Den volgenden dag dejeuneerde Pierre, na van de begrafenis teruggekeerd
te zijn, alleen in zijn kamer; in den namiddag wilde hij afscheid
nemen van den kardinaal en donna Serafina. Met den trein van 10.17
zou hij Rome verlaten. Niets hield hem er meer terug; hij had nog
slechts een bezoek af te leggen aan den ouden Orlando, den held der
onafhankelijkheid, aan wien hij plechtig beloofd had niet naar Parijs
te zullen terugkeeren, voor hij nog een lang gesprek met hem gehad
had. Dus liet hij tegen twee uur een rijtuig voorkomen, om hem naar
de Via Venti Settembre te brengen.
Den geheelen nacht was er een fijne motregen gevallen, welks
vochtigheid de stad nu nog in een grijzen nevel hulde. Regenen
deed het niet meer, maar de lucht bleef bewolkt en de gevels der
groote nieuwe paleizen van de Via Venti Settembre zagen er onder
dien somberen Decemberhemel met hun gelijkvormige balkons, hun
regelmatige ramenrijen, waaraan geen einde te komen scheen, vaal en
troosteloos zwaarmoedig uit. Met name het ministerie van Financiën,
die reusachtige opeenstapeling van metsel- en beeldhouwwerk, had geheel
het aanzien van een doode stad, de eindelooze triestheid van een groot,
bloedloos lichaam, waaruit het leven geweken is. De temperatuur was
door den regen zachter geworden, het was bijna warm: een vochtige,
klamme koortswarmte.
In den vestibule van Prada's klein paleis zag Pierre tot zijn verbazing
vier of vijf heeren, die op het punt stonden hun overjassen uit te
trekken; een bediende zeide hem, dat de graaf een conferentie met
aannemers had. Maar daar mijnheer de abbé den vader van den graaf
een bezoek wilde brengen, moest hij maar naar de derde verdieping
gaan. De kleine deur rechts, op het portaal.
Doch op de eerste verdieping stond Pierre plotseling tegenover Prada,
die zijn aannemers wilde ontvangen. Hij zag, dat de graaf, toen hij
hem herkende, doodsbleek werd. Na het verschrikkelijke drama hadden
zij elkaar niet gezien. De priester begreep dan ook heel goed,
welk een angst, welk een onaangename herinnering aan een moreele
medeplichtigheid, welk een doodelijke onrust zijn aanwezigheid dien
man veroorzaken moest.
"Komt u voor mij? Hebt u mij iets te zeggen?"
"Neen, ik vertrek, ik kom afscheid nemen van uw vader."
Prada werd nog bleeker, een siddering ging over zijn gelaat.
"O, komt u voor mijn vader? Hij voelt zich minder goed. Spaar hem."
Zijn angst verried tegen zijn wil in duidelijk, waar hij bang voor was:
een onvoorzichtig woord, misschien zelfs een laatste opdracht, den
vloek van dien man en van die vrouw, die hij gedood had. Ongetwijfeld
zou dat ook de dood van zijn vader zijn.
"Hoe vervelend, dat ik niet met u mede kan gaan. Maar die heeren
wachten me... Lieve hemel, wat spijt het mij. Zoodra ik kan, kom ik
ook, zoo gauw mogelijk!"
Daar hij niet wist, hoe hij hem verder tegenhouden moest, kon hij niet
beletten, dat de jonge priester met zijn vader alleen was, terwijl
hij hier vastgehouden werd door zijn geldzaken, die steeds slechter
gingen. Maar met welke blikken vol angst zag hij hem naar boven gaan,
hoe smeekte als het ware zijn heele trillen hem. Zijn vader, de eenige
werkelijke liefde, de groote, reine, trouwe hartstocht van zijn leven!
"Laat hem niet te veel praten, vroolijk hem wat op!"
Boven werd de deur niet geopend door Batista, den zijn meester zoo
trouwen oud-gediende, maar door een nog heel jongen man, wat Pierre
in den beginne niet opmerkte. Hij vond het kale, witte, met een licht
papiertje behangen kamertje met het eenvoudige ijzeren ledikant achter
een scherm, zijn vier aan den muur gespijkerde en als bibliotheek
dienende planken, zijn donkerhouten tafel en zijn twee rieten stoelen
weer terug. En door het breede, lichte raam zonder gordijnen zag hij
weer hetzelfde bewonderenswaardige panorama van Rome--geheele Rome
tot aan de verre boomen van den Janiculus. De oude Orlando met zijn
prachtigen leeuwenkop en zijn nog jonge oogen, die nog fonkelden
van de hartstochten, welke in deze vurige ziel gegromd hadden, was
evenmin veranderd. Pierre vond hem terug op denzelfden fauteuil,
naast hetzelfde tafeltje, waarop dezelfde couranten slingerden, zijn
beenen gewikkeld in dezelfde zwarte deken, alsof die doode beenen
hem daar vasthielden in een steenen scheede, zoodat men er zeker
van zijn kon hem na maanden, ja na jaren, zonder eenige verandering,
met zijn levendig bovenlichaam en zijn van kracht en intelligentie
stralenden kop terug te vinden.
Toch scheen hij op dezen somberen dag terneergeslagen.
"Ha, bent u daar, waarde heer Froment! Sedert drie dagen denk ik
aan u, ik kan mij zoo levendig voorstellen, welke verschrikkelijke
dagen gij in dat tragische paleis hebt medegemaakt! Lieve God, hoe
vreeselijk! Ik ben er kapot van, en die couranten met hun steeds weer
nieuwe bijzonderheden maken me nog meer van streek."
Hij wees naar de op de tafel liggende couranten. Dan verjoeg hij met
een gebaar de droevige geschiedenis, de figuur van de doode Benedetta,
die hem steeds vervolgde.
"Nu, en jij?"
"Ik vertrek van avond, maar ik heb Rome niet willen verlaten, zonder
nog eerst uw dappere handen te drukken."
"Ga je weg? En je boek dan?"
"Mijn boek... Ik ben ontvangen door den Heiligen Vader; ik heb mij
onderworpen en mijn boek teruggenomen."
Orlando keek hem strak aan. Er volgde een korte stilte, waarin hun
oogen elkaar over dit punt alles zeiden, wat zij elkaar te zeggen
hadden. Geen van beiden voelden zij de noodzakelijkheid van een
langere verklaring. De oude man zeide slechts:
"Je hebt gelijk, je boek was een hersenschim."
"Ja, een hersenschim, een kinderachtigheid, en ik heb het zelf
veroordeeld uit naam van de waarheid en de rede."
Een glimlach kwam om de smartelijke lippen van den verpletterden held.
"Je hebt dus alles gezien en begrepen. Je weet nu alles?"
"Ja, ik weet nu alles en daarom heb ik niet weg willen gaan zonder
nog eens openhartig en vrijmoedig met u te praten."
Dat was een heele vreugde voor Orlando. Maar plotseling scheen hij
zich den jongen man te herinneren, die de deur geopend had en nu op
een stoel dicht bij het raam zat. Het was bijna nog een kind, twintig
jaar nauwlijks, zonder baard, blond, en mooi: een schoonheid, zooals
men die menigmaal in Napels aantreft. Hij had lang kroeshaar, een
lelie-achtige tint, een mond als een roos en droomerig-smachtende oogen
vol oneindige zachtheid. De oude man stelde hem op vaderlijke wijze
voor: Angiolo Mascara, den kleinzoon van een zijner krijgsmakkers,
den epischen Mascara van de Duizend, die, met tallooze wonden bedekt,
als een held gevallen was.
"Ik heb hem hier laten komen, om hem een standje te geven," ging hij
voort. "Stel je voor, die kwajongen met zijn meisjesgezicht laat zich
met nieuwe denkbeelden in! Hij is anarchist, een van de twee of drie
dozijn anarchisten, die we in Italië hebben. In den grond der zaak
een aardige jongen, die alleen zijn moeder nog maar heeft, die hij,
dank zij een betrekkinkje, waaruit hij zich echter dezer dagen heeft
laten wegjagen, kon onderhouden... Kom, jongen, je moet me beloven
nu verder verstandig te zijn."
Toen zeide Angiolo, wiens versleten, maar goed onderhouden kleeren
inderdaad de fatsoenlijke armoede verrieden, met een ernstige,
muzikale stem:
"Ik ben verstandig, maar de anderen, al de anderen zijn het
niet. Wanneer alle menschen verstandig zullen zijn en de waarheid en
de gerechtigheid willen, zal de wereld gelukkig zijn."
"Als je denken zoudt, dat hij toegeeft, dan vergis je je!" riep
Orlando uit. "Arme jongen, waarheid en gerechtigheid! Vraag maar
eens aan mijnheer den abbé, of men ooit weet waar die zijn. Enfin,
we moeten je tijd geven, om te leven, te zien en te begrijpen!"
En zonder zich verder met hem te bemoeien, wendde hij zich tot
Pierre. Angiolo bleef heel bescheiden in zijn hoekje zitten, hield
zijn brandende oogen op de beide mannen gevestigd en verloor geen
van hun woorden.
"Ik had je wel gezegd, mijn waarde heer Froment, dat je denkbeelden
zouden veranderen en dat een nadere kennismaking met Rome je
tot juistere gedachten brengen zou, veel beter dan de mooiste
redevoeringen, waarmede ik getracht zou hebben je te overtuigen. Zoo
heb ik er bijvoorbeeld nooit aan getwijfeld of je zoudt je boek uit
eigen beweging terugnemen als een treurige dwaling, zoodra het Vaticaan
je in zijn volle beteekenis bekend zou zijn... Maar het Vaticaan zullen
we verder maar laten rusten. Daar valt niets anders mede te beginnen
dan het in zijn langzame, maar onvermijdelijke ruïne ineen te laten
storten. Wat mij nog interesseert, is het Italiaansche Rome, ons Rome,
dat we met zooveel liefde veroverd, zoo koortsachtig tot nieuw leven
gewekt hebben, dat gij als een quantité négligeable behandeld hebt,
en waarover wij thans, nu gij het kent, kunnen praten als mannen,
die elkaar begrijpen."
Als een intelligent man met een goed, helder verstand, die, door zijn
verlamming aan zijn kamer gebonden en ver van den strijd, geheele
dagen nadenken kon, gaf hij dadelijk vele dingen toe, erkende hij de
begane fouten, den deplorabelen toestand der financiën, de ernstige
moeilijkheden van verschillenden aard. O, in welk onzegbaar lijden was
zijn verovering, zijn aangebeden Italië, waarvoor hij gaarne nogmaals
het bloed van zijn aderen geven zou, weer teruggevallen! Zij hadden
gezondigd uit vergeeflijken hoogmoed, zij waren te hard van stapel
geloopen door een groot volk te willen improviseeren, door uit het
oude Rome als met een eenvoudigen tooverstaf, een groote moderne
hoofdstad te willen maken. Vandaar de waanzin van die nieuwe wijken,
die uitzinnige speculatie in bouwterreinen en bouwwerken, die de
natie op den rand van den afgrond gebracht had.
Zacht viel Pierre hem in de rede, om hem te zeggen tot welke
denkbeelden zijn wandelingen en studies in Rome hem gebracht hadden.
"O, die koorts, die vraatzucht van het eerste oogenblik, die
financieele debacle zijn het ergste nog niet. Wonden, die het geld
slaat, genezen weer. Maar het vreeselijke is, dat uw Italië nog
geschapen moet worden... Geen aristocratie meer en geen volk nog,
slechts een pas geboren, vraatzuchtige bourgeoisie, die bezig is den
rijken oogst tot den laatsten halm op te eten."
Er volgde een stilte. Orlando schudde treurig zijn hoofd als een oude,
voortaan machtelooze leeuw. De besliste hardheid van Pierre's woorden
deed hem pijn.
"Ja, ja, dat is het, je hebt goed gezien! Waarom het te loochenen en
te ontkennen, wanneer de feiten spreken... Mijn God, deze bourgeoisie,
deze middenklasse, waarvan ik reeds verteld heb, dat zij zoo tuk is
op betrekkingen, baantjes en onderscheidingen en daarbij zoo gierig
en zoo bang voor haar geld, dat zij het in banken plaatst en nooit
durft te wagen in industrieele of handelsondernemingen. Zij wordt
slechts verteerd door den drang te genieten, zonder iets te doen en
is zoo onintelligent, dat zij niet ziet, dat zij haar land doodt
door haar afkeer van werken, door laag neerzien op het volk, door
haar eenigen hartstocht, om kleinburgerlijk in de zon te leven om
tot het een of ander departement van bestuur te behooren... En onze
stervende aristocratie, dat onttroonde, geruïneerde, tot de ontaarding
van uitstervende geslachten vervallen patriciaat! Het grootste gedeelte
ervan is tot armoede gebracht; de hoogst enkelen, die hun geld behouden
hebben, worden verpletterd onder de zware belastingen, bezitten
nog slechts doode vermogens, die zich niet meer vernieuwen kunnen,
door voortdurende deelingen verminderen en bestemd zijn weldra met de
prinsen zelf en de ineenstorting van de oude, nu nutteloos geworden
paleizen te verdwijnen... En het volk eindelijk, dat arme volk, dat
zoo geleden heeft en nog lijdt, maar zoo gewend is aan het lijden,
dat het niet eens op de gedachte schijnt te komen zich daaruit los te
maken. Blind en doof drijft het de dingen zoover, dat het misschien
de vroegere slavernij terugwenscht, ligt het in stomme verdomming als
een dier op zijn mestvaalt, is het volkomen onwetend--de vreeselijke
onwetendheid, die de eenige oorzaak van zijn ellende is--heeft het
geen hoop, geen toekomst, zelfs den troost niet te beseffen, dat dit
Italië, dit Rome voor hen en voor hen alleen zijn, dat wij ze voor
hen veroverd hebben en tot nieuw leven trachten te wekken... Ja, ja,
geen aristocratie meer, geen volk nog, alleen die zoo angstaanjagende
bourgeoisie! Men moet bijna den pessimisten gelijk geven, die beweren,
dat al ons ongeluk nog niets is, dat wij nog veel erger catastrophes
tegemoet gaan, alsof wij pas bij de eerste symptomen van het einde
van ons ras, de voorloopers van de totale vernietiging waren!"
Hij had zijn groote bevende armen naar het raam, naar het licht
opgeheven, en Pierre, die diep onder den indruk was, herinnerde zich
dit wanhopig smeekende gebaar, dat hij den vorigen dag kardinaal
Boccanera had zien maken in zijn aanroepen van de goddelijke
macht. Deze beide in hun geloof zoo tegengestelde mannen hadden
dezelfde wanhopig-woeste grootschheid.
