Emanuel Bibesco sprak met hen in het Duitsch. Toen boden ze ons hun

kamers aan. Een der bedienden moest tot middernacht bij het tolhek

op wacht staan, om de schatting van de karavanen te innen; de meester

verving hem dan voor het overige van den nacht.

Wij gingen te bed.

Helaas, van slapen kon niet komen. De jacht op een klein beestje legde

beslag op de eerste uren van den nacht. En toen we onze maatregelen

hadden genomen en eindelijk de kaars hadden uitgeblazen, begon een

dame muis haar werk, knaagde aan het houtwerk, klom bij de gordijnen

omhoog en sprong op onze bedden... Adieu, slaap! En toch waren we zeer

vermoeid; maar het muisje wou, dat we ons met haar bezighielden. We

moesten het licht weer opsteken... Zachtjes lachten we om ons ongeluk,

want in het vertrek naast ons sliepen onze gastheeren, en die menschen

waren zoo vriendelijk geweest, dat wij voor niets ter wereld zouden

willen, dat ze van onzen naren nacht wisten. Doodvoorzichtig liepen

we op bloote voeten achter het muisje aan, dat we ten laatste vingen

achter een gordijnplooi...

Het was al bijna morgen; we hadden geen minuut geslapen, en daar was

al gauw het uur van opstaan, want we hadden een lange dagreis vóór ons.

De dag van den elfden Mei brak aan. De bergpas zag er somber uit. We

moesten meer dan een uur op den koetsier en de paarden wachten. Het

landschap vertoonde geen bloemen en water en bosschen meer; het waren

nu alles rotsen en steenen. Daarbij een brandende zon, en eer een

half uur voorbij was, moesten we onze reisdekens afleggen en zaten

in hemdsmouwen onder een parapluie, die ons maar gebrekkig tegen de

heete zon beschutte.

We hadden de kap van onze antieke berline moeten opzetten. Maar we

waren onervaren reizigers en wisten dat niet.

Al die uren in de zon maakten ons slaperig; ons hoofd viel op zij, en

de zon profiteerde ervan, om onze ooren of neuzen te verbranden. Wij

wilden nog denzelfden avond in Kaswyn wezen. Dus moesten er meer dan

honderd kilometer door het bergland worden afgelegd. De paarden, die

alle twee uren verwisseld werden, waren in het algemeen langzaam en

zeurig. De weg was verlaten, want de karavanen reizen in dezen tijd

van het jaar alleen des nachts.

Bij elke halt dronken we een paar glazen thee, die altijd klaar staat

op kolenvuurtjes. En we aten harde eieren, die overal te krijgen waren.

Tegen vijf uur in den avond waren wij honderdvijftig kilometer van

Resjt verwijderd. Het land veranderde weer van aanzien; het dal

werd breeder; er kwamen vlakten; de hellingen werden minder steil,

en weldra zagen we velden van haver en rogge. Het licht bleef steeds

merkwaardig helder en doorschijnend.

Eindelijk hadden we het hoogste punt van den weg bereikt. We waren op

zestienhonderd meter hoogte en ontdekten plotseling een nieuw land

vóór ons, het hooge plateau van Iran, dat zich tot in eindelooze

verte uitbreidde en waar we zoo naar verlangd hadden.

Links werd het beschermd en van Turkestan gescheiden door een

reuzenbergland, de Elboersketen, die oostwaarts in den Himalaya

zich voortzet. De witte toppen rezen naar den hemel. In de verte

schittert de kegelvormige piek van den Demavend, den heiligen berg,

wiens krater onder eeuwige sneeuw slaapt. Aan den voet van den Demavend

ligt Teheran. Vlak vóór ons daalde de weg naar Kaswyn.

Rechts lag het hooge perzische plateau ter hoogte van elf- of

twaalfhonderd meter; lage ketenen liepen erover van het Oosten naar

het Westen. Het strekte zich doodsch en eentonig uit in het grijze

licht. Daar is dan nu het oude Perzië; eindelijk hebben we het bereikt!

