Theaet. Ongetwijfeld. [462]

So. Wel, Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen

hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?

Theaet. Ik geloof althans, Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.

So. En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis

kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is

echter één ding, dat mij niet bevalt.

Theaet. Wat dan?

So. Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de

grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.

Theaet. Welke?

So. De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of

gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets

anders het oog had? [463]

Theaet. Neen, maar daarop.

XL. So. Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons

zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg

mij eerst dit. De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de

grondbestanddeelen niet?

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de

eerste lettergreep van [het woord] Socrates vroeg, zeggende:

Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet. Ik zou zeggen s en o.

So. Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?

Theaet. Ja.

So. Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van de s.

Theaet. Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der

grondbestanddeelen zeggen? Want, Socrates! de s behoort onder de

medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij

de c en de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het

zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog

het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene

bepaling toelaten [464].

So. Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar

gekomen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de

grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?

Theaet. Het schijnt van ja.

So. Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo

er meer dan twee zijn, die allen lettergreep (verbinding) noemen, of

dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling

ontstaat?

Theaet. Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.

So. Zie het dan eens aan twee, de s en de o. Zij beiden maken toch de

eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent,

kent ze immers beiden?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus kent hij de s en de o?

Theaet. Ja.

So. Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van

beiden kennende, ze beiden kent?

Theaet. Dat zou dwaas en ongerijmd zijn, Socrates!

So. Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf

te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de

lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die

schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.

Theaet. En dat zoo onverwacht!

So. Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de

lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak,

die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters

onderscheiden is.

Theaet. Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;] en misschien

draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.

So. Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije

redekaveling niet zoo maar laten loopen.

Theaet. Wel neen.

So. Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne

zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat,

zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.

Theaet. Het zij zoo.

So. Maar moet die dan geen deelen hebben?

Theaet. Hoe zoo?

So. Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen

bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor

iets anders dan al die deelen te zamen?

Theaet. Ja.

So. Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee

verschillende dingen?

Theaet. Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik

vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee

verschillende dingen.

So. Die vrijmoedigheid is goed, Theaetetus, maar of het antwoord zulks

ook is, zullen wij zien.

Theaet. Dat spreekt.

XLI. So. Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het

geheel en het al verschillen?

Theaet. Ja.

So. Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld,

wanneer wij zeggen: één, twee, drie, vier, vijf, zes [465], of twee

maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één,

of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?

Theaet. Hetzelfde.

So. Is het wel iets anders dan zes?

Theaet. Neen.

So. Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al de zes uitgedrukt.

Theaet. Ja.

So. Maar als wij nu [in dit geval] van het al spreken, zeggen wij toch

ook iets [466]?

Theaet. Wel zeker.

So. Iets anders dan de zes?

Theaet. Neen.

So. Dus houden wij althans in de getallen [467] het al en al de deelen

voor hetzelfde.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Dit is dan ook de gewone wijs van spreken. Zoo beteekent ook het

getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?

Theaet. Ja.

So. En evenzoo [is het] met de mijl?

Theaet. Ja.

So. En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al

het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van

ieder hunner.

Theaet. Ja.

So. En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen

zelve?

Theaet. Wel neen.

So. Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten

minste het getal deelen [eener zaak haar] al is [468].

Theaet. Juist.

So. Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou

hetzelve al de deelen en dus het al zijn?

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het

geheel?

Theaet. Immers van het al.

So. Gij houdt u goed, Theaetetus! Maar is dan het al niet juist dàn het

al, wanneer er niets aan ontbreekt?

Theaet. Noodzakelijk.

So. En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets

ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel

noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?

Theaet. Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet

verschillen [469].

So. Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de

deelen zijn [470]?

Theaet. Ja zeker.

So. Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds

begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is,

zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als

die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?

Theaet. Juist.

So. Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders

beschouwd?

Theaet. Ja.

So. Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn,

kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der

lettergreep, maar toch niet hare letters?

Theaet. Wel neen! want, Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen

heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te

zoeken.

