Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Per auto door den Kaukasus naar Perzië.
Naar het Fransch van Claude Anet.
Reizen, wat is het heerlijk, wat is het schoon! Men hecht eerst
recht waarde aan de dingen des levens, als men op het punt is,
ze te verliezen. Zou dat het geheim van de bekoring van het reizen
wezen? In snelle opeenvolging ontdekt men telkens nieuwe landschappen,
maakt kennis met oude en jonge steden, betreedt tempels en paleizen en
vindt eenzaamheid en stilte, waar eens drukte van leven heerschte en
men voelt, dat het alles u ontsnapt op het oogenblik van het eerste
aanschouwen.
Wij zijn gereisd naar Midden-Perzië en hebben de rozen van Ispahan
geplukt. We zijn niet de gewone wegen gegaan, want in plaats van met
den trein naar Bakoe te stoomen, besloten we een deel van het traject
en wel een zoo groot mogelijk deel per automobiel af te leggen. Zoo
zijn we dan ook met onze machines in Bessarabië geweest, een land, dat
nog lang terra incognita voor auto's blijven zal. De Krim hebben wij
bezocht, en in den Kaukasus hebben regen en sneeuw ons opgehouden. Toen
we eenige uitstapjes hadden gedaan rondom Batoem en Koetaïs, hebben
wij den trein genomen en de auto's deden hetzelfde. In Perzië heeft
één van ons geprobeerd, over de bergen bij Tabris het hooge plateau
van Iran te bereiken, terwijl wij anderen in de automobielen de tweede
heilige stad van het rijk der Shahs, Koem, bezochten. En toen we daar
waren in de zesde week van onze reis, nadat we groote moeilijkheden
hadden overwonnen, gevoelden we ons wel ver van Parijs en de onzen;
maar we hebben te Ispahan een onvergetelijke week doorleefd.
Wij hadden twee jonge vrouwen meegenomen, of eigenlijk hadden zij
ons meegevoerd, zoo groot en levendig waren haar enthousiasme, haar
vroolijkheid, haar moed, haar wensch om het doel te bereiken. Zij
waren gewend aan weelde en niets doen, aan comfort van allerlei aard;
maar ze hebben met ons meegemaakt de nachten zonder slaap, gedeeld
de onvoldoende maaltijden, de slechte, vuile herbergen, de koude van
den vroegen morgen, den ijzigen wind der bergen en de hitte, die des
middags uit de woestijn opstijgt.... Zij zijn te Ispahan geweest,
en allen zijn we teruggekeerd.
Hoe konden zeven menschen van gezonde zinnen op het denkbeeld komen,
per auto naar Perzië te gaan?
De wensch om met zijn auto eens een anderen weg te rijden dan van
Toulon naar Nice, deed een mijner vrienden, prins Emanuel Bibesco,
een reis ondernemen langs de Corniche van de Krim. Hij ging er eerst
heen, zonder van huis te gaan, namelijk door in zijn Baedeker te
lezen en kaarten te bekijken. Baedeker leerde hem o.a., dat er een
stoombootdienst bestaat van Sebastopol naar Batoem in den Kaukasus. Op
dien tijd, het was in Januari 1905, sprak hij er mij over.
Men zou al heel weinig van aardrijkskunde moeten weten, om niet te
hebben gehoord, dat de Kaukasus een land van prachtige bergen is, en
dat de Russen er wegen hebben aangelegd. Zoo bereisden wij dan den
Kaukasus, altijd op dezelfde luie manier, reden door dalen en over
passen, om in steden uit te rusten. We kwamen op de kaart te Bakoe
aan de Kaspische Zee. Die hield ons tegen.
Toen kwam Emanuel Bibesco weer bij mij.
"Weet je, waar Resjt ligt?" vroeg hij.
"Resjt in Perzië?"
"Resjt in Perzië!"
"Niet heel ver van de Kaspische Zee, ten zuiden."
"Weet je nog wel, dat wij al te Bakoe zijn geweest?"
"Ik zie nog de kozakken in de straten."
"Er gaan tweemaal 's weeks stoombooten van Bakoe naar Enzeli, de
haven van Resjt...."
Mijn hart begon onrustig te kloppen.
"En van Resjt naar Teheran," ging hij voort, "hebben de Russen een
uitmuntenden weg aangelegd van 325 kilometer, waar de automobielen..."
"Zeg maar niets meer. Wanneer gaan we?"
We hebben drie maanden aan de voorbereiding besteed.
* * * * *
Er kwamen slechte berichten uit Rusland, zeer slechte berichten,
maar niets hield ons terug. In de eerste dagen van April waren wij
allen te Boekarest. Daar zal ik u voorstellen ons gezelschap, prins
Georges Bibesco, verdienstelijk sportsman en zoon van een Bibesco, die
in dubbele mate Franschman heeten mag door de twee oorlogen, waar hij
aan deel nam, dien van Mexico en dien van 1870; dan zijn zeer jonge
vrouw, die altijd bloemen had en die evenveel van verzen hield als
van bloemen, terwijl zij er zelve zeer mooie maakte; verder haar nicht
mevrouw Michel C. Phérékyde en den man van deze laatste, oud-leerling
van Louis-le-Grand; prins Emanuel Bibesco, den ontwerper van deze
reis, die in Rusland en den Kaukasus de verantwoordelijkheid voor
onze expeditie op zich nam; den heer Leonida, roemeensch sportsman,
en mijn persoon.
Buitendien onze drie chauffeurs, Keiler, een Zwitser, Eugène, een
Franschman, die niet van de zee hield, en den melancholieken Giorgi,
een Roemeen. Zij hadden nog wel eens reden, zich te verbazen dat wij
op deze wijze voor ons pleizier reisden.
Laat ons vooral ook niet vergeten de drie wakkere automobielen, die
ons vervoerden, een Mercedes van 40 paardenkrachten, een open wagen
met kap; dan een Mercedes van twintig paardenkrachten, en een Fiat
van zestien, alle van hetzelfde jaar en denzelfden aard.
Gedurende twee dagen en twee nachten rolde ik in expresstreinen
naar het oosten; ik reed over München, Weenen en Boedapesth, maar
den elfden April ging het dan werkelijk naar Perzië, en wij waren
tegen negen uur in den morgen bijeen in het hôtel op den boulevard
te Boekarest. We zagen er schilderachtig uit in onze stofmantels,
regenmantels, bont, verschillende petten, gevoerde handschoenen,
laarzen, slobkousen, putties en wat niet al, dat toonde, hoe wij niet
maar voor een paar dagen op reis gingen. Bloedverwanten en vrienden
waren bij het vertrek aanwezig.
Buiten stonden automobielen te puffen in de koude lucht. Ze behoorden
aan leden van de Automobielclub van Roemenië, die ons zouden geleiden
naar Giurgevo aan de Donau, waar we aan boord van een oostenrijksche
stoomboot zouden gaan, want deze autoreis begint met de boot.
