Socrates vraagt aan Theodorus, welke Atheensche jongelingen vooral
uitmunten. Theodorus roemt Theaetetus om zijne vlugheid in het leeren,
zijne zachtmoedigheid en zijne losheid van het geld.
Hierop zoekt Socrates Theaetetus in een gesprek te wikkelen, en legt
hem de vraag voor, wat kennis is. Theaetetus zegt, dit dikwijls
onderzocht te hebben, maar het niet te kunnen vinden, waarop Socrates
zegt, zelf geene kennis te hebben, maar wel de kunst te verstaan, van
de begrippen, die in den geest van anderen sluimeren, door vragen te
ontwikkelen. Hierdoor aangespoord, zegt Theaetetus: kennis is gevoel.
Dit antwoord onderzoekt Socrates op deze wijs. Het komt op hetzelfde
neêr als de leer van Protagoras: dat de mensch de maat is van alle
dingen, met andere woorden: dat alle kennis subjectief is, dewijl zij
ontstaat door de zamenwerking van de indrukken, op de zinnen gemaakt
door de aanhoudend veranderende dingen buiten ons, en van den toestand,
waarin hij, die de indrukken ontvangt, zich op het oogenblik bevindt,
waaruit volgt, dat alle meening op het oogenblik waar is, doch alleen
voor hem, die dezelve koestert, en dat geene hoedanigheid of
eigenschap, die wij aan de zaken toekennen, op zich zelve bestaat, maar
alles slechts betrekkelijk is en aanhoudend verandert. Nu zou men
kunnen zeggen, dat dan ook de meeningen van gekken, droomenden of
zieken waar zijn, en anderen daarmede niets te maken hebben. Men zou
kunnen tegenwerpen: 1o. dat alzoo ieder even wijs is, en het dwaasheid
zijn zou, anderen te willen leeren, 2o. dat wij dan talen, die wij niet
kennen, zoo wij ze hooren spreken of geschreven zien, ook verstaan
moeten, welk laatste zoo kan weêrlegd worden, dat wij alleen kennen,
wat wij hooren en zien, doch de rest niet in aanmerking komt. 3o. Dat
dan iemand, wat hij niet ziet noch hoort, maar zich wel uit vroegere
waarneming herinnert, ook niet kent. 4o. Dat men dan iets, dat men
slechts met het ééne oog ziet, tegelijk kent en niet kent, en dat al de
eigenschappen van de aandoeningen der zinnen dus op de kennis van
toepassing zijn.
Hierop zou Protagoras kunnen antwoorden:
1. Het doel van het leeren is niet meer ware, maar meer nuttige meening
te doen ontstaan, want alle meening is wel even waar, doch alle meening
is niet even nuttig.