Gebroken van aandoening en brandend van koorts, was Pierre eerst tegen
het aanbreken van den dag in een lichte sluimering gevallen. Bij zijn
terugkeer in het paleis Boccanera in den laten avond had hij daar den
vreeselijken rouw om den dood van Dario en Benedetta teruggevonden. En
toen hij tegen negen uur opgestaan was, wilde hij, na ontbeten te
hebben, onmiddellijk naar het appartement van den kardinaal gaan,
waar men de twee lijken op een baar gelegd had, opdat de familie,
de vrienden en de protégés daar hun tranen en gebeden zouden brengen.
Onder het ontbijt kwam Victorine, die, ondanks al haar wanhoop dapper
en flink, niet naar bed geweest was, hem de gebeurtenissen van den
nacht en van den ochtend vertellen. Donna Serafina had uit een soort
preutsch respect voor de convenance een nieuwe poging gedaan om de
beide lijken te scheiden. Deze naakte vrouw, die in den dood den
eveneens ontkleeden man omhelsde, kwetste haar schaamtegevoel. Maar
het was te laat geweest: de stijfheid des doods was ingetreden,
en wat men in het eerste oogenblik niet had kunnen doen, kon
nu niet meer geschieden zonder een vreeselijke ontheiliging. Hun
liefdesomhelzing was zoo krachtig, dat men, om hen van elkaar los te
maken, hun vleesch van hun lichaam had moeten rukken, hun ledematen
breken. En de kardinaal, die reeds niet gewild had, dat men hun slaap,
hun één-zijn voor eeuwig, stoorde, had bijna woorden gekregen met zijn
zuster. Onder zijn priesterkleed voelde hij zich een zoon van zijn ras,
trotsch op vroegere hartstochten, op de mooie, heftige liefde, op de
mooie dolksteken. Al had de familie twee pausen geteld, toch hadden ook
groote veldheeren en groote minnaars haar beroemd gemaakt. Nooit zou
hij toelaten, dat men aan deze, in hun smartvol leven zoo rein gebleven
kinderen, die het graf alleen vereenigd had, raken zou. Hij was heer en
meester in zijn paleis, men zou hen in hetzelfde doodshemd naaien, hen
in dezelfde kist bijzetten. Vervolgens zou de lijkdienst plaats hebben
in de nabijgelegen San Carlokerk, waarvan hij den kardinaalstitel
bezat en waar hij dus ook heer en meester was. Als het noodig was,
zou hij zelfs naar den paus gaan. En zoo souverein was zijn op luiden
toon uitgesproken wil, dat iedereen in het huis zich had moeten buigen,
zonder zich een gebaar of een woord te veroorloven.
Toen had donna Serafina zich bezig gehouden met het laatste toilet der
dooden. Volgens het gebruik was het dienstpersoneel daarbij aanwezig;
Victorine, als de oudste, had de familie geholpen. Men had de beide
geliefden eerst in het losgeraakte haar van Benedetta moeten hullen,
het geurige, dikke, lange, op een koninklijken mantel gelijkende
haar; daarna had men hen in dezelfde witzijden lijkwade gewikkeld,
die vastgemaakt werd onder den hals en in den dood één enkel wezen
van hen gemaakt had. En weer had de kardinaal geëischt, dat zij
naar zijn vertrekken gebracht en in het midden der troonzaal op een
praalbed gelegd zouden worden, om hun daardoor een laatste eerbewijs
te geven, hun, den laatsten van hun naam, den tragischen geliefden,
met wie de eertijds zoo groote roem der Boccanera's tot het stof
terugkeerde. Donna Serafina had zich dadelijk bij dat plan neergelegd,
want zij vond het weinig passend, dat haar nicht, zelfs als doode, in
deze kamer op het bed van een jongen man gezien zou worden. De door
den kardinaal gemaakte voorstelling der feiten was reeds in omloop:
het plotselinge verscheiden van Dario, die in enkele uren door een
infectiekoorts weggerukt was; de waanzinnige smart van Benedetta,
die op zijn lijk den laatsten adem uitgeblazen had, toen zij hem
voor een laatste maal in haar armen drukte; de koninklijke eer, die
men hun bewees; de prachtige doodenbruiloft, die men hun bereidde,
terwijl zij beiden op hetzelfde eeuwige rustbed lagen. Geheel Rome
zou, door deze geschiedenis van liefde en dood geschokt, gedurende
twee weken over niets anders praten.
In zijn haast, die hij had, om deze stad, waar hij het laatste
overschot van zijn geloof had verloren, te verlaten, zou Pierre nog
dienzelfden avond naar Frankrijk vertrokken zijn. Maar hij wilde de
begrafenis medemaken en had daarom zijn vertrek tot den volgenden
avond uitgesteld. Den geheelen dag nog zou hij hier doorbrengen In dit
paleis, dat instortte, dicht bij deze dooden, die hij had liefgehad,
en hij zou trachten voor hen de gebeden in de diepte van zijn leege,
gemartelde ziel terug te vinden.
Toen hij voor de receptievertrekken van den kardinaal op de eerste
verdieping stond, kwam de herinnering in hem op aan den eersten dag,
dat hij zich hier voor de audiëntie bij den kerkvorst aangemeld
had. Het was dezelfde indruk van een oude, nu versleten en door het
stof van het verleden bedekte, vorstelijke pracht. De deuren der
drie groote antichambres stonden wijd open; de vertrekken met hun
hooge donkere plafonds waren in dit vroege ochtenduur nog geheel
ledig. In het eerste stond slechts Giacomo, onbeweeglijk in zijn
zwarte livrei, tegenover den ouden, rooden kardinaalshoed, die
met zijn half vergane kwasten, waartusschen de spinnen hun netten
weefden, onder den baldakijn hing. In het tweede, waarin zich vroeger
de secretaris ophield, wachtte abbé Paparelli, de sleepdrager, die
ook de functie van kamerheer vervulde, de bezoekers af en liep met
kleine, bijna onhoorbare passen heen en weer: nog nooit had hij met
zijn innemenden ootmoed, zijn verdacht uiterlijk van kruipende almacht,
meer op een oude, door al te strenge godsdienstige oefeningen vale en
gerimpelde, jongejuffrouw in een zwarten rok geleken. Ten slotte had
in de derde antichambre, de eere-antichambre, waar de baret op een
tafeltje tegenover het groote, gebiedende portret van den kardinaal
in gala-costuum lag, don Vigilio zijn schrijftafel verlaten en stond
nu aan de deur der troonzaal, om de personen, die deze betraden,
met een buiging te begroeten. En op dezen somberen winterochtend
schenen deze zalen nog droefgeestiger en meer vervallen; de behangsels
hingen aan flarden, de enkele meubelen waren vuil door het stof, het
oude houtwerk brokkelde af onder het aanhoudende knagen der wormen,
alleen de zolderingen behielden nog haar pronk van triomphantelijke
verguldingen en beschilderingen.
Maar Pierre, dien abbé Paparelli met een overdreven diepe buiging
gegroet had, waarin een ironisch soort afscheid, zooals men dat aan een
overwonnene geeft, niet te miskennen viel, werd vooral getroffen door
de droefgeestige grootschheid van deze drie groote, in puin vallende
zalen, die dezen dag naar de in een doodsvertrek veranderde troonzaal
leidden, waarin de twee laatste kinderen des huizes sliepen. Welk een
prachtige en troostelooze doodenpraal! Al deze wijd geopende deuren,
al het ledige van deze te groote vertrekken, nu zij niet meer door
de vroegere menigten bevolkt werden, en die thans leidden tot den
diepen rouw over het einde van een geslacht! De kardinaal had zich
opgesloten in zijn studeerkamer, waar hij de familieleden en intieme
vrienden ontving, die erop stonden hem hun deelneming te betuigen,
terwijl donna Serafina harerzijds een vertrek ernaast gekozen had,
om haar vriendinnen te ontvangen. Pierre, die door Victorine van
het ceremonieel op de hoogte gebracht was, moest ertoe besluiten
onmiddellijk naar de troonzaal te gaan, waar hij opnieuw begroet
werd met een diepe buiging, ditmaal door don Vigilio, die, bleek en
zwijgend, hem zelfs niet scheen te herkennen.
Hier wachtte den priester een verrassing. Hij had zich een volkomen
donkere chapelle ardente gedacht, waarin honderden kaarsen branden
zouden om een katafalk, die midden in de met zwarte draperieën
behangen zaal zou staan. Men had hem gezegd, dat de lijken hier op
het praalbed gelegd waren, omdat de oude kapel van het paleis, die
op den rez-de-chaussée lag, sedert vijftig jaren gesloten en buiten
gebruik was en de kleine particuliere kapel van den kardinaal te
klein voor een dergelijke plechtigheid zijn zou. Men had dan ook een
altaar in de troonzaal moeten oprichten, waar sedert den ochtend
de eene mis op de andere volgde. Bovendien moesten er eveneens
den geheelen dag missen gelezen worden in de particuliere kapel,
evenals men twee andere altaren opgeslagen had, een in een klein
naast de eere-antichambre gelegen vertrek en een in een soort alkoof,
dat uitkwam op de tweede antichambre. Zoo kwam het, dat priesters,
voornamelijk Franciscanen, en tot arme orden behoorende monniken op
deze vier altaren onafgebroken het heilige misoffer celebreerden. De
kardinaal had gewild, dat het goddelijk bloed geen oogenblik zou
ophouden in zijn huis te vloeien voor de verlossing der twee hem
zoo dierbare zielen. In het treurende paleis klonken onophoudelijk
door de rouwzalen de bellen bij de elevatie, zweeg het gemompel der
Latijnsche woorden geen oogenblik; hosties werden gebroken, kelken
geledigd, zoodat God zich geen oogenblik uit deze zware, naar den
dood ruikende atmospheer kon verwijderen.
Tot zijn verbazing vond Pierre de zaal, zooals hij haar op den dag
van zijn eerste bezoek gezien had. De gordijnen der vier groote
vensters waren zelfs niet dichtgetrokken, de sombere winterochtend
viel met een zwak, vaal en koud licht binnen. Onder het plafond van
gebeeldhouwd en verguld hout waren nog het roode behang, een door
het lange gebruik verteerd brokaat met groote palmen, de oude troon,
de naar den muur gekeerde fauteuil, die vergeefs wachtte op den paus,
die nooit komen zou. Alleen het naast dien troon opgeslagen altaar
veranderde eenigszins den aanblik van het vertrek, waaruit de stoelen,
tafeltjes en wandtafeltjes verwijderd waren. In het midden had men op
een lage estrade het praalbed geplaatst, waarin Benedetta en Dario
onder een rijkdom van bloemen lagen. Aan het hoofdeinde brandden
eenvoudig twee kaarsen. Verder niets--niets dan bloemen en nog eens
bloemen, een zoo groote oogst van bloemen, dat men niet wist in
welken chimerischen tuin die geplukt konden zijn; vooral witte rozen,
rozenruikers op het bed, rozenruikers, die van het bed afvielen,
rozenruikers op de estrade, rozenruikers, die van de estrade op de
prachtige vloertegels der zaal vielen.
Met een door een diepe ontroering geschokt hart was Pierre nader bij
het bed getreden. Die twee kaarsen, waarvan het gele licht half gedempt
werd door het vale daglicht, die voortdurend fluisterende, klagende
tonen van de mis, die doordringende, de atmospheer zwaar makende
geur der rozen vervulden de groote, ouderwetsche, stoffige zaal met
een grenzenlooze troosteloosheid. Geen beweging, geen ademhaling was
te hooren--niets anders dan van tijd tot tijd een zacht geluid van
verstikte snikken van een der weinige aanwezigen. De bedienden van
het huis wisselden elkaar onophoudelijk af; steeds stonden er vier als
trouwe en vertrouwde wachters onbeweeglijk aan het hoofdeinde. Nu en
dan kwam de kerkelijke advocaat Morano, die zich sedert den ochtend
met alles belastte, haastig en stil door het vertrek. Op de estrade
knielden allen, die binnenkwamen, neer, baden en weenden. Pierre zag
er drie dames, die haar gezicht in haar zakdoek drukten. Ook was er
een oude priester; hij beefde van verdriet en hield zijn hoofd diep
gebogen, zoodat men zijn gezicht niet onderscheiden kon. Maar vooral
werd hij ontroerd door den aanblik van een jong, armoedig gekleed
meisje, dat hij voor een dienstbode hield; het verdriet had haar zoo
verpletterd, dat zij, daar op de vloer, niet meer was dan een armzalig
hoopje ellende en leed.
Nu knielde ook hij neer en trachtte in het beroepsmatig geprevel van
zijn lippen de Latijnsche woorden der heilige gebeden terug te vinden,
die hij, als priester, zoo dikwijls aan het doodsbed gebeden had. Zijn
steeds grooter wordende ontroering bracht zijn geheugen in de war;
hij ging geheel op in den heerlijken en vreeselijken aanblik der beide
gelieven, van wie hij zijn oogen niet afwenden kon. Onder de bloemen
waren de lijken in hun omhelzing bijna niet te onderscheiden, doch
de twee hoofden kwamen uit het aan den hals toegeknoopte doodskleed
te voorschijn. En hoe mooi waren zij nog, zooals zij daar, hun haar
vermengend, op hetzelfde kussen rustten. Het was de schoonheid van
eindelijk bevredigden hartstocht. Benedetta, liefhebbend en trouw
tot in de eeuwigheid, verrukt, omdat zij haar laatsten ademtocht
in een liefdeskus uitgeblazen had, had haar goddelijk lachend
gelaat behouden. Dario had, ondanks zijn laatste opperste geluk,
een smartelijker uitdrukking. Hun oogen, die tot in het diepst van
elkaars zielen blikten, stonden nog steeds open en bleven elkaar
aankijken met een liefkoozing, die nooit meer gestoord zou worden.