So. Dus zou dan, Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de

lettergreep ééne ondeelbare zaak [471] zijn.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd

aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit

de andere dingen zijn zamengesteld, omdat ieder op zich zelf niet

zamengesteld is; en dat het niet eens goed is, daaraan het zijn of het

dit [472] toe te schrijven, daar er dan iets anders en vreemds van

gezegd wordt, en dat die oorzaak het onbepaalbaar en onkenbaar maakt?

Theaet. Ja, dit herinner ik mij.

So. Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene

andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik

althans zie geene andere.

Theaet. Er schijnt dan ook geene andere te wezen.

So. Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen

geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is [473].

Theaet. Zeer zeker.

So. Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en

die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen even

zoo kenbaar en bepaalbaar [474] als de grondbestanddeelen, nademaal al

de deelen hetzelfde blijken te zijn als het geheel.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo

zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde

oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.

Theaet. Het is niet anders.

So. Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor

kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel

verklaart.

Theaet. Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.

So. Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat]

u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?

Theaet. Wat meent gij?

So. Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan [475] hebt, dan

trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het

gehoor te onderkennen, opdat gij niet in de war zoudt komen bij hare

plaatsing in het spreken of schrijven.

Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid.

So. En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe

les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke

snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de

grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.

Theaet. Niets anders.

So. Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de

andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van

dingen, waartoe de grondbestanddeelen behooren, eene veel meer

klaarblijkelijke en gewigtige [476] kennis dan de verbinding aanbrengt,

tot het volkomen verkrijgen van elke kennis; en zoo iemand zegt, dat de

verbinding wel kenbaar is, maar het beginsel niet, dan moeten wij

oordeelen, dat hij vrijwillig of onwillekeurig zotteklap spreekt.

Theaet. Zeer zeker.

XLII. So. Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere

bewijzen te vinden zijn; maar wij moeten ons daardoor niet laten

aftrekken van ons onderzoek, wat het toch zeggen wil, dat bepaling, bij

ware meening komende, de volmaakte [477] kennis doet ontstaan.

Theaet. Wij moeten dat dan beschouwen.

So. Komaan dan! wat wil dat woord bepaling [478] hier te kennen geven?

Naar mijne meening één van drie.

Theaet. Van welke?

So. Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van

woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in

eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij

de bepaling niet voor zoo iets?

Theaet. Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van

zijne meening geeft [479].

So. Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat,

om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die

ware meening hebben, dan daar de bepaling bij hebben, en er nergens

ware meening zonder kennis gevonden wordt [480]?

Theaet. Dat is waar.

So. Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze

bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er

niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het

opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.

Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?

So. Zoo als bij voorbeeld Hesiodus van een’ wagen zegt: „de

bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen

opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een

wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een

bovenstuk, zijstukken, een juk.

Theaet. Wel zeker.

So. Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren,

als zoo wij, naar uwen naam gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen

opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den

naam Theaetetus bepaalden; want dat men van geen ding met kennis

spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening

zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.

Theaet. Ja.

So. En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar

dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven

kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware

meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is

opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.

Theaet. Maar vindt gij dat oordeel niet juist, Socrates?

So. Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de

bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer

grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste]

verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?

Theaet. Wel zeker stem ik dat toe.

So. Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer

hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te

behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde

toeschrijft?

Theaet. Wel neen ik.

So. En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren

lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?

Theaet. Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die

letter meenden te zien, en dezelfde letter dan eens in de goede, dan

eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.

So. Dat meen ik.

Theaet. Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook

niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.

So. Wat dan? wanneer iemand, in dien tijd Theaetetus schrijvende, t, h

en e meent te moeten schrijven en schrijft; maar Theodorus willende

schrijven, t en e meent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan

zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?

Theaet. Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is,

nog geene kennis bezit.

So. Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde

en vierde lettergreep gesteld te zijn?

Theaet. Wel neen.

So. Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen

bijeenhebbende, met ware meening Theaetetus schrijven, wanneer hij ze

naar volgorde schrijft?

