Theaet. Ik geloof dan, dat hetgeen iemand van Theodorus zou kunnen
leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd
hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de
ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik
voor niets anders dan kennis [42].
So. Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om één gevraagd zijnde veel
en allerlei in plaats van één.
Theaet. Wat zegt gij daar, Socrates?
So. Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van
schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis
van het maken van schoenen?
Theaet. Niets anders.
So. Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel
iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?
Theaet. Neen [43].
So. Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?
Theaet. Ja.
So. Maar het gevraagde, Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der
kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen
het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten
[44], wat de kennis zelve is [45]. Niet waar?
Theaet. Juist.
So. Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die
dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is,
zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de klei van
de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?
Theaet. Waarschijnlijk.
So. Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons
antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden: klei, en er bijvoegden van
pottenbakkers of van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat [46]
iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het
is?
Theaet. Wel neen.
So. Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de
uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet [47]?
Theaet. Neen.
So. Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den
naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is [48].
Theaet. Juist zoo.
So. Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde,
wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt
men, wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet
gevraagd.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Terwijl het verder geoorloofd was [49], gemakkelijk en kort te
antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag
naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort
van aarde, met water gekneed, en het waarvan [50] te laten rusten.
V. Theaet. Socrates! dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit;
maar [51] gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij
een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot, Socrates.
So. Wat meent gij, Theaetetus?
Theaet. Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden
met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf
vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet
deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte
van zeventien vierkante voeten; en daar hield hij op. Wij nu kregen
zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden
oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen,
waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen [52].
So. En hebt gij zoodanig iets gevonden?
Theaet. Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.
So. Zeg op.
Theaet. Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen,
die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij,
wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.
So. Goed zoo.
Theaet. De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5
behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen
gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan
lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die
vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige
getallen.
So. Opperbest: maar wat nu verder?
Theaet. Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de
vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte,
en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van
inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen
hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken.
En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.
So. Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van
valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.
Theaet. Edoch, Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik
niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de
inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks
zoekt; zoodat Theodorus nu weder een leugenaar schijnt.
So. Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide,
dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij
vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen [53], die zijne
volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven,
dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?
Theaet. Wel neen.
So. Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de
allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis
is [54]?
Theaet. Waarlijk, bij Zeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.
So. Houd maar moed over u zelven, en geloof, dat Theodorus iets van
gewigt [55] gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent
de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat
het toch is.
Theaet. Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt, Socrates! zal het
blijken.
VI. So. Komaan dan; want daareven zijt gij goed voorgegaan; beproef
eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij
die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de
vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.
Theaet. Maar wees verzekerd, Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit
te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde
verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet
kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó
van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen
kant mijn voornemen niet kan laten varen [56].
So. [Dat is geen wonder], mijn beste Theaetetus! want gij zijt in
barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.
Theaet. Ik weet het niet, Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin
ik ben [57].
So. Maar, mijn gekje! [58] hebt gij dan niet gehoord, dat ik een zoon
ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, van
Phaenabete?
Theaet. Dat heb ik reeds gehoord.
So. Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?
Theaet. Wel neen!
So. Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is [59]. Verklap mij echter
niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die
kunst heb, en daar [60] zij [61] dit dus niet weten, zeggen zij dit
niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war
breng [62]. Dat hebt gij toch wel gehoord?
Theo. Wel zeker.
So. Wil ik u dan de reden eens zeggen?
Theaet. Gaarne.
So. Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is,
en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat
geene derzelve, zoo lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart,
andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in
staat zijn te baren.
Theaet. Wel zeker.
So. Men zegt, dat Artemis daarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve
te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft
[63]. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te
verleenen [64], wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie
te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de
vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit
opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol
onderscheiden.
Theaet. Waarschijnlijk [65].
So. Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere
en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere
onderscheiden [66] worden?
Theaet. Wel zeker.
So. Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en
tooverformulieren [67] te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij
willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren,
en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.
Theaet. Dat is zoo.
So. Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede
aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te
beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan
voortbrengen?
Theaet. Dat weet [68] ik nog niet regt.
So. Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het
navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen
der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst [69] is, dan het
beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten
gelegd worden?
Theaet. Neen, maar van dezelfde.
So. Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw,
eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen
[70]?
Theaet. Dat is niet waarschijnlijk.
So. Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige
bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken
de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn,
en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het
toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk
goed aan te binden.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne.
Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer [71]
waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen
zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het
schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent
gij dit niet?
Theaet. Ja!
