INLEIDING.

De zamenspraak van Plato, die ik hier aan mijne landgenooten zoek te

verklaren, is, hoewel geenszins een vervolg op den Phaedo, door haren

inhoud zeer geschikt, om onmiddellijk na den Phaedo behandeld te

worden, zooals ik hoop, dat bij eene naauwkeurige lezing blijken zal.

In den Phaedo wordt de onsterfelijkheid der ziel tot de vraag

teruggebragt, of de ziel eene eigenschap des ligchaams, of een wezen op

zich zelf is. Dat inderdaad van het antwoord op deze vraag ons oordeel

over het voortduren der ziel moet afhangen, valt gemakkelijk in te

zien, wanneer wij bedenken, dat eene eigenschap niet langer bestaat,

dan het wezen waarvan zij eigenschap is, en dat bij gevolg, zoo de ziel

slechts eene eigenschap des ligchaams is, haar bestaan geheel en al van

het bestaan des ligchaams afhangt, en dus met het ophouden van het

bestaan des ligchaams ophoudt. Daar alzoo de vraag naar de

onsterfelijkheid der ziel voor een groot deel afhangt van het oordeel,

dat wij over haar verband met het ligchaam vellen, zoo is het, nadat de

vraag over hare onsterfelijkheid geopperd is, allezins dienstig, de

gronden te overwegen, die voor eene onderscheiding der ziel van het

ligchaam kunnen pleiten.

In den Theaetetus nu wordt een deel dier gronden behandeld en de vraag

wordt hier op een gebied overgebragt, waarop, na Plato, vele groote

wijsgeeren dezelfde vraag hebben meenen te moeten overbrengen. Het is

namelijk de wezenheid der menschelijke kennis, die hier behandeld

wordt, welke kennis óf geheel uit de zinnen stamt, óf gedeeltelijk uit

eene hoogere bron ontleend is. Naarmate dit laatste wordt beantwoord,

valt ook ons oordeel uit aangaande het al of niet onderscheiden zijn

van ziel en ligchaam.

Voordat er met de lezing een begin gemaakt wordt, zal het niet

ondienstig zijn, een enkel woord te zeggen zoowel over den tijd, waarin

de Theaetetus geschreven is, als over het doel, dat Plato er mede

beoogde, waarna ik nog kortelijk over de daarin voorkomende personen

zal handelen. Bij het beoordeelen van Plato’s geschriften rigt ik mij

vooral naar de door Karl Fr. Hermann uiteengezette verhouding tusschen

Plato’s leven en zijne wijsgeerige ontwikkeling. In de inleiding voor

mijnen Phaedo heb ik dat punt uitvoeriger behandeld, en kan daarop

verwijzen, zoodat hier een enkel woord over dat onderwerp voldoende is.

Wij weten, dat Plato na Socrates dood zich naar Megara begaf, en aldaar

eenigen tijd de lessen van Euclides, een ouder leerling van Socrates,

bijwoonde.

