3. Herinnering is geheel iets anders dan waarneming en kan dus niet
evenzeer kennis genoemd worden. Ook is iemand, zoo hij van waarnemend
herinnerend geworden is, niet meer dezelfde, maar hij is veranderd.
4. Kennen en niet kennen kan best zamengaan, zooals juist uit het
vorige blijkt.
Hierna weet Socrates Theodorus in het gesprek te doen deelen en
weêrlegt, met hem sprekende, Protagoras aldus.
1. De ondervinding leert, dat de menschen wel degelijk in vele gevallen
meenen, dat anderen de waarheid beter kennen dan zij. Deze meening is
waar of niet. Is zij waar, dan wordt daardoor Protagoras weêrlegd; en
is zij niet waar, dan wordt hij ook weêrlegd, daar wij dan hier eene
valsche meening hebben.
2. Dus hangt de waarheid der meening van Protagoras van het oordeel der
anderen af, en zij is niet waar, zoodra niemand ze aanneemt, terwijl
hij zelf de meening van hen, die zijne leer verwerpen, als waar moet
erkennen.
3. Al stemt men toe, dat de leer van Protagoras waar is, ten opzigte
van de enkele aandoeningen der zinnen, en van deugd en regtvaardigheid;
ten opzigte van het nuttige wordt zij echter door de ondervinding
weêrsproken.
Hier volgt eene episode, waarin, naar eene gezochte aanleiding, de
toestand van den wijsgeer, die de eeuwige ideën naspoort, verheven
wordt boven het lot van hem, die zich op de zaken van het dagelijksche
leven toelegt; hoewel wordt toegestemd, dat de wijsgeer niet minder
ongeschikt is voor het dagelijksche leven, dan de anderen voor
wijsgeerig onderzoek; daar de wijsgeer hoe langer hoe beter, de andere
hoe langer hoe slechter wordt, en de eerste veel meer grond van hoop op
eene gelukkige onsterfelijkheid heeft dan de andere. Nu wordt de
weêrlegging van Protagoras weêr opgevat.
4. Ten opzigte van het toekomstige is het duidelijk, dat niet alle
meening even waar is, dewijl zij, die eene kunst verstaan, al wat
daarop betrekking heeft, zelfs de toekomstige meeningen van anderen
over de voortbrengselen dier kunst, veel beter dan die anderen kunnen
vooruitzien.
Wat nu de leer betreft, waarop de meening van Protagoras steunt,
namelijk, dat alles in beweging is: zij veroordeelt zich zelve door den
onderlingen strijd harer aanhangers en de onmogelijkheid der kennis,
die uit dezelve voortvloeit, daar, zoo alles steeds in beweging is en
steeds verandert, het zintuig evenmin als het waargenomene zóó of zóó
is, en dus het toekennen van eigenschappen of hoedanigheden ongerijmd
moet geacht worden.
Verder heeft iedere zin zijn eigen gebied, en de eene neemt de
voorwerpen van de anderen niet waar. Wij hebben echter begrippen, b.
v., van zijn, van gelijkheid en ongelijkheid, van éénheid en veelheid,
enz., die op de waarnemingen van al de zinnen toepasselijk zijn. Dus
moeten wij eene ziel aannemen, die boven de zinnen staat, hun
middelpunt uitmaakt, en die begrippen door zich zelve kent. Die
begrippen bevatten de waarheid; dus kan alleen de ziel de waarheid
bereiken, en de zinnen, welke die begrippen niet kunnen vatten, zijn
van de waarheid en dus van de kennis verstoken.
Dus is de kennis geen gevoel. Maar wat dan? Zij moet dus in de
verrigtingen der ziel gezocht worden, en kan bepaald worden als
meening, en wel, daar zij waar zijn moet, als ware meening. Maar is dan
valsche meening bestaanbaar? Men kan er tegen inbrengen, dat, daar men
elke zaak kent of niet kent, valsche meening niet bestaan kan, noch
over hetgeen men kent, en welks waarheid dus voor onzen geest is, noch
over hetgeen men niet kent, en dus in het geheel niet voor den geest
heeft. Verder, dat, daar elke zaak is of niet is, hij, die meent wat
is, ware meening heeft, en die meent wat niet is, niets meent.
Maar is valsche meening dan ook verwisseling van begrippen? Het is
onmogelijk, zoo men beide begrippen voor den geest heeft, ze te
verwisselen, en dit kan evenmin geschieden, zoo men er maar één voor
den geest heeft.
Valsche meening is echter mogelijk, wanneer de vorige tegenstelling van
kennen en niet kennen niet in de uitersten wordt vastgehouden, maar, óf
het begrip óf de waarneming onvolkomen zijnde, beide op elkander worden
toegepast; en ook wanneer niet volkomen heldere begrippen met elkaar
worden in verband gebragt.
Maar hoe is het mogelijk, begrippen te hebben en zich er toch in te
vergissen? Zoo men ze wel bezit, maar niet duidelijk voor het
bewustzijn heeft. Hierin zijn nog wel zwarigheden, want zoo men een
waar begrip voor het bewustzijn haalt, hoe kan dat ons tot valsche
meening brengen? Hiertoe moet aangenomen worden, dat wij ook valsche
begrippen in onzen geest hebben. Hoe zullen wij die onderscheiden?
Natuurlijk door kennis. Dus komen wij weder tot de vraag: wat is
kennis? Ware meening is er een bestanddeel van, maar voldoende is zij
niet, daar er dikwijls ware meening gevonden wordt, die als bij toeval
ontstaat en dus den naam van kennis niet verdient. Daarom willen wij
beproeven, de kennis aldus te bepalen: kennis is ware meening met
bepaling. Voor wij dit onderzoeken, moet opgemerkt worden, dat men
beweert de grondbestanddeelen der begrippen niet te kunnen bepalen,
maar wel derzelver verbindingen. Zoo zouden dan die grondbestanddeelen
onkenbaar zijn. Dit laatste is echter niet waar, want, zijn de
grondbestanddeelen onkenbaar, dan is het ook datgene, wat daaruit is
zamengesteld, en het leeren van eenige kunst of wetenschap bestaat
juist in het verkrijgen van kennis harer grondbestanddeelen.
Nu kan men het woord bepalen in drieërlei zin opvatten. Of als het
uitdrukken zijner meening door woorden; doch dit is geene uitsluitende
eigenschap der ware meening; of als het opgeven der grondbestanddeelen;
doch dit kan ook bij toeval goed gedaan worden; of als het opgeven van
bet kenmerkend onderscheid; doch ook dit is niet voldoende; want het
onderscheid er bij te meenen, geeft niets, en het er bij te kennen,
veronderstelt reeds kennis, en neemt dus, wat moet bepaald worden, in
de bepaling op.