VII. So. Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij [72], maar
verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de
zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit
is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te
onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen
baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de
vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen
mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets
eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat
verwijten zij mij met regt [73]. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de
godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet
heeft te baren [74]. Ik nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb
geene zoodanige [75] uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen
geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen
zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien
God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen,
verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen]
zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele
schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan
door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die
dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet
telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald,
vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben
zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben,
hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij
leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk [76]
schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe
behoort Aristides, de zoon van Lysimachus, en vele anderen. En wanneer
die wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde
dingen doen [77], dan belet het goddelijke [78] [teeken], dat mij
verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt
het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan,
hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer
weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën
kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met
hen [79]. Maar somtijds, Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger
schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik
zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken
[80],) kan ik al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen
trekken. Vele hunner heb ik aan Prodicus of aan andere wijze en
uitstekende mannen overgegeven.
Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat [81] ik
giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij
zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener
vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne
vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden [82]. En zoo ik dan, iets
onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet
waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet
boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der
kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat
zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige
beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid
deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de
menschen kwaadgezind [83] is, en ik niets van dien aard uit
kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij staat een leugen
toe te stemmen, en iets waars te verduisteren. VIII. Beproef dan nog
eens van voren af aan, Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg
nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u
mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.
Theaet. Maar [84] waarlijk, Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou
het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om
alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent,
dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets
anders dan gevoel [85].
So. Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom
aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel [86] is.
Gij zegt: kennis is gevoel [87]?
Theaet. Ja.
So. Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de
kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven als Protagoras. Hij
toch zeide volkomen hetzelfde [88], met eenigzins andere woorden. Want
hij zegt, als ik wel heb [89], dat de mensch de maat van alle dingen
is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet
zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?
Theaet. Ja, dikwijls.
So. Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij
toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u
toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?
Theaet. Ja: dat zegt hij.
So. Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat:
laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind
waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander
zeer?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen?
of zullen wij Protagoras gelooven, dat hij voor hem, die het koud
heeft, koud is, en voor den anderen niet?
Theaet. Het laatste [90].
So. Edoch het komt aan ieder alzoo voor.
Theaet. Ja.
So. Dat is: ieder voelt het zoo.
Theaet. Juist.
So. Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle
dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor
ieder ook te zijn.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot
voorwerp [91], daar het kennis is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar, bij de Gratiën! was dan Protagoras een doorgeleerd man, die
voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan
zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide [92]?
Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?
So. Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen
[93], namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets
met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap [94] kunt toeschrijven,
maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij
het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is;
maar alles, wat wij verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat
uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar
steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalve
Parmenides [95], het eens, [namelijk] Protagoras en Heracliet en
Empedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten, Epicharmus
van de Comedie, en Homerus van de Tragedie; want, toen de laatste sprak
van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moeder Tethys, leerde
hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u
niet, dat hij dat bedoelt?
Theaet. Ongetwijfeld.
IX. So. Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd
door eenen veldheer als Homerus, weêrstand te bieden, zonder zich
schande te berokkenen?
Theaet. Dat is niet gemakkelijk, Socrates!
So. Zekerlijk niet, Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer
ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van
den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet
bestaan en het vergaan [96]; want de warmte en het vuur, dat de andere
dingen doet ontstaan, en in stand houdt, wordt zelf voortgebragt door
beweging [97] en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet
de oorsprong van het vuur?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.
Theaet. Zeer zeker.
So. Wordt verder [98] de toestand der ligchamen niet door rust en
ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel
bewaard?
Theaet. Ja.
So. En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat
de [99] ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt,
terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie,
niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd
heeft, vergeet [100]?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade
daarentegen het tegenovergestelde [101]?
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen]
dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde
bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten [102], daarbij
bewerende, dat Homerus met de gouden keten niets anders meent dan de
zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in
beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en
behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles
bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou
worden [103]?
Theaet. Ik geloof, Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.
X. So. Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de
oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten
de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan
toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat,
ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer
aanhoudend worden.
Theaet. Maar hoe dan?
So. Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf
bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke
andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede
overeenstemmende [104] beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch
het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder
iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren,
dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen
hond en aan elk ander dier?
Theaet. Neen, waarlijk niet.
So. Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt
gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet
[eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als
vroeger]?
Theaet. Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.
So. Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken,
groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking
komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en
zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen [105] was, dan zou
het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder
zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn [106], daar wij nu,
mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en
bespottelijks te zeggen, zoo als Protagoras en ieder, die hem poogt te
volgen, zou aanmerken.