We zouden onze machines in Galatz weervinden, om door Bessarabië
te rijden.
De lucht was helder en de barometer stond goed. We moesten den
volgenden en daarop volgenden dag mooi weer hebben, want de
bessarabische wegen zijn niet veel meer dan voetpaden door weeke aarde.
Omhelzingen, handdrukken, eerste genietingen van photografietoestellen,
en we zeiden Boekarest vaarwel. Er liggen zestig kilometer tusschen
die stad en Giurgevo, kilometers van een goeden roemeenschen weg,
wat gelijk staat met een middelmatigen franschen. Het land was vlak
met een paar reeksen niet zeer hooge heuvels. Ik zocht de Donau
aan den horizon, maar vond ze niet. Te Giurgevo hadden we een zeer
vroolijk ontbijt. De musici uit de plaats kwamen uit hun schoen- en
kleermakerswerkplaatsen, trokken hun beste jas aan en maakten muziek
voor ons; daarna dansten we in de groote societeitszaal. Zullen we
ook te Teheran dansen?
Laat ons nu naar de Donau gaan, die een paar kilometer van de stad
is verwijderd. Daar is het gele water, en aan den overkant in de
verte de bulgaarsche oever. Bij de aanlegplaats der booten vonden
we onze bagage, die met den trein was gekomen. Ieder van ons zocht
alles na, om te zien of alle doozen en koffers en valiezen en shawls
waren meegekomen.
Ik bewonder die reizigers, die, als ze naar verre landen en onbekende
streken gaan, het nooit over hun bagage hebben. Het schijnt wel, of
zij geen lichamen van vleesch en bloed hebben, en of ze ongevoelig
zijn voor kou en regen, dorst en honger. Zulke reizigers zijn wij
niet. Wij hebben schoon linnen noodig en nog allerlei andere dingen,
en het meesleepen van al die benoodigdheden is een dagelijksche zorg
van de reis. Elken dag moesten we valiezen in en uitpakken, dekens
en shawls oprollen en ontvouwen, als men doodop is van moeheid. De
lezer wordt verzocht medelijden met ons te hebben, maar bij onze
manier van reizen is het onvermijdelijk.
Wij zijn met ons zevenen reizigers en drie chauffeurs. We hebben ieder
recht op twee valiezen, ten onrechte handvaliezen genoemd. Alleen
onze photografietoestellen vormden een heel bataljon. Ook waren er
koffers, die op eigen gelegenheid treinen namen of booten of met de
post reisden. Ze maakten een plezierreisje, en heel zelden ontmoetten
wij ze op onzen tocht. We vonden ze soms op het onverwachtst en altijd
met hetzelfde verbaasde genoegen.
Op het dek van de Donaustoomboot waren we zelf verwonderd, dat
we nu heusch vertrokken waren. Het was een eentonig landschap,
en de rivier was zoo breed, dat men bijvoorbeeld licht den oever
van een eiland in de rivier voor den tegenoverliggenden oever der
rivier kan aanzien. Den 12den April waren we te Braïla, een groote
roemeensche uitvoerhaven, leelijke en moderne stad, en toen volgde
Galatz, waar wij ons moesten inschepen op een russische stoomboot,
die naar Odessa ging. We vonden de auto's op de kade. Ze moesten
nu aan boord worden gebracht en dat was geen gemakkelijk werk. Een
platboomd vaartuig kwam langszij met de wagens; maar de stoomboot
had geen kraan, sterk genoeg, om ze op te hijschen. Een losse brug
leidde van de kade naar de schuit, en van daar legde men balken en
planken naar het dek van de stoomboot. Het was een helling van 40
ten honderd. Georges Bibesco bracht den motor in beweging; de raderen
draaiden. Dertig arbeiders en russische matrozen tilden het zware ding
op, en eindelijk was de machine aan boord. De beide andere werden
op dezelfde manier opgeheschen. De inscheping duurde twee uren, en
daarbij klonken vrijwat vloeken, russische, roemeensche, turksche en
zelfs fransche. Onze ooren raken langzamerhand gewend aan het _niet_
en het _da_ der Slaven. Emanuel Bibesco heeft er spijt van, dat hij
zoo gemakkelijk talen leert en van zijn onvoorzichtigheid, Russisch
te leeren, want reeds vallen wij hem lastig met allerlei vragen.
We hadden heel wat vertraging toen we van Galatz vertrokken, iets,
waarom de kapitein zich niet bekommert. Op de kade zonden vrouwen
uit het volk afscheidsgroeten toe aan een armen soldaat, die naar
den oorlog ging, naar het verre, vreemde Mandsjoerije. Een uur
na het vertrek waren we te Reni, russisch douanestation. Maar onze
aanbevelingen waren gericht aan de autoriteiten te Ismaïlia, waar wij
aan wal zouden gaan. Het duurde lang, voor het met de douane in Reni in
orde was. Ze zeiden, dat ze moesten wachten op den Gouverneur-Generaal
van Bessarabië. Bij voorbaat waren wij slecht te spreken over de
russische ambtenaren. De Gouverneur kwam met een geleide van prachtige
officieren. Hij stapte naar de auto's op het dek, keek er naar en
had een langdurig onderhoud met den kapitein. Reeds zagen we ons
den voortgang verhinderd en allerlei moeilijkheden met de douane;
maar toen de man weg was, hoorden we, dat hij bevel had gegeven, om
op alle manieren onze reis door zijn gouvernement te vergemakkelijken.
Toen ging het verder de Donau af naar Ismaïlia; we kregen de eerste
kozakken te zien; een ruiter op een klein paardje reed langs de rivier
aan den linkerkant. Rechts ligt de roemeensche Dobroedsja, een vlakte,
begrensd door lage bergen. Links is Bessarabië met kudden schapen,
oude wilgen, zandige oevers, schaarsch gras, alles overgoten met een
rosse tint.
Wie heeft ooit kwaad gesproken van de russische douane en politie? Laat
men zoo iemand naar mij toe zenden. De douane en de politie vlagden
te onzer eer; er werd geen enkel van onze acht-en-twintig valiezen
en onze zes koffers geopend, en de chef van de politie bracht zelf
de wapens naar beneden, die wij invoerden, het verbod daarbij over
het hoofd ziende.
Een eigenhandige brief van den minister van binnenlandsche zaken
bezorgde ons die gemakkelijke entree in Rusland. Zonder veel moeite
werden de auto's van boord gebracht, en op de kade stond het vol
menschen. Arbeiders en handwerkslieden drongen op ons toe; heldere
boerenoogen keken ons aan uit gebruinde gezichten; maar de stank,
die uit de menigte opsteeg, was om iemand ziek te maken. Meer dan
een uur moesten we het uithouden, terwijl een deel der bagage naar
Odessa werd afgezonden en het andere op onze rijtuigen werd geladen.