Nu voelden we geen vermoeidheid meer. De nacht, die snel in het Oosten

valt, overviel ons onder weg, en het was tien uur, toen wij in Kaswyn

binnenreden, een oud beschavingscentrum. In de sjapar khané zouden we

den nacht doorbrengen. Dat hôtel is eenig in Perzië in zijn soort. Men

vindt er kamers met bedden en kan er op elk uur eten krijgen tegen

niet te hooge prijzen. Er werd ons een kip met rijst voorgezet voor

nog geen franc. Zooiets vergeet men niet, als men van de hôtels in

den Kaukasus komt, waar andere prijzen worden gevraagd.

Van buiten geeft het hôtel zich allures van een paleis, met de

zuilengalerij eromheen en den tuin, waarin het is gelegen. Trouwens

ook de eenvoudigste huizen nemen in Perzië graag iets monumentaals aan,

met mooie portieken en veel beeldhouwwerk.

Er heerschte te Kaswyn dien avond veel opwinding, want den volgenden

morgen zou Z.M. de Shah, die Teheran had verlaten voor zijn reis

naar Europa, een plechtigen intocht houden. De vorst reisde met zijn

geheele hofhouding. Reeds om zes uur in den morgen werden we door

rumoer buiten gewekt.

We gingen in den tuin van de sjapar khané. De lucht was heerlijk

blauw en de atmosfeer aangenaam koel. Een echte heldere feestmorgen.

Vóór onzen tuin strekte zich de lange laan uit, die naar het paleis

van den gouverneur leidt, een koninklijke weg.

Links, dicht bij ons, lag een donker hoekje onder olmen, die den

hoofdingang naar de groote moskee overschaduwden. Onder den boog

van de eerepoort door konden we het binnenplein zien met de fontein

voor de wasschingen, en boven de muren staken tusschen het frissche

gebladerte de minarets op, die den hoofdkoepel omgeven.

De keizerlijke stoet zou over het terrein van de sjapar khané trekken

en zich dan langs den tuin door de groote laan naar den gouverneur

begeven.

Ik installeerde mij op het dak van een laag paviljoen aan het hek. Dat

was een best plekje om te zien en te photografeeren.

Het was al vol in de laan.

Er liepen groepen mannen rond in lange gewaden, meestal bruin, soms

blauw. Een gekleurde gordel omgaf het kleed boven het middel, en op

het hoofd droegen ze meest de kale vilten muts.

Alleen de mollahs of priesters droegen een witten tulband. Er waren

veel priesters. Kaswyn is een priesterstad; het zijn knappe figuren met

mooie gezichten, fijne, regelmatige trekken, een gewelfd voorhoofd,

langen, fijnen neus. De afstammelingen van den Profeet hadden een

groenen tulband en een gordel ook van die kleur.

In groepjes zag ik vrouwen met grooten, zwarten sluier, die haar

geheel omhulde. Onder den sluier is dan nog haar gezicht bedekt met een

dunnen witten doek, waardoor ze kunnen zien, zonder te worden gezien.

Allen liepen kalm en deftig, zonder ongeduld; er was geen gedrang en

geschreeuw; kooplieden boden kleine blokjes ijs aan voor twee centimes;

anderen verkochten gedroogde vruchten of sigaretten.

Aan den voet van het paviljoen, waar ik mij op bevond, zaten een

half dozijn nog al arme menschen; ze vormden een kring en vertelden

elkaâr geschiedenissen of grapjes. Het trof mij, hoe waardig dat alles

toeging. Twee- of driemaal kwamen politie-agenten van den gouverneur

ze verspreiden; dan gingen ze zonder verzet uiteen, en vijf minuten

later waren ze terug en hervatten het afgebroken gesprek. In hun

buurt speelden kinderen, die de gevechten van den nationalen held

Rustem nabootsten.

