee begrenst. Dit land aan den voet van de bergketen, die ons
scheidt van het hooge Iranplateau, is vochtig, warm, rijk en ongezond.
Een perzisch spreekwoord zegt: "Als gij een vijand hebt, laat hem
dan benoemen tot gouverneur van Ghilan".
Niets weerspreekt zoo sterk als dit land het denkbeeld, dat men zich
bij voorbaat van Perzië maakt. Enzeli-Resjt is een paradijs van groen,
van rustige wateren, rijstvelden, waterlelies, irissen, gewone leliën,
en ganzebloemen, zoo hoog, dat men ertusschen verdwalen kan.
Toen Pierre Loti uit Ispahan kwam, passeerde hij Resjt. Hij hield
er zich niet op, hij heeft het niet gezien. Daarom kan ik hem wel
verklaren, dat Resjt het mooiste van Perzië is. Zoo denkt ook er
Emanuel Bibesco over.
De stad, die vrij groot is, wordt geheel door water omringd, met
tuinen ertusschen en lanen van oude boomen. Het is, of men in een park
is. De bazar, een onoverdekte, is druk en schilderachtig. Wij reden
erdoor met de gebruikelijke kozakken, al behoeft men hier niet voor
zijn veiligheid een gewapend geleide, want het is, zooals de inwoner
van Bakoe zei: "In Perzië zult u veilig zijn". Maar wij zijn gasten
van Rusland, en wij moeten alles vermijden, wat schaden kon aan het
prestige der Europeanen.
De bazar bestaat uit smalle straatjes met open winkels. Hier verkoopt
men fluweel van Resjt, waar prachtig goudborduursel wordt aangebracht
op fluweelen stoffen, die in de plaats worden vervaardigd. Het is
rijk, maar niet bijzonder smaakvol. Dan zijn er tapijten, maar niet
in groote keuze, want de perzische tapijten komen per karavaan aan
en worden dan direct naar Enzeli en van daar naar Bakoe vervoerd.
Kooplieden zitten op den drempel van hun winkels en rooken de kelyan,
terwijl in de smalle straat zorgvuldig gesluierde vrouwen en die zelfs
haar oogen bedekt dragen, de stoffen koopen, waarmee ze zich thuis
zullen tooien en thuis alleen, want op straat is haar toilet leelijk
en altijd hetzelfde. Ezeldrijvers drijven kleine ezels door de menigte,
grijze, zachtmoedige dieren met mooi tuig, en de zonnestralen vallen op
de blauw porseleinen torens, die in den bazar hier en daar verrijzen.
Wij hebben dan nu eindelijk zonneschijn en rijden voorbij het paleis
van den gouverneur, den zoon van den Shah, naar een plein, waar een
groote menigte bijeen was. De rijtuigen hielden stil; rijen gesluierde
vrouwen zaten voor een gebouw met houten zuilen; mannen en kinderen
vormden de drie andere zijden van een vierkant, dat in het midden
open gelaten was. Daar stond een kleine estrade. Er zaten en stonden
enkele personen. Wij trilden van vreugde, want er was geen twijfel aan,
wij woonden de voorstelling bij van een van die taziehs of perzische
mysteriën, die gedeelten uit de kerkelijke geschiedenis te zien geven.
Toen we nader traden, zagen we op de estrade de acteurs en konden
de neusklanken bijna verstaan. De doodsche vlakte van Kerbela werd
voorgesteld en een doodvonnis, dat er op ongeloovigen zou worden
voltrokken. De Perzen, die vóór ons stonden, gingen wat op zij,
en zoo konden we enkele photografieën nemen.
Maar al gauw hadden alle toeschouwers ons gezien. Mag ik het
zeggen? Ze hadden veel meer aandacht voor onze aanwezigheid dan voor
het gewijde drama. Ze keken niet naar het tooneel, maar naar ons. Hun
onernstige afgetrokkenheid was niet naar den zin van den mollah van
Resjt, die de voorstelling bijwoonde. Verontwaardigd stond hij op en
sprak de menigte heftig toe, haar verwijten doende over haar profane
nieuwsgierigheid voor onreine lieden, vervloekte Europeanen, die door
geloovige Mohammedanen verafschuwd moeten worden.