God, was het dan waar, dat hij deze Benedetta liefgehad had met een
zoo reine, zoo van iedere zelfzuchtige gedachte vrije liefde? En Pierre
werd tot in het diepst van zijn ziel ontroerd door de heerlijke uren,
welke hij in een zoo reine vriendschap, die even zoet was als liefde,
in haar nabijheid had doorgebracht. Zij was zoo mooi, zoo verstandig,
zoo brandend van hartstocht! Hij zelf had zoo'n heerlijken droom
gedroomd: zijn bevrijdende broederliefde zou dit wonderbare wezen
met haar vurige ziel en haar indolente wijze van optreden tot leven
brengen: hij zag in haar het oude Rome, dat hij wilde wekken en
veroveren voor het Italië van morgen. Hij droomde ervan haar hart en
haar geest grooter te maken door haar liefde voor armen en ongelukkigen
te geven. Nu zou dit hem doen glimlachen, wanneer zijn oogen niet door
tranen overstroomd werden. Hoe bekoorlijk was zij geweest, toen zij
trachtte zijn zin te doen ondanks de onoverwinnelijke hinderpalen, als
afkomst, opvoeding en omgeving, die haar beletten hem te volgen. Eén
dag echter scheen zij nader tot hem gekomen te zijn, alsof het lijden
haar ziel voor alle barmhartigheid geopend had! Dan kwam de illusie
van het geluk en zij had de ellende der armen niet meer begrepen, was
geheel opgegaan in de zelfzucht van haar eigen hoop en vreugde. Groote
God, moest dit tot verdwijnen veroordeelde ras daarom zoo eindigen,
omdat het geheel gesloten was voor de liefde tot de armen, voor de
wet van barmhartigheid en gerechtigheid, die door de regeling van
den arbeid, voortaan alleen de wereld redden kon?
Maar ook een andere wanhoop nog deed Pierre stamelen, zonder dat
de gebeden over zijn lippen kwamen. Hij dacht aan de gewelddaad,
die de beide kinderen door een verpletterende revanche der natuur
weggerukt had. Welk een hoon, dat zij de Heilige Maagd beloofd had
haar maagdelijkheid slechts te geven aan den uitverkoren echtgenoot;
welk een hoon, dat zij haar geheele leven onder dezen eed als onder een
boetegordel gebloed had, om zich ten slotte in den dood, wanhopig door
berouw, brandend van verlangen, om zich geheel te geven, in de armen
van den geliefde te werpen. En zij had zich gegeven in de razernij
van een laatste protest--het brutale feit der dreigende scheiding,
dat haar op haar vergissing opmerkzaam maakte en tot het instinct der
universeele liefde terugbracht, was voldoende daarvoor geweest. Dat
was een nieuwe nederlaag der Kerk, dat was Pan, de zaaier der kiemen,
die de paren met zijn voortdurend bevruchtend gebaar vereenigt. Al
mocht in den tijd der Renaissance de Kerk niet bezweken zijn onder den
aanval van de uit den ouden Romeinschen bodem opgegraven Venussen en
Herculessen, de strijd werd daarom niet minder verbitterd voortgezet
en ieder uur dreigden de nieuwe, van sap overloopende, naar het leven
snakkende volkeren in den strijd tegen een godsdienst, die slechts een
zucht naar den dood is, het oude Katholieke gebouw, welks muren reeds
aan alle kanten van onvruchtbaren ouderdom wankelen, neer te rukken.
En op dat oogenblik had Pierre de gewaarwording, dat de dood van
deze aanbiddelijke Benedetta de grootste ramp was. Hij keek haar
nog steeds aan en tranen brandden in zijn oogen. Zij vernietigde
zijn droombeeld geheel. Evenals den vorigen avond in het Vaticaan
bij den paus voelde hij zijn hoop, zijn laatste hoop, de zoo vurig
verlangde wederopstanding van het oude Rome in een nieuw, jeugdig,
heilbrengend Rome, ineenstorten. Ditmaal was het voor goed uit:
Rome, het Katholieke, het vorstelijke Rome was dood, lag daar als
een marmeren beeld op het doodsbed. Het had niet kunnen gaan tot
de armen, tot de lijdenden van deze wereld; het was verscheiden in
den onmachtigen kreet van zijn zelfzuchtigen hartstocht, toen het te
laat was om lief te hebben en te baren. Nooit meer zou het kinderen
krijgen; het oude Romeinsche huis was voortaan ledig, onvruchtbaar,
zonder kans op herleving. En Pierre, wiens ziel de dierbare doode tot
weduwe gemaakt en in rouw om een zoo grootschen droom achtergelaten
had, werd, nu hij haar daar zoo onbeweeglijk en verstard liggen zag,
door een zoo groote smart aangegrepen, dat hij zich een onmacht nabij
gevoelde. Hij was bang dwars op de estrade te vallen, stond moeilijk
op en verwijderde zich.
Toen hij in een vensternis vluchtte, om weer zichzelf meester te
worden, vond hij daar tot zijn verbazing Victorine, die op een half
verscholen bankje zat. Donna Serafina had het haar bevolen; zij waakte
van uit dat hoekje over haar dierbare kinderen, zooals zij ze noemde,
en had geen oog af van de personen, die kwamen en gingen. Toen zij
zag, dat de jonge priester zoo bleek en een flauwte nabij was, liet
zij hem onmiddellijk op haar plaats zitten.
"O," zeide hij heel zacht, na diep adem gehaald te hebben; "mogen
zij tenminste het geluk smaken elders samen te zijn, in een andere
wereld herleven tot een nieuw leven."
Zij haalde haar schouders op en zeide dan, ook op zacht fluisterenden
toon:
"Herleven, mijnheer de abbé? Waarvoor? Kom, wanneer men dood is, is
het het beste nog maar dood te zijn en te slapen. De arme kinderen
hebben op aarde genoeg verdriet gehad, om nog te wenschen, dat zij
ergens anders opnieuw daarmede beginnen!"
Dit zoo naïeve en diepe woord der onontwikkelde ongeloovige joeg
Pierre een rilling door zijn leden. Hij, hij had zoo dikwijls 's
nachts bij de plotselinge gedachte aan het Niet geklappertand! Zij
kwam hem in haar niet bang zijn voor de eeuwigheid en de oneindigheid
heldhaftig voor. O, als iedereen die kalme ongodsdienstigheid, die
zoo verstandige, zoo vroolijke zorgeloosheid van het gewone mindere
Fransche volk had, welk een plotselinge kalmte, welk een gelukkig
leven zou er dan onder de menschheid heerschen!
En toen zij merkte hoe hij rilde, voegde zij eraan toe:
"Wat wilt u dan toch, dat er na den dood is? Men heeft zijn slaap
heusch wel verdiend, en slapen is toch het meest begeerlijke en
troostende. Als God de goeden beloonen en de slechte straffen moest,
dan zou hij heusch veel te veel te doen hebben. Is een dergelijk
gericht mogelijk? Is het goede en het slechte in ieder onzer niet
zoo vermengd, dat het dan nog maar het beste zijn zou iedereen vrij
te spreken?
"Maar die beiden daar," prevelde hij, "die zoo beminlijk waren en zoo
bemind werden, hebben niet geleefd. Waarom zou men zich dan niet het
geluk geven te gelooven, dat zij herleven en in elkaars armen elders
beloond worden?"
Weer schudde zij haar hoofd.
"Neen, neen!... Ik heb het immers altijd gezegd, dat Benedetta verkeerd
deed zich zoo te martelen met die gedachten aan een andere wereld,
en met zich niet te willen geven aan Dario, naar wien zij toch zoo
vurig verlangde! Als zij maar gewild had, dan zou ik hem wel in haar
kamer gebracht hebben, zonder burgemeester en zonder pastoor! Het
geluk is zoo zeldzaam! Later, wanneer het te laat is, heb je er des
te meer berouw over... Dat is de heele geschiedenis van die twee
arme lievelingen. Het is nu te laat voor hen; zij zijn dood en het
helpt niets, of je ze nu al in de sterren zet--want als je dood bent,
ziet u, dan ben je dood; en van al dat omhelzen worden zij niet koud
of warm meer."
Nu werd zij op haar beurt door haar tranen overmand en snikte zij:
"De arme lievelingen! De arme lievelingen! Te moeten denken, dat zij
niet eenmaal een gelukkigen nacht gehad hebben en dat nu de groote
nacht er is, die niet meer eindigen zal! Kijk toch eens hoe bleek
zij zijn. En stel u voor, wanneer er op het kussen niets meer over
zijn zal dan de beenderen van hun hoofden en wanneer alleen nog maar
de beenderen van hun armen elkaar zullen omhelzen?... O, laten zij
slapen, laten zij slapen! Dan weten zij tenminste, dan voelen zij
tenminste niets!"
Een lange stilte volgde. In de huivering van zijn twijfel, in zijn
angstig willen, dat een leven hiernamaals bestaat, keek hij die
vrouw, die van de priesters "niets moest hebben", die ondanks haar
nederige positie van huishoudster sedert vijf-en-twintig jaar in
een vreemd land, welks taal zij zelfs niet had kunnen leeren, haar
Beauceronneesche vrijmoedigheid behouden had, die er zoo tevreden
en gelukkig uitzag in het bewustzijn, dat zij haar plicht gedaan
had. O, zoo te zijn als zij, haar heerlijk evenwicht te bezitten van
gezond, bekrompen wezen, dat tevreden is met de aarde, dat 's avonds,
na volbrachte dagtaak volkomen rustig slapen gaat en zich niet bang
maakt, niet meer wakker te zullen worden.
Maar Pierre, die zijn blik weer op het doodsbed richtte, herkende
nu den ouden priester, die daar op de estrade geknield lag, en wiens
gezicht hij daareven niet had kunnen onderscheiden.
"Is dat abbé Pisoni niet, de pastoor van de S. Brigitta, waar ik een
paar maal de mis gelezen heb? Wat heeft die arme man een verdriet!"
"Daar heeft hij ook wel reden voor," antwoordde Victorine kalm, maar
met iets spijtigs in haar stem. "Den dag, dat hij op het denkbeeld
gekomen is mijn arme Benedetta met graaf Prada te laten trouwen, heeft
hij waarachtig wat moois uitgehaald. Er zou van al die ellendige dingen
niets gebeurd zijn, als men het lieve kind dadelijk haar Dario gegeven
had. Maar zij zijn in deze idiote stad met hun politiek allemaal even
gek; en deze, die toch werkelijk een heel braaf man is, dacht een
echt wonder te doen en de wereld te redden door den paus en den koning
samen te laten trouwen, zooals hij zeide met zijn zacht lachje van een
ouden geleerde, die nooit van iets anders dan van oude steenen gehouden
heeft! Kom, u weet wel, al die antikiteitenrommel, hun patriottische
ideeën van honderdduizend jaar geleden. En nu ziet u het zelf, vandaag
heeft hij geen tranen genoeg. Nog geen twintig minuten geleden is die
andere hier ook geweest, pater Lorenza, de Jezuïet, die na abbé Pisoni
de biechtvader van de contessina geweest is en ongedaan gemaakt heeft,
wat de ander gedaan had. Ja, een mooie kerel, zoo'n echte knoeier, die
haar belet heeft om gelukkig te zijn door al die gemeene complicaties,
die hij in de echtscheiding gebracht heeft!... Het zou me wat waard
zijn, als u er bij geweest was, om te zien, hoe hij eerst neerknielde
en dan een groot teeken des kruises maakte... Hij heeft niet gehuild,
geen traan heeft hij gelaten. Het was, alsof hij zeide, dat de zaak
zoo slecht eindigde, omdat God er zich heelemaal uit teruggetrokken
had. Daar komen de dooden wat verder mee!"
Zij sprak zacht, aan één stuk door, als gaf het haar verlichting na
de vreeselijke uren van drukte en beklemdheid, die zij sedert den
vorigen dag doorgemaakt had, haar hart eens uit te kunnen storten.
"En die daar," ging zij nog zachter voort; "herkent u haar niet?"
Zij wees met haar blik op het armoedig gekleede jonge meisje, dat
hij voor een dienstbode gehouden had, en dat, verpletterd door
haar verdriet, voor het bed op den grond lag. Met een beweging
van radeloos lijden had zij zich juist opgericht en haar hoofd
achterovergeworpen--een buitengewoon mooi gezicht, overstroomd door
het mooiste zwarte haar, dat men zich denken kan.
"Pierina!" zeide hij. "Het arme kind!"
Victorine maakte een gebaar vol toegevend medelijden.
"Wat zal ik u zeggen? Ik heb haar toegestaan hierheen te gaan... Ik
weet niet, hoe zij het ongeluk te weten is gekomen. Het is waar, zij
sluipt altijd in den omtrek van het paleis rond. Zij heeft mij laten
roepen... O, als u eens gehoord hadt, hoe zij mij smeekte, hoe zij
met luide snikken om de groote genade vroeg nog eenmaal haar prins
te mogen zien... Lieve God, zij doet er niemand kwaad mee, wanneer
ze met haar mooie verliefde oogen vol tranen naar hem kijkt. Zij is
hier nu al een half uur en ik heb mij voorgenomen haar weg te sturen,
wanneer zij zich niet netjes houdt. Maar nu zij verstandig is en zich
niet eens verroert, mag zij blijven en net zoo lang naar hen kijken,
als zij wil!"
En waarlijk, Pierina, de dochter van onwetendheid, schoonheid en
hartstocht, leverde, zooals zij daar verpletterd en vernietigd aan den
voet van het bruidsbed, waarin de twee gelieven in den dood hun eersten
en eeuwigen nacht in een omhelzing sliepen, een verheven schouwspel
op. Zij liet haar armen met de geopende handen hangen, haar gezicht
was omhoog gericht, onbeweeglijk, als verstard in de extase van een
doodsstrijd, haar oogen hadden geen blik af van het aanbiddelijke
en tragische paar. Nooit nog had een menschelijk gelaat zoo schoon
gestraald in den glans van lijden en liefde; met haar koninklijk
voorhoofd, haar trotsch-bekoorlijke wangen, haar goddelijk volmaakten
mond was zij als een antieke, maar van leven trillende Smart. Waaraan
dacht zij, wat leed zij, terwijl zij zoo strak naar haar prins, die
voor eeuwig in de armen van haar mededingster lag, keek? Verstijfde
een ijverzucht, waaraan geen einde komen kon, het bloed in haar
aderen? Of was het alleen maar de smart hem verloren te hebben,
zich te moeten zeggen, dat zij hem voor de laatste maal zag--zonder
haat tegen deze andere vrouw, die vergeefs trachtte hem tegen haar
lichaam, dat even koud was als het zijne, te verwarmen? Haar door
tranen omsluierde oogen bleven echter zacht, haar lippen behielden hun
liefdevolle uitdrukking. Zij vond ze zoo kuisch, zoo mooi, zooals zij
daar onder die bloemenpracht lagen. En zij in haar eigen schoonheid,
haar koninklijke schoonheid, die zij zich niet bewust was, lag daar
ademloos als een nederige dienstmaagd, als een liefhebbende slavin,
wier hart haar meesters door hun dood uitgerukt en medegenomen hebben.