Besproeiers goten water op het zware stof van de laan. Dat haalden

ze uit de goten, die liepen langs wat bij ons de trottoirs zouden

zijn. Zooals de meeste perzische steden, heeft Kaswyn een waterleiding,

die van de bergen komt. De Perzen hebben altijd wonderlijk goed de

kunst verstaan, om de bronnen op te vangen en ze onder den grond naar

aanmerkelijke afstanden te leiden.

Op de daken der meestal lage huizen waren vrouwen en kinderen

opgesteld, om te kijken.

Van zeven uur af kwamen lange rijen kameelen uit het keizerlijke kamp,

dat twintig kilometer van de stad verwijderd was. Ze waren achter

elkaâr vastgebonden, in groepen van zes. De kameeldrijvers gilden,

dat de menigte plaats zou maken; de klokjes, die de dieren aan den

hals hadden, klingelden en ze liepen voort, zonder op te houden,

met vooruitgestrekten hals. Dat zonderlinge beest boezemde mij veel

belang in; het heeft iets melancholieks.

Die nu voorbijgingen, droegen tenten, pakken tapijten en zakken

haver en gerst. Muilezels bij honderden volgden, daarna kwamen

bagagewagens met tallooze koffers, europeesche en kleurige perzische

kisten. Bedienden van het hof in scharlaken liverei met gouden

brandebourgs, soldaten en ambtenaren van de keizerlijke post met den

zilveren leeuw op hun hooge muts van lamsvel dienden tot geleide

voor de bagage. Die optocht duurde wel drie uren; er moeten wel

vijftienhonderd kameelen en evenveel muildieren zijn voorbijgegaan. Ze

hebben de wonderlijkste dingen op den rug; ik zag een schommelstoel

met rieten zitting boven op den bult van een dromedaris; een kolossale

muziekdoos op een muilezel, die eronder gebukt ging, een grammophoon

en een aardglobe.

Daar kwam een klein, grijs mannetje aan met een bril en een

puntbaardje, op een nietig ezeltje, beladen met een reuzenknapzak vol

geheimzinnige voorwerpen, waartusschen dreigend en hemelwaarts wijzend,

een onmetelijk groote kijker opstak. Dat was de sterrenwichelaar

van Z.M.

Om de schilderachtigheid en het levendige van het tooneel nog te

vergrooten hielden ook de hoofden der bergstammen en de gouverneurs

der groote dorpen uit de buurt hun intocht in Kaswyn, om den Shah op

zijn doortocht te begroeten. Zij zijn gezeten op levendige, kleine

paardjes, mooi opgetuigd, hebben het geweer en bandoulière en stappen

in groepen van twaalf of twintig in de laan voort.

De Shah, die ons dit schouwspel bezorgt, reist tegenwoordig nog juist

als vroeger Xerxes en Darius reisden. Niets of haast niets is veranderd

in 2500 jaar, en als hij uit moet gaan, is dat een heele optrek.

Het is niet voldoende, dat hij een paar dozijn hovelingen bij zich

heeft. Hij heeft een gevolg van bij de vijf duizend personen, de

bevolking van een kleine stad, die gevoed en geherbergd moet worden. De

ministers en de hooge ambtenaren verlaten den souverein niet, evenmin

als de hovelingen, die hij gewend is elken dag te zien. De harem

blijft te Teheran; perzische vrouwen reizen niet in den vreemde.

Daar diegenen, die met den Shah reizen, personen van gewicht

zijn, hebben zijzelf ook weer een gevolg, dat met hun rang

overeenkomt. Ieder van die heeren wordt vergezeld door een talrijken

stoet van dienstbaren. In Perzië heeft iemand van rang minstens een

twintigtal lieden, wier eenige bezigheid is, elkaâr, op hun hurken

gezeten, eindelooze geschiedenissen te vertellen. Ieder hoveling

heeft twee tenten noodig, een, waarin hij slaapt, en een andere,

die vooruit wordt gezonden voor het kamp van den volgenden dag,

en zijn domestieken moeten ook hun tenten hebben.