De tolk van het consulaat gaf ons een teeken, dat we weg moesten gaan,
want dat er anders herrie zou komen.
Toen stapten wij weer in de rijtuigen, terwijl al de vrouwenhoofden
in de zwarte sluiers met een zelfde beweging zich naar ons keerden,
om ons te zien weggaan.
Wij reden door de omstreken van Resjt langs lanen van eeuwenoude
olmen naast rivieren met zeegroen water. De zon had alle nevelen
verspreid. Wij zagen in het Zuiden de hooge bergen, die Emanuel Bibesco
en ik den volgenden dag zouden beklimmen, om Teheran te bereiken. Ze
waren bedekt met zware bosschen, en van Resjt uit leken de hoogten,
die ons scheidden van het centrale plateau van Perzië, ontoegankelijk.
Wij hielden stil voor den tuin van een rijken Pers, zijn
zomerverblijf. Wij waren al op de hoogte van de gastvrijheid der
Perzen. Waar ge er lust in hebt, kunt ge binnentreden. De heer des
huizes trekt zich bescheiden terug, opdat ge zijn huis of zijn tuin
rustig kunt bezien. Hij komt eerst later voor den dag, om koffie of
ijs te presenteeren.
Wij wandelden in de lanen onder bloeiende seringenboschjes, die over
perken met leliën zich wuifden. Daarna brachten we een bezoek aan het
huis, helaas, naar europeeschen trant gemeubeld, als alle huizen van
rijke Perzen. Alleen de tapijten zijn die van het land.
De heer des huizes verschijnt; hij spreekt Fransch en laat ons
ververschingen aanbieden, om daarna met ons te gaan wandelen en ons
bloemen te geven.
Het gezicht, van het terras, op het boschrijke land was zeer mooi;
het liep tot de bergen door, die in de verte blauwden. Wij vroegen
onzen gastheer, of hij deze bezitting bewoonde.
"Ik heb dit landhuis om er des avonds in het voorjaar den nachtegaal
te hooren zingen," antwoordde hij.
Wij keerden naar het consulaat terug; de zon was ondergegaan. De
vochtigheid steeg uit den grond en uit de ons omringende rijstvelden
op. Lichte dampen als doorzichtige feeënsluiers zweefden onder de
onbewegelijke boomen van dit slapende park. De maan stond hoog aan
den hemel.
Des avonds klonken langzaam en met een eigenaardig rhythme langs den
weg, die den tuin begrensde, de klokjes aan den hals der kameelen, die
in lange rijen van Kaswyn of Hamadan kwamen. De karavanen reizen alleen
als de zon onder is, want reeds is de hitte overdag te groot. En we
zagen tusschen de boomen de groote geheimzinnige gedaanten voorbijgaan,
schommelend als op een onstuimige zee. Dit is wel echt een oostersch
geluid, dat geklep van de kameeleklokjes.
Wij hadden trouwens de gelegenheid, ze nog vaker in den nacht te
hooren, want het was de eerste nacht, dien we op onze veldbedden
doorbrachten. Een harde geschiedenis! Wij zullen er wel aan gewend
raken.
Den 10den Mei hadden we nog geen bericht van Keller, die zich met de
groote Mercédes te Bakoe zou inschepen.
Emanuel Bibesco en ik besloten, vooruit te gaan en in een perzisch
rijtuig naar Teheran te vertrekken. Onze medereizigers zouden misschien
nog onderweg zich bij ons voegen, en in elk geval zouden we elkaâr
in de hoofdstad treffen.
Om van Resjt naar Teheran te gaan, zouden we den beroemden, voor enkele
jaren aangelegden weg volgen, die niet door het gouvernement, maar
door een russische maatschappij is gemaakt, die er concessie voor had
gekregen. De weg is 337 wersten lang en stijgt tot meer dan 1500 meter.