Onophoudelijk kwamen nu met langzamen stap en rouwgezichten, menschen
binnen, knielden neer, baden eenige minuten en gingen dan weer
op dezelfde troostelooze, zwijgende wijze weg. Pierre voelde zijn
keel samensnoeren, toen hij de moeder van Dario, de nog altijd mooie
Flavia, binnenkomen zag. Zij was vergezeld door haar echtgenoot, den
mooien Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde,
van wien zij een markies Montefiori gemaakt had. Zij was reeds den
vorigen avond, toen men haar den dood van haar zoon medegedeeld had,
gekomen, doch nu kwam zij officieel, in diepen rouw, prachtig nog
in al dat zwart, dat haar eenigszins gezette Juno-gestalte zoo goed
kleedde. Toen zij bij het bed gekomen was, bleef zij een oogenblik
staan; twee tranen, die niet naar beneden vielen, hingen aan den
rand van haar oogleden. Voor zij neerknielde, vergewiste zij zich of
Jules wel naast haar was, en beval hem met een blik eveneens naast
haar neer te knielen. Dan bleven beiden aan den rand der estrade den
daarvoor passenden tijd in gebed verzonken; zij zeer waardig en door
haar verdriet verpletterd, hij nog veel waardiger met de volmaakte
wanhoop van een man, die zich in alle levensomstandigheden, zelfs
de ernstigste, op zijn plaats gevoelt. Eindelijk stonden beiden op
en verdwenen door de deur der vertrekken, waar de kardinaal en donna
Serafina de familieleden en intieme kennissen ontvingen.
Vijf dames traden achter elkaar binnen, terwijl twee Capucijners en
de Spaansche gezant bij den Heiligen Stoel weggingen.
"Daar is de kleine prinses," riep plotseling Victorine, die eenige
oogenblikken gezwegen had. "Wat is zij bedroefd; zij hield ook zooveel
van onze Benedetta!"
Inderdaad zag Pierre Celia, die zich voor dit vreeselijke
afscheidsbezoek in het zwart gekleed had, binnenkomen. Achter haar
hield de kamenier, die zij medegenomen had, in iederen arm een grooten
ruiker witte rozen.
"De kleine schat!" prevelde Victorine weer. "Zij had zoo graag gewild,
dat haar huwlijk met Attilio tegelijk gesloten zou worden met dat
van de twee arme dooden, die daar in liefde rusten. Nu zijn zij haar
nog voor geweest; zij zijn al getrouwd en slapen daar al hun eersten
bruidsnacht."
Onmiddellijk was Celia nedergeknield en had het teeken des kruises
gemaakt. Maar oogenschijnlijk bad zij niet; in wanhopige verbazing
keek zij naar de twee dierbare gelieven, die zij zoo wit, zoo koud,
in een zoo marmeren schoonheid terugvond. Waren enkele uren daarvoor
voldoende geweest? Was het leven ontvloden, zouden die lippen elkaar
nooit meer kussen? Zij zag ze weer voor zich, zooals zij op dien avond
van het bal in levende liefde triomphantelijk gestraald hadden! Een
woedend verzet rees uit haar jong, voor het leven openstaande, naar
vreugde en zonlicht dorstend hart op tegen den onredelijken dood. En
die woede, die afschuw, die smart in het aangezicht van het Niet,
waarin alle hartstocht verstart, waren duidelijk te lezen op haar
onschuldig gezichtje, dat op een reine, gesloten lelie geleek. Nooit
had haar onschuldige mond met de over de witte tanden gesloten lippen,
nooit hadden haar als bronwater heldere oogen een ondoorgrondelijker
mysterie, een dieper hartstochtsleven uitgedrukt, dat zij niet kende,
waarin zij nu binnentrad en dat dadelijk op den drempel tegen deze
twee geliefde dooden stootte, wier verlies haar hart schokte.
Zacht sloot zij haar oogen en trachtte te bidden, terwijl nu dikke
tranen uit haar neergeslagen oogen vielen. Een oogenblik verliep te
midden van de huiverende stilte, die alleen door het zachte geluid
der mis verstoord werd. Eindelijk stond zij op, liet zich door de
kamenier de twee ruikers witte rozen geven, die zij zelf op het bed
leggen wilde. Op de estrade staande, aarzelde zij even; dan legde zij
ze rechts en links van het kussen, waarop de beide hoofden rustten,
als had zij deze met die bloemen gekroond. Zij legde ze in hun haren en
maakte hun jonge voorhoofden geurig met dien zoo zachten en sterken
geur. Maar toen haar handen ledig waren, ging zij niet weg; zij
bleef daar vlak bij hen staan, boog zich bevend over hen heen, vond
nog niet wat zij hun zeggen, voor eeuwig van haar op hen achterlaten
kon. Zij vond het: zij boog zich nog dieper over haar heen en drukte
twee lange kussen, haar geheele, diepe, liefhebbende ziel op de kille
voorhoofden der echtgenooten.
"De dappere kleine," zeide Victorine, wier tranen begonnen te
stroomen. "Zij heeft hun een zoen gegeven; daar heeft nog niemand aan
gedacht, zelfs zijn moeder niet. Het dappere kind! Zij heeft daarbij
zeker aan haar Attilio gedacht!"
Toen Celia zich omdraaide om van de estrade af te gaan, zag zij
Pierina, die in stomme, smartelijke aanbidding nog steeds half
achterover lag. Zij herkende haar en kreeg een diep medelijden
met haar, toen zij zag, dat zij weer zoo zwaar begon te snikken,
dat haar lichaam, haar heupen en haar godinne-boezem heftig
schokten. Deze liefdesmart trof haar tot in haar ziel als een ramp,
waarbij al het overige in het niet zonk. Men hoorde haar op zachten,
diep-medelijdenden toon zeggen:
"Kalmeer je, kalmeer je toch!... Ik smeek je, wees toch verstandig!"
Toen Pierina, maar nu van schrik, dat men haar zoo toesprak en
beklaagde, nog heviger begon te snikken, richtte Celia haar op
en steunde haar met haar beide armen uit vrees, dat zij vallen
zou. Toen leidde zij haar in een zusterlijke omarming als een zuster
in liefde en wanhoop uit de zaal, terwijl zij haar vriendelijke
woorden influisterde:
"Ga haar toch na, ga toch kijken, wat er van haar wordt," zeide
Victorine tegen Pierre. "Ik wil hier niet vandaan; het geeft mij
zoo'n rust over die lieve kinderen te waken."
Voor het geïmproviseerde altaar begon een andere priester een nieuwe
mis; weer begon het eentonig afzingen der Latijnsche woorden. De
bloemengeur werd in de onbeweeglijke, droefgeestige atmospheer van het
groote vertrek steeds sterker en drukkender en streelde bedwelmend
de zinnen. Op den achtergrond stonden de bedienden roerloos als bij
een gala-receptie. En voor het praalbed, dat de twee bleeke kaarsen
als sterren verlichtten, bleef het treurdéfilé geruischloos doorgaan:
vrouwen en mannen knielden een oogenblik neder en ging dan weer weg
met het onvergetelijke beeld der twee tragische gelieven, die hun
eeuwigen slaap sliepen.
Pierre haalde Celia en Pierina in in de eere-antichambre, waar don
Vigilio zich bevond. Men had daar in een hoek de paar stoelen uit de
troonzaal gezet, en de kleine prinses had de arbeidster gedwongen op
een fauteuil te gaan zitten, om wat tot zichzelf te komen. In extase
stond zij voor haar, verrukt over haar schoonheid. Dan sprak zij
weer over de twee dooden, die haar ook zoo mooi toegeschenen waren:
van een trotsche, zachte, vreemde schoonheid. Ondanks haar tranen
werd zij geheel door haar bewondering medegesleept. Toen de priester
Pierina aan het praten kreeg, hoorde hij, dat Tito, haar broer, met
een door een messteek doorboorde heup in groot levensgevaar in het
ziekenhuis lag; in de Prati del Castello was sedert het begin van den
winter de toch al vreeselijke ellende nog grooter geworden. Iedereen
had groot verdriet; degenen, die de dood wegnam, moesten eigenlijk
blijde zijn. Maar met een gebaar van overwinlijke hoop verjoeg Celia
het lijden, den dood zelf.
"Neen, neen, men moet leven. En om te leven, is het voldoende mooi
te zijn... Kom, lieve kind, blijf niet hier, huil niet meer, leef
voor het genot mooi te zijn!"
Zij nam haar mede en Pierre bleef door een zoo moe makende droefheid
op een der fauteuils zitten, dat hij zich het liefst niet meer bewogen
had. Don Vigilio bleef iederen bezoeker met een buiging groeten. 's
Nachts had hij een hevigen koortsaanval gehad; hij rilde er nog
van, terwijl zijn brandende oogen onrustig rondkeken. Telkens weer
wierp hij een blik op Pierre, alsof hij zijn begeerte, om met hem
te spreken, niet bedwingen kon, maar de vrees, dat abbé Paparelli
het door de wijd openstaande deur der antichambre ernaast zien zou,
weerhield hem blijkbaar, want hij bleef den sleepdrager steeds in
het oog houden. Eindelijk moest deze zich een oogenblik verwijderen
en kwam don Vigilio naar den priester toe.
"U is gisteren bij Zijn Heiligheid geweest?"
Verbaasd keek Pierre hem aan.
"Ik heb u toch al zoo dikwijls gezegd, dat je alles hoort. U hebt uw
boek heel eenvoudig teruggetrokken, niet waar?"
De toenemende verbazing van den priester zeide hem genoeg, zoodat
hij hem niet eens den tijd tot antwoorden liet.
"Ik vermoedde het, maar ik wilde er zekerheid van hebben. Dat is
natuurlijk weer allemaal hun werk. Gelooft u me nu, is u nu overtuigd,
dat zij hen, die zij niet vergiftigen, wurgen?"
Hij bedoelde natuurlijk de Jezuïeten. Voorzichtig keek hij rond,
om te zien, of abbé Paparelli nog niet terug was.
"En wat heeft monsignor Nani u gezegd?"
"Pardon," antwoordde Pierre eindelijk; "ik heb monsignor Nani nog
niet gesproken."
"O, ik dacht het... Hij is voor u door deze zaal gekomen. Als u hem
niet in de troonzaal gezien hebt, is hij zeker donna Serafina en
den kardinaal gaan condoleeren. Hij zal dadelijk wel terugkomen,
let maar op."
En met zijn bitterheid van steeds geterroriseerd en overwonnen zwak
man voegde hij eraan toe:
"Ik heb u wel voorspeld, dàt u ten slotte doen zoudt wat hij wilde."
Maar hij meende het zachte getrippel van abbé Paparelli te hooren, ging
onmiddellijk naar zijn plaats terug en begroette twee oude dames, die
binnen kwamen, met zijn buiging. Pierre, die terneergedrukt en met half
gesloten oogen was blijven zitten, zag nu eindelijk Nani voor zich,
zooals hij in werkelijkheid was; een sluw diplomaat. Hij herinnerde
zich, wat don Vigilio in dien nacht, dat zij zoo vertrouwelijk gepraat
hadden, hem verteld had over dezen man, die veel te handig en te slim
was, om een impopulair kleed aan te trekken, maar verder zeer charmant
was, de wereld door zijn verschillende functies aan de nuntiatuur
en het H. College uitstekend kende, in alle zaken betrokken en van
alles op de hoogte, met één woord een der geestelijke leiders van het
moderne zwarte leger was, dat door zijn opportunisme den geest der
eeuw voor de Kerk wilde terugwinnen. En plotseling ging een alles
helder makend licht in hem op: hij zag in, door welke soepele en
bewonderenswaardig handige politiek die man hem gebracht had tot de
daad, die hij van zijn schijnbaar vrijen wil had willen verkrijgen:
het zonder reserve terugnemen van zijn boek. Bij het eerste bericht,
dat men het boek vervolgde, had zich een groote teleurstelling, een
plotselinge vrees van hem meester gemaakt, dat men den geëxalteerden
schrijver tot een verzet zou drijven, dat onaangename gevolgen hebben
kon; dadelijk stond zijn plan vast; inlichtingen omtrent dezen jongen
priester, die tot een schisma in staat was, werden ingewonnen, zijn
reis naar Rome bewerkt, een onderdak hem aangeboden in een oud paleis,
welks muren zelf hem verstarren en leeren zouden. Dan volgde de eene
hinderpaal op de andere, zijn verblijf werd verlengd, doordat men hem
belette den paus te spreken, door hem de zoo vurig begeerde audiëntie
te beloven, zoodra het uur daartoe gekomen was, nadat men hem van den
een naar den ander verwezen had: van monsignor Fornaro naar pater
Dangelis, van kardinaal Sarno naar kardinaal Sanguinetti. Dan kwam
eindelijk, toen alles--dingen en menschen--hem afgemat en uitgeput
gemaakt had, hem weer opnieuw aan den twijfel overgeleverd had,
de audiëntie, waarop men hem sedert drie maanden voorbereidde, dat
bezoek aan den paus, dat zijn droom geheel vernietigen moest. Nu zag
hij Nani weer voor zich met zijn fijn glimlachje, zijn heldere oogen
van sluwen diplomaat, die plezier heeft in een experiment; hij hoorde
hem met zijn licht spottende stem zeggen, dat het een ware genade der
Voorzienigheid was, wanneer deze hinderpalen hem in staat stelden
Rome te bezichtigen, na te denken, te begrijpen; een onderricht,
een opvoeding, die hem vele fouten besparen zou. En hij, die gekomen
was met zijn apostelgeestdrift, die van strijdlust gegloeid, die
gezworen had zijn boek nooit te zullen terugnemen! Was het niet de
hoogste diplomatie op die wijze zijn gevoel tegen zijn rede gebroken
te hebben door een beroep te doen op zijn intellect, opdat dit,
zonder ergernisgevenden strijd, het nuttelooze en leugenachtige boek
terugnemen zou--iets, wat van zelf gebeuren zou, zoodra het zich in
het aangezicht van het werkelijke Rome, rekenschap gegeven zou hebben
hoe reusachtig belachelijk het was van een nieuw Rome te droomen?