Theaet. Natuurlijk.

So. Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware

meening?

Theaet. Ja.

So. Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde

hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij

bepaling.

Theaet. Dat is waar.

So. Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog

geen kennis kunnen noemen.

Theaet. Dat schijnt zoo.

XLIII. So. Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld

gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten.

Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal

iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie

verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware

meening met bepaling vatbaar is.

Theaet. Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne

over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de

spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit

de grondbestanddeelen, en de derde?

So. Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig

teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen

onderscheiden wordt.

Theaet. En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven [481]?

So. Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te

hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rond

de aarde loopt [482].

Theaet. Wel zeker.

So. Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven

zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de

anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene

bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen

is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door

dat algemeene omvat worden.

Theaet. Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets

bepaling te noemen.

So. En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van

de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren

slechts meening koesterde.

Theaet. Zoo zeggen wij dat het is.

So. Waarlijk, Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een

schijnbedrog [483]; nu ik er nader bij kom, begrijp ik er niet het

minste van; hoewel ik, uit de verte oordeelende, meende, dat er heel

wat gezegd was.

Theaet. Hoe dat?

So. Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware

meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar

zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.

Theaet. Ja.

So. En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij

onderscheiden zijt?

Theaet. Juist.

So. Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn

verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet

méér hebt dan een ander.

Theaet. Natuurlijk.

So. Komaan dan, bij Zeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan

iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, dat Theaetetus een mensch

is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte

mij meer Theaetetus, dan Theodorus, of, zooals men zegt, den geringsten

Mysiër doen denken?

Theaet. Wel neen.

So. Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen

heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal

ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?

Theaet. Volstrekt niet.

So. Maar Theaetetus zal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat

die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend

kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen

evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u

herinneren en ware meening over u doen koesteren.

Theaet. Dat is volkomen waar.

So. Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot

voorwerp hebben.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening

beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor

iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.

Theaet. Hoe zoo?

So. Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware

meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening

aangaande hun onderscheid van het overige te bekomen. En zoo zou dan,

in dat voorschrift, het omwinden met de scytala of het bovenstuk [484],

of hoe het ook heet, niets te beduiden hebben, maar veeleer de

raadgeving van een blinde zijn; want het voorschrift, dat wij, hetgeen

wij [reeds] hebben, er bij nemen moeten, om wat wij meenen, te leeren

kennen, heeft waarlijk veel van in den blinde rond te tasten.

Theaet. Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.

So. Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het

onderscheid te kennen en niet te meenen, dan zou het er gek uitzien met

die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het

bezitten van kennis, niet waar?

Theaet. Ja.

So. Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij

ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou

dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken,

te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of

van wat dan ook. Dus, Theaetetus! kan noch gevoel, noch ware meening,

noch ware meening met bepaling kennis wezen [485].

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en in barensnood over de

kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?

Theaet. Waarlijk, bij Zeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij

was.

So. En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de

opvoeding niet waardig is?

Theaet. Ongetwijfeld.

XLIV. So. Theaetetus! zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt

zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het

onderzoek van heden, van betere dingen zwanger zijn; en zoo het u niet

gelukt, zult gij minder lastig en handelbaarder zijn voor uwe bekenden,

daar gij bescheiden uwe onkunde van hetgeen gij niet weet zult

erkennen. Dit toch is het eenigste, dat mijne kunst vermag, meer niet;

daar ik niets versta van datgene, waardoor anderen zich aanzien en roem

hebben weten te bezorgen. Deze vroedkunst echter hebben ik en mijne

moeder van de goden ontvangen; zij om vrouwen, ik om jongelingen van

edelen inborst en schoone gedaante te verlossen [486]. Nu moet ik mij

naar de koninklijke gaanderij [487] begeven, wegens de mij door Meletus

aangedane beschuldiging; maar morgen vroeg, Theodorus! willen wij

elkander hier weder vinden.

Theaetetus(#72108) · 第 13 / 21 题