Hij neemt verscheiden rijpaarden mee en evenveel palfreniers als

paarden, dan kameelen, ezels voor het dragen van de tenten en de

meubels, veel tapijten, een weelde, die een Pers niet ontberen kan,

tapijten uit Kerman, Yezd of Ispahan, die bij de halten op den

grond worden uitgespreid; twee of drie koffers, waarop in heldere

kleuren allerlei versieringen zijn aangebracht. En daar de reis

door de woestijn plaats heeft, moeten ook levensmiddelen worden

meegenomen. Eindelijk waken een duizendtal soldaten voor de veiligheid

van den Shah.

De reis om aan den russischen spoorweg te komen duurt twee maanden,

want Z.M. houdt er niet van, meer dan twintig kilometer per dag af

te leggen. En bij die snelheid zucht Zij nog, en als men in steden

als Kaswyn of Resjt is aangekomen, wordt verscheiden dagen uitgerust.

Aan den oever van de Kaspische Zee neemt de Shah niet de boot. Hij

houdt niet van de zee en in het algemeen niet van water. Een

waarzegster heeft hem eens voorspeld, dat hij door het water sterven

zou. En sedert dien tijd vermijdt de Shah de zee, de rivieren en

zelfs de beekjes. Wij zijn over de Moerdab gevaren; daar waagt de

Shah zich niet op. Hij volgt een zandigen weg, die pas is gebaand en

die langs een grooten omweg naar Enzeli voert. Onze automobiel zal

daarvan profiteeren.

Wat moet de waarzegster lachen, als de Shah, in plaats van op een der

uitstekende stoombooten van de russische maatschappij naar Bakoe over

te steken, over land de lastige reis doet langs de Kaspische Zee op

een nauwelijks gebaanden weg door een streek, die veel koortsachtiger

is dan Perzië. De tocht naar Bakoe duurt dan drie weken en met de

boot slechts vijftien uren.

Aan de russische grens laat hij dan 4500 personen en een onnoemelijk

aantal kameelen en muildieren achter. Er blijven dan slechts een

vijftigtal ministers en hovelingen over, om mee naar Europa te

gaan. Dat leger van volgelingen wordt gevreesd in de landen, die

worden doorreisd. De bedienden van den Shah dragen een schitterende

uniform, maar ze ontvangen zelden hun loon. Zonder dat is men van

oordeel, dat het al genoeg eer is, de keizerlijke uniform te mogen

dragen. Zij moeten zich maar zien te redden. Als ze aankomen, nemen

soms de bewoners de vlucht, en de kameeldrijvers verlaten den weg

met kameelen en muilezels.

De moderne en allerkluchtigste verschijning in dit tooneel is de

automobiel van den Shah, want de vorst heeft een stoomautomobiel en

twee fransche chauffeurs.

Waarvoor gebruikt hij zijn auto?

Niets zou aardiger wezen dan dat de groote koning van de snelste

en nieuwste manier van reizen gebruik maakte, en bijvoorbeeld in

Teheran in de auto stapte, om in een enkelen dag de 350 kilometers

af te leggen, die de hoofdstad van de Kaspische Zee scheiden. Het zou

mooi zijn, dat Zijne Majesteit de snelste man uit zijn rijk was. Men

kan zich zoo voorstellen, wat een legenden dit bijgeloovige volk

zou spinnen rondom een souverein, die de buitengewone macht bezat,

om des morgens in Teheran en des avonds in Resjt te wezen.

Dat heeft de Shah niet begrepen. En buitendien heeft hij pijn in

de lenden.

Hij bedient zich van de automobiel, zooals gij en ik een ziekenwagentje

zouden gebruiken. Hij rijdt erin door zijn tuinen. Op den weg legt

hij twintig of vijf-en-twintig kilometer per dag af. En dat gaat

niet in een half uurtje. De soldaten moeten het rijtuig in stap

kunnen volgen....