Wij kunnen den Theaetetus in het tijdperk stellen, dat Plato te Megara

doorbragt, en zien in het begin van den Theaetetus eene soort van

toewijding van dit werk aan zijne vrienden te Megara; ja, Plato geeft

niet onduidelijk te kennen, dat hij de hier vermelde bijzonderheden in

Megara vernomen heeft, hetgeen wel verdicht zal wezen, daar Plato,

hetgeen Socrates betrof, niet uit de tweede hand behoefde te vernemen,

en het bekend is, hoe weinig zijne geschriften op geschiedkundige

waarheid aanspraak maken, doch hetgeen slechts ten bewijze van de goede

verstandhouding tusschen Plato en Euclides en ter aanleiding der bron

daarvan, namelijk de gemeenschappelijke vereering van hunnen meester,

kan dienen. Verder wordt de leer der sensualisten, die alle kennis uit

de zinnelijke waarneming afleiden, en daartoe, gelijk wij zien zullen,

de leer van Heracliet misbruikten, in dit werk hevig bestreden; en

ieder, die weet, dat Euclides de leer der Eleaten, die juist de

redekennis ten koste der zinnelijke waarneming beoefenden, met de

Socratische wijsbegeerte zocht te verbinden, zal gemakkelijk begrijpen,

dat Plato nergens eerder dan te Megara eene bestrijding van die

sensualistische theorie kon in den zin krijgen. Hierbij komt nog, dat

wij in den Theaetetus eene vrij uitvoerige beschrijving vinden van de

onaangename botsingen tusschen den wijsgeer en het werkelijke leven,

waarin duidelijk de verbittering doorstraalt, die Plato wegens de

veroordeeling van zijnen meester gevoelde. Eindelijk wordt in den

Theaetetus een groot deel des gespreks aan den wiskunstenaar Theodorus

opgedragen, die ten tijde van Socrates in Athene de meetkunst

onderwezen heeft. Deze wiskunstenaar was van Cyrene geboortig, en wij

weten, dat Plato van Megara naar Cyrene gegaan is, om zijne lessen bij

te wonen. Daar hij nu Theodorus als leerling van Protagoras doet

optreden, maar hem tevens met de grootste eere vermeldt, en hem de

verklaring in den mond geeft, dat hij zich tegenwoordig alleen met de

meetkunst bezig hield, zie ik hierin een uitvloeisel van Plato’s

verlangen, om dien wiskundige in zijne woonplaats op te zoeken en door

zijne lessen in de wiskunde onderwezen te worden. Daarom is het welligt

niet onjuist, wanneer wij aannemen, dat Plato den Theaetetus in den

laatsten tijd van zijn verblijf te Megara geschreven heeft, toen hij op

het punt stond om de reis naar Cyrene te ondernemen. Of Plato echter

toen dit zijn werk heeft uitgegeven, is onzeker, ja wordt

onwaarschijnlijk door de vermelding der oorlogsdaden van Theaetetus en

van het gevecht bij Corinthe, dat eerst na Plato’s terugkomst schijnt

plaats gehad te hebben, waarom de meening geenszins verwerpelijk is,

dat hij den Theaetetus eerst later heeft uitgegeven, zonder er veel in

te veranderen, en dat hij alleen het begin eenigzins heeft gewijzigd.

Nu willen wij nog met een enkel woord het doel van den Theaetetus

behandelen, hoewel dit punt eerst na de lezing der geheele zamenspraak

behoorlijk kan uiteengezet worden.

Nadat er uitvoerig gesproken is van de bekwaamheid van Socrates, om

door vragen de waarheid uit den geest zijner toehoorders te

ontwikkelen, wordt de leer, dat alle kennis uit de zinnen stamt,

bestreden, en het bestaan van een hooger kenvermogen aangetoond. Hierop

volgen nog eenige aanmerkingen, waarvan wij lager melding zullen maken;

het aangemerkte is, geloof ik, voldoende, om voorloopig eenig denkbeeld

te geven van hetgeen wij van den Theaetetus te verwachten hebben. Wij

zullen hier namelijk een betoog vinden van de stelling, dat niet de

zinnen, maar de geest zelf, de rede zouden wij zeggen, de bron is der

ware kennis. Het boek, dat wij voor ons hebben, is dus eene soort van

inleiding in de eigenlijke philosophie, eene beschouwing van het

kenvermogen, geschikt om tot de wijsbegeerte voor te bereiden, en reeds

in de verte het ware voorwerp der wijsbegeerte volgens Plato, de leer

der Ideën namelijk, te doen opmerken. Dit laatste geschiedt echter

slechts in het voorbijgaan, waaruit blijkt, dat het Plato’s voornemen

niet was, de vraag naar den aard der menschelijke kennis hier geheel en

volledig te beantwoorden; daar hij dan de leer der Ideën niet in het

voorbijgaan, maar meer opzettelijk zou behandeld hebben; maar dat hij

slechts eene inleiding in de wijsbegeerte wilde geven. Hieruit kan

reeds blijken, dat ik in mijn oordeel over deze zamenspraak van Van

Heusde verschil, daar deze van gevoelen is, dat vooral het vertoonen

der Socratische wijze van ondervragen het doel van dit werk is, terwijl

ik daarentegen meen, dat Plato alleen daarvan gesproken heeft, om op

die wijze eene proefondervindelijke weêrlegging te geven van de leer,

dat alle kennis uit de zinnen stamt. Wij zullen echter dit onderwerp na

het lezen van den Theaetetus uitvoeriger moeten behandelen.

Nu wilde ik nog kortelijk van de hier voorkomende personen spreken,

daar dit tot beter verstand des boeks dienstig is.

De eerste persoon, die hier in aanmerking komt, is natuurlijk

Theaetetus zelf. Van dezen weten wij weinig, behalve hetgeen in onze

zamenspraak van hem vermeld wordt. Hij komt hier, zooals wij zien

zullen, allergunstigst voor, zoo om zijne zedigheid, als om zijnen

uitstekenden aanleg en zijne dapperheid in den oorlog. Later zegt men,

dat hij Plato gehoord heeft, eindelijk naar Heraclea vertrokken is, en

daar de wiskunst heeft onderwezen.

