So. Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ik Theodorus ken en
mij herinner, hoe hij is, en Theaetetus even zoo, dan zie ik ze immers
somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en
neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik
somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin
herinner en u bij mij zelven ken?
Theaet. Dat is waar.
So. Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit,
dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel
waar te nemen.
Theaet. Dat is zoo.
So. En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens
niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt
waargenomen.
Theaet. Ja.
So. Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt. Socrates kent
Theodorus en Theaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen
ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich
zelven meenen, dat Theaetetus Theodorus is. Zeg ik iets of niets?
Theaet. Gij zegt de waarheid.
So. Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.
Theaet. Dat was het.
So. En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet,
en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken,
degeen is, dien ik niet ken.
Theaet. Juist.
So. En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende,
niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken.
En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit
over u en Theodorus valsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden
ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over
de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.
Theaet. Ik kan het volgen.
So. Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin,
wanneer ik u en Theodorus kennende, en in dat stuk was, van u beiden
als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet
behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante [410] begeerde
[411] zamen te brengen, door haar als in hare [vroeger achtergelatene]
sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin
mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van
den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die
andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij
de spiegels, dat van regts en links wordt [412], [daardoor] tot dwaling
kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van
valsche meening mogelijk.
Theaet. Hetgeen met de meening gebeurt, Socrates! gelijkt bijzonder
veel op hetgeen gij zegt.
So. En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven
waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet
overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide,
toen gij mij niet hebt begrepen.
Theaet. Ja, dat begreep ik niet.
So. Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de
kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen
zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt en
wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit
was het immers?
Theaet. Ja.
So. Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche
meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige
andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder
overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte
boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen
toch den naam draagt van valschheid [413].
Theaet. Het schijnt althans zoo.
So. En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is,
bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij
de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één
woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen,
daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening
bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds [414] zeggen; maar wat
betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de
meening en wordt valsch en waar; waar, zoo zij de afbeeldsels en het
afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen brengt;
valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet [415].
Theaet. Zegt men dat dan niet met regt, Socrates?
So. Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende
gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche
leelijk?
Theaet. Natuurlijk.
So. Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands
ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is [416],
[dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in
de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen door Homerus is
aangeduid [417], dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van
behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke
personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van
geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet,
maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in
genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel,
dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen
genoemd. Of dunkt u dit niet?
Theaet. Wel zeker.
So. Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles
bedrevene dichter geprezen heeft [418], of wanneer het vuil en van niet
gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard [419], [dan zijn zij], wier
[was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was
hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig
hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben
onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was
hebben [420], daar er geene diepte in de afdruksels is, en met hem, die
vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en
onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein
zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne
onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche
meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij
niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen,
maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal
verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.
Theaet. Gij zegt opperbest, Socrates!
So. Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?
Theaet. Ongetwijfeld,
So. En ware toch ook?
Theaet. Ook ware.
So. Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van
meening zekerlijk bestaan?
Theaet. Met volkomen regt.
XXXV. So. Een praatziek mensch, Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs
en onaangenaams.
Theaet. Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?
So. Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht.
Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door
onbevattelijkheid zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling
heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?
Theaet. Waarom zijt gij dan boos?
So. Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal
weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt: Socrates! gij
hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge
betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig
is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik
zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen [421], dat wij
zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.
Theaet. Maar, Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet
leelijk.
So. Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij
ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen
houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen
voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?
Theaet. En te regt.
So. Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit
een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een
ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden?
Komaan! antwoord gij eens.
Theaet. Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze
voor twaalf zou kunnen houden, maar dat, voor zoo ver hij ze zich
alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.
So. Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen
vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven
menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven
zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij
het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch
deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen
zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen,
dat zij te zamen twaalf zijn [422]?
Theaet. Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij
een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik
geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.
So. Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu eens, of er wel iets
anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt,
voor elf gehouden worden?
Theaet. Dat schijnt zoo.
So. Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen [423]. Hij
toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders
van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit
wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat,
om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk
niet en wel zou kennen.
Theaet. Dat is zeer waar.
So. Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven,
dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op
zinnelijke waarnemingen [424]. Want zoo het dit was, dan zouden wij
nooit dwalen in de bloote gedachten [425]; maar nu is er óf geen
valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel
kent; welke van die twee verkiest gij?
Theaet. Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor, Socrates!
So. Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal
toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van
zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?
Theaet. Hoe meent gij [426]?
So. Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?
Theaet. En wat is daarin voor onbeschaamdheid?
So. Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van
den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten,
waarin zij eigenlijk bestaat.
Theaet. Ja, dat herinner ik mij wel.
So. Maar vindt gij het dan [427] niet onbeschaamd, dat wij, niet
wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen,
wat kennis is? Maar, Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd
gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet
kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden
verstaan, zonder te weten wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij
op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of
wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken [428].
Theaet. Maar hoe zult gij dan spreken, Socrates! zoo gij u daarvan
onthoudt?
So. Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar
was [429], [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij
beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over
hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij
nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er
eenigen baat bij zullen hebben.
Theaet. Verstout er u dan maar toe, bij Zeus! En zoo gij u van die
woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.
XXXVI. So. Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het
kennen is? [430]
Theaet. Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.
So. Men zegt, dat het is: het hebben [431] van kennis.
Theaet. Dat is waar.
So. Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten
van kennis.
Theaet. Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee
bestaat?
So. Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik
er in meen te vinden.
Theaet. Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.
So. Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld,
wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet
droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.
Theaet. En te regt.
So. Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar
niet te hebben [432]; gelijk wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij
voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in
zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat
hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?
Theaet. Ja.
So. In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’
had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in
zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij
wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht,
kon vangen en weder loslaten.
Theaet. Dat is zoo.
So. Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de
zielen gemaakt hebben, nu integendeel [433] in iedere ziel eene kooi
maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels
met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen,
naar het uitkomt, heenvliegen.
Theaet. Zij is gemaakt. Maar wat nu?
So. Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die kooi nog ledig is,
namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet
denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi
opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd
of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.
Theaet. Het zij zoo.
So. Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen,
en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn,
hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij
zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de
rekenkunst voor eene kundigheid [434]?
Theaet. Ja.
So. Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het
evene en onevene.
Theaet. Ik beschouw haar aldus.
So. Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij die haar bezit] [435]
de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen
mede.
Theaet. Juist.
So. En wij noemen [436] het mededeelen onderwijzen, het aannemen
leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten,
kennen.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige
kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden
in zijne ziel.
Theaet. Natuurlijk.
So. Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets
van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen? [437]
Theaet. Waarom niet?
So. En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het
onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.
Theaet. Zoo [zullen wij doen].
So. Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet
kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent.
Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend [438]?
Theaet. Ja zeker.
XXXVII. So. Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen
der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is,
namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na
het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben.
Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te
voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier
kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang
bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had [439].
Theaet. Dat is waar.
So. Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een
rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven
overdenkt, hoe hij schrijven moet [440]. In zulk een geval toch gaat
hij weder [441] van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.
Theaet. Maar dat is toch wat gek, Socrates!
So. Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan
berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de
geheele kennis der getallen of van de taal hebben?
Theaet. Dat gaat evenmin.
So. Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt,
hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij,
onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis,
geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten,
en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het
toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat
het gebeuren kan, dat hij niet [442] de kundigheid [die hij hebben
moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij
[door de kooi in zijne ziel] rondvliegt [443] zoekt te vangen, maar bij
vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij
voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid [444] van elf in
plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene
tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.
Theaet. Dat gaat op.
So. En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware
meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening
bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen.
Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?
Theaet. Aldus.
So. Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent,
want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men
wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij
wat erger geval voor den dag komen.
Theaet. Wat dan?
So. Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden
kan.
Theaet. Hoe zoo?
So. Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende, datzelfde niet kent;
en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit
voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel
gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar
van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het
bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien;
zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen [445].
Theaet. [Dat is toch nog wel te redden] [446], Socrates! want misschien
hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld,
daar wij ook onkundigheden [447] moesten stellen, die te gelijk met
dezelve door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan
eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde
grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware
meening bekomt.
So. Het is moeijelijk, Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het
gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat
degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal
hebben, niet waar?
Theaet. Ja.
So. Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.
Theaet. Hoe zou hij daartoe komen?
So. Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen,
waaromtrent hij dwaalt.
Theaet. Natuurlijk.
So. Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te
hebben.
Theaet. Dat spreekt.
So. Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid
aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne
vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende,
die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene
van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden,
die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke
hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij die, welke hij niet
kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen,
dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn,
die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of
stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor
het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid
komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen?
Theaetetus! wat zullen wij daarop antwoorden?
Theaet. Waarlijk, Socrates! ik heb er niets op te zeggen.
So. Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan
den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de
kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit [448] kan men
toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat
zij eigenlijk is [449].
Theaet. Het is op het oogenblik onvermijdelijk, Socrates! zoo te
oordeelen als gij daar zegt. [450]
XXXVIII. So. Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te
beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet
opgeven. [451]
Theaet. Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.
So. Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden
tegenspreken?
Theaet. Met de vroeger gegevene, Socrates! ik althans heb geene andere.
So. Welke?
Theaet. Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van
dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.
So. De wegwijzer [in de fabel] zegt, [452] dat de diepte van het water
zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan
onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar
zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.
Theaet. Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.
So. Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst
strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.
Theaet. Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?
So. Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de
volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne
overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te
weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters,
die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere
gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het
wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen [453]?
Theaet. Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.
So. Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?
Theaet. Natuurlijk.
So. Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van
iets, hetwelk men alleen door het zien en anders niet kan weten, dit op
het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken,
zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn.
[454]
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou
een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij
van elkander schijnen te verschillen [455].
Theaet. Ik herinner mij nu iets, Socrates, dat ik iemand heb hooren
zeggen, maar dat mij ontgaan was [456]. Hij toch zeide, dat ware
meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien
naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij
[457] onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.
So. Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en
onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op
dezelfde wijs gehoord hebben.
Theaet. Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen
[458]. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander
het zeide.
XXXIX. So. Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen.
Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de
grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld,
door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is,
ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere
eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet
zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen,
zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg
[459] de woorden zelf, dit, dat, ieder, alleen, enz. er niet op mag
toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en
verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het
mogelijk was, ze [460] te bepalen en er eene eigene bepaling van te
geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter
onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven,
want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben,
maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij
zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze
alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand
komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis
vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen
kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu,
wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat,
zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want
dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan [461] geene kennis
heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in
staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders
gehoord?
Theaet. Volkomen zóó.
So. Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met
bepaling kennis is?