So. Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?
Theaet. Waarom niet?
So. Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel
een stuk was [403] is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner;
en bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en
harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen [404]
van de behoorlijke maat.
Theaet. Ik stel het.
So. Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is van Mnemosyne, de
moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht
hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de
zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in
afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo
lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er
niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.
Theaet. Het zij zoo.
So. Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de
dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche
meening zou kunnen koesteren [405].
Theaet. Op welke wijs?
So. Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt voor hetgeen hij
kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het
vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.
Theaet. Maar hoe zegt gij dan nu?
So. Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet
mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet
waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent
en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men
kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch
wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent
voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van
hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men
niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet
waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En
schier [406] nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt
en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te
houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks
overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is
ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed [407] heeft
afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en
waarneemt, en evenzoo [408] heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat
men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt;
en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat
men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles
onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te
koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin
plaats heeft.
Theaet. Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er
wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.
So. In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men
kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in
hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook
kent en waarneemt [409].