Op dat oogenblik zag Pierre monsignor Nani uit de troonzaal komen;
maar hij voelde niet den wrok, dien hij verwacht had te zullen
voelen. Integendeel, hij was gelukkig, toen de prelaat, die op zijn
beurt Pierre ook gezien had, met uitgestoken hand naar hem toekwam. Hij
glimlachte echter niet, zooals gewoonlijk; zijn gelaat stond ernstig,
was smartelijk vertrokken.
"O, wat een ontzettende catastrophe, mijn zoon! Ik kom zoo juist van
Zijne Eminentie. Het is vreeselijk om zijn verdriet te zien."
Hij ging op een der stoelen zitten en noodigde met een handgebaar den
priester uit ook weer plaats te nemen; dan zweeg hij een oogenblik,
ongetwijfeld was hij moe van opwinding, en had hij enkele minuten
noodig om zich te herstellen van de smartelijke gedachten, die
zijn anders zoo opgewekt gezicht zoo versomberden. Dan scheen hij
die gedachten met een gebaar te verjagen en vond hij zijn gewone
vriendelijkheid terug.
"Welnu, mijn zoon, hebt gij met Zijne Heiligheid gesproken?"
"Ja, monsignor, gisterenavond, en ik dank u zeer voor de groote
goedheid, waarmede u mijn verlangen tegemoet gekomen zijt!"
Nani keek hem strak aan, terwijl een onbedwingbaar glimlachje op zijn
lippen verscheen.
"U bedankt mij... Ik zie wel, dat gij verstandig geweest zijt door
u voor de voeten van Zijne Heiligheid geheel te onderwerpen. Ik was
er zeker van, ik verwachtte niets anders van uw helder inzicht. Maar
toch maakt u mij zeer gelukkig, want ik constateer tot mijn groote
blijdschap, dat ik me niet in u vergist heb!"
Hij liet zich gaan en voegde er aan toe:
"Nooit heb ik met u gediscussieerd. Waartoe diende het, nu de feiten
er waren, om u te overtuigen. En nu gij uw boek teruggenomen hebt,
zou iedere verdere discussie nog nutteloozer zijn... Maar toch zou ik
u wel in overweging willen geven het volgende eens goed te overdenken:
wanneer het in uw macht was de Kerk terug te brengen tot haar begin,
tot die Christelijke gemeenschap, waarvan u een zoo bekoorlijke
schildering gegeven hebt, dan zou de Kerk zich toch slechts weer
in die banen kunnen bewegen, waarin God haar reeds eenmaal geleid
heeft... Neen, God heeft wat hij gedaan heeft, goed gedaan: de Kerk
moet, zooals zij is, de wereld regeeren, zooals zij is; het staat
aan haar alleen uit te maken hoe zij haar heerschappij hier op aarde
krachtig verzekeren wil. Daarom was een aanval op de wereldlijke
macht een onvergeeflijke fout, een misdaad, want door het pausdom van
zijn grondbezit te berooven, levert zij het over aan de genade der
volkeren... Uw nieuwe godsdienst is ten slotte niets anders dan het
ineenstorten van allen godsdienst, de moreele anarchie, de vrijheid tot
afscheiding, in één woord de vernietiging van het goddelijke gebouw,
van het eeuwenoude, aan wijsheid en kracht zoo rijke Katholicisme,
dat tot heden voldoende geweest is voor het heil der menschen, dat
alleen hen vermag te redden--morgen en in alle eeuwigheid."
Pierre voelde, dat hij oprecht vroom was, een werkelijk onwrikbaar
geloof bezat en de Kerk als een dankbare zoon lief had, vast
overtuigd, dat zij de mooiste, de eenige sociale organisatie was,
die de menschheid gelukkig zou kunnen maken. Wanneer hij de wereld
wilde regeeren, dan was de vreugde om te heerschen in dien wil een
overheerschende factor, maar ook uit de overtuiging, dat niemand hem
beter regeeren zou dan hij.
"O zeker, over de middelen valt te praten. Wat mij persoonlijk betreft,
ik zou die graag zoo zacht en humaan mogelijk willen zien, middelen,
die geheel in overeenstemming zijn met de geest der eeuw, die ons
schijnt te ontsnappen, juist omdat er een eenvoudig misverstand
tusschen hem en ons bestaat... Daarom ben ik zoo blij, mijn zoon,
u terug te zien keeren in den schoot der Kerk, denkend als wij,
bereid met ons te strijden."
De priester vond in deze woorden als de argumenten van Leo XIII zelf
terug. Daar hij een direct antwoord vermijden wilde, boog hij nogmaals
en sprak langzamer, om het bittere beven van zijn stem te verbergen.
"Ik herhaal, monsignor, hoe dankbaar ik u ben, dat u met de ervaren
hand van een volmaakt chirurg mij van mijn ijdele illusies bevrijd
hebt. Morgen, wanneer ik geen pijn meer hebben zal, zal ik u er eeuwig
dankbaar voor zijn."
Monsignor Nani bleef hem glimlachend aankijken. Hij begreep wel,
dat deze jonge priester zich verder afzijdig houden zou, een voor de
Kerk verloren kracht was. Wat zou hij morgen doen? De een of andere
nieuwe dwaasheid natuurlijk. Maar de prelaat was reeds blijde, dat
hij hem geholpen had de eerste goed te maken; de toekomst kon hij
niet vooruitzien.
"Mag ik u ten slotte nog een raad geven?" vroeg hij. "Wees verstandig;
uw geluk als mensch en priester ligt in deemoed. U zult vreeselijk
ongelukkig worden, indien gij de buitengewone intelligentie, die God
u gegeven heeft, tegen God gebruikt."
Dan gaf hij met een nieuw gebaar te kennen, dat de zaak voor hem
afgeloopen, voor goed uit was. Nu maakte de andere zaak hem weer
somber, de andere zaak, die ook ten einde liep--maar op zoo tragische
wijze door den verpletterenden dood van die twee kinderen, die in de
zaal ernaast sliepen.
"O," ging hij voort, "wat heb ik vreeselijk te doen met die arme
prinses en dien armen kardinaal. Nog nooit is een zoo verschrikkelijke
catastrophe op een huis neergekomen. Neen, neen, het is te veel! Het
ongeluk gaat te ver; de ziel komt daartegen in verzet!"
Maar op dat oogenblik kwam een geluid van stemmen uit de tweede
antichambre en tot zijn groote verbazing zag Pierre kardinaal
Sanguinetti, dien abbé Paparelli met groote onderdanigheid begeleidde,
langs zich gaan.
"Indien Uwe Eminentie de goedheid hebben wil mij te volgen, zal ik
Uwe Eminentie zelf brengen."
"Ja, ik ben gisterenavond uit Frascati teruggekomen, en toen ik de
droeve tijding hoorde, heb ik dadelijk mijn troost en deelneming
willen brengen."
"Indien het Uwe Eminentie moge behagen enkele oogenblikken bij de
lijken te vertoeven, dan zal ik u daarna bij Zijne Eminentie brengen."
"Uitstekend. Ik sta er op, dat men weet hoezeer ik deel neem aan den
rouw, die dit illustere huis treft."
Hij verdween in de troonzaal en Pierre bleef, verstomd over een
dergelijke kalme onbeschaamdheid, zitten. Hij beschuldigde hem niet van
directe medeplichtigheid, hij durfde niet nagaan hoever zijn moreele
medeplichtigheid ging. Maar nu hij hem daar met opgeheven hoofd en
zoo beslist sprekend langs zich zag gaan, kreeg hij de plotselinge,
vaste overtuiging, dat hij alles wist. Hoe? Door wien? Hij zou het
niet kunnen zeggen. Ongetwijfeld op de wijze, waarop misdaden in
deze duistere kringen, onder menschen, die er belang bij hebben ze
te weten, aan het licht komen. Een rilling doorhuiverde hem nu hij
nogmaals dacht aan het hautaine optreden van dezen man; hij kwam
misschien om kwade vermoedens in hun geboorte te verstikken, zeker,
om een handigen politieken zet te doen door zijn mededinger een
openlijk bewijs van achting en toegenegenheid te geven.
"De kardinaal hier!" prevelde Pierre onwillekeurig.
Monsignor Nani, die Pierre's gedachten in zijn kinderoogen, die
alles verrieden, las, deed, alsof hij de beteekenis van dien uitroep
anders opvatte.
"Ja, ik had al gehoord, dat hij sedert gisterenavond weer in Rome
is. Hij wilde niet langer wegblijven, nu de Heilige Vader zich weer
beter gevoelt en hem misschien noodig hebben kan."
Hoewel het met een volmaakt onschuldig gezicht gezegd werd, liet Pierre
er zich geen oogenblik door op een dwaalspoor brengen. En nadat hij op
zijn beurt den prelaat aangekeken had, kwam hij tot de overtuiging,
dat ook deze alles wist. Plotseling zag hij de geheele zaak in haar
vreeselijke gecompliceerdheid, in de geheele wreedheid, die het lot
eraan gegeven had. Nani, een zeer intiem vriend der Boccanera's, was
toch zeker geen man zonder hart en hield zeker veel van Benedetta,
door wier schoonheid en gratie hij ongetwijfeld bekoord was. Dat kon
verklaren, waarom hij op zoo zegepralende wijze de nietigverklaring van
het huwlijk had laten uitspreken. Maar volgens don Vigilio was deze
ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden
verkregen scheiding een schandaal, dat hij in den beginne gerekt had
en dan tot een opzienbare oplossing verhaast had met het eenige doel
den kardinaal op den vooravond van het conclave, dat iedereen voor
aanstaande hield in discrediet te brengen en voor de tiara onmogelijk
te maken.
Trouwens, het scheen niet te betwijfelen, dat de intransigente en
van alle diplomatie afkeerige kardinaal niet de candidaat van den
zoo soepelen Nani, die een overtuigde voorstander van een algemeene
vereeniging was, zijn kon; zoo kon de lange arbeid van dezen laatste in
het huis, niettegenstaande hij de lieve contessina gelukkig trachtte
te maken, niets anders geweest zijn dan een langzame, ononderbroken
vernietiging van het eerzuchtig streven van broeder en zuster, dat
hun geslacht aan de Kerk een derden paus zou geven. Maar ook al had
hij dat ook altijd gewild, ook al had hij misschien een oogenblik
voor kardinaal Sanguinetti gewerkt, ook al had hij op dezen zijn
hoop gesteld, toch was het nooit in hem opgekomen, dat men het tot
een misdaad zou laten komen, tot den afschuwlijken gruwel van een
aan een verkeerd adres komend en onschuldigen treffend vergif komen
zou. Neen, neen, het was te veel, zooals hij zeide, de ziel kwam
daartegen in opstand. Hij gebruikte zachtere wapenen; een dergelijke
ruwheid stootte hem tegen de borst. Op zijn zoo blozend en welgevormd
gezicht was nog de ernst van zijn woede te lezen, die hem bij het
zien van den treurenden kardinaal en die twee in zijn plaats getroffen
gelieven aangegrepen had.
Pierre, die in de meening verkeerde, dat kardinaal Sanguinetti nog
altijd de heimlijke candidaat van den prelaat was, werd ondanks alles
nog steeds gekweld door de vraag hoe ver de moreele medeplichtigheid
van dezen laatste ging. Hij vatte het gesprek weer op.
"Men zegt, dat Zijne Heiligheid het met Zijne Eminentie kardinaal
Sanguinetti niet bijster goed vinden kan. Trouwens dat is vrij
natuurlijk, want de regeerende paus kan den toekomstigen moeilijk
met een vriendelijk oog aanzien."
Monsignor Nani liet zich een oogenblik in alle vrijmoedigheid gaan:
"O, de kardinaal heeft reeds drie of viermaal met het Vaticaan op
gespannen voet gestaan, om zich dan weer met den paus te verzoenen. En
in ieder geval behoeft de Heilige Vader geen posthume jaloezie te
toonen; hij weet, dat hij Zijne Eminentie heel goed ontvangen kan."
Doch dan speet het hem, zich zoo beslist uitgelaten te hebben en
verbeterde hij zich:
"Ik scherts maar wat, Zijne Eminentie is het groote geluk, dat hem
misschien wacht, volkomen waard."