Hij sprak door, erkende alle ongelukkige eigenschappen van Rome
als hoofdstad. Het was een zuiver decoratieve stad, wier bodem
uitgeput was, een stad, die buiten het moderne leven was blijven
staan, een stad, waarin geen industrie en handel mogelijk waren, een
stad, die te midden van de onvruchtbare woestheid van haar Campagna
onherroepelijk ten doode opgeschreven was. Dan vergeleek hij haar bij
de andere steden, die haar benijden; Florence, dat zoo onverschillig
en skeptisch geworden was en een na de woeste hartstochten en de
bloedstroomen van zijn geschiedenis zoo gelukkige zorgeloosheid bezat;
Napels, dat nog genoeg heeft aan zijn vroolijke zon, Napels met zijn
kind-volk, waarvan men niet weet of men het beklagen moet over zijn
ellende en onwetendheid, waarin het zoo 'n groot behagen schijnt
te scheppen; Venetië, dat er zich bij neergelegd had niets meer te
zijn dan een wonder van oude kunst, dat men onder glas moest zetten,
om het ongeschonden te bewaren; Genua, geheel opgaand in zijn handel,
druk en luidruchtig, een der laatste koninginnen van de Middellandsche
Zee, dit thans zoo onbeteekenende meer, dat eenmaal de rijke zee was,
waarheen alle rijkdommen der wereld stroomden; Turijn en Milaan vooral,
de zóó levende en zóó gemoderniseerde industrie- en handelssteden,
dat de toeristen er minachtend op neer zien, als zijnde geen
Italiaansche steden meer, maar beide gered uit den slaap der ruïnen,
daar zij zich aangesloten hebben bij de Westersche evolutie, die de
komende eeuw voorbereidt. O, moet men dit oude Italië ter wille van
kunstenaarszielen als een stoffig museum laten ineenstorten, zooals
zijn kleine steden van Groot-Griekenland, Umbrië en Toscane bezig zijn
in te storten als prachtige bibelots, die men niet durft repareeren
uit vrees het karakter ervan te zullen bederven? Of de aanstaande,
onvermijdelijke dood dus, of het houweel der sloopers, het neerwerpen
der wankelende muren, het opbouwen van steden van arbeid, wetenschap
en gezondheid, in één woord, een geheel nieuw Italië, dat werkelijk
uit zijn asch verrijst en geschapen wordt voor de nieuwe beschaving,
die de menschheid binnen treedt!
"Maar waarom wanhopen?" ging hij krachtig voort. "Rome moge op dit
oogenblik zwaar op onze schouders drukken, het blijft desniettemin
de top, dien wij hebben willen bereiken. Wij zijn er, wij zullen er
blijven en de gebeurtenissen afwachten... Al heeft in den laatsten
tijd de bevolking opgehouden toe te nemen, zij blijft stationnair met
haar vierhonderdduizend zielen, en den dag, dat de oorzaken, die den
aanvoer tegenhielden, verdwijnen, kan zij weer zeer goed de hoogte
ingaan. Wij hebben de fout begaan te gelooven, dat Rome een Berlijn
of een Parijs zou worden; allerlei maatschappelijke, historische,
ja, zelfs ethnische verhoudingen schijnen zich daar tot dusver tegen
te verzetten; maar wie kent de verrassingen, die de toekomst brengen
kan? Kan men ons verbieden te hopen, te gelooven in het bloed, dat
in onze aderen stroomt, het bloed der oude wereldveroveraars? Ik,
die met mijn twee doode beenen niet meer uit mijn kamer komen kan,
heb uren, waarin mijn oude overmoedige geestdrift mij weer aangrijpt,
waarin ik in Rome geloof als in mijn moeder, waarin ik geloof,
dat het onoverwinlijk, onsterflijk is, waarin ik de twee millioen
inwoners verwacht, welke deze jammerlijke, nieuwe wijken, die gij
bezocht hebt, bevolken moeten. O zeker, zij zullen komen. Waarom
zouden zij niet komen? Ge zult zien, ge zult zien, alles wordt vol,
men zal er nog bij moeten bouwen... En bovendien kan men een natie arm
noemen, die Lombardije bezit? Is ook ons Zuiden niet onuitputtelijk
rijk? Laat er vrede komen, het Zuiden samensmelten met het Noorden
en een geheel nieuwe generatie van arbeiders opgroeien, dan moet,
daar de zoo vruchtbare bodem aanwezig is, eenmaal de groote, verwachte
oogst opschieten en in de brandende zon rijp worden."
Zijn geestdrift sleepte hem mede, een jeugdig vuur gloeide in zijn
oogen. Pierre glimlachte en zeide:
"Men moet het probleem van onderen af, bij het volk, aanvatten. Men
moet menschen scheppen."
"Juist, dat is het!" riep Orlando uit. "Dat herhaal ik steeds, we
moeten Italië scheppen. Men zou kunnen denken, dat een oostenwind het
menschelijke zaad, het zaad van krachtige volkeren elders heen, ver
van onze oude aarde, weggevoerd heeft. Ons volk is niet, zooals het
uwe in Frankrijk, een reservoir van menschen en geld, waaruit men met
volle handen putten kan. Dat onuitputtelijke reservoir zou ik bij ons
willen zien! Ja, van onder af aan moeten we beginnen te werken! Ja,
overal scholen! De onwetendheid moet verjaagd, de ruwheid en luiheid
met boeken bestreden worden, de intellectueele en moreele opvoeding
moet ons het arbeidende volk geven, dat wij noodig hebben, als wij
niet uit het concert der groote naties willen verdwijnen. Ik herhaal
het: voor wien anders hebben we gewerkt, toen wij Rome heroverden,
dan voor de democratie van morgen? En hoe verklaarbaar is het, dat
alles ineenstort, dat niets er krachtig opgroeien wil, zoolang die
democratie er totaal afwezig is!"
Pierre waagde het niet te zeggen, dat een natie niet makkelijk
verandert, dat Italië was wat de bodem, de geschiedenis, het ras
ervan gemaakt hadden, en dat het een gevaarlijk werk zijn zou,
indien men het plotseling hervormen wilde. Hebben de volkeren niet,
evenals de menschen, een bloeienden middelbaren leeftijd, een meer
of minder langzamen ouderdom, die met den dood eindigde? Een modern,
democratisch Rome, groote God! De moderne Rome's heeten Parijs,
Londen, Chicago. Hij zeide dan ook slechts voorzichtig:
"Maar gelooft u niet, dat gij, in afwachting van dat groote werk der
hernieuwing door het volk, goed zoudt doen door voorzichtig te zijn? Uw
financiën verkeeren in een zóó deplorabelen toestand, gij maakt zulke
groote sociale en economische moeilijkheden door, dat gij gevaar loopt
tot de ergste catastrophes te komen, alvorens menschen en geld te
hebben. O, waarom zegt niet een van uw ministers van af de tribune:
"Welnu, onze trots heeft zich vergist, wij deden verkeerd, toen wij
ons in een ommezien in een groote natie hervormen wilden; daarvoor is
meer tijd, meer werk, meer geduld noodig. Wij leggen er ons bij neer
voorloopig niets meer te zijn dan een jong volk, dat in zijn eigen
hoekje werkt, om zich krachtig te maken, zonder in den eersten tijd
een eerste rol te willen spelen. Wij ontwapenen, wij schrappen het
oorlogsbudget, het marinebudget, alle budgetten van uiterlijk vertoon,
om ons geheel te wijden aan de innerlijke welvaart, het onderwijs,
de lichamelijke en moreele opvoeding van het groote volk, dat wij ons
plechtig zweren binnen vijftig jaar te zijn? Schrappen, ja schrappen,
dat is uw redding!""
Orlando had naar hem geluisterd; langzamerhand was hij weer somber
geworden en in zijn droefgeestig peinzen teruggevallen. Hij maakte
een moe gebaar en zeide zacht:
"Neen, neen, men zou een minister, die dergelijke dingen zeide,
uitjouwen. Dat is een bekentenis, die men van een volk niet verwachten
mag. De harten zouden uit de borsten springen. En bovendien, zou het
misschien nog niet veel gevaarlijker zijn, wanneer men alles, wat
reeds gedaan is, plotseling liet instorten? Hoeveel teleurgestelde
verwachtingen, hoeveel ruïnes, hoeveel onnut materiaal! Neen, wij
kunnen ons slechts redden door geduld en moed, terwijl wij voorwaarts,
steeds voorwaarts gaan. Wij zijn een heel jong volk, wij hebben in
vijftig jaar de eenheid willen veroveren, waarvoor andere naties twee
eeuwen noodig gehad hebben. Welnu, voor die overhaasting moeten wij
boeten, we moeten wachten, tot de oogst rijp is en onze schuren vult."
En vol hoop weer ging hij voort:
"Ge weet, dat ik altijd tegen het verbond met Duitschland geweest
ben. Ik heb het voorspeld, het heeft ons geruïneerd. Wij waren nog
niet groot genoeg, om gemeenschappelijk met een zoo rijke en machtige
persoonlijkheid op te trekken; slechts met het oog op den voortdurend
dreigenden, onvermijdelijk geoordeelden oorlog gaan wij nu gebukt
onder onze verpletterende budgetten van een groote natie. O, deze
oorlog, die niet gekomen is, heeft het beste van ons bloed, ons sap,
ons goud uitgeput, zonder dat we er eenig voordeel van hadden! Thans
blijft ons niets meer over dan te breken met een bondgenoot, die onzen
hoogmoed uitgebuit heeft, zonder dat hij ons in iets nuttig geweest
is, zonder dat we iets anders van hem gekregen hebben dan wantrouwen
en noodlottige raadgevingen... Maar dat alles was onvermijdelijk,
en dat wil men in Frankrijk niet toegeven. Ik mag daar vrijuit over
spreken, want ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest. Zeg
dus aan uw landgenooten, die maar niet begrijpen willen, dat wij
na de verovering van Rome in ons hartstochtelijk verlangen, om
onzen rang van vroeger in te nemen, wel onze rol in Europa spelen,
ons als een mogendheid, waarmede voortaan rekening te houden was,
opwerpen moesten. Aarzeling was buitengesloten, al onze belangen
schenen ons in de richting van Duitschland te drijven. De harde wet
van den strijd om het bestaan drukt even fataal op de volkeren als
op de menschen; en dat verklaart, dat rechtvaardigt de breuk tusschen
de beide zusters, het vergeten van zooveel gemeenschappelijke banden:
ras, handelsbetrekkingen, zelfs bewezen diensten... Twee zusters! Ja,
en nu verscheuren zij elkaar, vervolgen zij elkaar met zoo'n haat,
dat bij beiden het gezond verstand weg schijnt te zijn. Mijn arm, oud
hart bloedt, wanneer ik de artikelen lees, die uw bladen en de onze als
vergiftige pijlen op elkaar afschieten. Wanneer zal die broedermoord
ophouden? Wie van beiden zal het eerst de noodzakelijkheid van vrede
inzien en begrijpen hoe noodig het is dat de Latijnsche rassen zich
vereenigen, indien zij te midden van den steeds stijgenden vloed van
andere rassen staande willen blijven!"
En met zijn gulle hartelijkheid van door de jaren ontwapenden held
ging hij voort:
"Kom, mijnheer Froment, ge moet mij beloven ons te helpen, zoodra ge
in Parijs terug zijt. Zweer mij, dat gij op uw arbeidsveld, hoe klein
het ook zijn mag, voor den vrede tusschen Frankrijk en Italië zult
werken: een edeler taak bestaat er niet. Ge hebt nu drie maanden
onder ons geleefd, ge kunt, o in alle vrijmoedigheid, zeggen wat
ge gezien en gehoord hebt. Hebben wij onze fouten, gij hebt de uwe
ook. Familieruzies kunnen, voor den duivel, toch niet eeuwig duren."
"Ongelukkig zijn het echter de langdurigste. Wanneer in de familie
het bloed zich verbittert tegen het bloed, dan komt het mes en het
vergif erbij te pas. Daar is geen vergiffenis mogelijk."
Hij durfde niet alles zeggen, wat hij dacht. Sedert hij te Rome was
en zag en oordeelde, werd die twist tusschen Italië en Frankrijk voor
hem samengevat in een mooi tragisch sprookje. Er waren eens twee
prinsessen, die een machtige, de wereld beheerschende koningin tot
moeder hadden. De oudste, die het rijk van haar moeder geërfd had,
zag met leede oogen hoe haar jongste zuster, die in een naburig land
woonde, langzamerhand toenam in rijkdom, kracht en glans, terwijl zij
zelf, als het ware door ouderdom verzwakt, aftakelde en zoo uitgeput
was, dat zij den dag, waarop zij een laatste poging deed, om de
wereldheerschappij te heroveren, verslagen werd. Welk een bitterheid,
welk een altijd open en bloedende wonde was het voor haar, toen zij
zien moest, hoe haar zuster zich van de heftigste schokken herstelde,
haar verblindende pracht terugkreeg en door haar kracht, haar gratie
en haar geest over de aarde regeerde! Nooit zou zij het vergeven,
welke houding de benijde en vervloekte zuster ook tegen haar aannemen
zou! Dat was de onheelbare wonde in haar borst; het leven der eene
wordt door dat van de andere vergiftigd, de haat van het oude bloed
tegen het jonge zou eerst uitsterven met den dood. Misschien zou de
oudere zuster zelfs op den dag, dat vrede tusschen haar bestaan zou,
tegenover den triomf van de jongste in het diepst van haar hart het
oneindige verdriet bewaren de oudste en de vazalle te zijn.
"Maar toch kunt u op mij rekenen," ging Pierre hartelijk voort. "Deze
verwoede strijd tusschen de beide volkeren is inderdaad een groot
gevaar. Maar ik zal aan u slechts zeggen, wat ik meen, dat de waarheid
is. Ik ben niet in staat iets anders te zeggen. En ik ben bang, dat u
die waarheid niet prettig zult vinden, dat u er noch door temperament
noch door gewoonte op voorbereid zijt. De dichters van alle naties, die
hierheen kwamen en met de traditioneele geestdrift van hun klassieke
opvoeding over Rome spraken, hebben u met zulke loftuitingen bedwelmd,
dat het mij voorkomt, dat u de echte waarheid over uw hedendaagsch
Rome niet gaarne hooren zult. Alle mooie woorden beteekenen niets, men
moet tot de werkelijkheid der dingen komen, en juist die werkelijkheid
weigert gij onder de oogen te zien, verliefd als gij zijt op het mooie
en lichtgeraakt als vrouwen, die zich bewust zijn niet mooi meer te
wezen en wanhopig worden bij de minste opmerking over haar rimpels."
Orlando begon kinderlijk te lachen.
"Zeker, je moet de dingen altijd wat mooier maken! Waarom over leelijke
gezichten praten? Wij houden in den schouwburg alleen van mooie muziek,
mooie dansen, mooie stukken, waar we plezier in hebben. De rest,
alles wat niet mooi is, moet verborgen blijven!"