De mensch is toch het vuilste dier der schepping. Hij is het vuilste
van al wat bestaat, want op de straatsteenen regent het nog nu en dan;
maar als het regent, kruipt de boer uit Bessarabië weg, en hij kent
heelemaal het gebruik van water niet.
Eindelijk zijn we onder weg. De marschorde is de volgende. Eerst de
groote Mercédes, dan de kleinere met Leonida en dan de Fiat met de
machinisten en de bagage. Zoo zijn wij zeker, dat als we wat krijgen,
de chauffeurs ons te hulp kunnen komen.
We rijden op russischen grond. Het is zwaar werk. De weg tusschen de
dunne boomen is vol steenen met hier en daar onverwachte kuilen. En
daar op tien kilometer afstands van Ismaïlia houdt plotseling de weg
geheel op. Mijn vrienden waren er niet zoo verbaasd over als ik, en
ze dreven zonder haperen hun rijtuigen in het veld, de gaten volgend
vóór ons, waar andere wagens hadden gereden. De grond was zacht, en
we kwamen niet gauw vooruit. In regen zou dit spoor onberijdbaar wezen.
Zoo ging het verder over de donkere aarde, waar de boeren aan het
werk waren met spannen ossen, tot de avond viel en het licht van
onze lantaarns groote vlekken wierp over het eenzame land. Daar zagen
we eindelijk een groepje huizen, het stadje Bolgrade, waar we onzen
eersten nacht op russisch grondgebied zouden doorbrengen. Alle honden
huilden ons tegen, toen wij bij de herberg stilhielden, en toen we het
binnenplein opreden, stonden eenige gorodovoïs of agenten van politie
bij den ingang van de poort, om anderen den toegang te beletten,
want wij werden verwacht.
De binnenplaats was ledig, en op de markt buiten waren veel menschen
bijeen. Door een merkwaardig verschijnsel van endosmose filtreerden
de boeren één voor één door de deur, die door de agenten gesloten
werd gehouden.
Bolgrade! Wij hadden de ergste verwachtingen, en we waren voorbereid
op vuilheid, ongedierte, middelmatig voedsel, want het was immers een
gat, dat Bolgrade! En ziedaar wat een verrassing! In een gebouw aan
de plaats waren vier kamertjes met witte muren en lakens in ijzeren
ledikanten! Er werd ons een dragelijk maal voorgezet, dat met een
heerlijk bessarabisch wijntje werd besproeid.
Ons troepje was in de beste conditie. Wat is het goed geweest, dat
we zijn gegaan, en niet hebben geluisterd naar de ongeluksprofeten,
die ons allerlei rampen voorspelden!
Den volgenden dag stonden we om zeven uur op voor een langen dag
in de automobiel. We hebben 250 kilometer te doen, om in Ackermann,
de groote stad aan den mond van de Dnjester, te gaan logeeren.
De ervaring van den 12den had ons geleerd, dat we niet aan snelheid
moesten denken, en dat als er regen kwam, we niet vooruit zouden
kunnen. Dadelijk 's morgens raadpleegden we mijn reisbarometer. Helaas,
die stond laag, op 740 millimeter. Wijze menschen zouden in Bolgrade
den trein naar Odessa hebben genomen; maar wij hebben Parijs en onze
zaken niet verlaten om wijs te wezen; het regent nog niet, en wij
zullen per auto gaan.
Om negen uur konden we vertrekken. Te laat, want we kenden nog niet
den tijd, die noodig was om onze acht-en-twintig stuks handbagage te
pakken en op de auto's vast te maken. Toen we dien kenden, was het
trouwens hetzelfde, en we gingen voort met te laat te vertrekken,
daar het ons tot gewoonte was geworden.
Boven Bolgrade ging het eerst tegen een heuvel op en van de hoogte
overzagen we het vlakke land Bessarabië, zonder boomen, met hier en
daar een heuvel of een ouden observatiepost van de romeinsche legers
onder Trajanus. De grens van het groote rijk liep hier langs; aan
den anderen kant was het gebied der barbaarsche Sarmaten. Op een mijl
afstands kon men in de totale eenzaamheid de figuur van een enkelen
herder zien, die bij onze nadering vluchtte. Als een eindelooze
zee lag het land met kleine golfjes, en de weg was afschuwelijk, vol
modderkuilen, en nu eens driehonderd meter breed, dan niet breeder dan
drie meter. Een weg is namelijk in Bessarabië iets, waar geen ingenieur
aan te pas is gekomen, een ding, dat net doet wat het wil. Als zoo'n
weg een kloof ziet, loopt hij er pardoes in, net als in een rivier, en
dat is eigenlijk nog het beste, want als men een brug heet te hebben
aangelegd, is alles veel moeilijker. Dan zijn er gaten en kuilen
tusschen de steenen, dat men er een wiel in moet verliezen. We doen
niet meer dan twintig kilometer in het uur, en we worden geschud,
alsof we honderd deden op de mooie, gladde wegen van Ile de France.
Daar begon het te regenen, een dichte, harde regen, en al spoedig
was de weg doorweekt. Onze Mercédes deed al haar best, maar zakte
al dieper weg en de modderkuilen waren zoo week, dat onze carter [1]
den grond raakte. De groote Mercédes zat vast. Waren we maar niet zoo
ver nog van Tatar-Boenar, waar we zouden dejeuneeren! De twee wagens
van de anderen waren niet in het gezicht. Wat zou hun overkomen zijn?
Na een uur hield de regen op en met verbazende moeite werd de wagen
uit den kuil getrokken. De dames vonden nog viooltjes in een sloot,
welkome ontmoeting in de wildernis. Maar toen moesten wij terug, om
de anderen te zoeken, en we vonden ze in een droevigen toestand; de
kleine Mercédes worstelde tegen een heuvel op en toen ze eindelijk in
een armoedig dorp was gekomen, waren er allerlei reparaties noodig. Ten
laatste arriveerde ook de auto der machinisten, die maar niet konden
begrijpen, wat wij voor ons pleizier in Bessarabië deden.
In het armoedige dorp La Fontaine aux Fées, werd ons de herberg
gewezen, tegelijk kruidenierswinkeltje. Er was niets eetbaars en wij
behielpen ons met harde eieren. Wij hielden raad. Wat te doen? We
waren nog veertig kilometer verwijderd van Tatar-Boenar, een stadje
van 5000 inwoners volgens Emanuel, die de boeken en kaarten heeft
bestudeerd. Zullen wij zoo gelukkig wezen, vandaag nog daar aan te
komen en dan morgen Ackermann bereiken? Maar beter weêr is er voor
noodig, dat hebben wij bemerkt.
Zou het niet beter zijn, naar Bolgrade terug en dan toch met den
trein naar Odessa te gaan?