Maar Pierre had nu zekerheid: kardinaal Sanguinetti was ongetwijfeld
monsignor Nani's candidaat niet meer. Blijkbaar vond hij, dat de
kardinaal door zijn ongeduldige eerzucht te zeer verzwakt en door
de dubbelzinnige bondgenootschappen, die hij in zijn koorts met
iedereen, ja zelfs met het jonge, patriottische Italië gesloten had,
ook te gevaarlijk was. De stand van zaken was duidelijk: kardinaal
Sanguinetti en kardinaal Boccanera waren bezig elkaar te verslinden,
elkaar uit den weg te ruimen: de een door zijn voortdurende intriges,
die voor geen enkel compromis terugdeinsden, en ervan droomend Rome
door verkiezingen te heroveren; de ander onbeweeglijk en onwrikbaar
in zijn intransigentie, den geest der eeuw met zijn banbliksems
treffend, het wonder, dat de Kerk redden moest, alleen van God
verwachtend. Waarom zou men die twee zoo tegenstrijdige theorieën
elkaar niet laten vernietigen. Al was Boccanera aan het vergif
ontsnapt, daarom was hij niet minder door de tragische gebeurtenis
getroffen en voortaan onmogelijk als candidaat, vernietigd als hij
was door de geschiedenissen, waarover geheel Rome praatte; en al kon
Sanguinetti meenen, dat hij eindelijk bevrijd was van zijn voornaamsten
mededinger, toch had hij niet ingezien, dat hij zichzelf trof, dat hij
tegelijkertijd zijn eigen candidatuur onmogelijk maakte. Monsignor
Nani zag dit alles blijkbaar met groot welgevallen: noch de een,
noch de ander, de plaats vrij. Het was de oude geschiedenis van
die twee legendarische wolven, die met elkaar gevochten en elkaar
opgegeten hadden, tot zelfs het puntje van de staart niet meer over
was. Maar een man als Nani was nooit werkeloos, moest een candidaat
hebben. Maar wie, wie zou de toekomstige paus zijn?
Hij was opgestaan en nam hartelijk afscheid van den jongen priester.
"Mijn zoon, ik betwijfel of ik u nog zien zal. Ik wensch u een goede
reis..."
Toch ging hij niet weg, maar bleef Pierre met zijn doordringenden
blik aankijken; eindelijk ging hij weer zitten en wees Pierre ook
een stoel aan.
"Gij zult natuurlijk dadelijk na uw aankomst in Frankrijk kardinaal
Bergerot gaan begroeten... Wees zoo goed hem mijn eerbiedige groeten
over te brengen. Ik heb hem toen hij hier was om zijn kardinaalshoed
te halen, leeren kennen. Hij is een der corypheeën van den Franschen
clerus... O, als een zoo verheven geest werken wilde voor de goede
verstandhouding in onze heilige Kerk! Maar helaas ben ik bang, dat
hij vooroordeelen van opvoeding en omgeving heeft; hij helpt ons
niet altijd."
Pierre luisterde verbaasd; het verwonderde hem, dat de prelaat
juist in deze oogenblikken voor de eerste maal over den kardinaal
begon. Maar dan liet hij alle gereserveerdheid varen en antwoordde
met alle vrijmoedigheid:
"Ja, Zijne Eminentie heeft over onze oude Kerk van Frankrijk zeer
vaststaande meeningen. Zoo steekt hij bijvoorbeeld zijn afschuw voor
de Jezuïeten niet onder stoelen of banken."
"Wat, een afschuw van de Jezuïeten?" viel monsignor Nani hem in de
rede. "Waarmede kunnen de Jezuïeten hem verontrusten? Er bestaan
er niet meer, de geschiedenis met de Jezuïeten is nu uit! Hebt u er
te Rome gezien? Hebben die arme Jezuïeten, die er zelfs geen steen
bezitten, om hun hoofd op neer te leggen, u een stroo breed in den
weg gelegd?... Neen, dien vogelverschrikker moest men nu laten rusten,
dat is kinderpraat!..."
Pierre keek nu op zijn beurt den prelaat aan: hij verwonderde zich
over diens ongedwongenheid, over diens kalme zelfverzekerdheid in zake
deze brandende quaestie. Monsignor Nani sloeg zijn blik niet neer,
maar liet in zijn oogen lezen, als waren die het boek der waarheid.
"O, als gij onder Jezuïeten de verstandige priesters verstaat,
die, inplaats van met de moderne maatschappijen een onvruchtbaren,
gevaarlijken strijd aan te gaan, op humane wijze trachten deze tot
de Kerk terug te brengen, lieve Hemel, dan zijn we allen min of
meer Jezuïeten, want het zou krankzinnigenwerk zijn geen rekening
te houden met den tijd, waarin men leeft... Bovendien hang ik niet
aan woorden. Wat beteekenen die? Dus goed, Jezuïeten, voor mijn part
Jezuïeten, als u dat wilt!"
Hij glimlachte reeds weer met zijn vriendelijk, fijn glimlachje,
waarin zooveel spot en geest lag.
"Welnu zeg aan kardinaal Bergerot, wanneer u hem ziet, dat het
onredelijk is de Jezuïeten in Frankrijk te vervolgen, hen als vijanden
der natie te behandelen. Juist het tegendeel is waar: de Jezuïeten
zijn voor Frankrijk, omdat zij voor den rijkdom, voor de kracht
en den moed zijn. Frankrijk is de eenige groote Katholieke natie,
die staande gebleven is, de eenige, waaraan het pausdom eenmaal een
grooten steun hebben kan. Daarom heeft dan ook de Heilige Vader,
nadat hij een oogenblik gehoopt had dien steun van het overwinnende
Duitschland te krijgen, een verbond gesloten met het toch pas
overwonnen Frankrijk, want hij begreep, dat buiten dat land geen
heil voor de Kerk te wachten was. En in dat alles heeft hij slechts
de politiek gevolgd der Jezuïeten, van die afschuwlijke Jezuïeten,
die men in uw Parijs zoo verfoeit... Zeg bovendien aan kardinaal
Bergerot, dat het zeer mooi van hem zou zijn, wanneer hij mede
wilde werken aan de bevrediging door er op te wijzen, hoe verkeerd
het van uw Republiek is den paus niet krachtiger te steunen in zijn
vergevingswerk. Zij doet, alsof zij hem als een quantité négligeable
beschouwt; dat is een gevaarlijke fout voor bewindslieden, want al
schijnt het ook, dat hij van alle politieke actie beroofd is, toch
blijft hij desniettemin een ontzaglijke moreele kracht, die ieder uur
een religieuse agitatie van onberekenbare draagwijdte in het leven kan
roepen. Hij is het altijd nog, die over de volkeren beschikt, omdat
hij over de zielen beschikt; de Republiek handelt zeer lichtzinnig,
ja zelfs in zijn voordeel, door te laten blijken, dat zij dat niet
meer weet... En zeg hem ten slotte dat het jammerlijk is om te zien,
op welk een treurige wijze die Republiek haar bisschoppen kiest,
juist alsof zij met opzet haar episcopaat wil verzwakken. Afgezien
van enkele gelukkige uitzonderingen zijn uw bisschoppen armzalige
geesten en bijgevolg hebben uw kardinalen, middelmatige koppen, hier
niet den minsten invloed, spelen zij hier geen rol. Welk een treurig
figuur zult gij in het aanstaande conclave slaan! Waarom behandelt
gij dus de Jezuïeten, die politiek gesproken uw vrienden zijn, met
een zoo dwazen, zoo blinden haat? Waarom maakt gij geen gebruik van
hun intelligenten ijver, die bereid is u te dienen, om u zoodoende de
hulp van den toekomstigen paus te verzekeren? Gij hebt dien noodig,
hij moet bij u het werk van Leo XIII voortzetten, het werk dat zoo
verkeerd beoordeeld, zoo bestreden wordt; het werk, dat zich niet
bekommert om kleine, tijdelijke resultaten, dat voor alles arbeidt
voor de toekomst, voor de vereeniging van alle volkeren in hun heilige
moeder, de Kerk... Zeg dat aan kardinaal Bergerot, zeg hem, dat hij
aan onze zijde moet staan, dat hij voor zijn land werkt door voor ons
te werken. De toekomstige paus! Daarin ligt alles! En wee Frankrijk,
wanneer het in den paus van morgen niet een voortzetter vindt van
het werk van Leo XIII!"
Hij was weer opgestaan en ditmaal ging hij werkelijk. Nooit nog had
hij zich op die wijze zoo lang uitgelaten. Maar ongetwijfeld had hij
slechts gezegd, wat hij wilde zeggen, en wel met een doel, dat hij
alleen kende, met een vastberaden langzaamheid en vriendelijkheid,
waarin men voelde, dat ieder woord van te voren rijpelijk overwogen
was.
"Vaarwel, mijn zoon, en nogmaals raad ik u, denk over alles wat gij
te Rome gezien en gehoord hebt, goed na, wees verstandig en bederf
uw leven niet!"
Pierre boog en drukte de kleine, gevulde hand, die de prelaat hem
toestak.
"Ik dank u nogmaals voor al uw goedheid, monsignor, en wees overtuigd,
dat ik niets van mijn reis vergeten zal."
Hij keek hem na en zag hem in zijn fijne soutane, met zijn lichten
veroveraarsstap, die alle overwinningen der toekomst tegemoet
meende te gaan, verdwijnen. Neen, neen, hij zou niets van zijn
reis vergeten. Hij kende die vereeniging van alle volkeren in hun
heilige moeder, de Kerk, die wereldlijke slavernij, waarin de wet van
Christus de dictatuur van Augustus werd. En wat de Jezuïeten betreft,
hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat zij Frankrijk liefhadden,
de oudste dochter de Kerk, de eenige, die haar moeder nog helpen
kon om de wereldheerschappij te veroveren: maar zij hadden het lief,
zooals de zwarte sprinkhanen de oogstvelden liefhebben, waarop zij
neerstrijken en die zij verslinden. Een oneindige droefheid was weer in
zijn hart gekomen, want hij had het heimelijk gevoel, dat in dit oude,
vernietigde paleis, in dezen rouw en deze ineenstorting zij en niemand
anders dan zij de bewerkers van de smart en van het ongeluk waren.
Juist op dat oogenblik zag hij don Vigilio, die voor het groote portret
van den kardinaal op het wandtafeltje leunde; hij hield zijn gezicht
in zijn handen, alsof hij voor eeuwig verdwijnen wilde, en beefde
over zijn geheele lichaam, zoowel van koorts als van angst. In een
oogenblik, dat er geen bezoekers kwamen, was hij bezweken aan een
aanval van angstige wanhoop.
"Mijn God, wat hebt u?" vroeg Pierre, die naar hem toeging. "Bent u
ziek? Kan ik u helpen?"
Maar don Vigilio drukte zijn vuisten in zijn oogen, stamelde tusschen
zijn samengeperste handen angstig:
"O, Paparelli, Paparelli!"
"Wat heeft hij u gedaan?" vroeg de priester verwonderd.
Toen nam de secretaris zijn handen van zijn gezicht weg en gaf nog
eenmaal toe aan zijn behoefte om zich te uiten.
"Wat hij mij gedaan heeft?... Maar voelt u dan niets? Ziet u dan
niets? Hebt u de manier opgemerkt, waarop hij zich van kardinaal
Sanguinetti meester maakte, om hem naar Zijne Eminentie te
brengen? Welk een vervloekte onbeschaamdheid, om Zijne Eminentie in
een dergelijk oogenblik dien verdachten, verwenschten mededinger op te
dringen! En hebt u niet gezien met wat voor een gemeene gluiperigheid
hij een paar minuten te voren een oude dame de deur gewezen heeft,
een heel oude vriendin, die slechts de hand van Zijne Eminentie
wilde kussen, een bewijs van liefde, dat haar zoo gelukkig gemaakt
zou hebben?... Ik zeg u, dat hij hier de meester is, dat hij de deur
opendoet en dichtmaakt, zooals hij dat verkiest, dat hij ons allen
tusschen zijn vingers houdt als een beetje stof, dat je in alle
windrichtingen wegblaast!"
Pierre maakte zich ongerust, toen hij zag hoe hij beefde, hoe geel
zijn gezicht was.
"Kom, kom, u overdrijft!"
"Ik overdrijven?... Weet u wat er vannacht voorgevallen is, van
welk tooneel ik tegen mijn zin getuige geweest ben? Dan zal ik het
u vertellen."
Hij vertelde, dat donna Serafina, toen zij den vorigen dag thuis
gekomen was, om midden in de vreeselijke catastrophe, die haar
wachtte, te vallen, reeds met een gebroken hart terugkeerde, geheel
van streek door de slechte berichten, die zij vernomen had. Bij den
kardinaal-secretaris en daarna bij de prelaten, die zij kende, had
zij de zekerheid gekregen, dat de vooruitzichten voor haar broeder
zeer slecht stonden, dat hij zich in het Heilig College steeds
talrijker vijanden gemaakt had, zoodat zijn verkiezing tot paus,
in het vorige jaar waarschijnlijk, thans zoo goed als onmogelijk
geworden was. Plotseling stortte de droom van haar leven in;
de eerzucht, die zij altijd gekoesterd had, lag in stof voor haar
voeten. Hoe? Waarom? Wanhopig had zij naar de motieven gevraagd, en nu
was zij allerlei fouten van den kardinaal te weten gekomen. Hij had
zich tot nuttelooze manifestaties laten verleiden, had menschen door
een woord, door een daad beleedigd, in het kort een zoo uitdagende
houding aangenomen, dat men meenen zou, dat hij het opzettelijk had
gedaan, om alles te bederven. Het ergste was, dat zij in ieder van
die fouten omstandigheden ontdekt had, die door haar afgeraden en
afgekeurd waren, maar die de kardinaal doorgedreven had onder den
invloed van abbé Paparelli, dien zoo nederigen, zoo deemoedigen
sleepdrager, in wien zij een noodlottige macht, een ondermijnen van
haar eigen zoo waakzamen en toegewijden invloed voelde. Ondanks den
rouw, waarin het huis verkeerde, had zij dan ook de executie van den
verrader niet willen uitstellen, te meer waar zijn oude vriendschap
met Santobono en de geschiedenis met het mandje vijgen, dat uit de
handen van den laatste in die van den eerste overgegaan was, in haar
een vreeselijk vermoeden gewekt had, waarvan zij zelfs geen nadere
opheldering wilde hebben. Maar dadelijk bij haar eerste woorden, toen
zij den formeelen eisch stelde den verrader onmiddellijk de deur te
wijzen, was zij bij haar broeder op een plotselingen, onoverwinlijken
tegenstand gestooten. Hij had zelfs niet naar haar willen luisteren,
was boos geworden, in een van die buien van hartstochtelijke woede
gevallen, die alle redelijkheid wegvaagde. Hij zeide, dat het slecht
van haar was een zoo bescheiden, zoo vromen heiligen man aan te vallen,
beschuldigde haar, dat zij in de kaart van zijn vijanden speelde,
die, na monsignor Gallo gedood te hebben, nu trachtten zijn laatste
genegenheid voor dien armen, onbeduidenden priester te vergiftigen. Hij
noemde al die verhalen afschuwlijke verzinsels en zwoer, dat hij hem
bij zich zou houden, al was het alleen om zijn minachting voor al
dien laster te toonen.
