Theod. Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn? [332]

So. Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij

dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houden,

waarover [333] wij spreken, vragende: alles is, naar gij zegt, in

beweging en vloeijing, niet waar?

Theod. Ja.

So. Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben,

[namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?

Theod. Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.

So. Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan

zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of

hoe zeggen wij? [334]

Theod. Alzoo.

So. Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats

wisselt, maar verandert, zoodat ook de witheid zelve wegvloeit en in

eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het

dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?

Theod. Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak

mogelijk, Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den

sprekende ontvliedt [335]?

So. Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v.,

van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien

of hooren [336]?

Theod. Daar alles in beweging is, mag dat niet.

So. Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is,

het woord zien niet meer bezigen dan het woord niet zien, en van niet

ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.

Theod. Wel neen.

So. Edoch gevoel is kennis [337], zoo als ik en Theaetetus beweerd

hebben.

Theod. Ja.

So. Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven,

dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.

Theod. Dat schijnt zoo.

So. Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord [338]

gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te

toonen, dat alles in beweging is. Want nu schijnt het uitgemaakt, dat,

zoo alles in beweging is, ieder antwoord, op elke vraag, even waar is,

en dat wij mogen zeggen, dat het zoo is en niet zoo is, of, indien gij

wilt, wordt, opdat wij hen [339] niet door onze woorden tot stilstand

nopen.

Theod. Gij zegt goed.

So. Behalve, Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want [340]

wij moeten dat woord zóó niet eens bezigen; want als het zóó was, dan

was het niet meer in beweging; noch ook niet-zóó, want ook dit is geene

beweging; maar wij moeten voor hen, die deze leer verkondigen, eene

andere uitdrukking verzinnen, daar zij voor hunne meening geen woorden

hebben, behalve misschien: in het geheel niet. Dit toch zou hun nog het

beste passen, wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd.

Theod. Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.

So. Dus, Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven

hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is

van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet

toestemmen, dat het gevoel kennis is. Of Theaetetus moest iets anders

zeggen.

Theod. Socrates! gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is,

moet ook ik volgens de overeenkomst [341] er van af zijn om u te

antwoorden, daar de redekaveling over Protagoras uit is.

XXIX. Theaet. Och neen, Theodorus! niet voordat Socrates en gij ook

hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart

[342], hebt behandeld.

Theod. Theaetetus! leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen

onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet

gebeuren], maar houd u gereed, om Socrates over de rest te woord te

staan.

Theaet. Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever

hooren.

Theod. Gij roept ruiters in de vlakte [343], zoo gij Socrates tot

redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.

So. [Dat is waar], Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek

van Theaetetus gehoor te geven.

Theod. Waarom niet?

So. Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, om Melissus en de anderen,

die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te

beoordeelen, heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voor

Parmenides alleen. Parmenides toch schijnt mij, om met Homerus te

spreken, te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend. Want, toen ik nog

zeer jong was en hij reeds zeer oud, heb ik hem ontmoet, en het kwam

mij voor, dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid [344]. Daarom

vrees ik, dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel

minder vatten [345], en wat het ergste is, dat het eigenlijke doel

onzer redekaveling, de vraag wat kennis is, zoo wij ons aan de zich

indringende redekavelingen stoorden [346], onbehandeld zou blijven;

vooral daar het uitgebreide onderwerp, dat wij daareven aanroerden, in

het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden, en zoo het

behoorlijk behandeld werd, door zijnen omvang het onderzoek naar de

kennis zou in de schaduw stellen. Geen van beiden echter mag plaats

hebben, maar wij moeten [347] Theaetetus door onze vroedkunst pogen te

verlossen van hetgeen, waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is.

Theod. Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.

So. Theaetetus! onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij

hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?

Theaet. Ja.

So. Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en

het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij,

geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.

Theaet. Ja.

So. Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer

men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet

naauwkeurig uitpluist, daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is

van bekrompenheid; maar soms [348] is dit noodzakelijk, gelijk het nu

noodig is, uw antwoord, voor zoo ver het niet juist is, te gispen

[349]: want zie eens, welk antwoord juister is: dat de oogen dat zijn,

waarmede, of dat, waardoor wij zien; en de ooren dat, waarmede, of dat,

waardoor [350] wij hooren?

Theaet. Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede

wij alles waarnemen.

So. Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten

paarden [351], zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge

dan ziel heeten of iets anders, zamenliep, waarmede wij door die dingen

[352] als door werktuigen alles waarnemen, wat zinnelijk waarneembaar

is.

Theaet. Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.

So. Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te

onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen [353] door

de oogen het witte en het zwarte bereiken, en door de andere

[zintuigen] andere dingen; en of gij, er naar gevraagd zijnde, dit

alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen. Maar misschien is

het beter, dat gij het liever [354] zelf door uwe antwoorden te kennen

geeft, dan dat ik mij om u vermoei. Zeg mij dan: hetgeen, waardoor gij

het warme en harde en ligte en zoete waarneemt, houdt gij dat alles

voor tot het ligchaam behoorend, of tot iets anders?

Theaet. Tot niets anders.

So. Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij

door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij

voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat

gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?

Theaet. Waarom niet?

So. Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het

ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.

Theaet. Wel neen.

So. Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde

van beiden, dat beiden zijn?

Theaet. Ja.

So. Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten

opzigte van zich zelven hetzelfde is?

Theaet. Natuurlijk.

So. En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?

Theaet. Ook dat.

So. Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander

zijn?

Theaet. Misschien wel.

So. Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch

niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te

vatten [355]. Want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken, of zij

zout zijn of niet, dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen,

waarmede gij het zoudt onderzoeken; en dat schijnt geen gezigt of

gehoor, maar iets anders te wezen.

Theaet. Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.

So. Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan

allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn

en niet zijn en wat wij daareven verder over dezelve vroegen [356]?

Welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven, door welke datgene ze

waarneemt, wat in ons alles waarneemt?

Theaet. Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid,

de identiteit en onderscheidenheid [357], de eenheid en de andere

hoeveelheden, [die wij] van dezelve [opgeven]. Natuurlijk vraagt gij

ook, door welk zintuig wij toch het evene en onevene, en wat daar

verder bij hoort, met de ziel waarnemen [358]?

So. Theaetetus! gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik

vraag.

Theaet. Maar waarlijk, Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat,

naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig

bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich

zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.

So. [Ik heb schik in u], Theaetetus! want gij zijt schoon [359], en

niet leelijk, zooals Theodorus zeide. Hij toch, die schoon kan spreken,

is schoon en goed. En behalve dat schoone [in uw antwoord], hebt gij

goed gedaan, door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen,

zoo het u voorkomt, dat de ziel het eene zelve door zich zelve

waarneemt, het andere door de zintuigen. Dit toch kwam mij zoo voor,

maar ik wilde, dat het ook u zoo voorkwam [360].

Theaet. Welnu, het komt mij zoo voor.

XXX. So. Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest

algemeene.

Theaet. Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.

So. Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit

en onderscheidenheid?

Theaet. Ja.

So. En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?

Theaet. Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid [361]

beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het verledene en tegenwoordige in

betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt [362].

So. Houd op [363]! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij

niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid

van het zachte insgelijks?

Theaet. Ja.

So. Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en

de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen,

door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.

Theaet. Zeer zeker.

So. Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven,

sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al

de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de

redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam

en met veel arbeid en studie het deel worden van die [weinigen], wier

deel zij worden?

Theaet. Zeer zeker.

So. Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid

niet [bereiken kan]?

Theaet. Neen.

So. Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet

bereiken kan?

Theaet. Hoe zou dat mogelijk zijn, Socrates?

So. Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de

redekaveling over dezelve [364]: want in de laatste is het mogelijk de

wezenheid en de waarheid te bereiken, maar in de eerste niet.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen [365], hetzelfde?

Theaet. Dat zou onbillijk zijn.

So. Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm

zijn?

Theaet. Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.

So. Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.

Theaet. Dat is noodzakelijk.

So. En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet

bereiken kan?

Theaet. Neen.

So. Dus ook de kennis niet?

Theaet. Neen.

So. Dus, Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?

Theaet. Het schijnt van neen, Socrates! en vooral door het laatste is

het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.

So. Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat

wij vinden zouden, wat de kennis niet is, maar wat zij wel is [366].

Wij zijn echter zooveel gevorderd, dat wij haar in het geheel niet meer

in het gevoel zoeken, maar in datgene, wat de ziel heeft, wanneer zij

zelve op zich zelve met het zijnde bezig is.

Theaet. Dit nu, Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.

So. Uw geloof is goed, mijn waarde [367]! En onderzoek dan nu eens van

voren af aan, met wegdenking [368] van al het vorige, of gij nu iets

meer ziet, nadat gij zoover gevorderd zijt, en zeg wederom, wat kennis

is.

XXXI. Theaet. Het is onmogelijk, Socrates! alle meening voor kennis te

verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt

kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als

het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten

iets anders te zeggen.

So. Het is beter, Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen,

dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij

alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden,

waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij

volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk

wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten,

de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?

Theaet. Ja: want dit komt mij nu zoo voor.

So. Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te

onderzoeken [369]?

Theaet. Hoe meent gij dat?

So. Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid

gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben

te zeggen, wat dat voor eene aandoening in ons is, en hoe zij ontstaat

[370].

Theaet. Wat meent gij toch?

So. Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met

mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere

wijs dan daareven beschouwen.

Theaet. Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen], Socrates? Houdt gij

het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken?

Daareven toch hebt gij, Theodorus van den ledigen tijd sprekende, zoo

goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.

So. Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het

niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan.

Want het is toch beter, een weinig goed, dan veel niet behoorlijk tot

stand te brengen [371].

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen

zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp

zijner meening heeft, daar beiden werkelijk bestaan. [372]

Theaet. Ja, dat zeggen wij.

So. [373] Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle dingen, dat wij

ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die

twee inliggen, laat ik voor het tegenwoordige rusten; want zij zijn ons

nu niet dienstig voor de redekaveling [374].

Theaet. Waarlijk, Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over

dan kennen of niet kennen.

So. Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert

aangaande dingen, die hij kent of niet kent.

Theaet. Noodzakelijk.

So. Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te

kennen, is onmogelijk.

Theaet. Hoe zou dat anders?

So. Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan,

dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die

hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?

Theaet. Dat is onmogelijk, Socrates!

So. Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat

hij ook niet kent, en is [375] het voor iemand, die noch Theaetetus

noch Socrates kent, mogelijk, in zijne hersens te krijgen, dat Socrates

Theaetetus of Theaetetus Socrates is?

Theaet. Wel neen.

So. Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet

kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.

Theaet. Dat zou wel een wonder zijn.

So. Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch

niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles

kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche

meening te koesteren.

Theaet. Dat is volkomen waar.

So. Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het

weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?

Theaet. Hoe zegt gij?

So. Of het niet zonder uitzondering waar [376] is, dat hij, die over

iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert,

hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is.

Theaet. Dat schijnt zoo, Socrates.

So. Wat zouden wij dan nu zeggen, Theaetetus! zoo iemand ons vroeg: is

hetgeen gij daar zegt [377] voor iemand mogelijk, en kan eenig

sterveling het niet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen, hetzij

met betrekking tot eenig ander ding, hetzij op zich zelf? Zouden wij

niet waarschijnlijk daarop zeggen: wanneer hij, geloovende ware meening

te hebben, die niet heeft. Of hoe zullen wij zeggen?

Theaet. Zóó.