Er zou iets smadelijks zijn in dien laatsten maatregel, zich te laten
overwinnen door de bezwaren van den weg en dat op den allereersten
dag! Neen, de lucht klaarde op; de barometer heeft neiging om te
stijgen, de grond moet wat opgedroogd zijn, nu het in de laatste drie
uur niet heeft geregend, dus wij vertrokken naar het onbereikbare
Tatar-Boenar.
Wij lieten in het dorpje Leonida achter met zijn wagen en zijn
chauffeur, die ons later zou volgen en tegen half zes gingen we weer
op weg. De aarde was nog week en kleefde aan de wielen; het ging niet
veel beter dan des morgens, maar we kwamen toch vooruit. We reden nog
een eind om, moesten weer de lantaarns aansteken, maar arriveerden
dan toch in dat Tatar-Boenar, waar we om twaalf uur hadden willen
zijn. Nu was het tien uur in den avond.
We verdronken bijna in de straten, die slechts modderpoelen waren. De
commissaris van politie hield ons voor verdachte lieden, en wij
wilden maar van hem het hôtel hebben, dat ons hier was beloofd. Er
was intusschen geen hôtel, en bij het zien van het plaatsje moest
men zich wel afvragen, waarom daar ook een hôtel zou zijn. Sedert het
ontstaan van het nest is er stellig nooit een West-Europeaan geweest,
en na ons zal er wel nooit meer een komen.
In een vieze herberg bood men ons het eenige, wat men had, een
onsmakelijk kamertje met drie bedden, vlak op elkaar. Er was een niet
te beschrijven reuk, en men kon er niet aan denken daar een oog dicht
te doen.
Toen sprak Emanuel Bibesco, die onze ontmoediging zag, over Ackermann,
een stad van 80,000 inwoners, met prachtige hôtels, zindelijke
bedden, baden en smakelijk eten. Hij beweerde, dat er ons nog geen
zestig kilometer van scheidden. "Laat ons hier een uur uitrusten,
laten we soupeeren, daar wij niet geluncht, noch gedineerd hebben,
en laten we dan om elf uur vertrekken, dan zijn wij om één uur in
den morgen in dat gezegend Ackermann."
Ik trachtte nog wat verstandigs te zeggen, door erop te wijzen,
dat we een tocht vóór ons hadden, die even lang was als die van 's
morgens door een onbekend terrein en mogelijk in den regen, en dat
alles 's nachts. Maar ik liet mij overreden. Tatar-Boenar had ons te
erg teleurgesteld. De dames waren bereid voor den nachtelijken tocht,
en we zouden gaan. Doch eerst soupeeren!
Dat was ook al niet gemakkelijk. Er was niets te eten. Eindelijk kwam
een blikje verdroogde sardines voor den dag en een stuk worst. Wij
aten sardines en worst, tot in de kamer naast de onze veel menschen
kwamen en de reuk zoo ellendig werd, dat men niet eten kon. Om elf
uur zouden we juist gaan, toen het valies van Emanuel Bibesco bleek
te ontbreken. Iemand had er zich in den donkeren nacht mee uit de
voeten gemaakt. Wij lieten den commissaris roepen, die niet verbaasd
was. Keller zou met hem de herberg doorzoeken. Keller kwam terug,
verontwaardigd, want men had hem niet overal willen toelaten. Levendige
discussies; nieuw onderzoek van de herberg. Onnoodig te zeggen, dat
het kostbare valies niet werd teruggevonden. Het bevatte, behalve
linnengoed en kleederen, gidsen voor de geheele reis, gidsen, die,
zooals blijken zou, onmisbaar voor ons waren.
Tegen half twaalf verlieten wij het verfoeilijke Tatar-Boenar met
een wegwijzer op de trede van onzen wagen, om ons den weg door de
stad te wijzen.
Het bevel werd gegeven, elkaar niet uit het oog te verliezen. Voorop
reed de groote Mercédes; ik zat in het rijtuig van de machinisten,
en Leonida was nog niet weer bij ons.
Wij reden zoo snel mogelijk, zonder veel te vorderen, want de weg
werd al gauw afschuwelijk. De nacht was stikdonker. Wij verloren
het voorste rijtuig uit het oog. De chauffeurs werden bang, en onze
lantaarn ging bijna uit. Voorzichtig ging het verder, maar daar zagen
we in de verte een licht; dat was onze voorrijder, die ons wachtte.
Hoe laat is het? Eén uur in den morgen. Waar zijn dan de lichten van
Ackermann? Ik hoor lachen van de dames in den grooten wagen.
Vooruit maar!
Telkens zaten we vast in kuilen, waaruit soms de groote Mercédes
ons moest helpen. Toen het drie uur was, lachte men niet meer in het
groote rijtuig. Altijd de woestijn om ons heen en geen Ackermann, geen
Ackermann! Eindelijk wat daglicht in het Oosten en een paar karren
op den weg, en toen we nog een half uur hadden afgelegd, verschenen
voetgangers en huizen, een bedompte voorstad en werklieden, die zich
naar hun werk begaven. Dat is de stad.
Waar is het hôtel? Er is geen hôtel, maar een vuile herberg, waar ze
ons kamers geven zonder lucht, die op een binnengalerij uitkomen. Dat
is nu het beloofde paleis!
Het is twee-en-twintig uren geleden, dat we Bolgrade hebben verlaten;
wij hebben in dien tijd niet geslapen en maar heel weinig gegeten;
we hebben doorstaan honger, regen, koude, gebrek aan slaap en
vermoeienis. We hebben avonturen willen zoeken, welnu daar zijn ze,
en we zijn er niet bijzonder mee ingenomen.
Twee uur van onrustigen slaap, toen moesten we opstaan, om Leonida te
ontvangen, die den geheelen nacht had doorgereisd. Hier in Ackermann
moeten we de Dnjester oversteken, die tien kilometer breed is. Dank
zij den bevelen van den gouverneur vonden we voor de auto's een schuit
gereed liggen naast de stoomboot, waar we mee zouden worden overgezet.
Twintig kilometer ver was de overtocht over de rivier in schuine
richting. Het was donker, want het scheen wel of de lucht op onze
schouders rustte, en al gauw begon een fijne regen te vallen, die
ons van het dek jaagde en de oevers voor ons verborg.
Te Ovidiopol had de politie gevlagd te onzer eere en stond erop, dat
we thee gebruikten, wat we niet konden weigeren, maar wat ons lang
ophield. Het was al vijf uur; maar we hadden ook maar 38 kilometer
meer tot Odessa. Eindelijk reden we weg, en voor het oogenblik regende
het niet.
Ik zal den weg niet beschrijven tusschen Ovidiopol en Odessa. De
eenvoudige feiten zullen voor zichzelven spreken. Acht-en-dertig
kilometer liggen tusschen de beide steden. Wij hebben meer dan vier
uren noodig gehad, om ze af te leggen en we hebben geen ongeluk gehad.
