THEAETETUS.

I. Eucl. Zijt gij daar even van het land gekomen, Terpsion! of reeds

eene poos geleden?

Terp. Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt [1] en

verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.

Eucl. [Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.

Ter. Waar dan?

Eu. Ik was naar de haven gegaan, en vond daar Theaetetus, die van

Corinthe, uit het leger, naar Athene gebragt werd [2].

Ter. Was hij dood of levend?

Eu. Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt

aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in

het leger ontstaan is.

Ter. Toch niet de roode loop?

Eu. Juist.

Ter. Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!

Eu. Een uitstekend man, Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb

van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.

Ter. Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij

zoo niet was [3]. Maar waarom hield hij hier, te Megara, niet stil?

Eu. Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem

[te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u [4], dat, toen ik

hem een eind wegs begeleid had, en wederkeerde, ik mij met verwondering

te binnen bragt, hoe Socrates ook omtrent hem als een profeet heeft

gesproken. Want ik meen, dat hij kort voor zijnen dood hem, die toen

nog een knaap was, ontmoet heeft, en nadat hij eenigen tijd met hem

gesproken had, zijnen inborst [5] zeer heeft bewonderd. En toen ik te

Athene kwam, verhaalde hij mij, wat hij met hem gesproken had [6],

hetwelk zeer hoorenswaard was, en hij zeide, dat hij noodzakelijk

uitstekend [7] zou worden, wanneer hij op jaren gekomen was.

Ter. En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben [8]. Maar wat was dat

dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen [9].

Eu. Bij Zeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra

ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreef

ik op mijn gemak er bij, wat ik mij herinnerde, en zoo dikwijls ik naar

Athene kwam, vroeg ik Socrates weder wat ik mij niet herinnerde, en als

ik hier kwam, verbeterde ik het; zoodat ik genoegzaam het geheele

gesprek op schrift heb [10].

Ter. Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd

voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede

tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb

toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.

Eu. [Dat is niet alleen met u het geval], maar ik heb Theaetetus tot

Erineus [11] begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons

dan gaan, en wanneer wij rusten, zal mijn slaaf het ons meteen

voorlezen [12].

Ter. Dat is goed.

Eu. Dit is het boek, Terpsion! En ik heb het gesprek aldus

opgeschreven, dat ik niet Socrates als aan mij verhalende voorstelde,

maar als sprekende met diegenen, met wie hij zeide gesproken te hebben

[13]. Hij nu zeide, [dat hij het gesprek gevoerd had] met den

meetkunstenaar Theodorus en met Theaetetus. Opdat nu in het geschrift

die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen over Socrates,

wanneer hij sprak, b. v., en ik zeide, of en ik sprak, of ook over den

anderen [14]: hij stemde toe, of hij ontkende het, niet lastig zouden

zijn, daarom heb ik het geschreven, alsof hij zelf met hen sprak, met

vermijding van die dingen.

Ter. En daaraan hebt gij goed gedaan, Euclides!

Eu. [Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek

en lees.—

II. So. Zoo ik mij meer om de inwoners van Cyrene bekommerde,

Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over

hen, of aldaar eenige jongelingen zijn, die werk maken van de meetkunst

of eenige andere wetenschap [15], maar nu, daar ik hen minder dan mijne

landgenooten [16] lief heb, en meer verlang te weten, wie van onze

jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden, onderzoek ik dit

[laatste] zooveel ik kan zelf, en vraag er de anderen naar, met wie ik

de jongelingen gaarne zie omgaan. Nu komen tot u waarlijk niet de

minsten, en dat met regt; want gij verdient het, én om andere redenen,

én ook om de meetkunst. Zoo gij dus iemand ontmoet hebt, die vermelding

verdient, zou ik het gaarne vernemen.