Zoo houdt de Shah, die om zeven uur in den morgen in de automobiel

is vertrokken voor een reis van 800 kilometers, om tien uur op en

heeft dan een twintigtal achter zich.

Overigens wisselt hij nog af en gebruikt de auto maar om den anderen

dag. Ik denk, dat hij nu wel in het rijtuig zijn zal, om zijn getrouwe

onderdanen van Kaswyn niet te verschrikken.

Eindelijk klonk tegen tien uur een kanonschot. De Shah is de stadspoort

doorgegaan. Dadelijk daarna zien we een wolk van menschen aankomen, te

voet en te paard, met lange stokken gewapend. Dat zijn de voorloopers

van Z.M., die de menigte ordelijk opstellen. De belangstelling is

trouwens maar matig.

Dan gaat een peloton voorbij van lieden van het keizerlijke huis,

in scharlaken liverei met gouden brandebourgs; een majordomus

stapt voor hen uit, een korte, dikke man, die onhandig zwaait met

een dikken staf van tamboer-majoor; dan volgt een fanfarecorps te

paard en perzische kozakken met een rooden generaal aan de spits,

en eindelijk in een rijtuig met zes paarden de Koning der Koningen

onder de half opgeslagen kap.

Hij was op zijn Europeesch gekleed en zag er zeer vermoeid uit;

een oude afgeleefde dorpsnotaris leek hij wel.

Het kanon bulderde, maar de menigte juichte niet. Zij bleef

onverschillig. Dat schijnt altijd zoo te zijn. De Perzen zijn nooit

geestdriftig geweest tegenover de koningen of shahs, die hen nu al

vijf-en-twintig eeuwen en meer regeeren.

Tegen den middag waren wij weer op weg van Kaswyn naar Teheran. Wij

kruisen nog de achterhoede van den Shah en ontmoeten al maar weer

kameelen en muilezels. De weg, die tot Teheran door de woestijn

leidt, is gruwelijk eentonig. Mijlen en mijlen lang gaat hij steeds

rechtuit. De Elboersketen verrijst aan den linkerkant. Rechts ligt het

eindelooze plateau van Iran. Er was geen boom, geen struik; niets dan

steenen en zand, zoo ver het oog reikte. Aan de eene zij stonden de

palen van de russische telefoon en telegraaf, en aan de andere die

van de indo-europeesche telegraaf, die uit Tabris en Odessa komt.

Alle 26 of 30 kilometer een posthuis met een paar boomen. Het duurt

telkens wel een uur, eer we met de versche paarden wegrijden. Ondanks

het voorbijgaan van den Shah waren we nog al gelukkig met het

krijgen van paarden. Maar de ongelukkige beesten waren uitgeput

van vermoeienis, en wij kwamen langzaam voort. Wij hoopten zonder

tusschenpoozen de honderd-vijftig kilometer te kunnen afleggen,

die ons van Teheran scheidden.

Toen we van Kaswyn vertrokken, hoopten we vóór middernacht in de

hoofdstad te wezen. Nu is het vijf uur en we denken er niet voor het

aanbreken van den morgen te zullen zijn. Maar we hielden vast aan

ons besluit, om niet in een zastava te overnachten, en niet in een

sjapar khané.

De warmte en de weerkaatsing van het felle zonlicht op den weg

vermoeiden ons zeer. Wij kropen beiden onder de witte parasol van mijn

metgezel. Te vergeefs beloofden we vorstelijke fooien aan de koetsiers,

we komen toch nooit met grooter snelheid dan tien kilometer in het

uur vooruit.

Bij elke halt stapten we uit, om onze beenen te strekken. Het werd

donker en we waren nog onder weg. Daar moesten we over een rivier. Een

der bogen van de brug was ingestort. De koetsiers verklaren, dat

ze de doorwaadbare plek in donker niet kunnen vinden. Te vergeefs

beloofde Emanuel Bibesco aan den postmeester, die Russisch verstaat,

een zeer groote belooning; geen enkele koetsier durft op den bok

klimmen. Zij zeggen maar, dat het onmogelijk is; dat wij door den

stroom worden meegesleurd.