"Maar," ging de priester voort, "ik beken gaarne de kapitale fout
in mijn boek. Het Italiaansche Rome, dat ik over het hoofd zag,
om het op te offeren aan het pauselijke Rome, van welks herleving
ik droomde, bestaat, en wel zóó machtig reeds, dat zonder eenigen
twijfel het andere mettertijd verdwijnen zal. Zooals ik reeds gezegd
heb, de paus moge zich zoo koppig als hij wil in zijn Vaticaan,
dat meer en meer scheurt en in puin dreigt te vallen, tegen iedere
verandering verzetten--alles om hem heen deelt in de evolutie: de
zwarte kringen zijn reeds de grijze geworden, doordat zij zich met de
witte vermengd hebben. En nooit heb ik dat beter gevoeld dan op het
bal, dat prins Buongiovanni gegeven geeft ter eere van de verloving
van zijn dochter met uw achterneef. Toen heb ik gevoeld, dat ik voor
uw zaak gewonnen was."
De oogen van den ouden man schitterden.
"Zoo, was je daar ook? Nou, was het geen onvergetelijk schouwspel? Je
twijfelt nu toch zeker niet meer aan onze levenskracht, aan het volk,
dat we zijn moeten, wanneer de eerste moeilijkheden overwonnen zullen
zijn? Wat komt daarbij een kwart eeuw, een heele eeuw desnoods op
aan? Italië zal in zijn ouden roem herleven, zoodra het groote volk
van morgen uit de aarde opgeschoten zijn zal!... O zeker, ik haat dien
Sacco, omdat hij voor mij de verpersoonlijking is van de intriganten,
van de genotzoekers, wier begeerten alles hebben opgehouden, doordat
zij zich op den nog warmen buit van onze overwinning stortten, die ons
zooveel bloed en tranen gekost heeft. Maar ik herleef in mijn Attilio,
dat vleesch van mijn vleesch; hij is zoo zacht en toch zoo dapper,
hij zal de toekomst zijn, het geslacht der helden, wier komst het
land ontwikkelen en louteren zal... O, moge het groote volk van morgen
geboren worden uit hem en die Celia, de aanbiddelijke kleine prinses,
die mij onlangs met mijn nicht Melana, een verstandige vrouw in den
grond der zaak, is komen opzoeken. Als je eens gezien hadt, hoe dat
kind mij om den hals vloog, mij met de zoetste naampjes aansprak,
me zei, dat ik de peet zou zijn van haar eersten zoon, opdat hij
zou heeten als ik en een tweede maal Italië redden zou... Ja, ja,
moge om deze wieg de vrede ontstaan, moge de echtverbintenis van die
twee lieve kinderen het onverbrekelijke huwelijk zijn tusschen Rome
en de geheele natie, moge door hun liefde alles weer goed worden en
weer nieuwe schittering krijgen!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen. Diep getroffen door deze
vaderlandsliefde, die als een onuitbluschbare vlam in dezen
verpletterden held brandde, wilde Pierre hem moed inspreken.
"Dat is de wensch, dien ik zelf ook op hun verlovingsfeest uitgesproken
heb tegenover uw zoon, aan wien ik toen ongeveer hetzelfde gezegd
heb. Ja, moge hun huwlijk eeuwig en vruchtbaar blijven, moge uit hen
het groote land, dat ik u met geheel mijn ziel toewensch te zijn,
sedert ik u heb leeren kennen, geboren worden!"
"Heb je dat gezegd?" riep Orlando uit; "heb je dat gezegd? Dan vergeef
ik je je boek, want nu heb je eindelijk begrepen. En het nieuwe Rome,
daar ligt het! Het Rome, dat ons toebehoort, dat wij zijn roemrijk
verleden waardig, voor de derde maal tot koningin der wereld maken
willen!"
En met een van zijn breede gebaren, waarin hij alles, wat er nog aan
leven in hem over was, legde, wees hij door het lichte, gordijnlooze
raam naar het panorama, dat zich voor hem ontrolde--naar Rome,
dat zich in de verte van het eene einde van den horizont naar het
andere uitstrekte. Onder den leikleurigen hemel, in dezen zoo weinig
voorkomenden winterrouw nam de stad een soort hoogere majesteit aan,
de melancholieke grootheid van een koninginnestad, die, thans nog
vervallen, zwijgend en onbeweeglijk in de droeve lucht wacht op haar
glorierijk ontwaken, op haar eindelijk door allen erkend koningschap,
dat men haar opnieuw beloofd heeft. Van de nieuwe wijken op den
Viminalis tot de verre boomen van den Janiculus, van de rosachtige
daken van den Capitolinus tot de groene toppen van den Pincio, lag de
deining der terrassen, der campanila's en der dommen als een breede
oceaan, welks diepe, grijze golven eindeloos heen en weer wiegden.
Maar plotseling keek Orlando, door een vaderlijke verontwaardiging
aangegrepen, om en ging tegen den jongen Angiolo Mascara te keer.
"En dat Rome wil jij, leelijke booswicht, met bommen verwoesten en
als een oud, wankel en half verrot huis met den grond gelijk maken,
om er de aarde voor altijd van te bevrijden."
Angilio had tot nog toe zwijgend naar het gesprek geluisterd. Op zijn
baardeloos, blond, mooi meisjesgezicht verried zich de minste opwinding
door een plotselingen blos; vooral zijn groote, blauwe oogen hadden
gebrand, toen hij over het volk hoorde spreken, over het nieuwe volk,
dat men scheppen moest.
"Ja," zeide hij langzaam met zijn heldere, muzikale stem; "ja, haar
met den grond gelijk maken, geen enkelen steen heel laten! Ja, maar
haar verwoesten, om haar weer op te bouwen!"
"Dus je bent nog wel zoo goed haar weer op te bouwen!" viel Orlando
hem op spottenden toon in de rede.
"Ik zou haar weer opbouwen," herhaalde het kind opstaande, met
bevende stem; "ik zou haar weer opbouwen, groot, mooi, edel! Heeft
de werelddemocratie van morgen, de eindelijk vrije menschheid niet
een éénige stad noodig, die de ark des verbonds, het centrum zelf
der wereld is? En is Rome niet de uitverkoren stad, de stad, die
door de prophetieën aangewezen is als de eeuwige, de onsterfelijke,
als degene, waarin zich het lot der volkeren voltrekken zal? Maar om
het blijvende heiligdom, de hoofdstad van de verwoeste koninkrijken
te worden, waarin zich eenmaal per jaar de wijzen van alle landen
vereenigen zullen, moet men haar eerst door het vuur reinigen en niets
van het vroegere vuil overlaten. Dan, wanneer de zon alle pestilenties
uit den ouden bodem weggezogen zal hebben, zullen wij hem tienmaal
mooier, tienmaal grooter dan zij ooit geweest is, opbouwen. En welk
een stad van waarheid en gerechtigheid zal dit sedert drie duizend
jaar voorspelde en verwachte Rome zijn--geheel van goud en van marmer,
de Campagna van de zee tot de Sabijnsche en Albaansche bergen vullend,
zóó bloeiend en zóó wijs, dat haar twintig millioen inwoners, na de
wet van den arbeid geregeld te hebben, in onvergelijkelijke vreugde
leven zullen."
Met open mond luisterde Pierre. Wat, werkte het bloed van Augustus
zelfs daar door? In de Middeleeuwen hadden de pausen geen meesters
van Rome kunnen zijn, zonder in hun oud verlangen om opnieuw over de
wereld te regeeren, den dringenden drang in zich te voelen de stad
opnieuw op te bouwen. Onlangs, toen het jonge Italië zich van Rome
meester gemaakt had, bezweek het dadelijk onder den atavistischen
waanzin der wereldheerschappij, wilde het op zijn beurt er de grootste
stad van maken, bouwde het geheele wijken voor een bevolking, die
nog niet gekomen was. En nu waren zelfs de anarchisten, ondanks
hun vernielingswoede, bezeten door denzelfden hardnekkigen, ditmaal
mateloozen droom van het ras; zij wilden een vierde, monsterachtig
groot Rome, welks voorsteden ten slotte de continenten bezetten
zouden, om hun libertaire, tot één familie vereenigde menschheid
daarin onder te brengen. Dit was het toppunt: nooit zou er een
phantastischer bewijs gegeven kunnen worden voor het trotsche
en heerschzuchtige bloed, dat de aderen van dit ras verbrand had,
sedert Augustus het de erfenis van zijn onbeperkt rijk en het woeste
instinct, om te gelooven, dat het een wettig recht op de wereld bezat,
had nagelaten. Dat kwam voort uit den bodem zelf, het was een sap,
dat al de kinderen van dezen historischen bodem bedwelmd had en hen
aandreef uit hun stad de eenige stad te maken, degene, die geheerscht
had en die, schitterend, tot aan den door de orakelen voorspelden
tijd heerschen zou. En Pierre herinnerde zich de vier voorspellende
letters, het S. P. Q. R. [30] van het oude Rome, die hij overal in
het tegenwoordige Rome teruggevonden had. Zij stonden als een aan
het lot gegeven bevel op de muren, op alle uithangborden, tot op de
vuilniskarren der gemeentereiniging, die 's morgens het vuil kwamen
ophalen. En Pierre begreep nu de wonderbaarlijke ijdelheid van deze
menschen, die door de grootschheid van hun voorvaderen vervolgd en
door het verleden van hun Rome gehypnotiseerd werden, de ijdelheid,
waarvan zij beweerden, dat het alles in zich sluit, dat zij zelf er
niet in slagen het te kennen, dat het de sphinx is, die eenmaal de
verklaring van het wereldraadsel geven moet. Het is zoo groot en edel,
dat alles er groot en edel wordt, dat zij ertoe komen voor hun stad
den afgodischen eerbied der geheele aarde te eischen.
"Maar ik ken jouw vierde Rome," begon Orlando, weer vroolijk wordend,
opnieuw. "Het is het Rome van het volk, de hoofdstad der universeele
Republiek, waarvan Mazzini reeds gedroomd heeft. Weliswaar voegde
deze den paus er aan toe... Zie je, mijn jongen, wanneer wij, oude
republikeinen, ons gerallieerd hebben, dan hebben wij dat gedaan, omdat
we bang waren, het land, in geval van revolutie, in handen te zien
vallen van de gevaarlijke gekken, die jou het hoofd op hol gebracht
hebben. Waarachtig, wij hebben ons bij de monarchie neergelegd,
die niet zoo heel veel verschilt van een goede, parlementaire
Republiek... Nu, tot ziens, wees verstandig en bedenk dat het de
dood van je arme moeder zijn zou, wanneer jou iets overkwam... Kom,
laat ik je maar een zoen geven!"
Angiolo bloosde onder den liefdevollen kus van den held als een jong
meisje. Dan ging hij, na den priester beleefd met een hoofdknikje
gegroet te hebben, met zijn zacht dwepersgezicht weg.
Er volgde een stilzwijgen. Toen de blikken van den ouden Orlando op
de couranten vielen, begon hij echter weer over het vreeselijke drama
in het paleis Boccanera. O, die Benedetta, die hij in de treurige
dagen, dat zij bij hem woonde, als een dochter vereerd en aangebeden
had! Welk een verpletterende daad, welk een tragisch lot, om zoo
medegesleurd te worden in den dood van den man, dien zij liefhad! En
daar de verhalen der couranten hem vreemd voorkwamen en hij gekweld en
gepijnigd werd door al het duistere, dat hij erin voelde, wilde hij
juist een paar bijzonderheden vragen, toen zijn zoon Prada met een
door onrust vertrokken gelaat en buiten adem van het hard naar boven
loopen, binnenkwam. Hij had zijn aannemers met ongeduldige ruwheid
afgescheept, zonder rekening te houden met zijn ernstigen toestand,
zijn gevaar loopend vermogen; hij werd door een zoo groot verlangen,
om boven bij zijn vader te zijn, gemarteld, dat hij bijna niet eens
naar hen luisterde, onverschillig ervoor of zijn huis boven hem zou
instorten of niet. Toen hij bij den ouden man was, gold zijn eerste
blik het gezicht van zijn vader, om zich te overtuigen, of de priester
hem niet door een onvoorzichtig woord doodelijk getroffen had.
Hij begon te beven, toen hij zag, hoe de oude man door de
verschrikkelijke gebeurtenis, waarover hij sprak, tot tranen toe
bewogen was. Een oogenblik dacht hij, dat hij te laat kwam, dat het
ongeluk reeds geschied is.
"Mijn God, vader, wat hèbt u? Waarom huilt u?"
Hij had zich aan zijn voeten geworpen, nam zijn handen in de zijne,
keek hem in een zóó hartstochtelijke vereering aan, dat hij zijn
hartebloed scheen te willen geven, om hem het minste verdriet te
besparen.
"Ach, het is de dood van die arme Benedetta," antwoordde Orlando
droevig. "Ik zeide juist aan mijnheer Froment, hoe diep bedroefd
ik erover ben en dat het heele geval mij zoo duister scheen... De
couranten spreken van een plotselingen dood en dat is altijd zoo
iets vreemds."
Doodsbleek was Prada opgestaan. De priester had niet gesproken. Maar
welk een vreeselijk oogenblik. Als hij antwoordde, als hij sprak!
"Je was erbij, niet waar?" vroeg de grijsaard weer. "Je hebt alles
medegemaakt?... Vertel me toch eens hoe alles in zijn werk is gegaan."
Prada keek Pierre aan. Hun blikken boorden zich als het ware in
elkaar. Alles speelde zich nog eenmaal tusschen hen af. Weer schreed
het noodlot voort; weer ontmoetten zij aan den voet van de Frascatische
heuvelen Santobono met zijn mandje; weer spraken zij op hun terugrit
door de droefgeestige Campagna over het vergif, terwijl het mandje
zacht schommelde op de knieën van den pastoor; weer waren zij in de in
de wildernis sluimerende osteria, zagen zij het plotseling gestorven
doode hennetje met het violette bloedstraaltje uit zijn snavel. Dan
kwam denzelfden avond het bal der Buongiovanni's--één geur van vrouwen,
één triomf der liefde. Ten slotte stond voor het zich zwart tegen de
zilveren maan afteekenende paleis Boccanera de man, die zijn sigaar
aanstak, en langzaam, zonder om te kijken, zich verwijderde en het
noodlot zijn doodswerk verrichten liet. Deze geschiedenis kenden
zij beiden, doorleefden zij nogmaals, zij behoefden die niet luid te
herhalen, om zeker te zijn, dat zij elkander tot in het diepst van
hun ziel lazen.
Pierre had den ouden man niet dadelijk geantwoord.
"O, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd, verschrikkelijke dingen,"
zeide hij eindelijk.