Theaet. Hoe en wat meent gij?
So. Ik zal u een klein voorbeeld geven [107], en gij zult alles weten,
wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt,
zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal
zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de
helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt
gij het toelaten?
Theaet. Wel neen.
So. Wat nu? zoo Protagoras of iemand anders u vroeg: Theaetetus! is het
mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door
vermeerdering [108]? wat zoudt gij antwoorden?
Theaet. Wanneer ik, Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat
mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar
wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen,
dat het wel mogelijk is [109].
So. Mooi, bij Hera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal
er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het door Euripides
[110] vermelde plaats hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid
vermeden hebben, maar onze geest niet [111].
Theaet. Dat is waar.
So. Dus wanneer ik en gij knap [112] en wijs waren, dan zouden wij de
zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht
beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en
als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen
elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen
zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat
wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet [113].
Theaet. Dat zou ik zeer gaarne willen.
XI. So. En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij
dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben,
nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken,
maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels [114] in
ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen
met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in
aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is.
Is het niet zoo?
Theaet. Ja.
So. Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder
wordt, maar altijd gelijk is.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet
was, later niet zijn kan zonder te worden [115]?
Theaet. Het komt mij althans zoo voor.
So. Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met
elkander, wanneer wij het voorbeeld der dobbelsteenen bezigen, of
wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu
grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets
van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later
wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder
worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne
grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit
aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld [116],
want, Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.
Theaet. En bij de Goden, Socrates! ik verwacht met verwondering, wat
dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.
So. Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te
gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral [117] aan den
wijsgeer eigen; want er is geen ander begin [118] van de wijsbegeerte
dan dit, en hij, die Iris de dochter van Thaumas noemde, schijnt niet
kwaad hare afkomst op te geven [119]. Maar begrijpt gij dan nu, waarom
dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen dat Protagoras leert, of
nog niet [120]?
Theaet. Ik geloof nog niet.
So. Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene
waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde
mannen uitvind [121]?
Theaet. Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?
XII. So. Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de
oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor
wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen,
maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als
wezenlijk erkennen [122].
Theaet. Waarlijk, Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en
weêrbarstige menschen.
So. Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel
geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel
nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven [123] reeds zeiden is afgeleid,
is dit, dat alles beweging is [124] en verder niets, en dat er twee
soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben,
maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben [125]. Uit
haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan
voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee
hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het
gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De
aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van:
gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten,
begeerten, vrees [126] en andere, waarvan eene oneindige menigte nog
onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de
voelbare soort komt met ieder van dezen overeen [127], met al de
verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook
de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen,
die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden.
Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige, Theaetetus? begrijpt
gij het?
Theaet. Niet bijzonder, Socrates!
So. Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt, wanneer [128]
het voluit gezegd is. Want het wil zeggen [129], dat dit alles, zooals
wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en
traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde [130]
plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene
gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat
snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus
voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in
de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte [131]. Wanneer nu
een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen
[132], tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene
gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen
nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen
was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het
gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak
van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet
het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de
kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld [133] en wordt
niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook
met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz.
moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf niets is, wat wij ook
daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alles wordt en
allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet
geoorloofd is [134] eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en
het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend
voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met
het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend,
bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend.
Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van
eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen] [135] steeds
in eenig opzigt worden, doch het zijn overal moet uitgesloten worden,
alhoewel [136] wij nog daarzoo door ongewoonte en onbekwaamheid
dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter,
gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te
bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander
woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet [137], zoo
als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en
vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig
is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder
afzonderlijk [138] spreken en van velen te zamen, die vereenigd den
naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit, Theaetetus!
en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?
Theaet. Ik weet het niet, Socrates! want ik kan ook aan u niet merken
[139], of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.
So. Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik geen van die dingen
weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u
help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de
wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb;
en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind
of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en
antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.
Theaet. Vraag op!
XIII. So. Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat niets is, maar dat
het goede en schoone [140] en al wat wij daareven doorliepen, steeds
wordt.
Theaet. Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij
bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en
te moeten aangenomen worden.
So. Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft
nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid [141] van
de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd zien, of
eenige andere verkeerde [142] waarneming genoemd wordt. Want gij weet
waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen,
het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in
die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen
aan ieder voorkomt, ook is, maar integendeel niets is van hetgeen
schijnt.
Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid, Socrates!
So. Wat blijft er dan nu nog te zeggen [143] over, jongen! voor hem,
die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit
ook is voor dien, aan wien het voorkomt?