En zoo waren we genoodzaakt, de bagage af te laden voor een nacht in

een sjapar khané.

Ons humeur was ver van prettig.

Het huis was nog al groot; wij liepen onder een poort door, dan door

een tuin en langs gebouwen, terwijl een vriendelijke maan ons mooie

boomen en bloemen vertoonde. Toen gingen we een trap op met te hooge

treden en kwamen op terrasjes, waar een zilveren licht speelde. Daar

werd ons een deur geopend van een kamertje met gewitte muren en dat

er zeer zindelijk uitzag. Er stonden twee ijzeren ledikanten met twee

stroozakken, een tafel en twee stoelen.

Wij waren doodop van den langen dag in den zonneschijn, vroegen naar

een samovar, haalden conserven voor den dag en sloegen de veldbedden

op. Het was vochtig; we waren zeker aan een plas of een moeras.

Het was over middernacht, eer wij, in onze shawls gewikkeld, te rusten

lagen. Ondanks de bedekking rilden we.

Maar we konden niet slapen, want onder het terras klonk een

onophoudelijk gekwaak van kikkers. Hun muziek dreunde door den

nacht; er waren soli en er waren koren, en nooit hoorde ik ze zoo

krachtig en hoog. En nu begrijp ik die heeren in de Middeleeuwen,

die in den nacht hun lijfeigenen het water lieten slaan, om niet

door de kikkers uit den slaap te worden gehouden. Ik had tot hier

toe in dezen voorzorgsmaatregel een gril van dwingelandij gezien,

het egoïst gevoel van een meester, die slaapt, terwijl anderen voor

hem waken. De perzische kikkers, die bij het maanlicht uit den treure

zingen, rechtvaardigen de wreedste maatregelen, die eertijds genomen

werden, om aan de europeesche zusteren het zwijgen op te leggen.

Toch won eindelijk de vermoeidheid het van al het andere.

Het moet nog geen half uur geweest zijn nadat we in slaap gekomen

waren, daar werden we wakker door een geluid in de kamer.

Wat is dat? Dieven? Wij zijn in zulk een diepen slaap, dat we ons

wel zouden willen laten bestelen, mits het maar zachtjes gebeurde.

Neen, het was de postmeester met een primitieve lantaren in de

hand. Hij probeert, ons iets in het Perzisch uit te leggen. Wij willen

nergens naar luisteren. We jagen hem weg en slapen weer in.

Voor korten tijd, want een uur later komt die hardnekkige man weer

ter plaatse.

Weer worden we wakker en vinden hem voor ons staan, zwaaiend met

zijn lantaarn en vertelt onder drukke gebaren een historie, die wij

ten laatste, nu hij ze voor de derde maal herhaalt, begrijpen. Hij

verklaart blijkbaar, dat wij moeten vertrekken, om bij het aanbreken

van den dag aan de doorwaadbare plaats van de rivier te zijn, want

dat naarmate de zon hooger komt, het water ook zal rijzen en dat,

als we nog langer wachten, we er niet over zullen kunnen.

Daar hij niet wegging, moesten wij wel opstaan.

Wij waren verstijfd; de vochtigheid had een laag fijne druppeltjes

afgezet in de kamer; ik had een papier met potloodaanteekeningen

buiten laten liggen, en het schrift was geheel uitgewischt. Rillend

maakten we ons een kop thee.

Toen moesten de bedden uit elkaar worden genomen en in hun bergplaats

worden geborgen; de shawls worden opgerold, de proviand worden

ingepakt, de valiezen gesloten en naar buiten gebracht, en wijzelf

moesten de trap afgaan met de te hooge treden!

Wij zaten in het rijtuig, maar de paarden zijn niet aangespannen. En

ten slotte gingen wij, die vóór het dag was opstonden en bijna niet

hadden geslapen, pas weg om zes uur.