Het is een gepachte weg, en rijtuigen en karavanen betalen een recht,
dat voor een rijtuig met vier paarden acht tomans bedraagt. Een
toman is nominaal tien krans of francs; maar een ongunstige koers
heeft dit jaar de krans tot veertig centimen en bij gevolg de toman
tot vier francs doen dalen. De kosten voor het onderhoud van den weg
zijn groot, want het klimaat is niet gunstig. Er is een plotselinge
overgang van de diluviale regens tot een droogte van wel zes maanden;
in de lente smelt de sneeuw in enkele uren onder den invloed van
een brandende zon, en de rivieren, die van de kale bergen vloeien,
worden overvol en zijn onstuimige bergstroomen.
De russische maatschappij verliest dan ook geld op den weg, die haar
twintig millioen francs heeft gekost. Maar ze hoopt zich schadeloos
te stellen door de haven van Enzeli, waarvoor ze concessie heeft
gekregen. Er wordt een lange pier gebouwd, in welker beschutting de
booten de kade zullen kunnen naderen. Binnen enkele jaren zullen de
reizigers niet meer met levensgevaar te Enzeli ontscheept worden.
Uit financieel oogpunt is dus de weg voor het oogenblik een slechte
zaak; maar hij is van groote beteekenis uit politiek oogpunt en hij
dient wonderlijk goed Ruslands bedoelingen.
Dank zij dien weg, die aan Rusland behoort, zou dat land in geval
van nood in enkele dagen van Bakoe uit, een leger voor de broze,
geëmailleerde muren van Teheran brengen kunnen.
In tijd van vrede heeft Rusland een veiligen weg voor zijn
koopwaren. Geen europeesche transporten worden door den Kaukasus
toegelaten met bestemming naar Perzië, zoodat Rusland op den heenweg
alle concurrentie heeft afgesneden, terwijl het op den terugweg
profiteert van het grootste deel van den perzischen handel.
De reizigers gaan tegenwoordig over Resjt, zoodat men langs een
russischen weg in de hoofdstad van Perzië komt. Bij elken haltpost
treft men een postmeester aan, die Russisch spreekt. Bij elke
afgelegde vijftig kilometers vindt men een douanebureau of zastava,
tot men aan het kantoor is gekomen van onzen machtigen gastheer,
den russischen consul-generaal.
Zoo krijgt men den indruk, tusschen de Kaspische Zee en Teheran het
onmetelijke russische rijk niet te hebben verlaten.
Wij hadden den volgenden morgen ons rijtuig om acht uur 's morgens
besteld. Een Rus is concessionaris voor de postpaarden en de
rijtuigen. Hij levert gevaarlijke voertuigen en vermoeide paarden. Een
rijtuig voor vier personen met weinig bagage kost bijna zevenhonderd
krans van Resjt naar Teheran, plus tachtig krans tol en twee of drie
krans fooi aan den nieuwen koetsier, dien men bij elke halt krijgt.
De post doet er ongeveer vijftig uren over en houdt alleen op,
om van paarden te verwisselen. Maar wij zijn geen postpaketten en
willen gemakkelijk reizen, dat wil zeggen tweemaal onder weg slapen,
te Mendjil den eersten avond, te Kaswyn den tweeden. Wij zullen den
derden dag te Teheran komen, zoo God het wil, in ch' Allah! zooals
de Perzen zeggen.
Om tien uur is het rijtuig er eindelijk. Het is een oude berline,
waarvan de veêren met touwen zijn verzekerd; de kap kan niet gesloten
worden dan voor een vierde deel; wat de portieren betreft, ze zijn
zeker in geen vijftig jaar open geweest. Wij moesten er uit nood wel
over heen klimmen.
Onze valiezen werden vastgemaakt naast den koetsier op de
voorbank. Onze vrienden zien op de toebereidselen toe en benijden ons,
want nu gaan wij nog eerder dan zij door Perzië reizen!
Alles is gereed; de koetsier, een groote, gebruinde vent, met een
viltmuts, staat bij de koppen van zijn paarden en fluit hun een
geheimzinnig deuntje voor, dat we nog vaak zouden hooren op de
perzische wegen. Hij heeft geweigerd, zich met onze bagage in te
laten, bewerend, dat als hij zijn plaats vóór de paarden verliet,
deze op hol zouden gaan.