Weer had don Vigilio, door een rilling aangegrepen, zijn gezicht met
zijn handen bedekt.
"O, Paparelli, Paparelli!"
Hij stamelde gesmoorde scheldwoorden: de gemeene smeerlap, die
bescheidenheid en deemoed huichelde; de lage spion, die in opdracht
had alles in het paleis te hooren, te zien, ten gronde te richten:
het onreine, verwoestende insect, dat zich meester maakte van den
edelsten buit en de manen van den leeuw wegvrat; de Jezuïet, de
echte Jezuïet, knecht en tyran tegelijk, in zijn minne gemeenheid,
in zijn triompheerend wormenwerk!
"Houd u toch kalm, houd u toch kalm," herhaalde Pierre, die, hoewel
hij de waanzinnige overdrijving in aanmerking nam, toch zelf huiverde
voor het vreeselijke onbekende, voor de dreigende, onbestemde dingen,
die zich, zooals hij voelde, werkelijk in de diepte van het onbekende
bewogen.
Maar sedert hij bijna die verschrikkelijke vijgen gegeten had,
sedert de bliksem vlak naast hem ingeslagen was, had don Vigilio dien
ontzettenden angst, welke door niets tot rust gebracht kon worden,
behouden. Zelfs wanneer hij alleen was, 's nachts, in bed, achter
de gesloten deur, greep die angst hem aan, deed hem onder de dekens
wegkruipen, alsof er door de muren menschen zouden komen, om hem
te wurgen.
Ademloos en met een zwakke stem ging hij voort:
"Ik heb het u wel gezegd op dien avond, toen we in uw kamer gepraat
hebben, hoewel de deur driedubbel gesloten was... Het was verkeerd van
mij, zoo vrij over hen te spreken, mijn hart eens te luchten door u
alles te vertellen, waartoe zij in staat zijn. Ik was er zeker van,
dat zij erachter zouden komen, en u ziet, dat zij erachter gekomen
zijn, want ze hebben mij willen dooden. Kijk, op dit oogenblik is het
verkeerd van mij u dit te zeggen, want zij zullen het te weten komen,
en ditmaal zullen ze het beter inrichten, om mij klein te krijgen... O,
het is uit, ik ben dood, dit edele huis, dat ik zoo veilig waande,
zal mijn graf worden!"
Een diep medelijden met dezen koortsachtigen, door schrikbeelden en
waanvoorstellingen vervolgden zieke maakte zich van Pierre meester.
"Maar vlucht u dan! Blijf niet hier! Ga naar Frankrijk of waarheen
gij wilt!"
Verbijsterd keek don Vigilio, die een oogenblik kalm werd, hem aan.
"Vluchten? Waarom? Daar zijn zij ook. Overal zijn zij. Vluchten helpt
me niets, altijd zou ik met hen, bij hen zijn... Neen, neen, ik blijf
liever hier. Liever sterf ik hier dadelijk, als Zijne Eminentie mij
niet meer verdedigen kan."
Hij richtte een smeekenden blik, waarin nog een straal van
hoop trachtte òp te glanzen, op het levensgroote portret van den
kardinaal. Maar de aanval kwam terug en schokte hem met verdubbelde
kracht.
"Laat mij alleen, laat mij alleen, ik smeek het u!... Laat mij niet
verder praten. O, Paparelli, Paparelli! Als hij terugkwam, als hij
ons zag, als hij mij hoorde praten... Nooit zal ik meer een woord
zeggen. Ik zal mijn tong vastbinden, ik zal mijn tong afsnijden... Laat
mij toch alleen! Ik zeg u, dat gij mij doodt, dat hij terug zal komen
en dat dat mijn dood is! Ga toch weg, om Godswil, ga toch weg!"
En don Vigilio keerde zich naar den muur, als wilde hij daartegen zijn
gezicht verpletteren en zijn mond erin vastmetselen, zoodat hij zwijgen
zou als het graf. Pierre besloot heen te gaan, want hij was bang een
nog heviger aanval te provoceeren, als hij zijn hulp bleef opdringen.
Pierre begreep, dat hij als huisgenoot, donna Serafina en den kardinaal
zijn deelneming moest gaan betuigen. Onmiddellijk liet hij zich naar
het aangrenzend vertrek brengen, waar de prinses ontving. Zij zat,
in het zwart gekleed, mager en rechtop in een fauteuil, waaruit
zij waardig en langzaam even opstond, om den groet van degenen, die
binnenkwamen, te beantwoorden. Met een strak gelaat en haar physieke
smart overwinnend, luisterde zij naar de betuigingen van deelneming,
doch antwoordde daarop in het geheel niet. Maar Pierre, die haar
had leeren kennen, kon uit haar ingevallen trekken, uit haar ledige
oogen, uit de bittere plooi om haar mond, de verschrikkingen raden,
die zij innerlijk onderging, alles wat in haar ingestort was, zonder
dat eenige hoop op herstel mogelijk scheen. Niet alleen haar geslacht
was uitgestorven, maar ook haar broeder zou nooit paus worden, de paus,
dien zij zoolang gehoopt had van hem te maken door haar toewijding,
haar zelfverloochening van vrouw, die aan dien droom haar hoofd en
haar hart, haar zorgen, haar vermogen, haar mislukt echtgenoote-
en moederleven gegeven had. Zij stond voor den jongen priester, haar
gast, op, zooals zij voor de anderen was opgestaan. Maar het gelukte
haar in de manier van haar opstaan een kleine schakeering te brengen;
hij voelde heel goed, dat hij in haar oogen nog steeds de kleine,
eenvoudige Fransche priester was, de laagste dienaar in God's dienst,
nu hij zich zelfs niet tot den rang van prelaat had weten op te werken.
Toen, zij, na hem met een flauw hoofdknikje voor zijn betuiging
van deelneming bedankt te hebben, weer was gaan zitten, bleef hij
uit beleefdheid nog een oogenblik staan. Geen geluid, geen woord
verstoorde den droefgeestigen vrede van het vertrek. Toch waren er
vier of vijf dames, bezoeksters, aanwezig; zij zaten echter eveneens
in een troostelooze, zwijgende onbeweeglijkheid op haar stoelen. Het
meest werd Pierre echter getroffen door de aanwezigheid van kardinaal
Sarno, een der oude huisvrienden, die met zijn zwak lichaam en zijn
hoogeren linkerschouder met gesloten oogen in een fauteuil neergevallen
was. Nadat hij donna Serafina zijn deelneming betuigd had, was hij
onwillekeurig nog wat gebleven en toen, door de drukkende stilte en de
benauwend-warme atmospheer in slaap gevallen. En iedereen eerbiedigde
zijn slaap. Droomde hij in zijn sluimering van de kaart der geheele
Christenheid, die hij in zijn laaggebouwd hoofd met de stompzinnige
uitdrukking had? Zette hij, achter dat vale geloofsmasker van een
door een halve eeuw van bureauleven afgestompten, ouden ambtenaar,
in zijn droom zijn vreeselijk veroveringswerk voort, om de aarde van
uit de diepte van zijn somber bureau in het paleis der Propaganda te
onderwerpen en te regeeren? De dames richtten geroerde en eerbiedige
blikken op hem; men beknorde hem soms zacht, dat hij te veel werkte,
en zag in deze slaapzucht, die zich in den laatsten tijd overal van
hem meester maakte, het bewijs van zijn buitensporigen ijver en zijn
genie. Pierre echter zou van deze almachtige Eminentie slechts dit
laatste beeld met zich nemen: een uitgeputte grijsaard, uitrustend na
de aandoeningen van een catastrophe, slapend als een oud, onschuldig
kind, zonder dat men zien kon, of dit het begin van kindschheid was
of de uitputting na een in den dienst doorgebrachten nacht, om God
over het een of andere ver weg gelegen stuk land te laten heerschen.
Twee dames gingen weg, drie andere kwamen binnen. Donna Serafina was
uit haar fauteuil opgestaan, had geknikt en dan haar strakke houding
hernomen. Kardinaal Sarno sliep nog altijd. Nu kreeg Pierre het te
benauwd; hij dacht te stikken; een duizeling beving hem, zijn hart
klopte met zware slagen. Hij boog en ging heen. Toen hij zich door de
eetkamer naar het studeerkamertje wilde begeven, waar de kardinaal
ontving, stond hij plotseling tegenover abbé Paparelli, die de deur
jaloersch bewaakte.
Toen de sleepdrager hem herkende, begreep hij, dat hij hem den doorgang
niet weigeren kon. Trouwens, daar de binnendringer den volgenden dag,
verlegen en beschaamd, vertrekken zou, was er niets van hem te vreezen.
"U wenscht Zijne Eminentie te spreken? Uitstekend... Dadelijk, wacht
maar even!"
En toen hij vond, dat hij te dicht bij de deur kwam, drong hij hem
naar het andere gedeelte van het vertrek terug, ongetwijfeld bang,
dat hij een woord opvangen zou.
"Zijne Eminentie is nog in gesprek met Zijne Eminentie kardinaal
Sanguinetti... Wacht daar, wacht daar!"
Inderdaad was Sanguinetti voor den vorm zeer lang op zijn knieën voor
de beide dooden in de troonzaal blijven liggen. Vervolgens had hij
ook zijn bezoek aan donna Serafina gerekt, om goed te laten uitkomen
hoezeer hij deel nam in de rouw der familie. En nu was hij reeds meer
dan tien minuten bij den kardinaal, zonder dat men iets anders hoorde
dan nu en dan het gemurmel van hun stemmen.
Nu Pierre Paparelli hier weer vond, werd hij opnieuw vervolgd door
alles wat don Vigilio hem verteld had. Hij nam hem op: hij was dik,
kort, ziekelijk opgeblazen door het vet en geleek met zijn slap
gezicht, dat op veertigjarigen leeftijd reeds door rimpels misvormd
was, en in zijn vuile soutane op een heel oude jongejuffrouw, waarvan
het celibaat een half slap geworden varkensblaas gemaakt heeft. En
Pierre vroeg zich met verwondering af, hoe kardinaal Boccanera, die
hoogmoedige prins, die in zijn onverwoestbaren trots op zijn naam het
hoofd zoo hoog droeg, zich had kunnen laten inpalmen en beheerschen
door een wezen, dat zoo foei-leelijk was en dat zijn laagheid zoo
aan te zien was. Of waren misschien juist het lichamelijke verval van
dit wezen, deze groote moreele deemoed hem opgevallen als zeldzame,
buitengewone gaven des heils, die hem ontbraken, en was hij daarna
onder de bekoring daarvan gekomen? Zij waren een hoon voor zijn
eigen schoonheid, voor zijn eigen trots. Hij, die niet zoo mismaakt
kon worden, die zijn eigen begeerte naar roem niet overwinnen kon,
moest er door een groote krachtsinspanning van zijn geloof in geslaagd
zijn dit eindeloos leelijke, eindeloos lage creatuur te benijden, te
bewonderen, als een hoogere, de poorten des hemels wijd open zettende
macht der boete en der menschelijke vernedering te dulden. Wie zal
ooit den invloed verklaren, dien het monster heeft op den held, dien
de met ongedierte bedekte, tot een voorwerp van afschuw geworden
heilige over de machtigen dezer wereld bezit, die bang zijn hun
aardsche vreugden te moeten boeten in het eeuwige vlammenvuur? Ja,
dat was wel de leeuw, die door het insect weggevreten wordt, nu
zooveel kracht en glans door het onzienlijke vernietigd werd.
Samengedrongen in zijn vaal vet nam abbé Paparelli Pierre op met
zijn kleine, grijze oogen, die midden in de duizenden plooien van
zijn gezicht knipten. Deze begon een onrustig gevoel te krijgen,
terwijl hij zich afvroeg, wat die beide Eminenties elkaar toch
wel konden hebben te zeggen. Welk een pijnlijk gesprek moest dit
zijn, wanneer Boccanera in Sanguinetti den bisschop zag, tot wiens
protégé's Santobono behoorde. Welk een vermetele kalmte bezat de
een, dat hij zich hier durfde vertoonen; welk een zielskracht,
welk een zelfbeheersching bij den ander, dat hij in den naam van
den heiligen godsdienst een schandaal vermeed door te zwijgen, door
het bezoek als een eenvoudig bewijs van achting en toegenegenheid te
aanvaarden! Maar wat kunnen zij elkander te zeggen hebben? Wat zou het
opwindend-interessant zijn, hen tegenover elkander te zien, te hooren
welke diplomatieke woorden, die voor een dergelijk onderhoud pasten,
zij gebruikten, terwijl het in hun zielen gromde van woedenden haat!
Plotseling ging de deur open en kwam kardinaal Sanguinetti uit de
kamer te voorschijn; zijn gezicht was kalm, niet rooder dan gewoonlijk,
zelfs iets bleeker. Slechts zijn onrustige, steeds rondloerende oogen
verrieden hoe blij hij was deze per slot van rekening toch zware
corvée achter den rug te hebben. En in de hoop, dat hij van nu af de
eenig mogelijke paus zijn zou, verwijderde hij zich.
Abbé Paparelli was naar hem toegevlogen.
"Als Zijne Eminentie zoo goed wil zijn mij te volgen... Ik zal Zijne
Eminentie uitlaten!"
En zich dan tot Pierre wendend:
"U kunt nu naar binnen gaan."
Pierre keek hen na: de een zoo deemoedig, de ander zoo
triomphantelijk. Dan ging hij naar binnen en zag onmiddellijk midden in
de kleine, slechts met een tafel en drie stoelen voorziene studeerkamer
kardinaal Boccanera nog in de hautaine en edele houding staan, die
hij aangenomen had, om Sanguinetti, den gevreesden en verwenschten
mededinger naar den pauselijken troon, te groeten. En blijkbaar
waande Boccanera zich ook den eenig mogelijken paus, dengene, dien
het conclave van morgen kiezen moest.