Theaet. Socrates! ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet
weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik
dat zeide, en [ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik
waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden
eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen,
andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.
So. Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze
[toestanden], vooral over droomen en waken [144]?
Theaet. Welke meent gij?
So. Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen [145],
[namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo
in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of
wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.
Theaet. Ja waarlijk, Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een
bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles
volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom [146] te
meenen, dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en
wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de
gelijkenis van dit met dat [147], allervreemdst.
So. Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te
vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of
slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij
slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel
in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar
zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor
werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.
Theaet. Dat is ongetwijfeld waar.
So. Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve
dat de tijd niet gelijk is [148]?
Theaet. Ja.
So. Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald
worden [149]?
Theaet. Dat zou waarlijk allergekst wezen.
So. Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier
meeningen waar is?
Theaet. Ik geloof van neen.
XIV. So. Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die
beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem,
aan wien het zoo toeschijnt [150]. Zij nu spreken naar mijn inzien
aldus, vragende: Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal
dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen,
waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij
vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar
integendeel in alle opzigten anders is?
Theaet. Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig
ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.
So. Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk
is?
Theaet. Ik geloof van ja.
So. Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders
gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt,
zeggen, dat het hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?
Theaet. Noodzakelijk.
So. Zeiden wij niet te voren [151], dat het bedrijvende veel, ja [152]
oneindig is, en evenzoo het lijdende?
Theaet. Ja.
So. En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder
met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders
zal voortbrengen?
Theaet. Zeer zeker.
So. Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en
van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den zieken
Socrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of
ongelijk is?
Theaet. Meent gij den zieken Socrates in zijn geheel, aan den gezonden
Socrates in zijn geheel?
So. Goed begrepen! juist dat meen ik.
Theaet. Zeker ongelijk.
So. En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?
Theaet. Noodzakelijk [153].
So. En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd
hebben, hetzelfde zeggen [154]?
Theaet. Dat zal ik.
So. Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een
ander werken, zullen, wanneer zij den gezonden Socrates aantreffen, op
mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.
Theaet. Waarom zou dat niet?
So. Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk
bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?
Theaet. Natuurlijk.
So. Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam
en zoet.
Theaet. Ja.
So. Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en
lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in
beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van
den lijdende, maakt [155] de tong voelend; en de zoetheid, die, van den
wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de
gezonde tong zoet zijn en schijnen.
Theaet. Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.
So. Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers
[156], vooreerst in waarheid, niet denzelfden aan, want hij komt bij
iemand, die niet gelijk is?
Theaet. Ja.
So. Dus brengen ook die Socrates en het drinken van den wijn wat anders
voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn
wordende en zich bewegende [157] bitterheid; en maken hèm niet
bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. [158] Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van
iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige
gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene
eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet [159], zal nooit met een
ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door
ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen,
en eene eigenaardige wijziging ondergaan.
Theaet. Dat is waar.
So. En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich
[alleen] evenmin.
Theaet. Waarlijk niet.
So. Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend
wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even
noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter,
of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor
iemand zoet te worden [160].
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus blijft, geloof ik, over, dat wij [161] voor elkander, zoo wij
zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze
wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons
zelven [162]. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn;
zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen
moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets
[163] is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij
zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling,
die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.
Theaet. Zeer zeker, Socrates!
So. Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een
ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?
Theaet. Natuurlijk.
So. Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot
mijne wezenheid. En ik heb, volgens Protagoras, regt om te oordeelen
over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet
is, dat het niet is.
Theaet. Dat schijnt zoo.
XV. So. Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne
meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet
kennen [164]?
Theaet. Dat kan niet anders.
So. Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan
gevoel, en het komt op één uit, dat, volgens Homerus and Heracliet en
al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat
volgens den diep geleerden Protagoras, de mensch de maat is van alle
dingen, en dat volgens Theaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis
wordt [165]; want, niet waar, Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw
jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt
gij?
Theaet. Noodzakelijk zóó, Socrates!
So. Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht
gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in
waarheid in de redekaveling meê rondloopen [166], onderzoekende of het
welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent
gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet
worden [167]? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt
afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?
Theod. Theaetetus zal het dulden, Socrates! want hij is volstrekt niet
kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?
So. Waarlijk, Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel
goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb [168],
waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde
zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat
geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij
spreekt, daar ik niets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen
een ander, die het weet, zegt, te ontvangen [169] en behoorlijk op te
nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.
Theaet. Wat gij zegt, Socrates! is beter; doe zoo.