Nu moet hij wel de teugels nemen. Hij plaatst twee kozakken voor zijn
paarden, springt op den bok, roept, alles los te laten, wij houden ons
aan de kap vast.... en de vier paarden loopen sukkelig met hangende
ooren langs den weg, die naar Teheran voert. Ze zijn nu al vermoeid.
Wij rijden met een snelheid van tien kilometer in het uur. Dat
is genoeg, om ons alle schokken van de harde berline, waaraan we
onze beenderen en ons vleesch hebben toevertrouwd, danig te doen
gevoelen. De veêren van het rijtuig zijn niet anders dan ijdele
sieraden.
Het was grijs en vochtig weer. Wij volgden stroomop het riviertje
van Piré-Bazar. Weldra waren we in het bosch. De plantengroei was er
wonderlijk weelderig; beuken, ahornen met groote bladeren, platanen,
olmen verheffen hun kruinen in de lucht, terwijl het onderhout dicht
is en lianen de boomen omslingeren; een diepe beek stroomt langs den
weg. Kleine zeboes weiden op de open plekken en eten het harde gras,
maar vluchten het bosch in bij onze nadering.
Wij reden door een paar gehuchten van enkele huizen. Vrouwen in lichte
stoffen gekleed, werken in de tuinen en bedekken zich het gelaat,
als ze ons zien. Het landschap gaf een indruk van weelderigheid,
maar ook van eentonigheid.
Maar op eens werden onze paarden onrustig, sprongen op zij en wierpen
ons in de sloot. We hadden nog even den tijd, over het portier te
springen. Onze valiezen, die we zorgvuldig hadden vastgebonden, vielen
niet in het water. De koetsier, die van den bok gerold was, stond op
zonder zich te haasten of zich te verbazen. De paarden amuseerden
zich in het heldere water. Wij wisten nu wat hen had verschrikt,
want een abominabele stank verstikte ons bijna.
Die kwam van een grooten kameel, aan den weg verrottend. Hij is daar
neergevallen, en men heeft het beest er laten liggen, zonder het
zelfs af te maken en zijn lijden daardoor te bekorten. Wij moesten het
rijtuig ontladen, om het op te halen; gelukkig was er niets gebroken
en we konden verder gaan op de gewone langzame en pijnlijke manier.
In den namiddag kwamen we bij de eerste uitloopers van het
bergland. Overal was het met bosch bedekt. Wij reden door een
eindelooze laan van het heerlijkst groen, en overal was stroomend
water, dat ruischte en nog den invloed ondervond van den pas afgeloopen
regentijd. Nu eens roken we de heerlijke geuren van vlier, dan volgde
er een bosch van eeuwenoude olijfboomen met zilvergrijs gebladerte;
op een open plek graasden kameelen, en op het gras lagen pakken en
balen. De karavaan zou eerst tegen den nacht verder trekken.
Wij hebben eindelijk het bosch achter ons en rijden langs rotswanden
en over een brug; een koude luchtstroom blaast door den bergpas en
spoedig daarna zijn we aan de zastava Mendjil, waar we zouden slapen
en waar men ons verwacht, dank zij de hulp van den consul van Resjt.
Het is half elf, dus zijn we twaalf uren tusschen de wielen geweest
en erg vermoeid.
Wij vonden te Mendjil als meester der zastava een jood, die vriendelijk
was en wel onderwezen bleek. Zijn zoon had een paar maanden geleden
het gymnasium te Rostov aan de Don verlaten, toen dat gesloten werd
evenals alle onderwijsinrichtingen in Rusland.
Al gauw zong de samovar zachte muziek op de tafel en er werd een
groote schotel pilau binnengebracht, die we heel lekker vonden. Wij
maakten de mand met provisie open en deelden met onze gastheeren een
maaltijd, die met grooten smaak gebruikt werd, terwijl buiten de wind,
die door de bergkloof huilde, het huisje scheen te willen meenemen.