"Dat had ik wel gedacht," antwoordde Orlando. "Ge kunt vrijuit
spreken... Mijn zoon heeft tegenover den dood alles vergeven."
Weer zocht Prada's blik dien van Pierre en bleef zoo vurig smeekend
daarin rusten, dat de priester er diep door ontroerd werd. Hij
herinnerde zich den tweestrijd van dien man op het bal, de wreede
jaloersche martelingen, die hij ondergaan had, alvorens hij aan het
noodlot zijn wraak overliet. En hij stelde zich voor wat daarna,
na de vreeselijke ontknooping, in hem moest zijn omgegaan: eerst de
verbijstering over de ruwe snelheid, waarmede het wreede noodlot zijn
werk gedaan had, over de wraak, die gruwlijker uitgevallen was dan
hij gewild had; dan de ijzige kalmte van den koelbloedigen speler,
die de gebeurtenissen afwacht, de couranten leest en geen andere
wroeging kent dan de veldheer, wien de overwinning te veel manschappen
gekost heeft. Onmiddellijk had hij begrepen, dat de kardinaal ter
wille van de eer der Kerk de zaak zou begraven. Slechts één ding
drukte misschien nog zwaar op zijn hart--misschien het verlangen naar
die zoo vurig begeerde vrouw, die hij niet gehad had, die hij nooit
hebben zou--misschien ook een vreeselijke jaloezie, die hij zichzelf
niet bekende en waaronder hij altijd lijden zou, de jaloezie, nu hij
wist, dat zij, in het graf, voor eeuwig in de armen van een ander
lag. En nu rees uit deze laatste krachtsinspanning, om zijn kalmte
te bewaren, uit dat koelbloedige, wroeginglooze wachten de straf op,
de vrees, dat het met de vergiftigde vijgen voortschrijdende noodlot
nog op zijn tocht zou stilstaan en thans zijn vader treffen. Nog een
bliksemstraal, nog een slachtoffer, en nu het meest onverwachte,
het meest aangebedene. Zijn laatste weerstandsvermogen was in één
minuut ingestort; hulpeloozer en banger dan een kind stond hij daar
tegenover het afschuwlijke noodlot.
"Maar," begon Pierre langzaam, alsof hij naar zijn woorden zocht;
"de couranten hebben u zeker toch verteld, dat de prins het eerst
bezweken en dat de contessina, toen zij hem voor het laatst omhelsde,
van smart gestorven is. En wat de oorzaak van den dood betreft, lieve
hemel, u weet even goed als ik, dat de doktoren zelf zich daarover
niet met beslistheid durven uitspreken..."
Hij hield op: hij hoorde plotseling de stem van de stervende Benedetta
hem het vreeselijke bevel geven: "U, die zijn vader zien zult, u
draag ik op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. Ik wil,
dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en de
gerechtigheid." Groote God, moest hij gehoorzamen? Was dit een van de
heilige bevelen, die men uitvoeren moet, ook al moesten daardoor tranen
en bloed bij stroomen vloeien? Gedurende enkele seconden woedde een
allerpijnlijkste tweestrijd in hem, verscheurd als hij werd tusschen
deze door de doode ingeroepen waarheid en gerechtigheid eener- en zijn
persoonlijk verlangen, om te vergeven, den afschuw, dien hij voor
zichzelf hebben zou, wanneer hij door zijn onverzoenlijke zending
te vervullen, dezen ouden man dooden zou, anderzijds. En zekerlijk
moest de andere, de zoon, begrijpen, dat een moeilijke strijd in hem
gevoerd werd, waarvan het lot van zijn vader afhangen zou, want zijn
blik werd nog dringender, nog smeekender.
"Eerst heeft men gedacht aan een storing in de spijsvertering," ging
Pierre voort. "Maar het werd plotseling zooveel erger, dat men bang
werd en een dokter halen liet."
O, de oogen, die oogen van Prada! Zij waren zoo wanhopig geworden, dat
de priester er alle beslissende redenen in las, die hem beletten zouden
te spreken. Neen, neen! Hij zou den onschuldigen grijsaard niet zoo
treffen, hij had niets beloofd, hij zou geloofd hebben de herinnering
van de doode met een misdaad te bezwaren, indien hij gehoorzaamd had
aan het laatste bevel, dat de haat haar had ingegeven. In die enkele
seconden van spanning had hij een geheel leven van zoo afschuwlijke
smart doorleden, dat ondanks alles reeds gerechtigheid geschied was.
"De dokter," ging Pierre voort, "heeft onmiddellijk infectiekoortsen
geconstateerd. Er was geen twijfel mogelijk... Ik ben vanochtend bij
de begrafenis geweest, het was heel mooi en indrukwekkend."
Orlando ging niet verder op de zaak in, zeide nog slechts, hoe hij den
geheelen ochtend met zijn gedachten bij de begrafenis geweest was. Toen
hij zich omkeerde en met zijn nog bevende handen de couranten op de
tafel recht legde, keek Prada, door het koude doodszweet verstard en,
om niet te vallen, zich aan den rug van een stoel vasthoudend, Pierre
nogmaals aan, maar nu met een zachteren blik vol vurige dankbaarheid.
"Ik vertrek vanavond," zeide Pierre, die uitgeput als hij was,
een einde aan het gesprek wilde maken. "Ik moet nu afscheid van u
nemen... Hebt u geen boodschap voor mij in Parijs?"
"Neen, neen, geen enkele," zeide Orlando.
Doch dan plotseling:
"Ja, toch, ik heb een boodschap... Je herinnert je zeker het boek
van mijn ouden strijdmakker Théophile Morin, een der Duizend van
Garibaldi, nog wel, het handboek voor het baccalaureaat, dat hij
wilde laten vertalen en bij ons invoeren. Tot mijn groote blijdschap
hebben ze mij beloofd, dat men het op onze scholen gebruiken wil,
als er enkele veranderingen in aangebracht worden... Luigi, geef mij
dat deel even aan, dat daar op de plank ligt."
Toen zijn zoon hem het boek gegeven had, wees hij Pierre de
aanteekeningen, die hij met potlood op den rand der bladzijden gemaakt
had en legde hem de veranderingen, die men van den schrijver eischte,
uit.
"Wees zoo vriendelijk zelf dat exemplaar aan Morin te brengen: zijn
adres staat op de binnenzijde van den band. Je zult me daardoor een
langen brief uitsparen en in tien minuten kan je het hem duidelijker
en beter uitleggen dan ik in tien bladzijden doen kan... Groet hem
hartelijk van mij en zeg hem, dat ik nog evenveel van hem houd als
vroeger, toen ik mijn beenen nog had en we beiden als duivels in den
kogelregen vochten!"
Er volgde een stilte--de pijnlijke stilte vóór het vertrek.
"Nu jongen, vaarwel! Geef me een zoen voor hem en voor jezelf; geef
me een zoen, zooals de kleine Angiolo mij zooeven een zoen gegeven
heeft... Ik ben zoo oud en zoo dicht bij den dood, dat je me zeker
wel toestaan wilt je mijn jongen te noemen en je als een grootvader,
die je den moed en den vrede en het geloof in het leven, dat alleen
helpt om te leven, toewenscht, een zoen te geven."
Pierre was zóó ontroerd, dat de tranen hem in de oogen kwamen, en
toen hij den verpletterden held op beide wangen kuste, voelde hij,
dat deze ook weende. Met een hand, die nog bijna zoo krachtig was als
een schroef, hield hij hem nog een oogenblik bij zijn ziekenstoel,
terwijl hij met de andere in een wijdsch gebaar een laatste maal naar
Rome wees, dat in zijn rouw onder den aschgrauwen hemel lag. Zijn
stem begon te beven en te fluisteren.
"En zweer mij, om Godswil, het ondanks alles lief te hebben, want onze
stad is de wieg, is de moeder! Heb haar lief, om wat zij niet meer
is, om wat zij wil zijn... Zeg niet, dat zij dood is, heb haar lief,
heb haar lief, opdat zij eeuwig bestaan blijve!"
Zonder te kunnen antwoorden, omhelsde Pierre hem nogmaals, geheel
van streek door zooveel hartstocht bij dezen grijsaard, die over zijn
stad sprak zooals men op dertigjarigen leeftijd over een aangebeden
vrouw spreekt. En hij vond hem met zijn oude-leeuwe-manen, in zijn
hardnekkigen wensch naar een spoedige herleving zóó mooi, zóó verheven,
dat nog eenmaal de andere groote grijsaard, kardinaal Boccanera,
voor hem oprees. Ook deze volhardde halsstarrig in zijn geloof, gaf
niets prijs van zijn droom, ook al liep hij gevaar daarmede door den
instortenden hemel verpletterd te worden. Zij stonden nog steeds aan
de beide uiteinden van hun stad tegenover elkaar; slechts hunne hooge
gestalten beheerschten den horizont, wachtten op de toekomst.
Toen Pierre van Prada afscheid genomen had en weer in de Via Venti
Settembre stond, haastte hij zich terug naar de Via Giulia, om zijn
koffer te pakken. Al zijn bezoeken waren achter den rug, hij behoefde
nog slechts afscheid te nemen van donna Serafina en van den kardinaal
en hen te danken voor hun hartelijke gastvrijheid. Hem alleen zouden
zij ontvangen, want, zoodra zij van de begrafenis teruggekomen waren,
hadden zij zich in hun kamers opgesloten en voor iedereen belet
gegeven. Van af het invallen van de schemering kon Pierre zich dus
alleen wanen in het groote, donkere paleis, waarin slechts Victorine
hem nog gezelschap zou houden. Toen hij den wensch te kennen gaf,
met don Vigilio te soupeeren, zeide zij hem, dat ook de abbé zich in
zijn kamer opgesloten had; en toen hij zelf aan diens kamer klopte,
om hem tenminste voor de laatste maal de hand te drukken, kreeg hij
zelfs geen antwoord. Hij vermoedde, dat de secretaris in een nieuwen
aanval van koorts en wantrouwen, hem, uit vrees zich nog aan nog
meer gevaar bloot te stellen, niet ontvangen wilde. Dus was nu alles
geregeld; zij spraken af, dat Victorine, daar de trein eerst om 10.17
vertrekken zou, hem zijn avondeten, zooals gewoonlijk om acht uur,
in zijn kamer brengen zou. Zelf bracht zij een lamp en wilde voor zijn
linnengoed zorgen. Maar hij wilde volstrekt niet, dat zij hem hielp,
en zij moest hem rustig zijn koffer laten pakken.
Hij had een klein kistje gekocht, want zijn handkoffertje was niet
voldoende, om het linnengoed en kleeren te bevatten, die hij, toen zijn
verblijf in Rome steeds langer duurde, uit Parijs had laten komen. Toch
duurde het werk niet lang: spoedig waren de kast en de laden ledig,
het kleine kistje en het handkoffertje vol en gesloten. Het was
eerst zeven uur, zoodat hij nog een uur voor het avondeten moest
wachten. Dan vielen zijn blikken, die de muren nog eens rondgingen,
om te zien of hij niets vergeten had, op de oude schilderij, het
doek van een onbekenden meester, dat hem gedurende zijn verblijf hier
zoo dikwijls ontroerd had. Toevallig viel het volle lamplicht erop;
en ook ditmaal trof het hem diep en dit des te meer, toen hij zich
in dit laatste uur verbeeldde in deze tragische vrouwefiguur, die
half naakt, in lompen bijna gekleed, op den drempel van het paleis,
waaruit men haar weggejaagd had, in haar gevouwen handen zat te weenen,
het symbool van zijn echec in Rome te zien. Was deze verworpelinge,
die daar zoo snikte, van wie men niets wist, noch hoe haar gezicht er
uitzag, noch vanwaar zij kwam, noch wat zij gedaan had, niet het beeld
van alle nuttelooze pogingen, om de deur der waarheid te forceeren,
van de vreeselijke hulpeloosheid, waarin de mensch vervalt, zoodra
hij zich stoot tegen den muur, die het onbekende afsluit. Lang keek
hij haar aan en opnieuw greep de smart hem aan, dat hij weg moest
gaan, zonder haar door haar lokken overstroomd gezicht te kennen,
dat--hij voelde het--schitterend van jeugd en verrukkelijk in haar
geheimzinnigheid zijn moest. Hij meende haar te kennen, hij stond
op het punt haar eindelijk geheel te begrijpen, toen er op de deur
geklopt werd.
Tot zijn verbazing zag hij Narcisse Habert binnenkomen, die drie dagen
geleden naar Florence vertrokken was, een van die uitstapjes, welke
de jonge gezantschapsattaché gaarne maakte. Narcisse verontschuldigde
zich dadelijk voor zijn onverwacht bezoek.
"Daar staat uw bagage, zie ik. Ja, ik weet, dat u vanavond vertrekt,
en ik wilde u niet uit Rome laten gaan, zonder u nog eenmaal de hand te
drukken... Wat een verschrikkelijke dingen zijn er gebeurd, sedert we
elkaar het laatst gesproken hebben. Ik ben vanmiddag pas teruggekomen,
zoodat ik niet bij de begrafenis kon zijn. Maar u begrijpt, hoe ik
schrok, toen ik die twee verschrikkelijke sterfgevallen hoorde."
Hij vroeg hem uit, want als een, die het donkere, legendarische
Rome kende, vermoedde hij het een of ander duister drama. Maar hij
drong niet al te zeer aan, want in den grond der zaak was hij veel te
voorzichtig, om zich onnoodig met gevaarlijke geheimen te bezwaren. Hij
geraakte echter in groote geestdrift over hetgeen de priester vertelde
omtrent de twee gelieven, die, in den dood zoo bovenmenschelijk mooi,
in elkaars armen te ruste waren gelegd. Ja, hij maakte er zich boos
om, dat niemand er een schets van gemaakt had.
"Gij zelf hadt het moeten doen. Dat ge niet kunt teekenen, is geen
verontschuldiging. U met uw naïveteit had er misschien een meesterwerk
van gemaakt."
En dan, kalmer wordend:
"Die arme contessina, die arme prins! Maar het komt er niet op aan,
in dit land kan alles instorten, zij hebben de schoonheid bezeten,
en de schoonheid blijft onverwoestbaar!"
Pierre werd door dit woord getroffen. Zij spraken nog lang over
Italië, Rome, Napels en Florence. "O, Florence!" herhaalde Narcisse
dwepend. Hij had een sigaret aangestoken en sprak op langzamen toon,
terwijl hij zijn blikken door de kamer liet gaan.
"U hadt hier een mooie, rustige kamer. Ik was nog nooit op deze
verdieping geweest."
Zijn blikken bleven ronddwalen, tot zij vastgehouden werden door het
oude doek, dat de lamp verlichtte. Toen knipte hij verbaasd met zijn
oogen; dan stond hij plotseling op en ging ernaar toe.