So. Heeft dit nu ergens elders plaats?

Theaet. Wat?

So. Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet [378].

Theaet. Hoe zou dat kunnen?

So. Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat

is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde [379]?

Theaet. Wel neen.

So. Die dus iets ziet, ziet iets dat is.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.

Theaet. Ja.

So. En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets

dat is.

Theaet. Ook dit.

So. En die meent, meent immers het een of ander?

Theaet. Toegestemd.

So. Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets [380]?

Theaet. Ik geloof neen.

So. Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?

Theaet. Dat is duidelijk, zou men zeggen.

So. Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten

aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen

van het niet zijnde.

Theaet. Het schijnt wat anders.

So. Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven beschouwden,

valsche meening in ons aanwezig.

Theaet. Dat is zij niet.

XXXII. So. Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien

aldus [381]?

Theaet. Hoe?

So. Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling

van begrippen [382], wanneer iemand een der bestaande dingen voor een

ander der bestaande dingen houdt, die in zijne meening verwisselende?

Alzoo toch meent hij altijd een zijnde, maar het ééne in plaats van het

andere, en wanneer hij het bedoelde niet treft, kan hij teregt als

valsche meening koesterend beschouwd worden.

Theaet. Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo

iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor

schoon houdt [383], dan koestert hij in waarheid valsche meening.

So. Ik merk, Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te

houden.

Theaet. Hoe dat?

So. Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid

valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag,

of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar

zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van

zich zelf wordt [384]. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te

ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het

koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?

Theaet. Ja.

So. Dus is het naar uw gevoelen mogelijk [385], iets als [386] iets

anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.

Theaet. Dat is zoo.

So. Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet, is het dan niet noodig,

dat hij beide of althans het ééne denkt?

Theaet. Wel zeker.

So. En wel tegelijk of beurtelings [387]?

Theaet. Opperbest.

So. Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik [388]?

Theaet. Hoe vat gij het op?

So. Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij

onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is [389].

Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan

een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en

toestemmende en ontkennende [390]. Wanneer zij nu, hetzij met veel,

hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij

hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo

noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van] [391] een

gesprek, dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte

door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?

Theaet. Even zóó.

So. Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij

ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat

stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of,

om het in eens [392] te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven

hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij

niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven

zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.

Theaet. Gij zegt de waarheid.

So. Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is

of niet, in ernst tot zich zelven zou durven [393] zeggen, en zich

wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.

Theaet. Wel neen ik.

So. Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen [394] is, dan zou

niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen

en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die

uitdrukking niet meer bezigen [395]. Want ik beweer, dat niemand meent,

dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks [396].

Theaet. Dat zal ik dan maar niet meer doen, Socrates! want ik ben het

met u eens.

So. Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden voor den geest heeft, te

meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar iemand, die alleen het ééne voor den geest heeft en het andere

volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene

voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.

So. Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men

beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft;

weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van

begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het

vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.

Theaet. Het schijnt van neen.

XXXIII. So. Maar waarlijk, Theaetetus! zoo dat [397] niet schijnt te

bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen

toe te stemmen.

Theaet. Welke dan?

So. Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd

en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten

opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel,

toe te stemmen [398]. Maar zoo wij het vinden en vrij worden, dan

zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die

in dien toestand zijn [399]; en zoo wij er volstrekt geen raad op

weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de

redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten

met voeten treden en naar willekeur behandelen [400]. Hoor dan nu eens,

hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.

Theaet. Zeg maar op.

So. Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij

toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt

voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren],

dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.

Theaet. Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden,

reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel] Socrates

kennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken,

dien voor Socrates aanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval

gebeurt hetgeen gij zegt.

So. Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel

wij het kennen, niet [401] deed kennen?

Theaet. Juist.

So. Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien

zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk

eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten

[402] te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk

iets, dat men niet weet, later te leeren?

Theaetetus(#72108) · 第 10 / 21 题