Te gelijk met Theaetetus wordt zijn leermeester Theodorus vermeld, van

wien wij reeds gezegd hebben, dat hij, hoewel de wijsbegeerte eene poos

beoefend hebbende, later zich vooral op de meetkunst heeft toegelegd,

en daarin zooveel naam had, dat zijne vermaardheid Plato naar Cyrene

lokte, waar deze zijn onderwijs een tijd lang genoten heeft. De

voorname bron, waaruit wij hem kennen, is, even als bij Theaetetus, het

voor ons liggende werk.

Theodorus had zich vooral op de leer van Protagoras toegelegd. Er is

een werk van Plato, dat naar dezen genoemd wordt, hoewel daarin zijne

leer vrij wat minder grondig dan in den Theaetetus wordt aangegrepen,

hetgeen voor den hoogeren ouderdom van Plato’s Protagoras pleit. Men

verhaalt van Protagoras, dat hij van Abdera geboortig en door

Democritus in de wijsbegeerte was ingewijd, maar zich later beter met

de leer van Heracliet had kunnen vereenigen. Een wijsgeer echter

verdient hij niet te heeten, daar hij een voorstander was der

wijsbegeerte van den schijn, en, gelijk uit de naar hem genoemde

zamenspraak blijkt, zich er op beroemde, dat hij het eerst openlijk den

naam van sophist had gedragen. Hij bekwam door zijn onderwijs veel

aanzien en rijkdom; doch toen hij zich eindelijk had laten ontvallen,

dat hij het bestaan der Goden als onzeker beschouwde, werden zijne

boeken verbrand en hij zelf wegens ongodisterij veroordeeld. Hij

ontvlood uit Athene, maar kwam op zee om.

Protagoras volgde de leer van Heracliet, dat is, hij nam daaruit eenige

deelen over, die zich gemakkelijk lieten gebruiken voor het doel, dat

hij beoogde. Heracliet de Ephesier was door eenzame overpeinzingen en

gebrekkige gezondheid tot eene zwaarmoedige geestgesteldheid vervallen,

die zich ook in de duisterheid van zijnen stijl vertoonde. Wij weten

van zijne leer, dat hij alle zinnelijke waarneming voor uiterst

gebrekkig hield, daar de stoffelijke wereld onophoudelijk verandert, en

geen oogenblik in denzelfden toestand blijft. Hierbij kwam echter een

belangrijk toevoegsel, dat door zijne navolgers verwaarloosd is, hoewel

het de noodzakelijke keerzijde van zijn gevoelen aangaande de

veranderlijkheid der natuur uitmaakte. Hij erkende namelijk het bestaan

van eenen algemeenen geest, die, alles doordringende en al wat bestaat

beurtelings voortbrengende en weder in zich opnemende, eigenlijk in het

vuur als het grond-element zijnen zetel had, en zelf de bron was van

alle orde en wijsheid; zoodat de menschelijke geest, die van hem was

uitgevloeid, alleen door zich aan hem vast te houden, der ware wijsheid

kon deelachtig worden, en het kwaad eigenlijk daarin bestond, dat het

enkele wezen, zijnen zamenhang met het algemeen vergetende, op zich

zelf wilde staan en handelen. Dit laatste echter is door zijne

navolgers niet vastgehouden, zooals uit den Theaetetus blijken kan,

hoewel het hier moest vermeld worden, om te doen inzien, dat de leer

van Heracliet in zijnen oorspronkelijken vorm vrij wat hooger stond,

dan hetgeen later uit dezelve gemaakt is. Tot een staaltje van zijne

duisterheid diene de anecdote, dat hij, aan waterzucht lijdende, de

geneesheeren vroeg, of zij regen in droogte konden veranderen, hetgeen

door deze, zooals ik bijna niet behoef te zeggen, niet begrepen werd.

Verder komen hier nog Euclides en Terpsion in aanmerking, twee getrouwe

leerlingen van Socrates, vooral de eerste, die zelfs met gevaar van

zijn leven des nachts naar Athene kwam, om Socrates lessen te hooren.

Hij bezat zelfstandigheid genoeg, om eene poging te wagen, ten einde de

Socratische wijsbegeerte door die der Eleaten aan te vullen, en

stichtte te Megara eene school, die nog eenigen tijd gebloeid heeft,

vooral de redeneerkunde met ijver beoefende, en in wetenschappelijken

strijd met Aristoteles is gewikkeld geworden. Hoezeer deze school door

die van Plato en Aristoteles eindelijk geheel is overschaduwd, verdient

zij echter met eere vermeld te worden, al was het alleen, omdat zij den

heilzaamsten invloed op Plato heeft uitgeoefend, en hem tot de kennis

der Eleatische wijsbegeerte heeft opgeleid.—Van Terpsion is ons weinig

of niets bekend.

Nu kunnen wij tot de lezing van den Theaetetus zelven overgaan.

Theaetetus(#72108) · 第 6 / 21 题