XXI. Theod. Gij schertst, Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.

So. Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij

daareven op de woorden van Protagoras gelet hebt, toen hij ons verweet,

dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer

van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid

noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende,

zijn stelsel ernstig te overwegen [231].

Theod. Wel zeker heb ik daarop gelet, Socrates!

So. Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?

Theod. Zeker.

So. Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem

dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en

antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen

klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben

[232].

Theod. Wat! Zou dan Theaetetus niet beter dan vele personen met groote

baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?

So. [Dat wel], Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet,

dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op

geenerlei; maar, kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een

weinig, tot [wij] op dat punt derzelve [233] [gekomen zijn], waar wij

kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der

meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven

genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin

gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.

Theod. Het is niet gemakkelijk, Socrates! bij u te zitten, zonder

rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde,

dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij

niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij

meer naar Antaeus [234] overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen

te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet als Antaeus;

want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt

zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.

So. Theodorus! gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne

kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij [235]. Want reeds bij

de duizend mannen als Hercules en Theseus [236] zijn mij ontmoet, en

daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk

gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige

liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na,

door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn

[237].

Theod. Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij

wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint,

verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe

dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft [238].

So. Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet

onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken [239], en iemand

ons dat later weder verwijt.

Theod. Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.

XXII. So. Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten,

en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk

werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt,

en [of] Protagoras ons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat

sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij

wijzen zijn. Niet waar?

Theod. Ja.

So. Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend,

in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog

eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het

regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten [240]. Daarom is het

beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te

behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.

Theod. Gij zegt de waarheid.

So. Laat ons dan niet door andere [241], maar uit zijne eigene woorden

zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.

Theod. Hoe?

So. Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder zoo toeschijnt, ook

zoo is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt?

Theod. Ja, dat zegt hij.

So. Derhalve, Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja,

van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige

dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen,

anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld

wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken

blootstaan [242], schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die

daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen,

die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder

de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor

zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die

zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat

kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve

[243] meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?

Theod. Niets anders.

So. Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor

valsche?

Theod. Ongetwijfeld.

So. Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling, Protagoras? Moeten

wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan

eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd

ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens, Theodorus! of

het iemand der aanhangers van Protagoras, of u zelven, ernst wezen kan

met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche

meening koesterend aanziet.

Theod. Dat is ondenkbaar, Socrates!

So. En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat

de mensch de maat is van alle dingen. [244]

Theod. Hoe dat?

So. Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen

over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor

u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel

te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of

strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening

koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?

Theod. In waarheid Socrates! er zijn vele duizenden, zooals Homerus

zegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden [245].

So. Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene

ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?

Theod. Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.

So. En hoe is het nu met Protagoras zelven? Is het niet noodig, dat,

zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller

dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand

bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die

meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar

verwerpen, meer niet dan wel waar is?

Theod. Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en

niet zijn zal.

So. Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de

meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch

houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen

koesteren.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer

hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?

Theod. Noodzakelijk.

So. Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?

Theod. Wel neen!

So. Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor

waar.

Theod. Het schijnt zoo.

So. Dus zullen allen, met Protagoras voorop, betwijfelen [246], of

liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware

meening koestert, [247] ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar

opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft.

Niet waar?

Theod. Ja.

So. Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid van

Protagoras voor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor

hem zelven.

Theod. Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.

So. Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt

voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde,

wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek

uit den grond opkeek, zou hij denkelijk, na mij om mijn doorslaan, en u

om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr

onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik,

ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn [248], en steeds

datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel

iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de

andere, of soms ook dommer?

Theod. Zoo komt het mij althans voor.

XXIII. So. En dat de leer [van Protagoras] vooral tot staan gebragt

wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben,

namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder

warm, droog, zoet, enz. [249] zijn, en dat, zoo men in het geheel

toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men

dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder

vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te

genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar,

zoo ergens, de een van den ander verschilt?

Theod. Zoo komt het mij althans voor.

So. Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke,

regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat

als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem

[250] ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat

wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat,

zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de

eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de

andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig

durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich

waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik

zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige,

wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid

heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt,

wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als

niet geheel en al Protagoras napraten, verkondigen ongeveer deze leer

[251]. Maar Theodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel

telkens grootere, houden ons bezig.