We reisden weer in den nacht en kwamen om half elf aan.
Het kompas heeft diensten moeten bewijzen.
Meen niet, dat gij weet wat regenen is, voordat ge het in het
gouvernement Cherson hebt bijgewoond. De aardrijkskundigen beweren,
dat er in een jaar slechts veertig centimeters water te Odessa vallen;
die hebben wij dan in twee uur tijd in hun geheel ontvangen. Een
horloge, dat ik in den binnenzak van mijn tweeden overjas had onder
een caoutchouc regenjas met de kap van het rijtuig omhoog, was bij
aankomst vol water en modder! En ik was niet van mijn plaats geweest!
Maar dienzelfden avond lagen wij uitgestrekt in mollige fauteuils in
het Hôtel de Londres te Odessa, en pas ontsnapt aan de gevaren van
de reis door Bessarabië en Zuid-Rusland, maakten wij toebereidselen
voor de Krimcampagne.
Ongehaast hebben we Odessa bekeken, want al moesten we eigenlijk
den 15den naar Sebastopol vertrekken, we waren te moe en besloten te
wachten op de boot van den 17den.
We gingen in de stad en daarbuiten uit rijden in belachelijk
kleine rijtuigjes, waar iemand, die wat dik is, haast niet in kan
zitten. We bekeken de kathedraal en zagen de popen met lang haar als
van vrouwen. We deden inkoopen van ingemaakt goed voor de Krim en
brachten zoo drie prettige en nuttige dagen door.
Maandag 17 April namen wij met al onze colli's, onze koffers en de drie
auto's de boot naar Sebastopol, en het bleek, dat we al een groote
handigheid hadden verkregen in het inschepen van onze wagens. Den
volgenden morgen verscheen de kust van de Krim voor onze oogen en in
de diepte van een baai lag daar de stad. Wij zouden er slechts zoo
lang blijven, als noodig was, om ons klaar te maken voor het vertrek
met de auto's naar de kleine tartaarsche plaats Batsji-Seraï. Ons
program voor den dag was het volgende. Vroeg ontbijten en vertrek
om elf uur naar Batsji-Seraï op 50 kilometer afstands; van daar in
het Balbekdal omhooggaan, een pas overtrekken in de bergen boven
Yalta en naar die bekende badplaats, het russische Nice, afdalen,
die, naar ons gezegd werd, door het bergland honderd kilometer van
Batsji is. Maar er worden ons mooie wegen beloofd. Dat werd ook tijd.
Van naam zijn de omstreken van Sebastopol genoeg bekend. Wie heeft
geen herinneringen aan Alma of den Malakoff? Wij reden door Inkermann
en bestegen den Malakoff heuvel, van waar we naar het Balbekdal
zouden gaan. Men heeft de waarheid gesproken, want er waren wegen
en goede. Het landschap was mooi, en een late lente had nog bloesems
aan de amandelboomen gelaten. Te Batsji-Seraï wonen vijftien duizend
Tartaren in een smal dal, een lange, schilderachtige straat, die maar
niet eindigen wou. Alle inwoners liepen uit, om ons te zien.
Ik heb vaak op deze reis een gevoel, alsof wij alleen door zooveel
landen trekken, om wat afleiding te bezorgen aan de bewoners van de
verre steden, die we bezoeken. Wij moesten door een woest dal rijden
en honderd kilometer afleggen door de bergen en over een pas, om te
Yalta te komen.
Beneden was het dal dicht bevolkt, en we passeerden huisjes, in
kleine tuinen gelegen bij velden, waar Tartaren werkten, maar daarna
volgden eenzaamheid en stilte. Steil beklom de weg den berg. Ik zag
de groote Mercédes honderd meter beneden mij en merkte hoe zij zonder
moeite de scherpe bochten nam, en achter ons den wagen met de bagage,
die er zich ook goed doorheen sloeg. Het werd avond; we zouden zeker
niet vóór den nacht in Yalta wezen.
Wij stegen nog steeds langs den bezwaarlijken weg. Eindelijk waren we
buiten het bosch en niet ver van den top van den pas, toen op eens een
sneeuwmuur van een meter hoog zich voor ons verhief. De groote Mercédes
nam een aanloop, maar zat al gauw in de sneeuw vast. Wat te doen?
Wij waren maar twintig kilometer van Yalta en toch moesten we omkeeren,
niettegenstaande den erbarmelijken weg achter ons. Een honderd
kilometer terug naar Sebastopol en nu in donker! Maar we hadden geen
keus en daar ging het heen vliegensvlug naar beneden langs afgronden
en remmend bij de scherpe bochten, terwijl de wind zich tot storm
had verheven. Tegen elf uur waren we weer op den Malakoffheuvel. Daar
sprong een band. Terwijl ze aan het repareeren waren, gingen wij op
shawls op den grond liggen, doodop van vermoeidheid en honger. Daar
op de kale aarde tusschen de steenen kwamen herinneringen aankloppen
aan anderen, die er zoo hadden gelegen, vermoeider nog dan wij, zoo
moe, dat het leven langzaam uit hen heenvloot op een avond als dezen,
waarop de kogels floten als nu de wind.
Den volgenden morgen liepen wij door Sebastopol en ik trachtte de
opschriften te lezen op de uithangborden van de winkels.
Waarom hebben de Russen toch zoo'n ingewikkeld letterschrift? Om het
ons nog moeilijker te maken, hebben ze enkele letters van ons genomen,
maar hebben die andersom gezet. Hun M is een T, hun P onze R. En
dan verschillen de gedrukte letters van het loopende schrift en de
hoofdletters van de gewone en zoo meer. Men mag zich dan ook gelukkig
rekenen, als men er na een verblijf van eenige weken in is geslaagd,
de opschriften te ontcijferen. Wat het lezen van een geschreven adres
betreft, daarop moet men maar niet hopen.
Langs de beroemde Corniche van de Krim reden we in den namiddag naar
Yalta. Ons eerste uitstapje was naar het klooster Saint-Georges. Om
daar te komen, moesten we den grooten weg verlaten en vijftien
kilometer door het veld afleggen. De boer, die ons terecht zou helpen,
verdwaalde en bij een gracht moesten wij pontonnierswerk verrichten,
om door vulling met aarde erover te kunnen komen. Onze dames, altijd
vol moed, droegen mee steenen aan. Ofschoon ik te Parijs wel wat
bezwaar had gezien in de deelneming van teêre en aan weelde gewende
vrouwen aan onzen avontuurlijken tocht, hier was ik al lang gerust
gesteld. Zij hadden steeds haar goed humeur behouden en onzen moed
aangevuurd. Ik kan dus ieder aanraden, dames mee te nemen, maar men
moet ze weten te kiezen....