Maar toen de deur weer dichtgevallen was en hij den jongen priester,
zijn gast, die getuige geweest was van den dood van zijn twee lieve
kinderen, die nu voor eeuwig in de zaal ernaast sliepen, zag, werd
hij weer door een onuitsprekelijke ontroering, door een onverwachte
zwakheid, waarin al zijn energie onderging, aangegrepen. Het was de
revanche, die zijn mensch-zijn nam, nu zijn mededinger hem niet meer
zien kon. Hij wankelde als een boom, die trilt onder den bijlslag,
en viel, plotseling verstikt door diepe snikken, op een stoel
neer. Toen Pierre volgens het ceremonieel, den smaragd, dien hij aan
zijn ringvinger droeg, wilde kussen, richtte hij hem op en wees hem
recht voor zich een stoel aan, terwijl hij met gebroken stem stamelde:
"Neen, neen, mijn zoon, ga daar zitten... Excuseer me een oogenblik,
mijn hart breekt in mij."
Hij snikte in zijn gevouwen handen, hij vermocht zich niet te
beheerschen, zijn smart met zijn nog krachtige vingers, die hij tegen
zijn wangen en slapen drukte, in zich terug te dringen.
Tranen kwamen nu ook in de oogen van Pierre, die eveneens het
verschrikkelijke drama doorleefde en diep ontroerd werd, nu hij
dien edelen grijsaard, dien gewoonlijk zoo trotschen en zichzelf
beheerschenden, vromen kerkvorst, die nu niet meer was dan een arm,
in doodsstrijd en smart worstelend wezen, zoo hulpeloos en zwak als
een kind, huilen zag. Hoewel tranen ook zijn stem verstikten, wilde
Pierre toch zijn deelneming betuigen en zocht hij naar een paar goede
woorden, om deze wanhoop wat te verzachten.
"Ik smeek Uwe Eminentie aan mijn diep verdriet te gelooven. Ik ben
bij u met weldaden overstelpt en stel er prijs op u onmiddellijk te
zeggen, hoe dit onherstelbare verlies..."
Maar met een moedig gebaar legde de kardinaal hem het zwijgen op.
"Neen, neen, zeg niets, om Godswil, zeg niets!"
En stilte heerschte. Geschokt door den inwendigen strijd, weende
hij nog steeds en wachtte hij tot hij weer sterk genoeg zijn zou, om
zich te beheerschen. Eindelijk wist hij zijn ontroering te bedwingen,
nam hij langzaam zijn handen van zijn gezicht weg, dat langzamerhand
weer dat van een door zijn geloof sterken, aan Gods wil onderworpen
geloovige geworden was. Nu God geweigerd had een wonder te doen, nu hij
zijn huis zoo wreed trof, had hij daar ongetwijfeld zijn redenen voor,
en hem, een van zijn dienaren, een der grootwaardigheidsbekleeders van
zijn aardsch Hof, bleef niets anders over dan zijn hoofd in ootmoed
te buigen.
De stilte duurde nog een oogenblik voort--dan begon hij te spreken
en het gelukte hem zijn stem een natuurlijken, vriendelijken klank
te geven.
"Gij verlaat ons, niet waar, mijn zoon? Gij vertrekt morgen?"
"Ja, morgen, ik zal mij de vrijheid veroorloven afscheid te nemen
van Uwe Eminentie en u nogmaals te danken voor uw onuitputtelijke
welwillendheid."
"Dus hebt u gehoord, dat de Indexcongregatie uw boek veroordeeld heeft,
wat trouwens onvermijdelijk was?"
"Ja, de buitengewone eer is mij ten deel gevallen door den Heiligen
Vader ontvangen te worden, en aan zijn voeten heb ik mij onderworpen
en mijn boek verloochend."
In de vochtige oogen van den kardinaal lichtte weer een vlam op.
"Zoo hebt ge dat gedaan? Dan hebt ge goed gehandeld, mijn zoon! Het
was weliswaar niets meer dan uw eenvoudigen priesterplicht, maar
er zijn er helaas in onze dagen zoo velen, die zelfs hun plicht
niet doen... Als lid der Congregatie heb ik mijn belofte, die
ik u gegeven had, gehouden, uw boek gelezen en vooral de door de
aanklagers aangegeven bladzijden zorgvuldig bestudeerd. En dat ik
ten slotte neutraal gebleven ben, dat ik mij hield als had de zaak
voor mij niet het minste belang, zoodat ik zelfs de zitting, waarin
het geval behandeld is, niet bijgewoond heb, is alleen geweest,
omdat ik mijn arme lieve nicht, die van u hield, die u verdedigde,
een plezier wilde doen..."
Weer overmanden zijn tranen hem; hij hield op, want hij voelde, dat
hij weer zwak zou worden, indien hij zich de aangebeden en beweende
Benedetta voor den geest riep. En met strijdlustige grimmigheid ging
hij dan ook voort:
"Neem mij niet kwalijk, dat ik het u zeg, maar welk een vloekwaardig
boek, mijn zoon! Ge hadt mij verzekerd, dat ge het dogma respecteerde,
en ik vraag me nog steeds af, door welke dwaling ge zóó verblind
zijt geworden, dat ge zelfs het besef van uw misdaad verloren
hebt. Het dogma respecteeren--lieve God, terwijl het geheele boek één
doorloopende negatie van onzen heiligen godsdienst is!... Hebt ge dan
niet gevoeld, dat het vragen om een nieuwen godsdienst gelijk staat met
het veroordeelen van den ouden, den eenigen waren, den eenigen goeden,
den eenigen eeuwigen? Dat alleen reeds was voldoende, om van uw boek
een der doodelijkste giffen te maken, een van die infame boeken, die
men vroeger door beulshanden verbranden liet, maar die in onze dagen,
nadat ze op den Index geplaatst en juist daardoor aan de perverse
nieuwsgierigheid aangewezen zijn, in omloop gebracht worden, iets
waardoor de besmettelijke rotheid van onze eeuw maar al te goed wordt
verklaard... O, hoe goed heb ik in dit alles de denkbeelden van onzen
vereerden en poëtischen bloedverwant, vicomte Philibert de la Choue
teruggevonden! Een litterair ontwikkeld iemand, zeer zeker! Maar het
is litteratuur, niets dan litteratuur! Ik smeek God hem vergiffenis
te schenken, want hij weet ongetwijfeld niet, wat hij doet noch
waarheen hij gaat met zijn elegisch Christendom, dat bestemd is voor
mooi-pratende arbeiders en voor jonge menschen van beiderlei kunne,
wier ziel door de wetenschap toch reeds in het ijle zweeft. Neen, mijn
toorn richt zich alleen tegen Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot,
want hij weet, wat hij doet, doet wat hij wil... Neen, zeg niets,
verdedig hem niet. Hij is de revolutie in de Kerk, hij is tegen God!"
Hoewel hij zich voorgenomen had niet te antwoorden, niet te
discussieeren, had hij een gebaar van protest bij dezen aanval op
den man, dien hij op deze wereld het meest vereerde en liefhad,
niet kunnen onderdrukken. Dan echter boog hij nogmaals.
"Ik kan mijn afschuw, ja mijn afschuw voor dezen heelen ledigen droom
van een nieuwen godsdienst niet genoeg zeggen," ging Boccanera ruw
voort. "Het is niets dan een speculatie op de gemeenste hartstochten,
die de armen tegen de rijken opzet, door hun God weet wat voor
een deeling, voor een thans onmogelijke gemeenschap, belooft! Het
is niets dan een lage vleierij van de lagere volksklassen, doordat
men hun, zonder het ooit te kunnen uitvoeren, een gelijkheid en een
gerechtigheid belooft, die alleen van God komt, die God alleen op
den door zijn almacht aangewezen dag zal kunnen doen heerschen! Het
is niets dan een zelfzuchtige naastenliefde, die men tegen den
hemel zelf misbruikt om hem aan te klagen van onrechtvaardigheid
en onverschilligheid! Het is niets dan larmoyante, verslappende,
krachtige en sterke harten onwaardige naastenliefde! Alsof het
menschelijk lijden niet noodzakelijk is voor zijn heil; alsof wij,
naarmate wij meer lijden, niet grooter, niet reiner worden, niet
dichter bij het oneindige geluk komen!"
Hij wond zich op, zijn hart bloedde en hij verzette zich
daartegen. Zijn smart verbitterde hem; de bijlslag had hem een
oogenblik terneergeworpen, maar nu stond hij weer op, uitdagend tegen
de smart, koppig vasthoudend aan zijn stoïcijnsche voorstelling van
een almachtig God, die heer en meester over de menschen is en zijn
gelukzaligheid voor zijn uitverkorenen alleen bewaart.
Toen deed hij weer een poging om kalmer te zijn, en zachter ging
hij voort:
"Enfin, mijn zoon, de schaapskooi staat steeds open; en uit uw berouw
blijkt, dat ge erin teruggekeerd zijt. Ge kunt niet gelooven, hoe
gelukkig mij dat maakt!"
Op zijn beurt trachtte Pierre verzoenend te zijn, om deze heftige,
door smart gewonde ziel nog niet meer te treffen.
"Uwe Eminentie kan er zeker van zijn, dat ik trachten zal geen van
uw vriendelijke woorden te vergeten, evenmin als ik de vaderlijke
ontvangst van Zijne Heiligheid Leo XIII vergeten zal."
Maar deze zin scheen Boccanera juist weer op te winden. Eerst uitte
hij slechts half uitgesproken woorden, als streed hij met zichzelf,
om den jongen priester niet direct uit te vragen.
"O, ja, gij hebt den Heiligen Vader gesproken, gij hebt met hem
gepraat en hij heeft u zeker, zooals aan alle vreemdelingen, die hem
hun opwachting maken, gezegd, dat hij verzoening, vrede wil... Ik
zie Zijne Heiligheid nog slechts, wanneer het niet anders kan; het is
reeds meer dan een jaar geleden, dat ik tot een particuliere audiëntie
toegelaten ben..."
Dit openlijke bewijs van ongenade, deze heimelijke strijd, die,
evenals ten tijde van Pius IX, tusschen den Heiligen Vader en
den kardinaal-voorzitter gevoerd werd, vervulde dezen laatste met
groote bitterheid. Het was hem onmogelijk zich te bedwingen; hij
bleef spreken, waarbij hij ongetwijfeld tot zichzelf zeide, dat hij
iemand voor zich had, op wien hij kon vertrouwen en die bovendien
den volgenden dag vertrekken zou.
"Vrede, verzoening! Met die mooie woorden, waarmede zoo dikwijls het
gemis aan ware vrijheid en moed bemanteld wordt, komt men ver... De
vreeselijke waarheid echter is, dat de achttien jaar van Leo XIII's
concessies alles in de Kerk aan het wankelen gebracht hebben en dat
het Katholicisme, wanneer hij nog lang regeert, in puin zal vallen
als een gebouw, waarvan men de zuilen ondermijnd heeft."
Pierre, wiens belangstelling nu ook weer geheel opgewekt was, kon
zich niet weerhouden eenige tegenwerpingen in het midden te brengen,
om daardoor den kardinaal nog meer aan het praten te krijgen.
"Maar is hij niet altijd zeer voorzichtig opgetreden, heeft hij het
dogma niet in een oninneembare vesting ondergebracht? In één woord,
heeft hij, al schijnt hij op veel punten toegegeven te hebben, dat
niet altijd in vormquaesties gedaan?"
"Ja natuurlijk, vormquaesties!" antwoordde de kardinaal in
toenemende opwinding. "Hij heeft u, zooals aan alle anderen gezegd,
dat hij, in principes op zijn stuk staan blijvend, gaarne toegaf
in vormquaesties! Een betreurenswaardig woord, een dubbelzinnige
diplomatie, wanneer het tenminste geen eenvoudige, lage huichelarij
is! Mijn ziel komt in opstand tegen dit opportunisme, tegen dit
Jezuïetengedoe, dat listen gebruikt tegen den geest der eeuw, dat
alleen bestemd is twijfel te brengen onder de geloovigen, de verwarring
van een overijlde vlucht, die de eerste oorzaak is van onherstelbare
nederlagen! Het is een lafheid, een lage lafheid, het neergooien
van de wapenen, om des te sneller te kunnen terugtrekken, het zich
schamen om zichzelf te zijn, het masker, dat men zich voorzet in de
hoop de wereld op een dwaalspoor te brengen, op verraderlijke wijze
bij den vijand binnen te dringen en hem te vernietigen. Neen, neen,
de vorm is alles bij een overgeleverden, onveranderlijken godsdienst,
die achttien eeuwen lang geweest is, thans nog is en altijd, tot aan
het einde der eeuwen, blijven zal de wet zelf van God!"
Hij kon niet blijven zitten; stond op en begon door het kleine vertrek,
dat hij met zijn hooge gestalte geheel scheen te vullen, op en neer te
loopen. En nu bestreed, veroordeelde hij heftig de geheele regeering,
de geheele politiek van Leo XIII.
"De eenheid, de beroemde eenheid, die hij, wat men hem als grooten
lof nageeft, in de Kerk wil herstellen, is niets dan de razende,
blinde eerzucht van een veroveraar, die zijn rijk uitbreidt, zonder
zich af te vragen, of de nieuw onderworpen volkeren zijn oud, tot
dusverre zoo trouw volk zullen desorganiseeren, bederven, besmetten
met alle zonden. En wanneer de Oostersche schismatici, wanneer de
schismatici van andere landen door hun terugkeer in de Katholieke Kerk
die zóó veranderen, dat zij haar dooden, dat zij er een nieuwe Kerk
van maken? Er bestaat maar één wijsheid: slechts dat zijn, wat men
is, maar het krachtig zijn! En is ook niet dat zoogenaamde verbond
met de democratie, een politiek, die voldoende is om den eeuwenouden
geest van het pausdom te veroordeelen, niet een gevaar en een schande
tegelijk? De monarchie is een goddelijk recht, haar opgeven staat
gelijk met in te gaan tegen God, met scharrelen met de Revolutie, met
het droomen van de monsterachtige oplossing, om gebruik te maken van de
verblindheid der menschheid, ten einde weer een groote macht over hen
te krijgen. Iedere republiek is een toestand van anarchie en daarom is
de erkenning der Republiek enkel en alleen met het doel, om den droom
van een onmogelijke verzoening te willen verwezenlijken, de misdadigste
fout, de eeuwige vernietiging van het denkbeeld van gezag, orde, ja
zelfs van godsdienst... Denk bijvoorbeeld eens na over hetgeen hij met
de wereldlijke macht gedaan heeft. Hij eischt die nog wel op, hij doet
wel, alsof hij op het punt van Rome's teruggave intransigent blijft,
maar heeft hij in werkelijkheid niet definitief afstand er van gedaan,
nu hij het recht der volkeren erkent om over zich zelf te beschikken,
hun koningen weg te jagen en als dieren vrij in de bosschen te leven?"