"Wat is dat? Wat is dat? Dat is heel goed, dat is heel mooi!"
"Ja, vindt u niet?" vroeg Pierre. "Ik heb van die dingen weinig
verstand, maar van den eersten dag af aan heeft dit mij getroffen en
sedert heb ik er menigmaal met kloppend hart voor gestaan."
Narcisse sprak niet meer, doch bekeek het doek van nabij met de
zorgvuldigheid van een kenner, van een deskundige, wiens scherpe blik
over de echtheid beslist en de waarde vaststelt. Een buitengewone
vreugde teekende zich af op zijn blond, dwepend gezicht, terwijl zijn
handen begonnen te beven.
"Het is een Botticelli, het is een Botticelli, er valt niet aan te
twijfelen... Kijk die handen eens en die plooien in de kleeding. En
de tint van het haar, de geheele opzet, de vlucht van de geheele
compositie... Een Botticelli, lieve God, een Botticelli!"
Hij viel bijna in onmacht en zwijmelde weg in een bewondering,
die grooter werd, naarmate hij verder in het zoo eenvoudige, maar
ontroerende onderwerp doordrong. Was het niet heftig modern? De
kunstenaar had onze geheele smartelijke eeuw, onzen angst voor het
onzienlijke, onze wanhoop nooit de voor eeuwig gesloten deur van het
mysterie te kunnen forceeren, voorzien. En welk een eeuwig symbool
van de ellende der wereld was deze vrouw, wier gelaat men niet zag
en die wanhopig snikte, zonder dat men haar tranen drogen kon. Een
onbekende Botticelli, een Botticelli, die in geen enkelen catalogus
voorkwam, welk een vondst!
"Wist u, dat het een Botticelli was?" vroeg hij aan Pierre.
"Waarachtig niet! Ik heb er don Vigilio eens naar gevraagd, maar hij
scheen weinig waarde te hechten aan het doek. En Victorine, met wie
ik er ook over gesproken heb, zeide, dat al die oude prullen niets
dan stofnesten waren!"
"Wat, ze hebben in dit huis een Botticelli en zij weten het niet?" riep
Narcisse verbaasd uit. "O, hoe proef ik mijn Romeinsche prinsen daar
weer uit, die voor het meerendeel niet in staat zijn een meesterwerk
te herkennen, als er geen etiquet op geplakt is... Een Botticelli, die
ongetwijfeld een weinig geleden heeft, maar wanneer hij schoongemaakt
is, een wonder zal blijken. Ik geloof, dat ik te laag schat, als ik
zeg, dat een museum daarvoor..."
Plotseling zweeg hij; hij noemde het cijfer niet, maar voltooide
zijn zin met een vaag gebaar. De avond verstreek en toen Victorine en
Giacomo binnenkwamen, om de tafel te dekken, ging hij met zijn rug naar
den Botticelli staan en sprak er geen woord meer over. Doch Pierre,
wiens aandacht wakker geworden was, raadde wat er in hem om moest
gaan, nu hij hem daar zoo koelbloedig staan en zijn malvekleurige
oogen staalblauw worden zag. Hij wist heel goed, dat er onder dien
engelachtigen jongeling, onder dien schijn-Florentijn een handige,
in zaken zeer ervaren man stak, die zijn vermogen bewonderenswaardig
bestuurde en, naar men zeide, zelfs eenigszins gierig was. Hij moest
glimlachen, toen hij zag, hoe Narcisse voor de foei-leelijke Heilige
Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, dat
naast het meesterwerk hing, ging staan en zeide:
"Dat is heusch zoo slecht niet! Een vriend van me heeft me opgedragen
een paar oude schilderijen voor hem te koopen... Zeg Victorine,
geloof je, dat donna Serafina en de kardinaal, nu zij alleen zijn,
graag een paar van die waardelooze doeken kwijt zouden zijn?"
De huishoudster hief haar beide armen op, als om te zeggen, dat men,
wanneer het van haar afhing, alles kon meenemen.
"O, mijnheer, aan een koopman zouden ze niets geven om de praatjes,
die dan dadelijk zouden loopen; maar ik weet bijna zeker, dat zij
een vriend dat pleizier graag zouden doen. Het huishouden is duur;
een beetje geld zou zeer welkom zijn."
Vergeefs trachtte Pierre Narcisse over te halen bij hem te blijven
soupeeren. De jonge man gaf zijn woord van eer, dat hij ergens anders
verwacht werd. Hij was zelfs al te laat. En na den priester de hand
gedrukt en hem hartelijk een goede reis gewenscht te hebben, ging
hij heen.
Het sloeg acht uur. Zoodra hij alleen was, ging Pierre voor het
kleine tafeltje zitten. Victorine zond Giacomo, die het vaatwerk en
de schotels in een mand boven gebracht had, weg en bleef hem bedienen.
"Die lui hier maken met hun langzaamheid mijn bloed aan het koken,"
zeide zij. "En bovendien vond ik het heerlijk u bij uw laatsten
maaltijd te bedienen. Zooals u ziet, heb ik een Fransch dinertje voor
u laten klaar maken, een tong au gratin en een gebraden kip."
Hij werd door deze attentie zeer getroffen en was blijde deze
landgenoote tot gezelschap te hebben, terwijl hij te midden van
de groote stilte, die in het oude, donkere en verlaten paleis
heerschte, at. Het was haar nog goed aan te zien, dat zij treurde om
haar lieve contessina, hoewel de dagelijksche bezigheden, die haar
geheel in beslag namen, haar reeds iets van haar gewone opgewektheid
teruggegeven hadden. Zij praatte dan ook bijna vroolijk, terwijl zij
de verschillende schotels voor hem neerzette.
"En te denken, mijnheer de abbé, dat u overmorgen al weer in Parijs
bent. Ik voor mij heb net het gevoel, alsof ik gisteren Auneau pas
verlaten heb! Het is een heerlijk land daar--vet, geel als goud, niet
zooals die magere aarde hier, die naar zwavel ruikt! En de frissche,
mooie wilgen langs de beek! En het boschje, waarin zooveel mos is. Die
vindt je hier niet, hier hebben zij niets als blikken boomen onder
hun zon, die het gras schroeit. In den eersten tijd zou ik, ik weet
niet hoeveel gegeven hebben voor een fiksche regenbui, die al dat
vuile stof eens weggejaagd had. Nou nog krijg ik een hartklopping,
wanneer ik denk aan de heerlijke morgens bij ons, wanneer het den
vorigen dag geregend heeft en het heele land er zoo vriendelijk
en prettig uitziet, alsof het begon te lachen, na eerst gehuild te
hebben... Neen, neen, ik zal me in dat verduivelde Rome nooit thuis
voelen. Wat een menschen! Wat een land!"
"Maar wat houdt je hier nog terug, nu je jonge meesteres er niet meer
is; waarom ga je niet met mij weg?"
Verbaasd keek zij hem aan.
"Ik met u weggaan, weer terug naar Frankrijk?... Neen, mijnheer de
abbé, dat is onmogelijk. In de eerste plaats zou dat te ondankbaar
zijn, want donna Serafina is aan mij gewend, en ik zou heel slecht
handelen haar en Zijne Eminentie, nu zij verdriet hebben, te
verlaten. En bovendien, wat zou ik ergens anders moeten doen? Mijn
leven moet ik verder hier slijten."
"Dus je zal Auneau nooit terugzien?"
"Neen, nooit, dat staat vast."
"Maar vindt je het dan niet naar hier begraven te worden, te slapen
in deze aarde, die naar zwavel ruikt?"
Zij begon hartelijk te lachen.
"O, wanneer ik dood ben, is het mij onverschillig waar ik ben... Om te
slapen is het overal goed, mijnheer de abbé! Het is komiek, zooals de
menschen het zich druk maken met wat er na den dood is. Er is heelemaal
niets! De gedachte, dat het voor goed uit is en dat ik eens lekker
zal uitrusten, is juist zoo'n geruststelling voor me. De goede God
is dat ons, die zoo hard gewerkt hebben, wel verschuldigd. U weet,
dat ik niet vroom ben, heelemaal niet! Maar dat heeft mij niet belet,
om me fatsoenlijk te gedragen; zoo waar als u mij ziet, heb ik nooit
een vrijer gehad! Wanneer je zoo iets op mijn leeftijd zegt, dan klinkt
dat gek. Maar toch zeg ik het, omdat het de zuivere waarheid is."
Zij bleef lachen als een brave vrouw, die "niets van de pastoors hebben
moest" en geen zonde op haar geweten had. En weer verwonderde Pierre
zich over dezen eenvoudigen levensmoed, over dit gezonde verstand
bij deze zoo toegewijde huishoudster. Zij belichaamde voor hem het
kleine, ongeloovige volk van Frankrijk, hen, die niet meer geloofden,
die nooit meer gelooven zouden. O, zijn als zij, zijn plicht doen en
gaan slapen voor den eeuwigen slaap in de vreugde zijn deel in het
werk gedaan te hebben!
"Wil ik dan, wanneer ik ooit in Auneau kom, dat kleine boschje met
mos voor je goeden dag zeggen, Victorine?"
"Graag, mijnheer de abbé. En zeg, dat ik er nog altijd aan denk."
Toen Pierre klaar was, liet zij het overblijvende door Giacomo
weghalen. Daar het pas half negen was, ried zij den priester aan nog
rustig een uurtje in zijn kamer te blijven. Waarom zou hij te vroeg op
het station koude gaan lijden? Om half tien zou zij een rijtuig laten
komen, en zoodra het voor was, hem waarschuwen en de bagage beneden
laten halen. Hij kon dus gerust zijn; hij behoefde zich nergens mede
te bemoeien.
Toen zij weggegaan en Pierre alleen was, kreeg hij inderdaad een gevoel
van leegte. Zijn bagage, zijn kist en zijn handkoffertje, stond op
den grond in een hoek van de kamer. En hoe stom, hoe uitgestorven,
hoe vreemd kwam die kamer hem reeds voor! Hem bleef niets over dan weg
te gaan; hij was reeds weg: Rome om hem heen was niets meer dan een
beeld--het beeld, dat hij in zijn herinnering zou medenemen. Een uur
nog. Hoe eindeloos lang scheen het hem toe! Onder hem sliep het oude,
donkere en verlaten paleis in de vernietiging van zijn stilte. Hij
was gaan zitten en verzonk in een diep gepeins.
Zijn boek, Het Nieuwe Rome, rees voor hem op, zooals hij het geschreven
had, zooals hij het was komen verdedigen. Hij herinnerde zich zijn
eersten ochtend op den Janiculus, op den rand van het terras van San
Pietro in Montorio, tegenover het Rome, waarnaar hij zoo verlangd
had, dat zoo jong, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden helderen
hemel lag, als opgeheven in den frisschen ochtend. Daar had hij zich
de beslissende vraag gesteld: kan het Katholicisme zich vernieuwen,
terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom, de
godsdienst der democratie zijn, het geloof, waarop de moderne, op
haar grondvesten bevende, in doodsgevaar verkeerende wereld wachtte,
om rustig verder te kunnen leven? Zijn hart klopte van geestdrift
en hoop; nauwlijks hersteld van zijn nederlaag in Lourdes, was hij
hier gekomen, om een tweede en laatste proef te nemen, om aan Rome een
antwoord te vragen. En nu was de proef mislukt: hij kende het antwoord,
dat Rome hem door zijn ruïnen, zijn monumenten, zijn bodem, zijn volk,
zijn prelaten, zijn kardinalen, zijn paus gegeven had. Neen, het
Katholicisme kon zich niet vernieuwen; neen, het kon niet terugkeeren
tot den geest van het oorspronkelijke Christendom; neen, het kon niet
de godsdienst der democratie zijn, het nieuwe geloof, dat de oude,
ineenvallende, in doodsgevaar verkeerende maatschappij redden zou. Al
scheen het ook van democratische afkomst te zijn, het was voortaan
aan dezen Romeinschen bodem vastgenageld, koning ondanks zichzelf,
genoodzaakt krampachtig vast te houden aan de wereldlijke macht,
als het geen zelfmoord plegen wilde, gebonden door de traditie,
geketend door het dogma, ontwikkelde zich slechts schijnbaar en was
in werkelijkheid gedoemd tot zulk een onbeweeglijkheid, dat, achter de
bronzen deur van het Vaticaan, het pausdom in zijn ononderbroken droom
van de wereldheerschappij de gevangene, het spook van achttien eeuwen
atavisme was. Daar, waar zijn door de liefde voor armen en lijdenden
verwarmd priestergeloof een herleving van de Christelijke gemeenschap
was komen zoeken, daar had hij den dood gevonden, het stof van een
uitgeputte wereld, waaruit nooit meer iets anders zou kunnen opgroeien
dan dit despotische pausdom, dat meester zijn wilde der lichamen,
zooals het reeds meester was der zielen. Op zijn wanhoopskreet, die om
een nieuwen godsdienst vroeg, had Rome geantwoord met de veroordeeling
van zijn boek, als was het met ketterij bevlekt; en hij zelf had het
in de bittere smart over zijn desillusie teruggenomen. Hij had gezien,
hij had begrepen, alles was ingestort, en hij zelf, zijn ziel en zijn
rede, lag onder de puinhoopen.
Pierre kreeg het benauwd. Hij stond op en zette het op den Tiber
uitziende raam wijd open, om er een oogenblikje uit te leunen. Tegen
den avond was het weer gaan regenen, maar nu was het weer droog. Het
was zacht, klam, drukkend-loom. Aan den aschgrauwen hemel moest de
maan reeds opgegaan zijn, want men voelde haar als het ware achter
de wolken, die zij met een geel, dof, eindeloos triest schijnsel
verlichtte. Onder dit schijnsel als van een donker nachtlichtje leek
de horizont zwart en spookachtig: tegenover hem lag de Janiculus met
de op elkaar gestapelde huizen van Trastevere; links stroomde in de
richting van de onduidelijke helling van den Palatinus de Tiber;
rechts teekende de alles overheerschende ronding van den dom der
St. Pieter zich tegen den kleurloozen achtergrond af. Het Quirinaal
kon hij niet zien, maar hij wist, dat het achter hem lag en stelde
zich voor, hoe het in dezen zoo zwaarmoedigen en droomachtigen avond
met zijn eindeloozen gevel een hoek van den hemel afsloot.