Prachtig was het klooster gelegen, driehonderd meter boven de
diepblauwe zee, op een steile rots, en het moet voor de monniken
met de lange haren niet moeilijk wezen, dag aan dag God te loven en
te prijzen, dat hij hen in zulk een heerlijk oord laat leven. Over
Balaklava reden we door een mooi en afwisselend land naar Yalta.
Het was er nu rustig, maar het oproer had er huisgehouden, en hier en
daar was geplunderd. Wij hadden tot nu toe niets van al de onlusten,
waarvan de couranten vol hadden gestaan, gezien; maar we hadden ons
wel degelijk op gevaar gewapend. Ieder van ons had een revolver. Dan
was er in de auto een karabijn en een jachtgeweer, waar we telkens
onze beenen zeer aan deden; de dames droegen een dolkje, dat alleen
gediend heeft, om de bladen van Steindhal's "Amour" open te snijden,
maar dat in geval van nood dienst kan doen. Ik moet bekennen, dat van
het begin af de wapens in de diepte van onze valiezen hebben gerust,
want al is het al een groote last, een revolver te koopen, het is
nog een veel grootere, het wapen in zijn broekzak te dragen.
Kort na onze aankomst hoorden we, dat Maxime Gorki in een villa in
de buurt woonde. Bij een apotheker kregen we het adres, en ik toog
er op uit. Door het mooie park van Tsjoekoerlar reed ik er heen en
het laatste huis van een kronkelende laan met veel villa's was het
huis, waar Gorki met zijn vrouw woonde. Bij de deur verstond de meid
mij niet, maar toen ik een paar passen in de vestibule had gedaan,
verscheen de stoere figuur van den dichter, die toen nog veel van de
rechtvaardigheid van de russische regeering verwachtte. Wij hebben
lang en veel over de fransche en russische letteren gesproken en ik
zal altijd de aangenaamste herinnering aan de gesprekken van hem en
van zijn vrouw behouden, waarbij mevrouw Gorki onze tusschenpersoon
was, want Gorki zelf kende geen Fransch.
In de omgeving van Yalta reden wij door een verrukkelijk land. De
geuren van de lente waren overal, en wat natuurschoon aangaat kan de
Krim met de beroemdste oorden wedijveren. Men zou hier weken willen
blijven, maar wij zijn al ten achteren met ons reisplan en nog zoo
ver van Teheran! Zullen we daar ooit komen?
Livadia, de zomerresidentie van den Czar, was onbewoond; wij zagen
het park en het eenvoudige woonhuis. Bloemen waren er veel, en
veel soldaten. Bij elke bocht van een laan stonden soldaten; op de
grasperken exerceerden ze en ze zaten op de treden der trappen. De
kleur der uniformen staat niet leelijk tusschen het groen, maar hier
in Livadia is er te druk gebruik van gemaakt.
Op 21 April gingen we aan boord van de Grand Duc Boris, die van
Sebastopol kwam en ons over de Zwarte Zee zou voeren. In de hutten
vonden we al onze bagage, en bij helderen maneschijn zeiden we vaarwel
aan Yalta met de witte terrassen en de slapende villa's. De boot
deed Novorossisk aan en Soekhoem en kwam den 24sten in de plaats
onzer bestemming, Batoem. Het is het best, maar niet stil te staan
bij die dagen op zee; de mensch is blijkbaar er niet voor bestemd,
om als een flesch, die omgespoeld moet worden, dagen lang te worden
geschud. Wat er van ons over was werd in Batoem naar het Hôtel
International gebracht.
De stad was in den kleinen staat van beleg. De poort van het hôtel
was op slot en de vensters waren gebarricadeerd. De koetsier schelde;
een soldaat deed de poort open, stemde er na wat onderhandelen in
toe ons op te nemen, en liet ons binnen.
De bedienden staakten; er waren geen levensmiddelen, en niemand wou
ze aan den heer des huizes leveren, die met den dood was gedreigd
door de revolutionnairen.
We kregen een somberen indruk van de leêge gangen, en in een salon
op de eerste verdieping dronken we bij een schrale verlichting een
glas thee, philosofeerend over wat ons mogelijk wachtte. Ziedaar onze
aankomst in den Kaukasus.
Den volgenden morgen scheen de zon.
Met Emanuel Bibesco ging ik uit; overal soldaten met de bajonet op
het geweer. Menschen met donkere en dreigende gezichten liepen rond,
van plundering teruggehouden door de aanwezigheid van al die militaire
macht. We zagen de meest verschillende typen, weinig Russen, maar
Armeniërs, Georgiërs, Turken, Joden, Tsjerkessen, Tartaren, Lesghiërs,
slenterend in de vuile straten aan de haven.
Gelukkig zijn wij nog maar enkele uren in Batoem en hebben er nog
geen vijanden, of men moest het ons kwalijk nemen, dat we logeeren
in een hôtel, dat door de revolutionnaire comité's op den index is
geplaatst. We hooren veel over die comité's in de twee dagen die
we hier blijven; er zijn er drie, naar het schijnt, een georgisch,
een armenisch en een russisch. Dat is wel veel voor een enkele stad,
en de ter dood veroordeelingen, die ze uitspreken, zijn geen ijdele
bedreigingen.
Er staan in de straten populieren met heerlijk frisch groen. Wij
reden erlangs, toen we naar den gouverneur-generaal gingen, een man
van echt mongoolsch type. We kregen van hem slecht nieuws.
De eenige weg van Batoem naar Tiflis gaat over een hoogen pas bij
Akhaltsikh. Maar door het slechte weer, dat al een maand duurt, zijn
de sneeuwhoopen zoo hoog, dat alle gemeenschap met Tiflis langs den
weg verbroken is. Dus is het onmogelijk, ons plan uit te voeren en
per auto in de hoofdstad van den Kaukasus aan te komen. Een groote
teleurstelling.
Wij besloten een tocht te doen in het schoone Tsjorokdal, voor we
per trein naar Tiflis gingen of eigenlijk naar Koetaïs, want van daar
willen we toch nog beproeven over den Madisonpas Tiflis per motorwagen
te bereiken.
In twee auto's vertrokken we, maar niet alleen. De ordonnansofficier
van den gouverneur ging met ons mee. Hij was een Georgiër van origine,
had te Sint-Petersburg gestudeerd, en daar hij Fransch sprak en het
land kende, was hij ons een aangenaam reisgenoot. Wij kregen ook een
kozak, die op de trede van het rijtuig plaats nam.
Het was een krijgshaftige expeditie! Toch reden we door een liefelijk
dal met goede wegen; toen het enger werd en de bergen dichter naar
de rivier drongen, hingen de bloeiende rhododendrons boven ons hoofd
en vormden een troonhemel, en wilde azalea's bedekten de weiden,
die op de steile hellingen lagen.
Nu hebben we werk voor onzen Kozak, die eindelijk zijn sabel
eens kan gebruiken. We sturen hem in de azaleavelden en naar
de rhododendrons. Die sabel is heel geschikt, om bloemen mee te
snijden. Een geurigen oogst kregen we in de rijtuigen. Het leek wel,
of we naar een bloemencorso trokken.