Theo. En waarlijk, Socrates! het is voor mij de moeite waard om te

zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap [17] uit uwe

medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik

vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen

zou, dat ik verliefd op hem was [18]; maar neem het mij niet kwalijk,

hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende

oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik

het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb,

(en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van

zulk eenen goeden aanleg [19]. Want vlug van begrip zijnde, even

uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van

humeur is, en daarbij vol geestkracht [20],—dat zou ik niet denken, dat

mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar

die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een

goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn [21] geneigd,

en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en

zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer

bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht

geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk [22]

en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo]

veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder

geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit

zoo kan tot stand brengen.

So. Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?

Theo. Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar

[dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die

daar aankomen. Want daar even waren hij en deze zijne makkers in den

buitensten omgang [23], bezig zich met olie in te wrijven [24], en nu

meen ik, dat zij daarmede gereed zijn [25] en herwaarts komen. Maar zie

eens, of gij hem kent.

So. Ik ken hem. Hij is de zoon van Euphronius van Sunium [26], een man,

mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en

buitendien zeer gezien, en die ook veel geld heeft nagelaten. Maar den

naam van den knaap weet ik niet.

Theo. Zijn naam, Socrates! is Theaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat

zijne voogden [27] opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook

verwonderlijk los van het geld, Socrates!

So. Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak [28]. Verzoek hem hier

bij mij te komen zitten.

Theo. Dat zal gebeuren. Theaetetus! kom hier bij Socrates.

So. Ja, doe dat, Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig

een gelaat ik heb; want Theodorus zegt, dat ik er een heb, dat op het

uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide,

dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven,

of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van

de muzijk?

Theaet. Dat zouden wij onderzoeken.

So. En wanneer wij hem dan zóó vonden [29], zouden wij hem zeker

gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.

Theaet. Dat is waar.

So. Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet

onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt,

omdat hij er verstand van heeft, of niet.

Theaet. Ik geloof ja.

So. Maar is Theodorus dan een schilder?

Theaet. Zoo ver ik weet, niet [30].

So. Maar is hij ook geen meetkunstenaar?

Theaet. Wel zeker, Socrates!

So. En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en

wat meer tot de opvoeding behoort?

Theaet. Ik geloof ja.

So. Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des

ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te letten

[31].

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en

wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat

hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij

bereidwillig zich vertoonde?

Theaet. Ongetwijfeld, Socrates!

III. So. Dus is het dan, mijn waarde Theaetetus! voor u de tijd om u te

vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken [32]; want wees verzekerd,

dat Theodorus tegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen

heeft, maar nooit iemand zoo als u.

Theaet. Dat zou goed zijn, Socrates! Maar zie eens, of hij het ook

schertsend zeide.

So. Dat is de gewoonte van Theodorus niet. Maar ontwijk het toegestemde

niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet

gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand

zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij

vol moed het toegestemde vast.

Theaet. Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.

So. Zeg mij dan nu: leert gij van Theodorus het een en ander van de

meetkunst?

Theaet. Ja.

So. En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen

betreft?

Theaet. Ik hoop er meê te beginnen.

So. Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van

anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan [33]. Maar echter

ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog [34] al tevreden,

doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken.

Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger [35] worden

in hetgeen iemand leert?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. En de kundigen zijn kundig door kunde?

Theaet. Ja.

So. Maar verschilt dit nu van kennis?

Theaet. Wat?

So. De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig

zijn?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus is kennis en kunde hetzelfde?

Theaet. Ja.

So. Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp [36] en niet behoorlijk

bij mij zelven kan bevatten [37], wat toch eigenlijk de kennis is.

Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij [38]? Wie onzer zal het het

eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens [39] ieder die fout

zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor

ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze

koning zijn en voorschrijven wat hij wil [40]. Waarom zwijgt gij?

Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik

verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.

Theo. Socrates! zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der

knapen u antwoorden; want ik ben niet gewoon aan die soort van gesprek

[41], en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou

hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd

is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen

zijt, Theaetetus niet los, maar vraag hem.

So. Gij hoort, Theaetetus! wat Theodorus zegt, wien toch ook gij wel

zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger

persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn,

wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en

ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?

Theaet. Het moet wel, Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer

ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.

Theaetetus(#72108) · 第 7 / 21 题