Hoe ten einde loopend zag dit door het duister half verteerde Rome
eruit! Hoe verschilde het van het Rome der jeugd en der chimère,
zooals hij het den eersten dag gezien en hartstochtelijk lief gehad
had van af den top van den Janiculus, welks in donkerte badende massa
hij thans nauwlijks onderscheiden kon. Een andere herinnering kwam in
hem op: de herinnering aan de drie hoogste punten, de drie symbolische
toppen, welke van af dien dag, voor hem de samenvatting geworden waren
van Rome's eeuwenoude geschiedenis: het oude, het pauselijke en het
Italiaansche Rome. Maar al mocht ook de Palatinus dezelfde ontkroonde
berg gebleven zijn, waarop zich niets verhief dan het spook van den
voorvader, van Augustus, keizer en pontifex en wereldbeheerscher,
met geheel andere oogen zag hij St. Pieter en het Quirinaal, die
als het ware van plaats verwisseld waren. Aan het koningspaleis,
dat hij toen als een quantité négligeable beschouwde en dat hem een
platte en lage kazerne toescheen, aan den nieuwen regeeringsvorm,
die toen op hem den indruk maakte van een heiligschennende poging tot
moderniseering van een uitverkoren stad, kende hij thans, zooals hij
tegen Orlando gezegd had, de voornaamste, steeds grooter wordende
plaats toe aan den horizont, dien zij weldra in zijn geheel zouden
innemen; de St. Pieter daarentegen, de dom, die hem triomphantelijk,
hemelsblauw, als een de stad beheerschende, door niets aan het wankelen
te brengen reuzenkoning toegeschenen was, kwam hem nu gescheurd en
kleiner voor, als een van die reusachtige oudheden, welker massa's
dikwijls tengevolge van het heimelijke slijten, het niet opgemerkte
afbrokkelen der getimmerten plotseling instorten.
Een dof gemurmel rees op uit den gezwollen Tiber en Pierre rilde bij
den ijskouden ademtocht, die over zijn gezicht streek. Deze gedachte
aan de drie toppen, aan den symbolischen driehoek, wekte in hem de
herinnering aan het lange lijden van den grooten Zwijgende, van het
volk der kleinen en der armen, om wier bezit de paus en de koning zoo
lang gestreden hadden. Die strijd duurde reeds lang; van af den dag,
dat bij de verdeeling van Augustus' erfenis de keizer zich tevreden
had moeten stellen met de lichamen, en de zielen aan den paus had
moeten overlaten, die, van dat oogenblik af, geen andere begeerte
gekend had dan deze wereldlijke macht te heroveren, waarvan men God in
zijn persoon beroofde. De strijd had de middeleeuwen door grimmig en
bloedig voortgeduurd, zonder dat Kerk en Rijk het eens hadden kunnen
worden over den buit, die zij elkaar in lappen ontrukten. Eindelijk
wilde de groote Zwijgende, de kwellingen en de ellende moede, spreken,
schudde in den tijd der Hervorming het juk af en begon later in
zijn woedende uitbarsting van 1789, de koningen van hun troon te
stooten. En daarvan was, zooals Pierre in zijn boek geschreven had,
het buitengewone lot van het pausdom uitgegaan, een nieuw geluk,
dat den paus veroorloofde zijn eeuwenouden droom voort te zetten. De
paus liet de van hun troon gestooten monarchen aan hun lot over en
koos de zijde der ongelukkigen in de hoop het volk op die wijze te
veroveren en dan voor goed in zijn bezit te hebben. Was het niet
iets wonderbaarlijks dezen van zijn koningschap beroofden Leo XIII,
die zich socialist noemen liet, die de kudde der onterfden om zich
heen verzamelde, aan het hoofd van den vierden stand, aan wien de
komende eeuw zou toebehooren, tegen de koningen te zien optrekken?
De eeuwige strijd om het bezit van dit volk duurde even verbitterd
voort, en wel in Rome zelf, in de kleinst denkbare ruimte, want het
Quirinaal lag tegenover het Vaticaan, en de koning en de paus konden
van uit hun vensters elkaar zien, streden steeds aan wien het rijk
zou toebehooren; voor hun blikken lagen de roode daken der oude stad,
het geringe volk, waarom zij nog altijd twistten, zooals de valk en
de sperwer elkaar de kleine vogels uit het bosch betwisten. En hierin
lag, volgens Pierre, de oorzaak, dat het Katholicisme veroordeeld,
tot een onvermijdelijken ondergang gedoemd was, omdat zijn wezen
monarchistisch was, en wel in dien mate, dat het Apostolische en
Roomsche pausdom geen afstand van de wereldlijke macht doen kon,
wanneer het niet anders zijn en verdwijnen wilde. Vergeefs huichelde
het een terugkeer tot het volk, vergeefs deed het, alsof het geheel
ziel was--te midden van onze democratieën was geen plaats voor de
volkomen en universeele souvereiniteit, die het van God gekregen
had. Steeds weer zag hij den imperator in den pontifex te voorschijn
komen, en dat in de allereerste plaats had zijn droom gedood, zijn
boek vernietigd, de puinhoopen opgestapeld, waarvoor hij wanhopig,
krachte- en moedeloos was blijven staan.
Dit onder den aschgrauwen hemel liggende Rome, welks gebouwen hoe
langer hoe meer verdwenen, benauwde hem zoo, dat hij weer op zijn stoel
neerviel. Nooit nog had hij zoo'n diepe troosteloosheid gevoeld; het
was alsof zijn ziel stierf. Hij herinnerde zich welke beteekenis hij
aan deze reis naar Rome, aan deze nieuwe proef na zijn noodlottige
ondervindingen te Lourdes gehecht had. Hij was er niet het naïeve
geloof van het kleine kind komen vragen, maar het hoogere geloof van
den intellectueel, dat zich verheft boven riten en symbolen en werkt
voor het hoogst mogelijke geluk der menschheid. Wanneer dat instortte,
wanneer het Katholicisme niet de godsdienst, niet de zedelijke wet
van het nieuwe volk zijn kon, wanneer de paus in Rome, met Rome niet
de Vader, de ark des Verbonds, de geestelijke leider was, naar wien
alles luisterde en aan wien alles gehoorzaamde, dan beteekende dat
in zijn oogen de schipbreuk van de laatste hoop, het laatste kraken,
waarin de tegenwoordige maatschappij onderging. Al de steigers van het
Katholieke socialisme, die hem voor de versterkingen der oude Kerk
zoo gelukkig en voordeelig toeschenen, zag hij nu ter aarde liggen,
beschouwde hij thans streng als een eenvoudig overgangsmiddel, dat
misschien nog eenige jaren het wankelende gebouw zou kunnen stutten;
maar dat alles was slechts op een opzettelijk misverstand, op een
handige leugen, op politiek en diplomatie gebouwd. Neen, neen, zijn
rede kwam er tegen in verzet, dat het volk weer gewonnen en bedrogen,
gevleid en dan weer geknecht zou worden! Het geheele stelsel was
ontaard, gevaarlijk, tijdelijk, bestemd om tot de ergste catastrophes
te leiden. Het was dus het einde: niets bleef overeind staan, de
oude wereld moest verdwijnen in de vreeselijke, bloedige crisis,
welker nadering de teekenen verkondigden. Bij het zien van dezen
chaos voelde hij zijn ziel niet meer, want in deze, naar hij wist,
beslissende proef had hij zijn geloof verloren; van te voren was hij
overtuigd geweest, dat hij er versterkt of voor eeuwig verpletterd
uit te voorschijn komen zou. De bliksem was ingeslagen. Groote God,
wat moest hij nu doen?
Zijn angst snoerde zijn keel zoo toe, dat hij opstond en in de kamer op
en neer begon te loopen, om wat kalmte te vinden. Groote God, wat moest
hij beginnen, nu hij weer ten prooi was aan den vreeselijken twijfel,
aan de smartelijke negatie, nu zijn soutane nog nooit zoo zwaar op zijn
schouders gedrukt had als thans. Hij herinnerde zich den kreet, toen
hij weigerde zich te onderwerpen en aan monsignor Nani zeide, dat zijn
ziel niet berusten, dat zijn hoop op redding door liefde niet sterven
kon, dat hij antwoorden zou met een nieuw boek, dat hij aangeven
zou in welken nieuwen grond de nieuwe godsdienst groeien moest. Ja,
een vlammend boek tegen Rome, waarin hij alles zou neerschrijven,
wat hij gezien en gehoord had, een boek, waarin hij het ware Rome
schilderen zou, het Rome zonder barmhartigheid, zonder liefde, het
Rome, dat bezig was in zijn purper te sterven! Hij wilde naar Parijs
terug, uit de Kerk treden, desnoods tot een schisma overgaan.
Welnu, zijn bagage stond daar, hij ging weg, hij zou zijn boek
schrijven, zou de groote verwachte schismaticus zijn. O, kondigde niet
alles het schisma aan? Scheen het te midden van de groote beweging
der geesten, die de oude dogma's moede waren, maar toch hongerden
naar het goddelijke, niet nabij? Leo XIII besefte dat onbewust, want
zijn geheele politiek, zijn streven naar de Christelijke eenheid,
zijn liefde voor de democratie had geen ander doel dan de menschheid
om het pausdom te scharen, dat te versterken en krachtig te maken,
ten einde den paus in den komenden strijd onoverwinlijk te doen
zijn. Maar de tijden waren gekomen, het Katholicisme zou weldra aan
het einde van zijn politieke concessies zijn, niet meer in staat
nog verder toe te geven, zonder erdoor te sterven. Het was als een
oud hiëratisch beeld te Rome tot onbeweeglijkheid gedoemd, terwijl
het zich elders, in de propagandalanden, waar het in strijd was met
andere godsdiensten, ontwikkelen kon. Daarom was Rome tot ondergang
gedoemd, te meer daar de afschaffing van de wereldlijke macht, die den
geest aan het denkbeeld van een zuiver geestelijken paus gewend had,
het opstaan van een tegenpaus, terwijl de opvolger van den Heiligen
Petrus genoodzaakt zijn zou in zijn keizerlijke en Roomsche fictie
te volharden, scheen te begunstigen. Een bisschop, een priester zou
opstaan. Waar? Misschien daarginds in het vrije Amerika, onder de
priesters, waaruit de noodzakelijkheid van den strijd om het bestaan
overtuigde socialisten, vurige democraten gemaakt had, bereid met
de komende eeuw voorwaarts te schrijden. En terwijl Rome niets van
zijn verleden, van de mysteries en de dogma's zou kunnen loslaten,
zou deze priester van die dingen alles wat uit zichzelf in stof viel,
kunnen prijsgeven. Die priester, die groote hervormer, die redder
der moderne maatschappijen--welk een ontzaglijke droom! Het was de
rol van den verwachten, door de wanhopige volkeren geëischten Messias!
Een oogenblik werd Pierre erdoor bedwelmd; een storm van hoop en triomf
hief hem op en droeg hem voort. En wanneer het niet in Frankrijk, niet
in Parijs zijn kon, dan zou het verder zijn, aan de andere zijde van
den Oceaan, of nog verder, het kwam er niet op aan waar ter wereld,
als het maar een land was, vruchtbaar genoeg, dat het nieuwe zaad
in een overvloedigen oogst opwies. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe
godsdienst! Zoo had hij reeds na Lourdes uitgeroepen. Een godsdienst,
die niet vóór alles een zucht naar den dood was! Een godsdienst,
die eindelijk het Koninkrijk Gods, waarvan het Evangelie spreekt,
verwezenlijkt, die den rijkdom gelijkelijk verdeelt, die, met de wet
van den arbeid, waarheid en gerechtigheid heerschen doet.
En in de koorts van dezen nieuwen droom zag Pierre reeds de bladzijden
van zijn nieuw boek, waarin hij door de verkondiging der wet van het
verjongde en bevrijdende Christendom het oude Rome geheel vernietigen
zou, voor zich opvlammen, toen zijn blik viel op een voorwerp,
dat op een stoel was blijven liggen. Eerst vond hij het vreemd
het daar zoo te zien. Het was ook een boek, het deel van Théophile
Morin, dat de oude Orlando hem opgedragen had aan den schrijver te
overhandigen; hij werd eenigszins boos op zichzelf, toen hij het
herkende, want hij had het, zoo zeide hij tot zichzelf, zeer goed
daar kunnen vergeten. Voor hij zijn handkoffertje weer openmaakte,
om het erin te leggen, hield hij het een oogenblik in zijn hand
en bladerde het door; plotseling was hij van gedachte veranderd,
alsof er eensklaps een buitengewone gebeurtenis, een van die feiten
voorgevallen was, welke een wereld in oproer brengen. Toch was het
een zeer eenvoudig werkje, het handboek voor het baccalaureaat,
dat nauwlijks de beginselen van de wetenschappen bevatte; maar alle
wetenschappen waren erin vertegenwoordigd, zoodat het vrij nauwkeurig
den tegenwoordigen stand der menschelijke kennis resumeerde. In één
woord, het was de wetenschap, die plotseling met de onweerstaanbare
energie van een almachtige, souvereine kracht in Pierre's gepeins
binnendrong. Niet alleen het Katholicisme werd als het stof van
puinhoopen weggeveegd, maar ook alle godsdienstige begrippen, alle
hypothesen voor het goddelijke wankelden, stortten in.
Dit eenvoudige uittreksel, dit oneindig kleine schoolboekje, de
begeerte tot weten, dit zich dagelijks uitbreidende, het geheele volk
omvattende onderwijs was voldoende om de mysteries belachelijk te doen
worden, om de dogma's ineen te doen storten, om te maken, dat niets
van het oude geloof overeind staan bleef. Een volk, dat gevoed is
met wetenschap, dat niet meer gelooft aan mysteries en dogma's, niet
meer gelooft aan het compensatiestelsel van straffen en belooningen,
is een volk, welks geloof voor eeuwig dood is; en zonder geloof
kan het Katholicisme niet bestaan. Dat is de snede van het hakmes,
het mes, dat valt en doorsnijdt. Al moge er een of twee eeuwen voor
noodig zijn, de wetenschap zal ze nemen. Zij alleen is eeuwig. Het
is een absurditeit, om te zeggen, dat de rede niet in strijd is met
het geloof en dat de wetenschap de dienaresse van God is. Waar is,
dat de Heilige Schrift van af dit oogenblik ten gronde gericht is,
en dat men haar, om de brokstukken ervan te redden, heeft moeten
aanpassen aan de nieuw-verkregen zekerheden, door zijn toevlucht te
nemen tot symbolen. En welk een vreemde houding neemt de Kerk aan,
als zij ieder, die een met de Heilige Boeken in strijd zijnde waarheid
ontdekt, verbiedt zich op een besliste wijze uit te spreken, in de
verwachting, dat deze waarheid eenmaal een dwaling zal blijken te zijn!