XVI. So. Weet gij nu, Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriend
Protagoras verwonder?
Theod. Wat meent gij?
So. Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen
aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin
der redekaveling, dat hij niet in het begin der Waarheid [170] gezegd
heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de
maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van
allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een
God om zijne wijsheid bewonderden [171], maar dat hij in wijsheid niet
boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander [172] mensch,
uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen, Theodorus? Want zoo voor ieder waar
is [173], wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders
aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of
de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf];
maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen,
en dat oordeel geheel in den haak [174] en waar is; hoe is dan toch,
mijn vriend! Protagoras zoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de
leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar wij minder
geleerd, zoodat wij tot hem gaan [175] moeten, terwijl toch ieder de
maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, dat
Protagoras met die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en
mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit
plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan
het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen
[176] en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote
[177] ijdelheid, zoo althans de waarheid van Protagoras waar is, maar
hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?
Theod. Socrates! de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd
hebt. Daarom zou ik niet verlangen, dat Protagoras weêrlegd werd door
mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin
[zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken [178]. Neem
daarom Theaetetus weder. Hij scheen u toch ook daareven met allen
mogelijken ijver te volgen.
So. Theodorus! zoudt gij ook, te Lacedaemon in de scholen der
gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken,
naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te
leggen en uwe gedaante te toonen [179]?
Theod. Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te
laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen
toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der
gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met
hem, die jonger en leniger is.
XVII. So. Nu, als gij het zoo goed vindt, Theodorus! vind ik het niet
kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappen
Theaetetus vervoegen. Theaetetus! zeg dan nu vooreerst, wat wij
daareven uiteenzetten [180], of gij u niet insgelijks verwondert, dat
gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan
eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn van Protagoras
eenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?
Theaet. Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt.
Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat
hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt,
scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot
[181] het tegenovergestelde omgeslagen.
So. [Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt
gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de
redekaveling [182]. Want hierop zou Protagoras of een ander in zijne
plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar
bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het
spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de
menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij [183], [namelijk] dat
het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig
beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar
gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvan Theodorus of een ander
meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van
nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens met Theodorus, of gij
redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding [184] en
waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.
Theaet. Dat mag niet, Socrates! zouden gij en wij zeggen.
So. Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij en
Theodorus zegt.
Theaet. Ja zeker: op eene andere wijs.
So. Laten wij dan aldus [185] onderzoeken, of kennis en gevoel
hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch
daarop uit [186], en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet
waar?
Theaet. Wel zeker.
So. Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt
of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat
wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij
spreken, niet hooren, of [187] dat wij die hooren en hunne meening
kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen,
wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan,
wanneer wij ze zien?
Theaet. Wij zullen zeggen, Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van
zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de
kleur zien en kennen, en van de eersten [188] den hoogen en lagen klank
hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken
daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet
waarnemen, noch kennen.
So. Mooi! Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat
gij moed moogt scheppen. XVIII. Maar zie nu ook eens wat er verder
bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.
Theaet. Wat toch?
So. Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten
heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich
bewaart [189], dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande
dat herinneren [190], toch niet te kennen. Maar ik schijn meer woorden
dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij
geleerd heeft en zich herinnert, niet weet [191].
Theaet. Hoe dat, Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.
So. Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet
eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?
Theaet. Ja zeker.
So. Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven
gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?
Theaet. Ja.
So. Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.
Theaet. Ja.
So. Is dat een geheugen van niets of van iets?
Theaet. Zekerlijk van iets.
So. Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?
Theaet. Wel zeker.
So. Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan
vergeten?
Theaet. Het zou ongerijmd [192] wezen, Socrates! dit te beweren.
So. En toch kan het niet anders [193], zoo wij het vroeger beweerde
willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden],
gaat [dat vroeger beweerde] verloren.
Theaet. Waarlijk! ik vermoed [194] het ook al, doch ik zie het echter
niet behoorlijk in; maar zeg waarom?
So. Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat [195] hij ziet;
want wij zijn overeengekomen, dat gezigt en gevoel en kennis hetzelfde
is.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan
herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?
Theaet. Ja.
So. Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.
Theaet. Dat is waar.
So. Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het
zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij
zeiden, dat een wonder zijn zou.
Theaet. Dat zegt gij zeer naar waarheid.
So. Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand
zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren [196].
Theaet. Ik geloof van ja.
So. Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt, dat wij dit weder van
voren af aan moeten zeggen. Maar, Theaetetus! wat gaan wij doen?
Theaet. Hoe zoo?
So. Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen
hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.