De kozak ging weer zitten op de trede en wij zochten weer naar roovers,
die we niet vonden.
Maar gevaarlijk was het er niettemin. Dienzelfden avond in den trein
naar Koetaïs bleek het land tusschen Batoem en Koetaïs in opstand,
en alle voorzorgsmaatregelen waren genomen. Wij hoorden, dat aan het
station, toen de auto's ingeladen werden, de stakende werklieden, die
de machinisten fransch hoorden spreken, gezegd hadden: "Uw meesters
zijn Franschen! Zeg hun, dat ze overal veilig zijn."
Dus zijn wij gerust, want van de zijde van het gouvernement waren
ons kozakken meegegeven.
Koetaïs heeft een beroemden bazar, waar alle typen zich vertoonen, die
den Kaukasus bevolken. En het land om Koetaïs had veel te lijden van
den regen. Het heeft eigenlijk elken dag geregend in den Kaukasus. De
overvloed van dat hemelvocht heeft een noodlottigen invloed gehad op
onze reis en op de beslissingen, die we moesten nemen tijdens onze
week in Tiflis.
Daarheen vertrokken we den 29sten.
Op het perron hoorden we bij aankomst al, dat de helft der stad in
staking was, dat men de hôtels had gesloten, en dat de bedienden
weigerden te werken. De trams reden niet. Dat was zoo erg niet, maar
nu hadden ook de spoorwegbeambten het bijltje erbij neergelegd, en
onze trein was de laatste, die in langen tijd in Tiflis zou aankomen;
gelukkig bleek het bericht ongegrond, want een deel van ons gezelschap,
dat zich bij het vertrek van Koetaïs verlaat had en niet met den
trein was meegekomen, arriveerde den volgenden morgen.
Tiflis is de hoofdstad van Georgië, tegenwoordige residentie van den
onderkoning van den Kaukasus; er zijn 200,000 inwoners en de stad
wordt doorsneden door de Koer, een snelstroomend, grijs water.
Wij willen hier:
1. Tiflis bezien.
2. Per auto den militairen weg van Georgië naar Wladikawkas afleggen.
3. Naar Eriwan gaan per auto, langs het meer Goktsja en een bezoek
brengen aan den Catholicos van Esjtmiadzin, den armenischen kerkvorst.
4. Noodige inlichtingen inwinnen over onze reis in Perzië en beslissen
over den te nemen weg.
5. Aanschaffen wat noodig zal zijn voor den tocht door de woestijnen
van Perzië. Wij weten nu, dat we het moeilijk langer dan twaalf uren
zonder voedsel kunnen stellen.
Niets meer dan dat.
Wij hadden brieven voor enkele personen in Tiflis en we werden er
zeer gastvrij ontvangen. We moesten den geheelen dag eten, een goede
voorbereiding voor den aanstaanden vastentijd in Iran. Wij bekeken de
bazars in gezelschap van den franschen consul, die ze goed kent. Ook
werden we naar een karavanseraï gevoerd, waar perzische kooplui
bibelots, wapens en antieke stoffen te koop aanboden.
De Perzen met hun fijne, bruine, magere gezichten zaten er op
matten. Ze lieten ons moderne ringen zien, middelmatige wapens,
ijzeren dieren, met zilver ingelegd, wat nog nieuw werk was uit
Ispahan, en enkele kaschmireesche stoffen, waarvoor ze buitensporige
prijzen vroegen.
Wij zullen maar wachten tot we in Perzië zijn met het aanschaffen
van perzische dingen.
Het plan, om tot Wladikawkas te rijden, moest worden opgegeven, want de
pas is te hoog en we zouden door de sneeuw worden opgehouden. Daarbij
was het weêr altijd maar ellendig, en de inwoners van Tiflis zeiden,
dat ze nooit zulk weêr hebben gehad in het begin van Mei. De
zeldzaamheid van het verschijnsel is voor ons maar een kale troost.
Wat te doen? Naar Eriwan gaan? De wegen zijn niet berijdbaar.
Wachten? Het regent sinds drie weken; het kan nog wel veertien dagen
regenen; dan treffen we de groote hitte in Perzië en dan adieu! tocht
door de woestijn en reis naar Ispahan.
Intusschen bleef het maar regenen en wij bleven maar beraadslagen, hoe
we naar Perzië zouden komen. Het waren discussies aan de maaltijden
en aan de thee, en ze werden in onze particuliere vertrekken met
frisschen moed weer opgevat. Emanuel Bibesco was de eerste, die een
vast besluit nam, namelijk om zijn auto naar Marseille terug te zenden
met een fransche boot van Batoem.
Waarna ik met energie het plan verdedigde, om, daar wij onzen tocht
begonnen waren om Perzië te bezoeken, en daar de revolutionnairen
nog wel treinen lieten loopen naar Bakoe, daarvan gebruik te maken
en dan met de boot over de Kaspische Zee naar het verlangde land te
varen. Zondagavond vertrekt een boot, laat ons daarmee gaan en laat
ons de auto's stil te Tiflis achterlaten.
Binnen een half uur was toen alles in orde en dat plan onverbrekelijk
vastgesteld. Alleen Leonida verklaarde, dat hij in Teheran wou aankomen
over land en in een auto, dat hij over Eriwan en Tabris gaan zal en
dat, al moest hij zijn wagen in brokjes door kameelen laten dragen,
hij er zal komen.
Georges Bibesco heeft een tolk geëngageerd, den Tsjerkess
Hassan. Hassan word gecenseerd Russisch te kennen en ook Perzisch en
Fransch te spreken.
Hij zal ons naar Teheran vergezellen. Kent hij wezenlijk Perzisch? Dat
weet ik niet; maar wat ik wel weet, is dat hij het Fransch alleen door
gebaren spreekt en zoo onderhouden we ons ook in het Russisch. Hoe het
zij, Hassan ziet er met zijn krulharige muts, zijn grooten nationalen
mantel of boerka en de vier-en-twintig kleine kokertjes op zijn borst,
die kruit moesten bevatten, maar waarin wij wel poudre de riz voor
onze dames kunnen doen, zeer indrukwekkend uit. Hij doet aan ons
prestige goed.
Reizigers hebben beweerd, dat de Kaukasus een land van bergen is,
en aardrijkskundigen houden vast aan dezelfde stelling. Zij hebben
een Kasbek bedacht, die zijn top meer dan 5000 M. in de lucht zou
verheffen, en een Elbroes van 5600 M.
Welnu, ik kan dat formeel tegenspreken. Ik heb drie weken in den
Kaukasus vertoefd en heb gewoond aan den voet van de plek, waar zij
beweren, dat de Kasbek zich verheft.