De paus alleen is onfeilbaar, de wetenschap feilbaar; men buit haar
voortdurend tasten en zoeken tegen haar uit, men ligt op de loer,
om haar ontdekkingen van heden in tegenspraak te brengen met die van
gisteren. Wat bekommert een Katholiek zich om haar heiligschennende
beweringen, om de zekerheden, waarmede zij het geloof aantast, daar
het voor hem immers vaststaat, dat aan het einde der tijden wetenschap
en geloof zich vereenigen zullen, en wel zoo, dat de eerste in den
letterlijken zin des woords de slavin van het tweede geworden is? Was
deze vrijwillige verblinding, deze zelfs het zonlicht loochenende
houding niet iets wonderlijks? En het oneindig kleine werkje, het
handboekje der waarheid zette zijn werk voort, door ondanks alles
de dwaling te vernietigen en de toekomstige aarde op te bouwen,
zooals de oneindig kleine deeltjes, de levenskrachten langzamerhand
de continenten gebouwd hebben.
In het heldere licht, dat hem nu omgaf, voelde Pierre eindelijk vasten
grond onder zijn voeten. Is de wetenschap ooit teruggedeinsd? Neen,
het Katholicisme is onophoudelijk voor haar teruggeweken en zal
genoodzaakt zijn altijd terug te wijken. Nooit staat zij stil, zij
verovert stap voor stap de waarheid op de dwaling, en wanneer men
zegt, dat zij bankroet slaat, omdat zij de wereld niet onmiddellijk
verklaren kan, dan is dat onredelijk. Wanneer zij aan het mysterie
een steeds kleiner wordend gebied laat en ongetwijfeld ook altijd
laten zal, wanneer een hypothese altijd zal kunnen trachten van dat
mysterie een verklaring te geven, dan is het daarom niet minder waar,
dat zij ieder uur meer de oude hypothesen, de hypothesen, die door de
veroverde waarheden ineenstorten, vernietigt en vernietigen zal. En
het Katholicisme bevindt zich in dien toestand, zal dat morgen nog meer
zijn dan heden. Evenals alle andere godsdiensten, is het in den grond
der zaak niet meer dan een wereldverklaring, den hoogere sociale en
politieke codex, die bestemd is den vrede en het grootst mogelijke
geluk op aarde te doen heerschen. Deze codex, die de gezamenlijke
dingen omvat, wordt daardoor menschelijk, sterfelijk, zooals alles wat
menschelijk is. Men kan het niet afzonderlijk plaatsen door te zeggen,
dat het aan de eene zijde door zichzelf bestaat, terwijl de wetenschap
aan de andere existeert. De wetenschap is volkomen en zij heeft dat
aan het Katholicisme zeer goed te verstaan gegeven en zal het te
verstaan blijven geven door het te noodzaken de voortdurende bressen,
die zij erin slaat, te herstellen. Het is belachelijk, wanneer men ziet
hoe menschen de wetenschap een ondergeschikte rol willen aanwijzen,
haar verbieden dit of dat terrein te betreden, haar voorspellen,
dat zij niet verder komen zal, beweren, dat zij, nu reeds moede, aan
het einde dezer eeuw afstand doen zal. O, gij kleine menschen, gij
beperkte of slecht gebouwde hersenen, gij politici van uitvluchten,
gij dogmatici in uw laatste stuiptrekkingen, gij, die maar steeds uw
oude droomen verder droomen wilt, de wetenschap zal ze wegvagen en
met zich voeren als droge bladeren!
Pierre bleef in het eenvoudige boekje bladeren en luisterde naar wat
het hem vertelde van de souvereine wetenschap. Zij kan geen bankroet
slaan, omdat zij het absolute niet belooft en slechts de geleidelijke
verovering der waarheid is. Nooit heeft zij zich aangematigd in eens
de geheele waarheid te geven, daar dat systeem juist het systeem is van
de metaphysica, de openbaring en het geloof. De taak der wetenschap is
echter slechts om, hoe verder zij voortschrijdt en licht verspreidt,
de dwaling te vernietigen. En wel verre van bankroet te slaan blijft
zij in haar voortschrijden, dat door niets tegengehouden kan worden
voor evenwichtige en gezonde hersenen de eenig mogelijke waarheid. Zij,
die door haar niet bevredigd worden, die een behoefte tot onmiddellijk
en volkomen weten in zich voelen, kunnen nog altijd hun toevlucht
nemen tot de een of andere godsdienstige hypothese, onder voorwaarde
evenwel, dat zij, wanneer zij schijnbaar gelijk willen hebben, hun
hersenschimmen slechts op overwonnen zekerheden bouwen. Alles wat
gebouwd wordt op een bewezen dwaling, stort ineen.
Wanneer het religieuse gevoel bij den mensch voortleven blijft, wanneer
de behoefte aan een godsdienst eeuwig blijft, dan volgt daar niet uit,
dat het Katholicisme eeuwig is, want het is per slot van rekening niets
dan een godsdienstvorm, die niet altijd bestaan heeft, waaraan andere
godsdienstvormen vooraf gegaan zijn en die nog door andere gevolgd
zullen worden. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het godsdienstige
gevoel zal er, zelfs met behulp van de wetenschap, nieuwe scheppen.
Pierre dacht aan dat zoogenaamde echec, dat de wetenschap geleden
zou hebben tegenover de tegenwoordige herleving van het mysticisme,
waarvan hij de oorzaken in zijn boek aangewezen had: in de eerste
plaats het verval van de vrijheidsidee onder het volk, dat men bij de
laatste deeling bedrogen heeft, in de tweede plaats het onbehaaglijke
gevoel der elite, die wanhopig is over de leegte, waarin haar bevrijde
rede, haar zich uitgebreid hebbend intellect haar achterlaten. Het
is de angst voor het onbekende, die herleeft, maar het is ook na
zooveel werk, een natuurlijke en tijdelijke reactie in het eerste
oogenblik, waarin de wetenschap noch onze dorst naar gerechtigheid,
noch ons verlangen naar waarheid, noch de eeuwenoude voorstelling,
die wij ons in een voortleven en in een eeuwig genieten van het geluk
maken, bevredigt. Om het Katholicisme weer te kunnen doen herleven,
moet de sociale bodem veranderd worden, deze echter kan zich niet meer
veranderen; hij bezit niet meer het noodige sap tot hernieuwing van
een bouwvallige formule, die door de scholen en laboratoria dagelijks
meer vernietigd wordt. De bodem heeft zich veranderd, een andere eik
zal er op groeien. Laat de wetenschap dus haar godsdienst hebben,
wanneer er een uit haar moet opschieten, want deze godsdienst zal
weldra de eenige mogelijke zijn voor de democratie van morgen, voor
de zich steeds meer ontwikkelende volkeren, bij wie het Katholieke
geloof reeds nu niet meer dan asch is.
En plotseling kwam Pierre tot een conclusie, toen hij aan de
onnoozelheid der Indexcongregatie dacht. Zij had zijn boek
veroordeeld en zou zeker ook zijn nieuwe boek, waarvan hij het
plan reeds in groote trekken ontworpen had, veroordeelen, als hij
het ooit schreef. Een mooie taak voorwaar om arme boeken van een
geestdriftigen dweper te veroordeelen. En dit kleine schoolboekje,
dat hij hier in zijn hand had, den eenigen altijd gevaarlijken en
triompheerenden vijand, die zeker de Kerk omverwerpen zou, waren
zij zoo dwaas geweest niet op den Index te plaatsen! Al zag het er
in zijn armzalig schoolboekjes-uiterlijk nog zoo bescheiden uit,
het gevaar begon bij het alphabet, dat de kleine kinderen spelden,
het werd steeds grooter naarmate het leerplan zich uitbreidde, het
kwam tot uitbarsting met die resumé's der natuurkundige wetenschappen,
met de resultaten der physica en chemie, die de schepping van den God
der Heilige Schrift al zeer twijfelachtig gemaakt hebben. Maar het
ergste was, dat de reeds ontwapende Index deze bescheiden boekjes,
deze vreeselijke soldaten der waarheid, deze vernietigers van het
geloof, niet durfde onderdrukken. Welke waarde had dus al het geld,
dat Leo XIII van den verborgen schat van den Pieterspenning nam, om
het te geven aan de Katholieke scholen in de hoop daar de geloovige
generatie van morgen, die het pausdom noodig had, om te overwinnen,
te vormen? Welke waarde bezaten die kostbare giften, als zij slechts
dienden, om die oneindig kleine boekjes, die men nooit genoeg zou
kunnen zuiveren, die altijd te veel wetenschap zouden bevatten,
welke eenmaal het Vaticaan en de St. Pieter in de lucht zouden doen
vliegen, te koopen? O, wat een jammerlijke hoon was die idiote,
niets beteekenende Index?
Toen Pierre het boek van Théophile Morin in zijn handkoffertje
geborgen had, ging hij weer voor het raam staan en had daar een vreemd
visioen. In den zoo zachten en triesten nacht hadden zich onder den
bewolkten, door de roestkleurige maan geelgekleurden hemel zwevende
nevels verheven, die de daken gedeeltelijk achter hun slepende,
op lijkwaden gelijkende flarden bedekten. Geheele gebouwen waren
van den horizont verdwenen. En hij stelde zich voor, dat de tijden
in vervulling waren gegaan, dat de waarheid den dom der St. Pieter
in de lucht had doen vliegen. Na honderd of duizend jaren zou hij
daar ongetwijfeld ingestort met den grond gelijk liggen. Reeds had
hij op den opwindenden dag, dat hij er een uur in doorgebracht had,
gevoeld, dat hij onder hem wankelde en scheurde: met wanhoop in zijn
hart had hij toen uit de hoogte naar het in zijn heerschersdroom
volhardende, pauselijke Rome gekeken, en toen voorzien, dat deze
tempel van den Katholieken God zou instorten, zooals de tempel
van Juppiter Capitolinus ingestort was. En nu was het uit: de dom
had den bodem met zijn puin bezaaid en niets was er meer van over
dan een stuk van de apsis met vijf zuilen van het middenschip,
die ieder nog een gedeelte van de bovenste muurlijst droegen. Met
name echter stonden nog de vier zuilen van het kruis, die den dom
gedragen hadden, de cyclopische zuilen, die zich eenzaam en trotsch
tusschen het puin eromheen verhieven. Dichte nevels zweefden aan;
nog duizend jaren zouden verloopen en dan was er niets meer over. Nu
waren ook de apsis, de laatste zuilen, ook de kruiszuilen met den
grond gelijk gemaakt. De wind had hun stof weggevoerd, men zou den
bodem hebben moeten uitgraven, om tusschen distels en doornen enkele
brokstukken van gebroken beelden, van marmeren platen met opschriften
te vinden, over de beteekenis waarvan de geleerden het niet eens konden
worden. Evenals vroeger op den Capitolinus tusschen het begraven puin
van den tempel van Juppiter, klauterden geiten in de eenzaamheid,
in de diepe, slechts door het zoemen der vliegen gestoorde stilte
van drukkende zomermiddagen en voedden zich met struiken.
Toen eerst voelde Pierre hoe alles in hem ingestort was. Het was
geheel uit, de wetenschap was overwinnares, er bleef niets van de
oude wereld over. Waartoe diende het eigenlijk nog de schismaticus,
de verwachte hervormer te zijn? Stond het eigenlijk niet gelijk met
het opbouwen van een nieuwen droom? Slechts de eeuwige strijd der
wetenschap tegen het onbekende, haar onderzoek, dat in de menschen
de dorst naar het goddelijke steeds minder maakte, scheen hem nu van
belang toe en maakte hem nieuwsgierig of zij eens zoo triompheeren zou,
of zij eenmaal de menschheid door de bevrediging van al haar behoeften,
voldoening schenken zou. In het bankroet van zijn apostelgeestdrift
werd hij tegenover de ruïnen, die zijn geheele wezen, zijn dood geloof,
zijn doode hoop, om het oude Katholicisme voor de sociale en moreele
redding te gebruiken, bedekten, nog slechts staande gehouden door zijn
rede. Een oogenblik had zij gewankeld. Dat hij zijn boek gedroomd, dat
hij deze tweede en verschrikkelijke crisis doorgemaakt had, was een
gevolg hiervan, dat zijn gevoel opnieuw de overwinning op zijn rede
behaald had. Bij het zien van het lijden der ongelukkigen, in zijn
onweerstaanbare begeerte om die te verlichten, ten einde daardoor de
naderende bloedbaden te voorkomen, was zijn moeder in hem beginnen
te weenen, en zijn behoefte aan naastenliefde had de bezwaren van
zijn verstand het zwijgen opgelegd. Thans echter hoorde hij de stem
van zijn vader, de hooge rede, de grimmige rede--de rede, die een
oogenblik verduisterd kon worden, maar majestueus terugkeerde. Evenals
na Lourdes, protesteerde hij tegen de verheerlijking van het absurde
en het verval van het gezonde menschenverstand. Hij was de rede. Zij
alleen deed hem rechtop en krachtig voortschrijden te midden van de
puinhoopen van het oude geloof, zelfs te midden van de duisterheden en
misgeboorten der wetenschap. O, de rede, hij leed slechts door haar,
hij kon slechts vrede vinden door haar, hij zwoer haar, zijn eenige
meesteres, steeds meer te bevredigen, ook al zou hij zijn geluk daarom
op het spel zetten.
Wat zou hij doen? Het zou vergeefsche moeite zijn, als hij trachtte
dit thans te weten te komen. Alles was nog zwevende; hij had de
geheele wereld voor zich. Zij was nog versperd door de ruïnes van
het verleden, die echter misschien morgen reeds uit den weg zouden
zijn geruimd. Daar, in de treurige voorstad, zou hij den goeden abbé
Rose terugvinden, die hem den vorigen dag nog geschreven had toch
heel gauw terug te komen, om zijn armen te redden, lief te hebben en
te verzorgen, daar dit uit de verte zoo schitterende Rome doof was
voor barmhartigheid. En om den vreedzamen priester zou hij ook den
voortdurend wassenden vloed der ongelukkigen terugvinden--de uit
het nest gevallen, van honger bleeke, van koude bevende kleinen,
die hij opraapte--de in ontzettenden nood verkeerende huishoudens,
waar de vader drinkt, de moeder zich prostitueert, de zoons en
dochters tot ontucht en misdaad vervallen--geheele huizen, waardoor
de honger blies--de afzichtelijkste vuilheid, het schandelijkste
samenhokken--geen meubelen, geen linnengoed--een dierlijk leven,
dat bevrediging zoekt, waar het die vinden kan. Dan zouden weer de
wintervorsten komen, de rampen van het sluiten der werkplaatsen,
de tering, die als een rukwind de zwakken wegrukte, terwijl de
sterken wraakgierig hun vuisten balden. Dan zou hij misschien op een
avond een kamer binnentreden, waarin een moeder zich met haar vijf
kleinen, haar jongst-geborene nog aan haar leege borst, de anderen
verspreid over den kalen vloer, gedood zou hebben. Neen, neen, deze
zwarte, tot zelfmoord leidende ellende te midden van het groote,
met rijkdommen opgepropte, van genot dronken Parijs, dat voor zijn
pleizier millioenen op straat wierp, was niet meer mogelijk. Het
sociale gebouw was in zijn grondvesten verrot, alles stortte neer in
modder en bloed. Nooit had hij zoozeer de belachelijke nutteloosheid
van de barmhartigheid gevoeld. En plotseling werd hij zich bewust,
dat het verwachte woord, het woord, dat eindelijk uit den mond van den
grooten, eeuwenouden Zwijgende, van het verpletterde en geknevelde
volk, opsteeg, het woord "Gerechtigheid" was. Ja, gerechtigheid,
geen barmhartigheid. De barmhartigheid had slechts de ellende tot in
het oneindige doen voortduren, de gerechtigheid zou deze misschien
genezen. Naar gerechtigheid hongerden de ongelukkigen, een daad van
gerechtigheid kon alleen de oude wereld wegvagen, om de nieuwe te
kunnen opbouwen.