Plotseling bleef hij staan en hief dan in een opwelling van heiligen
toorn zijn armen ten hemel.
"O, die man, die man, die door zijn ijdelheid, door zijn zucht naar
succes de ondergang der Kerk geweest zal zijn! Deze man, die niet
opgehouden heeft alles te bederven, los te maken, te verbrokkelen,
om de wereld, welke hij op deze wijze denkt te heroveren, te
regeeren! Waarom, o, Almachtige, waarom hebt gij hem nog niet tot
u teruggeroepen?"
En deze aanroeping van den dood had een zoo oprechten klank, de haat,
welke daarin lag, werd door het vurige verlangen om God, die hier op
aarde in gevaar verkeerde, te redden, zoo veredeld, dat Pierre door een
hevige rilling doorhuiverd werd. Nu eerst begreep hij ten volle dezen
kardinaal Boccanera, die Leo XIII vroom, hartstochtelijk haatte, hij
begreep, dat hij uit de diepte van zijn donker paleis reeds jaren lang
loerde op den dood van den paus--den dood, dien hij in zijn qualiteit
van kardinaal-voorzitter officieel vast zou moeten stellen. Hoe moest
hij daarop wachten, hoe verlangde hij met koortsachtig ongeduld naar
het gelukzalige uur, waarop hij, gewapend met zijn zilveren hamer,
de drie symbolische slagen op het hoofd van den koud en stijf op zijn
bed uitgestrekten Leo XIII zou gaan geven. O, kon hij eindelijk eens
kloppen op dien hersenwand, om zeker te zijn, dat er geen antwoord
meer kwam, dat er niets meer in was dan nacht en zwijgen! En de roep:
"Joachim! Joachim, Joachim!" zou driemaal weerklinken! En, wanneer
het lijk niet antwoordde, zou hij zich, na even gewacht te hebben,
omkeeren en zeggen: "De paus is dood!"
"Maar toch," begon Pierre, die hem tot het heden wilde terugbrengen,
weer; "maar toch is verzoening een wapen van den tijd. Alleen om des
te zekerder te zijn van de overwinning, geeft de Heilige Vader in
vormquaesties toe."
"Hij zal niet overwinnen, hij zal overwonnen worden!" riep
Boccanera. "Nog nooit heeft de Kerk een overwinning behaald,
wanneer zij niet volhardde in de onveranderlijke eeuwigheid van haar
goddelijk wezen. En het is zeker, dat zij op den dag, waarop zij
toelaten zal, dat aan één steen van haar gebouw geraakt wordt, in
puin vallen zal... Herinner u den vreeselijken tijd maar, dien zij
tijdens het Concilie van Trente doorgemaakt heeft. De Hervorming
had haar tot in haar grondvesten doen wankelen, de ontaarding
der discipline en der zeden werd steeds erger; het was een steeds
stijgende vloed van nieuwigheden, van door den geest van het kwade
ingeblazen denkbeelden, van ongezonde plannen, die de hoogmoed van
de in volle vrijheid toegelaten menschheid vormde. En in het concilie
zelf waren verscheidene leden onrustig geworden, besmet, bereid om de
dolzinnigste wijzigingen goed te keuren; het was een waar schisma, dat
zich bij de andere aansloot... En dat in die kritieke oogenblikken,
waarin een zoo groot gevaar dreigde, het Katholicisme van ondergang
gered is, is alleen een gevolg van het feit, dat de meerderheid,
voorgelicht door God, het oude gebouw intact gehandhaafd heeft,
dat zij de goddelijke hardnekkigheid bezat, om zich op te sluiten
in het enge dogma, dat zij in niets toegegeven heeft, in niets,
in niets, noch in principieele, noch in vormquaesties... O, zeker,
thans is de toestand niet erger dan ten tijde van het Concilie van
Trente. Laten wij aannemen, dat hij even moeilijk is, en zeg mij
dan eens eerlijk of het niet edeler, niet zekerder voor de Kerk is,
wanneer men, evenals vroeger, den moed bezit luide te zeggen, wat zij
is, wat zij geweest is, wat zij zijn zal. Voor haar is alleen heil te
vinden in haar volkomen, onbestrijdbare souvereiniteit; en daar zij
altijd door haar intransigentie overwonnen heeft, staat het gelijk met
haar te dooden, wanneer men haar met den geest der eeuw verzoenen wil."
Hij begon weer door de kamer op en neer te loopen.
"Neen, neen, geen schikkingen, geen opgeven, geen zwakheid! De muur uit
erts, die den weg verspert, de grenspaal van graniet, die een wereld
afbakent!... Ik heb het u op den dag van uw aankomst reeds gezegd,
mijn zoon! Het Katholicisme willen aanpassen aan de nieuwe tijden
staat gelijk met zijn einde verhaasten, wanneer het werkelijk, zooals
de atheïsten beweren, door een naderenden dood bedreigd wordt. En het
zou laag, schandelijk sterven zijn, in plaats van waardig en trotsch
in zijn oude, roemrijke koninklijkheid... O, waardig te sterven,
niets te verloochenen van zijn verleden, de toekomst trotseerend,
zijn geloof zonder vrees bekennend!"
En deze grijsaard van zeventig jaar, die zonder vrees met het
gebaar van een held, welke de toekomstige eeuwen trotseert,
de finale vernietiging onder het oog zag, scheen nog grooter te
worden. Het geloof had hem dezen kalmen vrede gegeven, den vrede,
dien de verklaring van het onbekende door het goddelijke geeft aan
den geest, wiens behoefte aan zekerheid zij geheel bevredigt. Hij
geloofde, hij wist, was zonder twijfel omtrent en zonder vrees voor het
hiernamaals. Maar een trotsche zwaarmoedigheid klonk nu uit zijn stem.
"God kan alles, zelfs zijn werk vernietigen, als hij het slecht
vindt. Wanneer morgen alles zou instorten, wanneer de heilige Kerk te
midden der puinhoopen verdwijnen zou en de meest vereerde heiligdommen
begraven worden zouden onder de invallende werelden, dan nog zou men
zijn hoofd in ootmoed moeten buigen en God aanbidden, wiens hand, na de
wereld geschapen te hebben, deze vernietigt tot grootere verheerlijking
van zijn naam... Ik wacht, ik onderwerp mij bij voorbaat aan zijn wil,
want niets geschiedt zonder zijn wil. Indien werkelijk de tempels aan
het wankelen gebracht zijn, indien het Katholicisme werkelijk morgen
in puin moet vallen, dan zal ik op mijn post staan, om de dienaar des
doods te zijn, zooals ik de dienaar des levens geweest ben... Zelfs,
waartoe zou ik het ontkennen, staat het vast, dat er oogenblikken zijn,
waarop vreeselijke teekenen mij treffen. Misschien is inderdaad het
einde der tijden nabij en zullen wij getuigen zijn van het instorten
der oude wereld, waarmede men ons dreigt. De waardigsten, de hoogst
staanden worden verpletterd, alsof de hemel zich vergiste en in hen
de misdaden der wereld strafte. Heb ik niet den ademtocht van den
afgrond, waarin alles ondergaan zal, gevoeld, sedert mijn huis voor
zonden, die ik niet ken, getroffen is door dezen vreeselijken rouw,
die het voor eeuwig in den nacht terug doet keeren."
Hij riep zich de twee dierbare dooden, die daar in het vertrek naast
hem lagen, voor den geest. Snikken stegen weer op naar zijn keel;
zijn handen beefden, zijn geheele lichaam schokte van de opwelling van
smart, voor hij zich met inspanning van zijn krachten bedwong. Ja,
nu God zich veroorloofd had hem zoo wreed te treffen, zijn geslacht
deed uitsterven en aldus met zijn grootsten en trouwsten dienaar
begon, moest de wereld wel definitief verdoemd zijn. Het einde van
zijn huis, stond het niet gelijk met het naderend einde van alles? En
ondanks zijn hoogen vorsten- en priestertrots vond hij een kreet van
de grootste berusting.
"O, almachtige God, Uw wil geschiede! Laat alles sterven, laat alles
ineenstorten, laat alles terugkeeren tot den nacht van den chaos. Ik
zal met opgeheven hoofd in dit verwoeste paleis blijven, ik zal
wachten tot ik onder de puinhoopen begraven ben. En indien uw wil er
mij toe roept, dat ik de verheven doodgraver zijn zal van uw heiligen
godsdienst, o, wees dan zonder vrees: ik zal niets onwaardigs doen,
om zijn leven met eenige dagen te verlengen. Ik zal hem hoog houden
zooals ik mijzelf hoog houd, even trotsch, even intransigent als in
den tijd van zijn almacht. Ik zal hem belijden met dezelfde dappere
hardnekkigheid, zonder iets prijs te geven van zijn discipline,
zijn riten, zijn dogma. En als de dag daarvoor gekomen is, zal ik
hem met mij begraven, zal ik hem liever geheel met mij in de aarde
nemen dan iets van hem af te staan, zal ik hem in mijn verstijfde
armen drukken, om hem aan u terug te geven zooals gij hem aan uw Kerk
in bewaring gegeven hebt. O almachtige God, o allerhoogste Meester,
beschik over mij, maak van mij, indien dat in uw plannen ligt, den
paus van de vernietiging, van den dood der wereld!"
Ontroerd, beefde Pierre van vrees en bewondering bij het zien van
deze buitengewone figuur, die daar voor hem oprees--den laatsten
paus, die de begrafenis van het Katholicisme leidde. Hij begreep,
dat Boccanera daar dikwijls van gedroomd moest hebben; hij zag hem
voor zich, zooals hij in zijn Vaticaan, in zijn St. Pieter, die de
bliksem getroffen had, met opgeheven hoofd stond, alleen te midden der
reusachtige zalen, waaruit zijn bang en laf Hof gevlucht was. In zijn
witte soutane--op die wijze in het wit rouwend om zijn Kerk, daalde
hij nog eenmaal langzaam af naar het heiligdom, om daar te wachten,
tot de hemel op den avond der tijden naar beneden viel en de aarde
verpletterde. Driemaal hief hij het groote crucifix op, dat de laatste
krampachtige trekkingen van den bodem omvergeworpen hadden. Dan,
terwijl een laatste kraken den marmeren vloer spleet, drukte hij het
tegen zich aan en verdween ermede onder de instortende gewelven. Een
koninklijker, een woester grootschheid was niet te denken.
Met een gebaar--tot spreken niet meer in staat--maar zonder zwakheid,
onoverwinlijk en ondanks alles zijn hooge gestalte recht opgericht,
gaf kardinaal Boccanera aan Pierre, die in zijn hartstochtelijke
liefde voor schoonheid en waarheid, vond, dat hij alleen groot was,
hij alleen gelijk had, te kennen, dat hij het onderhoud als afgeloopen
beschouwde. De jonge priester kuste de hand van den kerkvorst en
ging heen.
's Avonds, na afloop der bezoeken, na het invallen van den avond,
werden in de troonzaal de deuren gesloten en ging men over tot
het kisten. De missen waren afgeloopen, de klokjes der elevatie
weerklonken niet meer, het geprevel der Latijnsche woorden was
verstomd. Niets was meer over dan de sterke geur der rozen en der
twee waskaarsen. Daar deze het vertrek niet voldoende verlichtten,
had men eenige lampen gehaald, die bedienden als fakkels in hun hand
hielden. Naar oud gebruik was het geheele dienstpersoneel aanwezig,
om een laatste vaarwel te zeggen aan hun meesters, die men voor eeuwig
ter ruste zou leggen.
Er ontstond een vertraging. Morano, die sedert den vroegen ochtend over
de talrijke bijzonderheden waakte, was wanhopig, dat de driedubbele
kist nog niet was gekomen. Eindelijk droegen de bedienden die naar
boven en kon men beginnen. Kardinaal Boccanera en donna Serafina
stonden naast elkaar bij het bed. Pierre en don Vigilio waren ook
aanwezig. Victorine begon de twee gelieven in hetzelfde doodskleed,
een groot stuk witte zijde te naaien; het was, als kleedde men hen
met hetzelfde bruidsgewaad. Dan traden twee bedienden naar voren en
hielpen Pierre en don Vigilio hen in de eerste, vurenhouten, met rose
zijde gecapitonneerde kist te leggen. Deze was nauwlijks grooter dan
gewone kisten--zoo één geworden waren zij in hun liefdesomhelzing. Toen
zij er lagen, zetten zij hun eeuwigen slaap voort, terwijl hun hoofden
half verdwenen onder het zich door elkaar strengelende haar. En toen de
eerste kist in de tweede, van lood, en dan in de derde, van eikenhout,
gesloten was, en de drie deksels gesoldeerd en dichtgeschroefd waren,
bleef men de gezichten der twee gelieven nog steeds zien door de
ronde, met een dik stuk glas voorziene opening, die men volgens de
Romeinsche gewoonte in de drie kisten had aangebracht. Voor eeuwig
van de levenden gescheiden, alleen in hun driedubbele kist, lachten
zij elkaar nog steeds toe, keken zij elkaar nog steeds aan met hun
onverzettelijk geopende oogen: zij hadden nu de oneindigheid voor
hun oneindige liefde.