Theod. Maar wij hebben immers ledigen tijd [252], Socrates!

So. Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar

vooral [253] nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in

wijsgeerige studiën [254] veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de

regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.

Theod. Hoe meent gij dat dan?

So. Zij, die van hunne jeugd af aan zich in regthuizen en dergelijke

dingen ophouden [255], schijnen in vergelijking van hen, die in de

wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in

vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.

Theod. Hoe zoo?

So. Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit

ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd

opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling

opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de

behandeld wordende [256] bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de

laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte

redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen

echter spreken altijd in haast, want het stroomende water [257] drijft

ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de

tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een

boekje, dat er bij gelezen wordt [258], waarbuiten niet mag gesproken

worden [259], en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht

gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in

zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een

bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht [260] op leven of

dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen

heer met woorden te vleijen en met daden te believen [261], daar zij

kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van

kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de opregtheid en de

edelaardigheid [262], daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de

nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met

billijkheid en opregtheid [263] kunnen doorstaan, en daarom zich

terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer

buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden,

zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich

verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.

Zoo zijn zij, Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze

partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot

onze redekaveling wenden [264], ten einde niet, gelijk wij daareven

zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der

redekaveling te veranderen?

Theod. Wel neen, Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij

hebt zeer juist aangemerkt, dat wij niet zulke dienaars der

redekaveling zijn als de menschen van die partij [265], maar de

redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht

om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen

regter of toeschouwer (als bij de dichters) [266], om ons te berispen

en te besturen.

XXIV. So. Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt,

over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen,

die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne

jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de

regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat

is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven

zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar [267]. Het streven naar

vereenigingen tot het bekomen van posten en het houden van staatkundige

bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in

den droom niet op [268]. En of iemand in de stad van aanzienlijke of

geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders-

of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan

hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat

alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht [269],

maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont

daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht,

veracht het en zweeft volgens Pindarus overal heen, hetgeen onder de

aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels

[270] aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene

wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend [271], zonder zich tot

een der nabijgelegene dingen af te laten.

Theod. Hoe meent gij dat, Socrates?

So. Eveneens, Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en

aardige Thracische slavin Thales, die de sterren bestudeerde en naar

boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten,

wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was,

niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman

onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch

is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een

wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt

er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik

meen], niet waar, Theodorus?

Theod. Ja zeker, en gij zegt de waarheid.

So. Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het

bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne

[272] zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de

voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet

slechts bij: Thracische slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar

hij door gebrek aan oefening [273] in putten en allerlei verlegenheid

valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt

gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne

bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet,

omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft [274]; weshalve hij door

zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de

pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk,

maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas [275] schijnt te

wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen,

meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of

koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij

een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij

oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch

en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in

eene schaapskooi op een’ berg, in zijnen burg opsluit. En wanneer hij

tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting

hoort noemen [276], dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij

gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen,

die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand

welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor

[de taal] [277] van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn,

daar zij door onkunde [278] niet in staat zijn, steeds het geheel in

het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele

duizenden [279] van voorouders heeft, waaronder voor ieder vele

duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken

zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en

hun geslacht uitrekenen tot op Hercules, den zoon van Amphitryon,

schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat

zij niet inzien, dat de 25e van Amphitryon opwaarts zoo was als het

toeval meêbragt, en evenzoo de 50e van dezen opwaarts gerekend, en

omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In

al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar

hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor

de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.

Theod. Gij zegt het juist zoo als het gebeurt, Socrates!

XXV. So. Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven

trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt [280] zich

wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid

zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van

elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen [281] en

rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk

geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur

[282] van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te

ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van

dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij

duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en

door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin

spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere

ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die

anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs, Theodorus!

de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is

opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt

verdient [283], omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met

slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer

pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand,

die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is,

zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en

het ware levensgeluk der menschen te bezingen.

Theod. Socrates! wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van

hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de

menschen zijn.

So. Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga, Theodorus! daar er

steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de

Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het

aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats [284]. Daarom moet

men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts [285] te

vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan

God [286], en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs

te worden. Doch, mijn beste! daar [287] het niet zeer gemakkelijk is

[de menschen] te overtuigen, dat men niet om de reden, die de menigte

voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft,

namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en

de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo

willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is

volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk;

en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste

wordt. Hieraan [288] moet de waarachtige voortreffelijkheid,

nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden [289]. De

kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde

klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid [290]; maar de andere

schijnbare voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en

wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor

hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre

het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden

[291]. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te

hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn,

maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij [292] weten

te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer

zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar

zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend

mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en

dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen [293],

maar eene straf, die niet kan ontweken worden.

Theod. Welke meent gij dan?

So. Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld [294]

twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en

tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer

ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en

uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne

onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste,

waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig

met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En [295] zoo wij zeggen, dat,

zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van

alle kwaad zuivere plaats [296] hen niet zal opnemen, maar dat zij in

het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze

gelijk [297], daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen

omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van

krankzinnigen te hooren.

Theod. Ongetwijfeld, Socrates!

So. Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt

hun zeker [298], [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek [299]

rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit

moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop

gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer

voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij

niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar

wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij

dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke

redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo

het ook u goeddunkt.

Theod. Socrates! ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is

voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter

verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.

XXVI. So. Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt,

waarop wij oordeelden [300], dat de voorstanders der aanhoudende

beweging van het zijnde [301], en der waarheid van iedere meening voor

den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen

staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel

vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar

dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren,

dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is,

zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende;

maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen [302].

Theod. Dat zou het.

So. Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie,

die door dien naam wordt aangeduid.

Theod. Natuurlijk.

So. Maar zoo nu de staat iets nuttig [303] noemt, en dit door eene wet

vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle

wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor

zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?

Theod. Wel neen.

So. En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls

gemist?

Theod. Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.

So. Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen,

zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige

behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst [304]. Want wanneer

wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den

volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied

der toekomst heeten.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Komaan! laten wij dan Protagoras of eenen anderen uit degenen, die

met hem instemmen, aldus ondervragen. Protagoras! de mensch is immers,

volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte,

ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich

hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het

voor hem waar en werkelijk is, niet waar?

Theod. Ja.

So. Maar, Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk

van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het

ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een

ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte

zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent,

naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal

uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den

geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven

beide?

Theod. Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.

So. [En hierbij blijft het niet] [305], maar ik meen, dat [ook] over de

toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en

niet die van den harpspeler de baas is.

Theod. Natuurlijk.

So. En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester

niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de

schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.

Theod. Wel neen!

So. Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene

kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den

toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den

pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of

geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor

zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen

en zijn. Zoudt gij, Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te

voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder

onzer geloofwaardig zal voorkomen?

Theod. Wel zeker, Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen

uit te munten.

So. Bij Zeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld

gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen

zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou

kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven [306].

Theod. Dat is zeer waar.

So. Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en

ieder moet toestemmen [307], dat een staat, die wetten maakt,

noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te

stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat

is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de

noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem

gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens

wezen moest.

Theod. Ik geloof, Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat,

en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne

meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.

So. Zulk een stelsel, Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank,

[daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert,

waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand [308]

ontspruitende gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende

meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar [309]

zijn. Misschien echter zeg ik niets [310], daar zij welligt

onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis

houden, misschien de waarheid zeggen, en onze Theaetetus niet mis

geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus

moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede van Protagoras

voorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen

kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank

geeft [311]. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen

weinigen.

XXVII. Theod. Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening

gering is, daar zij integendeel in de streken van Jonie zeer bloeit,

want de navolgers van Heracliet staan dezelve krachtig voor.

So. Daarom, mijn waarde Theodorus! moeten wij haar des te meer

beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.

Theod. Dat is opperbest. Want, Socrates! wat die navolgers van

Heracliet, of, zoo als gij zegt, van Homerus [312] en van nog ouderen

aangaat, met die te Ephesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is

het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in

waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een

vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen,

wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog

minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets

vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden

en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd

heeft, dan wordt gij getroffen [313] met een ander van vreemde

beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook

zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch

in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor

stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo

veel mogelijk overal uitwerpen.