Theaet. Hoe dat?
So. Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons
bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en
ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven
gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te
zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe
menschen verrigten.
Theaet. Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.
So. Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den
zin heb [197]. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het
geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden
aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel
herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet
kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is [198]. En
alzoo werd de leer van Protagoras doodgepraat en tevens de uwe, dat
kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet. Dat schijnt zoo.
So. Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de
eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen;
nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de
voogden, die Protagoras achterliet, waaronder deze Theodorus, willen
niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het
wagen [199] haar bij te staan.
Theod. [Dat moet mij niet verweten worden], want Socrates! niet ik,
maar veel meer Callias, de zoon van Hipponicus [200] is de voogd van
hetgeen Protagoras achterliet. Wij echter zijn te spoedig [201] uit die
haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen u echter dankbaar
zijn, wanneer gij hem bijstaat.
So. Gij zegt goed, Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne
hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand
toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede [202] wij gewoonlijk
bevestigen of ontkennen. Wil ik aan Theaetetus of aan u zeggen, hoe dat
is?
Theod. Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want
zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.
XIX. So. Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik,
ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets
kennende, dat, wat hij kent, niet kent?
Theod. Wat zullen wij antwoorden, Theaetetus?
Theaet. Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.
So. [Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt [203].
Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij,
om zoo te spreken, in den put zit [204], doordien een man, die zich
niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u
vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?
Theaet. Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het
andere.
So. Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.
Theaet. In zooverre, ja.
So. Dat: in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want
ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te
gelijk niet kent. Nu blijkt [205] het echter, dat gij, wat gij niet
ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en
het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u
volgt.
Theaet. Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.
So. Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen,
zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te
kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en
weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend
huurkrijgsknecht [206] in het redeneren en u lagen leggende, zou kunnen
vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar
hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke
zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden
en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend,
door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en
vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt
overeenkomen. Wat zou dan nu Protagoras, zoudt gij welligt zeggen,
kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het
pogen te zeggen?
Theaet. Zeer gaarne.
XX. Dit alles [207] [zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne
verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons
verachtende en zeggende: die beste Socrates heeft daar, toen een kind,
op zijne [208] vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen
bewaren en niet kennen kan, bevreesd werd, [209] en dit uit vrees en
gebrek aan inzigt [210] ontkende, mij in zijne redekaveling
bespottelijk [211] gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnige
Socrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen
onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou
geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar
zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd.
Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de
herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane
bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging [212]? Het
scheelt veel. Of dat hij aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven,
dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest,
dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is,
die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon
en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte
worden [213], wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij
althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn
beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg
het, zoo gij kunt, [aantoonende] [214] dat niet ieder onzer zijne
eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het
bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen
voor hem schijnt, of, zoo dit zijn moet heeten, [voor hem] is, aan wien
het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij
niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit
tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik
zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de
maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander
duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne
schijnt, en voor den ander wat anders. En ik ben er ver van af te
zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem
ik wijs [215], die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit
verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne
redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker
inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat
voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den
gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’
hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook
den zieken niet van domheid beschuldigen [216], omdat hij zulke
meeningen koestert, noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere
[denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen
overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij
het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren [217] doen
overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch
de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die
valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want
het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen [218],
noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik,
de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel,
daarmede overeenkomstige meeningen koesteren, andere [219] zulke
meeningen [220] koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid
waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen
zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn beste Socrates! om de wijzen
kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking
heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die
betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers [221]. Want ik
beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte
gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde
gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar dat de wijze en
goede redenaars [222] het goede, in plaats van het slechte, aan de
staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat
regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het
daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat
kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfde redenering
is de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen,
wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een
wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij
moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want
deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het
beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe
dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever]
met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar
door den verstandigen bijzonder gezocht worden [223]. Doe echter alzoo.
Bezig bij het vragen geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd,
dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met
kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in
dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het
disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek [224];
daar [225] men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij
het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en
zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te
doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten
gestort is [226]. Want wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met
u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar
niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven
haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij,
andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger
waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan
doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe
toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk
maken [227], wanneer zij wat ouder worden [228]. Zoo gij dus mijnen
raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm
gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch
zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat,
hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand
mensch, als voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan]
onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde, of iets anders is, maar
[gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen,
welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan
elkander allerlei onzekerheid berokkenen [229].
Hiermede, Theodorus! ben ik begonnen [230] uwen vriend te helpen, zoo
goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten;
maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender
beschermd hebben.