Na enkele kilometers te hebben afgelegd, waarbij we de zon zagen opgaan

achter de in nevelen gehulde bergen, waren we aan den oever der rivier.

Zij stroomde snel tusschen haar steile oevers. Er was een brug over,

maar de middelste pijler was door het water meegesleurd. Men had ter

eere van den Shah een houten hulpbrug gemaakt voor voetgangers. De

rijtuigen moesten door het water gaan en langs den oever dalen en

klimmen. Er werden hulppaarden voorgespannen, de koetsiers gilden,

het water spoelde om de wielen, en wij zagen ons rijtuig oversteken,

terwijl wij van de houten brug toekeken.

Den geheelen dag gingen wij langzaam verder op den eentonigen weg. De

warmte was erg, en geen koeltje bracht verlichting. Maar eindelijk

wees de koetsier ons een streep boomen; dat is Teheran. De steden

in Europa kondigen zich aan den reiziger aan door huizen en grootere

gebouwen; in de steden van Azië daarentegen verbergen de hooge boomen

de lage huizen en uit de verte ziet men, als de gids u een stad wijst,

niets anders dan groen.

In plaats van den gordel van voorsteden, die vaak een indruk van

armoede maken, omringen tuinen de steden in het Oosten.

De zon heeft ons echter zoo gebrand, dat wij ons over niets meer

kunnen verheugen.

Langzaam naderen we de stad. De weg werd druk. Soldaten te paard en

te voet kwamen terug uit het kamp van den Shah; ezeldrijvers dreven

troepen kleine ezels, met brandhout beladen, voort, en een ruiter

had een toegedekten valk op zijn hand. Stofwolken deden iemand pijn

aan de oogen.

Nog een uur, en wij waren voor de poorten van Teheran.

De koetsier voerde ons door breede straten, tusschen muren zonder

vensters. Het was affreus. Waren wij dat van zoo ver komen zoeken? Is

dat Teheran? Wij hadden een paar wanhopige oogenblikken.

Daar verschenen eindelijk eenige winkels. Het zijn geen perzische

gelegenheden. Wij vernamen, dat de heer Bedrossian ons wel een pak

europeesche kleeren wil aanmeten, tegen betaling wel te verstaan,

en dat de heer Élijan ons op amerikaansche manier een kies wil trekken.

Emanuel Bibesco is aan zwarte melancholie ten prooi.

Ten laatste kwamen we aan het hôtel. Men kwam binnen door een aardige

binnenplaats, beplant met zware boomen en bezet met mooie bloemen,

terwijl aan de vier zijden portieken waren, waar kamers op uitkwamen.

Het was het Hôtel Anglais, gehouden door den heer Reitz.

Wij richtten er ons in. Er waren bedden, bedienden en warm water. Wij

leerden zulke dingen op prijs stellen.

Na een bad te hebben genomen, ging ik naar de fransche legatie.

Den volgenden morgen was het ontwaken verkwikkend in die

zindelijke kamer met de open vensters en de heerlijke lucht, die

binnenstroomde. Wij zouden acht dagen in Teheran blijven, en we

hadden wel wat rust en goede dagen verdiend. Emanuel Bibesco wil nog

niets anders zien dan de europeesche voorstad van Teheran. Hij zegt,

dat Teheran een groote bedriegerij is, installeert zich prettig in

het hôtel, knoopt kennis aan met de jonge Engelschen van de Bank en

de indo-europeesche telegraaf, spreekt den geheelen dag Engelsch en

wil verder niets zien. Men moet niet met Ispahan bij hem aankomen;

die stad wil hij niet kennen; wat hij van Perzië kent, zijn de

verschrikkelijke vermoeienissen, die men er ondervindt op reis. Dat

is hem genoeg, en hij is mild met zijn overwegingen, dat hoe korter

een dwaasheid duurt, des te beter.

De morgens waren heerlijk.

Per auto door den Kaukasus naar Perzië De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 3 / 6 段