So. Misschien, Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend

bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden

niet [314]. Maar ik geloof, dat zij die dingen aan hunne leerlingen,

die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.

Theod. Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een

ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest

krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo

als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks [315]

rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen [316]

en onderzoeken.

So. Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van

de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen [317],

dat de oorsprong van alles, Oceaan en Tethys, stroomen zijn, en dat

niets staat, en van de lateren, die het, daar zij geleerder waren,

openlijk verkondigden, opdat ook de schoenlappers [318], dat hoorende,

hunne wijsheid zouden overnemen, en niet langer in hunne onnoozelheid

zouden meenen, dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen,

maar geleerd hebbende, dat alles in beweging is, hen zouden vereeren?

Maar, Theodorus! ik was bijna vergeten, dat anderen het tegendeel

hiervan hebben beweerd, [namelijk,] dat aan het al slechts de naam van

het onveranderlijk zijn toekomt [319], en dat, gelijk Melissus en

Parmenides tegen al dat [vorige] volhouden, het al één is, en in zich

zelf gegrond vaststaat, zonder plaats om in te bewegen. Mijn vriend!

hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen? want terwijl wij

langzaam voortgingen, zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen

ingekomen, [320] en zoo wij ons er niet door weten te slaan, zullen wij

boeten, gelijk zij, die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den

streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen, naar twee

verschillende zijden getrokken worden [321]. Ik ben dus van oordeel,

dat wij eerst die partij moeten beschouwen, waarmede wij nu bezig zijn,

[namelijk] de vloeijenden. En zoo zij iets van belang schijnen te

zeggen, zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen

pogen te ontvlugten; maar zoo zij, die het al doen stil staan, meer

waarheid schijnen te spreken, zullen wij tot hen vlugten en diegenen

ontwijken, die zelfs het onbeweeglijke bewegen. Maar zoo geen van

beiden iets goeds schijnt te zeggen, dan staan wij bloot aan

bespotting, daar wij, geringe lieden, zelve iets meenen te zeggen en

zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen. Zie nu eens, Theodorus!

of het de moeite waard is, zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.

Theod. Socrates! wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken,

wat beide partijen zeggen.

XXVIII. So. Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht

worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de beweging

moet gemaakt worden [met de vraag], wat toch zij meenen, die beweren,

dat alles in beweging is [322]. Dit nu is hetgeen ik bedoel: of zij van

ééne soort derzelve, of, gelijk mij voorkomt, van twee soorten spreken.

Doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen, maar neem gij er deel

aan, opdat, zoo het noodig is, wij ons lot deelen, en zeg mij: noemt

gij het geen bewegen, wanneer iets de eene plaats met de andere

verruilt, of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt? [323]

Theod. Dat doe ik.

So. Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde

plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of

op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene

andere soort van beweging beschouwd?

Theod. Ik geloof van ja.

So. Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging:

verandering en de andere plaatsverwisseling [324].

Theod. Dat zegt gij goed.

So. Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die

zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op

beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en

verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?

Theod. Bij Zeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat

zij zeggen zouden: op beide wijzen.

So. Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te

bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat

alles in beweging is, dan dat alles stil staat [325].

Theod. Gij zegt volkomen de waarheid.

So. Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn

nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging

[326] bewogen.

Theod. Dat is noodig.

So. Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet [327], dat wij

den oorsprong van warmte, of witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat

ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het

bedrijvende en het lijdende beweegt, zoodat het lijdende waarnemend,

maar daarom nog niet waarneming wordt, en het bedrijvende hoedanig,

maar niet hoedanigheid? Misschien echter schijnt het woord hoedanigheid

[328] u vreemd, zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat. Ik wil

het u dan met voorbeelden ophelderen [329]. Het bedrijvende wordt geen

warmte of witheid, maar warm of wit, en het overige even zoo. Want gij

herinnert u wel, dat wij in het vorige alzoo zeiden: dat niets op zich

zelf is, noch het bedrijvende, noch het lijdende, maar dat zij, door

hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen [330]

voortbrengende, deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien, deels

voelend worden [331].

Theaetetus(#72108) · 第 9 / 21 题