Ik verklaar nog eens, ik heb geen Kasbek gezien. Geen mijner vrienden
heeft den Kasbek gezien, ofschoon een hunner, om een oogenblik ons de
baas te wezen, gezworen heeft, dat hij den berg even heeft bemerkt. Hij
droomde denkelijk. Dus noch de Kasbek, noch de Elbroes bestaan.
Ik zeg hier openlijk, dat, naar mijn ervaring te oordeelen, de
leerboeken der aardrijkskunde moeten worden herzien. De Kaukasus is
geen land van hooge bergen; er zijn een paar hooge heuvels, dat is
alles. Wat de dwaasheid betreft, er een ander Zwitserland van te maken,
die moet geboren wezen in het brein van den een of anderen jaloerschen
Rus, die zich verbeeldde, dat Rusland alle vreemde landen overtrof.
Wanneer men naar mijn aanwijzingen de aardrijkskunde van Rusland zal
herzien, verzoek ik, dat er ook zal worden gezegd, dat nergens de
hemel dichter bij de aarde is; naar mijn gissing is hij er niet meer
dan duizend meter van verwijderd en soms nog minder. Buitendien zal
vermeld moeten worden, dat hij onophoudelijk in water bezig is zich
op te lossen. Dat is een onverklaarbaar natuurverschijnsel, dat we
voorloopig maar moeten boeken, tot tijd en wijle, dat we het zullen
kunnen verklaren.
Twee dagen lang waren we bezig, aankoopen te doen voor onze reis naar
Perzië en wel allereerst veldbedden.
Als men nooit anders heeft gereisd dan in de groote expresstreinen,
die internationaal zijn, of op de transatlantische stoombooten, kan
men maar moeilijk gewennen aan het denkbeeld van een land, waar men
geen bed vindt om op te slapen. Toen te Parijs een vriend, die in
Perzië was geweest, mij zei: "Koop een bed", lachte ik. Een bed te
transporteeren leek mij onuitvoerbaar en onnoodig.
Maar neen, nu zie ik in, dat men een bed moet koopen, wil men in Perzië
naar bed gaan. Te Parijs heb ik mij een zeildoeken zak laten maken,
dien ik in Rusland dacht te gebruiken, maar die opgevouwen in mijn
valies is gebleven.
Te Tiflis kocht ik een bed, om den zak over uit te breiden. Wij vonden
vrij gemakkelijke bedden, die bij den koopman bijzonder goed in en
uit elkaar gingen, maar in Perzië ons veel inspanning kostten. Zij
besloegen, toegeslagen, niet veel meer plaats dan een opgevouwen
reisdeken en wogen elk elf kilo's. Ze zijn maar smal, en het zijn
harde rustbedden.
We zullen tijd hebben eraan te wennen.
Een van ons heeft het lumineuse idee, wasdoek over het bed te leggen,
om de vochtigheid van den grond niet te voelen, want we zullen geen
kamers met parketvloeren vinden boven kelders.
Met onze zes bedden hebben we zeventig kilo bagage meer. Er zullen
stevige wagens noodig zijn, om ons door de woestijn te loodsen.
Wij voegen er nog bij veertig kilo conserven, hammen, sardines,
foie gras, beschuitjes, confituren in massa, daar houden we allen
veel van, compôte, groenten, worsten en zelfs kaas. De oude tolk,
die in Perzië heeft gereisd, raadt ons twee ketels te koopen, want
de Perzen beschouwen ons als onrein en zullen niet willen, dat we
hun keukengereedschap gebruiken. We koopen de beide ketels en twaalf
borden en voor ieder van ons een couvert plus nog zout, suiker, thee,
chocolade en citroenen, theedoeken, om nog eens over te wasschen,
en handdoeken. Het is, of we een huishouding opzetten en of we als
groote kinderen moedertje gaan spelen.
Er werd voor ons een zeer groote mand gemaakt, waarvan het gewicht
bij elke etappe zal verminderen, terwijl, door een onverklaarbaar
natuurverschijnsel, wij, die door den inhoud van de mand dikker moesten
worden, elken dag magerder zullen worden op den tocht door de zand-
en steenwoestijn.
Wij kochten nog allen caoutchouc-regenmantels.
Die hadden we ook meegenomen uit Roemenië; maar door de aanhoudende
stortregens waren ze lek geworden en we lieten ze in Tiflis.
Van Tiflis naar Bakoe reed de trein achttien uren. Hij ging langzaam,
maar was gemakkelijk als alle russische treinen. Men is in Rusland niet
op het idee gekomen, zes personen in een compartiment eerste klasse te
stoppen. In de coupé zit men hoogstens met zijn tweeën; in de dubbele
compartimenten met zijn vieren; ofschoon er acht plaatsen zijn; de
banken zijn verder van elkaar dan in Frankrijk; er is een tafeltje bij
elk venster en daarbij is de waggon breeder dan bij ons. Tegen den
avond komt de conducteur de bedden klaar maken, twee boven elkaar,
en men kan lekker slapen. Er wordt geen supplement betaald zooals
in de exprestreinen in Europa. Van Batoem naar Bakoe scheelt niet
veel in afstand van de route Parijs-Marseille; men betaalt voor het
eerste eind vijftig francs, voor het tweede zes-en-negentig francs;
maar men doet den eersten afstand in de helft van den tijd.
Tegen den middag kregen we de Kaspische Zee te zien, grijsblauw en
met schitterlichtjes door de zon.
De oevers waren kaal, met slechts hier en daar lage heuvels.
Maar daar verschijnt links een bosch van zonderlinge boomen,
waarboven een donkere wolk hangt. Dat zijn de boortorens of derricks
van Bhala-Khané, die vreemde houten schoorsteenen.
Houdt ge van soldaten, dan moet ge naar Bakoe gaan. De inwoners
beklagen zich erover, dat ze overdag door de roovers worden bestolen
en des nachts door de soldaten. Wij gingen in lichte rijtuigen met
twee paarden en tartaarsche koetsiers rijden naar Bibi-Ebat, een
petroleum-onderneming aan de zee. Daar krijgen wij het treffende
schouwspel van een woud van derricks, die er hun geteerde, hoekige
vormen naar den hemel heffen. Er zijn lanen in dit bosch gemaakt, waar
het gefluit van den door de buizen jagenden stoom doorheen gaat. Wolken
zwarte rook worden met kracht uitgeworpen uit de schoorsteenen, en er
hangt steeds boven Bibi-Ebat een dichte damp. Men hoort aanhoudend
het knarsen der katrollen, waar de boren aan bevestigd zijn. Buizen
loopen langs de wegen; de bodem is vet en zwart, en links en rechts
ziet men meren van petroleum. De petroleumvoorraad onder den grond
vloeit in een vaste richting. Hier is een derrick, die niets levert,
en op vijf meter afstands staan er drie of vier, die hun eigenaar een
fortuin opbrengen. Er worden gangen gegraven, om de aardolie onder
water te vervolgen.