De groote Zwijgende zou noch aan het Vaticaan, noch aan het Quirinaal,
noch aan den paus noch aan den koning toebehooren; in zijn langen,
nu eens geheimen, dan weer open strijd door alle tijden heen had het
slechts gegromd en zich tusschen den paus en den keizer, die het ieder
voor zichzelf wilden, slechts verzet, om weer tot zichzelf te komen,
om op den dag, dat het "gerechtigheid" schreeuwen zou, te kennen te
geven, dat het aan niemand toebehooren wilde. Zou morgen misschien
reeds die dag van gerechtigheid en waarheid aanbreken? In zijn angst,
zwevende tusschen zijn behoefte aan het goddelijke, dat de menschen
kwelt, en de opperheerschappij der rede, die hem helpt staande te
blijven, was Pierre slechts van één ding zeker: hij wilde zijn eed
houden, als priester zonder geloof over het geloof van anderen waken,
kuisch en eerlijk zijn taak vervullen, vol trotsche droefheid, dat hij
geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan
had van zijn liefdeszinnelijkheid en van zijn droom de redder der
menschheid te worden. En weer, evenals na Lourdes, wilde hij wachten.
Maar bij dit raam, tegenover dat in donkerte gedompelde Rome, waren
zijn overpeinzingen zóó diep geworden, dat hij niet eens hoorde hoe
een stem hem riep. Eerst toen een hand op zijn schouder gelegd werd,
verstond hij:
"Mijnheer de abbé! Mijnheer de abbé..."
En toen hij zich eindelijk omkeerde, zeide Victorine tegen hem:
"Het is half tien, mijnheer de abbé. Het rijtuig staat voor. Giacomo
heeft de bagage al beneden gebracht... U moet gaan, mijnheer de abbé!"
En toen zij zag, hoe hij nog verschrikt met zijn oogen knipte,
glimlachte zij.
"Neemt u afscheid van Rome? Een leelijke lucht, niet?"
"Ja, heel leelijk," zeide hij eenvoudig.
Toen gingen zij naar beneden. Hij gaf haar een biljet van honderd
francs, om met het personeel te deelen. Zij nam de lamp en lichtte
hem voor, omdat het, zooals zij zeide, dien avond zoo pikdonker in
het paleis was.
O, dit vertrek, deze laatste gang door het zwarte en ledige
paleis! Hoe werd Pierre erdoor van streek gebracht! Hij had een
laatsten afscheidsblik door zijn kamer geworpen, den afscheidsblik,
die hem steeds met wanhoop vervulde en een stuk van zijn ziel wegrukte,
zelfs wanneer hij een vertrek verliet, waarin hij geleden had. Voor
de kamer van don Vigilio, waaruit slechts een huiverende stilte kwam,
stelde hij zich voor hoe deze het hoofd in het kussen drukte, zijn
adem inhield, uit vrees, dat zijn adem nog spreken en hem de wraak van
de Jezuïeten op den hals halen zou. Maar vooral op de portalen der
tweede en eerste verdieping tegenover de gesloten deuren van donna
Serafina en van den kardinaal, doorhuiverde een rilling hem, toen
hij niets hoorde, zelfs geen zucht; het was, als liep hij langs graven.
Na hun terugkeer van de begrafenis hadden zij geen levensteeken meer
gegeven; zij hadden zich opgesloten en daarmede het geheele huis
tot onbeweeglijkheid gebracht, waarin men zelfs niet het fluisteren
van een gesprek of het schuifelend sluipen van een bediende hoorde,
Victorine liep nog steeds met de lamp in haar hand voor hem uit
en Pierre volgde haar, steeds denkende aan deze twee, die alleen
bleven in het in puin vallende paleis, de laatsten van een reeds half
ingestorte, op den drempel van een nieuwe wereld staande wereld. Dario
en Benedetta hadden alle levenshoop met zich mede genomen; nog slechts
de oude ongetrouwde vrouw en de onvruchtbare priester waren er. Een
herleving was niet meer mogelijk. O, deze eindelooze, luguber-donkere
gangen, deze koude, reusachtige trap, die in het Niet scheen af te
dalen, deze groote zalen, welker muren van armoede en verwaarloozing
scheurden! En het op een kerkhof gelijkende binnenplein met zijn gras,
zijn vochtige zuilengaanderij, waaronder de torso's van Venus en Apollo
wegrotten! En de kleine tuin, doorgeurd door de rijpe oranjeappelen,
waarin niemand meer komen zou, nu men er onder den laurierboom bij den
sarkophaag de aanbiddelijke contessina niet meer zou ontmoeten. Dat
alles ging onder in den afschuwlijken rouw, in de doodsche stilte,
waarin de twee laatste Boccanera's in hun woeste grootschheid nog
slechts behoefden te wachten, tot hun paleis, evenals hun God, op hun
hoofden zou instorten. En Pierre hoorde niets anders dan een heel
zacht geluid, het geritsel van een muis zeker of de tanden van een
knaagdier, abbé Paparelli, die ergens in de afgelegen kamer bezig was
den muur af te brokkelen, het oude huis van onderen af weg te knagen,
om de instorting te verhaasten.
Het rijtuig met zijn twee lantaarns, waarvan de twee gele stralen door
de donkerte der straat boorden, stond voor de deur. De bagage was er
reeds ingezet: het kistje naast den koetsier, het handkoffertje op
het bankje. En de priester stapte dadelijk in.
"O, u hebt tijd genoeg," zeide Victorine, die op het trottoir was
blijven staan. "U hebt alles; ik ben blij, dat u zoo op uw gemak
vertrekken kunt."
Het was een troost voor hem in deze laatste minuut deze landgenoote
bij zich te hebben, deze goede ziel, die hem bij zijn aankomst begroet
had en nu bij zijn vertrek hem uitgeleide deed.
"Ik zeg niet tot ziens, mijnheer de abbé, want ik geloof niet, dat
u zoo gauw in deze verduivelde stad terug zult komen... Vaarwel,
mijnheer de abbé!"
"Vaarwel, Victorine. En hartelijk, hartelijk dank."
Reeds reed het rijtuig in vluggen draf weg en draaide door de nauwe en
kronkelende straten, die naar den Corso Victor-Emanuele leidden. Het
regende niet, de kap was niet opgeslagen; maar hoewel de vochtige
lucht zacht was, kreeg de jonge priester het toch koud. Hij wilde
echter geen tijd verliezen door den koetsier, ditmaal een, die geen
woord zeide en slechts haast scheen te hebben om aan het station te
komen, te laten ophouden.
Toen Pierre in den Corso Victor-Emanuele kwam, vond hij dezen tot zijn
verbazing op het vroege uur al verlaten. De huizen waren gesloten,
de trottoirs leeg, de electrische lampen brandden alleen in de
melancholieke eenzaamheid. Het was inderdaad niet warm, de mist scheen
dikker te worden en de gevels nog meer te omhullen. Toen hij langs de
Cansellaria kwam, kreeg hij een gevoel alsof het strenge en reusachtige
monument achteruitweek en als in een droom verdween. Verderweg, rechts,
aan het einde van de door enkele lantaarns verlichte Via d'Aracoeli was
het Kapitool in volkomen donkerte gedompeld. Dan werd de breede Corso
smaller en reed het rijtuig tusschen de twee sombere massa's van de
donkere Il Gesù en den zwaren palazzo Altieri; en in deze nauwe gang,
waarin zelfs op mooie zonnige dagen de geheele vochtigheid der oude
tijden voelbaar was, gaf hij zich over aan een nieuw gepeins.
Plotseling ontwaakte in hem weer de gedachte, die hem reeds zoo
menigmaal verontrust had, dat de van Azië uitgegane menschheid steeds
weer in de richting der zon voortgeschreden was. Een Oostenwind had
steeds gewaaid en het menschelijk zaad voor de toekomende oogsten
naar het Westen medegevoerd. En sedert lang hadden verwoesting en
dood de wieg getroffen, alsof de volkeren slechts etappegewijze
vooruit konden gaan, terwijl zij den uitgeputten bodem, de verwoeste
steden, de gedecimeerde en ontaarde bevolkingen achter zich lieten,
hoe verder zij van het Oosten naar het Westen, naar het onbekende
doel gingen. Ninive en Babylon aan de oevers van den Euphraat,
Thebe en Memphis op den oever van den Nijl, waren in puin gevallen,
van ouderdom en moeheid in een verdooving verzonken, waaruit geen
ontwaken mogelijk was. Vandaaruit had deze aftakeling de kusten van
het groote Middellandsche meer bereikt en Tyrus en Sidon onder het
stof der eeuwen begraven, om daarna het in zijn volle schittering door
ouderdomszwakte overvallen Carthago in slaap te wiegen. Deze voorwaarts
schrijdende menschheid, die door de verborgen kracht der beschavingen
zoo van het Oosten naar het Westen gedreven werd, gaf haar dagreizen
aan door bouwvallen. Welk een vreeselijke onvruchtbaarheid bezit
thans die wieg der geschiedenis, dit Azië, dit Egypte, die, tot het
stamelen van het kind teruggekeerd, onbeweeglijk, in onwetendheid en
verval neerliggen op de puinhoopen der oude hoofdsteden, die vroeger
de wereld beheerschten!
In het voorbijrijden, midden in zijn gepeins, kreeg Pierre het gevoel,
dat de in donkerte gedompelde Palazzo di Venezia onder een aanval
uit het onzichtbare scheen in te storten. De nevel had zijn tinnen
bedekt, en de hooge, kale muren bogen onder den druk der toenemende
duisternis. Dan na het diepe gat van den Corso, die ook eenzaam in
het witachtig licht der booglampen lag, doemde rechts van hem de
palazzo Torlonia op, waarvan de eene vleugel door het houweel van
den slooper groote bressen vertoonde, terwijl links de donkere gevel
van den palazzo Colonna zijn gesloten ramen aan elkander rijde, alsof
hij, door zijn meesters verlaten en beroofd van zijn vroegere pracht,
op zijn beurt de sloopers verwachtte.
Terwijl het rijtuig langzamer de Via Nazionale op begon te
rijden, zette Pierre zijn gepeins voort. Had de verwoesting,
die de voorwaarts schrijdende volkeren steeds achter zich lieten,
ook Rome niet aangegrepen? Was ook zijn uur niet gekomen, om te
verdwijnen? Griekenland, Athene en Sparta sliepen onder hun roemrijke
herinneringen, telden in de tegenwoordige wereld niet meer mede. Het
Zuiden van het Italiaansche schiereiland was reeds door de verlamming
aangetast. Nu was, tegelijk met Napels, Rome aan de beurt. Het
lag op de grens der besmetting, op den rand van de doodsvlek, die
zich steeds verder over het oude vasteland uitbreidt, op den rand,
waar de doodsstrijd begint, waar de uitgeputte bodem geen steden
meer voeden of dragen wil, waar de menschen zelf reeds bij hun
geboorte oud schijnen te zijn. Sedert twee eeuwen takelde Rome af,
trok het zich langzamerhand uit het moderne leven terug, had het
zijn handel en industrie verloren, bezat het zelfs geen wetenschap,
kunst en letterkunde meer. En het was niet alleen de St. Pieter,
die steeds meer afbrokkelde en, zooals vroeger de tempel van Juppiter
Capitolinus, het gras met zijn puin bezaaide, maar in zijn duister,
pijnlijk gedroom stortte geheel Rome met een laatste gekraak in en
bedekte de zeven heuvelen met den chaos van zijn kerken, paleizen en
nieuwe wijken, die onder distels en doornen sliepen. Evenals Ninive
en Babylon, evenals Thebe en Memphis was Rome niet meer dan een
kale, door bouwvallen hobbelig gemaakte vlakte, te midden waarvan
men vergeefs de plaats der gebouwen trachtte te herkennen en waarin
slechts kronkelende slangen en benden ratten huisden.
Het rijtuig maakte een bocht en Pierre herkende rechts in een donker
gat de zuil van Trajanus. Maar in dit avonduur was zij geheel zwart,
als de doode stam van een reuzenboom, welks takken door zijn hoogen
ouderdom afgevallen zijn. En toen hij iets verder zijn blik omhoog
sloeg, kwam de echte boom, dien hij tegen den loodkleurigen hemel
onderscheidde--de piniepijn der villa Aldobrandini, die daar als
de gratie en de trots van Rome stond--hem voor als een vuile vlek,
als een kleine wolk van stof, die uit de volkomen ineenstorting der
stad opsteeg.
Nu, aan het einde van zijn tragischen droom, werd zijn door
broederliefde vervuld hart door schrik aangegrepen. Wanneer de door de
verouderde wereld voortschrijdende verstijving Rome voorbij zou zijn,
wanneer zij zich meester gemaakt zou hebben van Lombardije en Genua,
Turijn en Milaan zouden inslapen, zooals thans Venetië reeds slaapt,
dan zou eindelijk de beurt aan Frankrijk komen! Zij zou de Alpen
overtrekken, Marseille zou zijn havens verzand zien als die van Tyrus
en Sydon, Lyon in eenzaamheid en slaap wegzinken, Parijs eindelijk
veranderd worden in een onvruchtbaar, met distelen bezaaid veld van
steenen en Rome, Ninive en Babylon in den dood volgen, terwijl de
volkeren met de eeuwige zon hun tocht van het Oosten naar het Westen
voortzetten zouden. Een luide kreet steeg op uit de duisternis, de
doodskreet der Latijnsche rassen. De Geschiedenis, die in het bekken
der Middellandsche Zee geboren scheen te zijn, verplaatste zich en
thans werd de Atlantische Oceaan het middelpunt der wereld. Hoe hoog
stond de zon der menschheid? Bevond de menschheid, die van haar wieg,
van het Oosten uitgegaan was en van etappe tot etappe haar weg met
bouwvallen bezaaide, zich reeds op het midden van den dag, wanneer de
middagzon brandt? Dan zou dus de andere helft van den dag beginnen,
dan kwam de Nieuwe Wereld in de plaats van de Oude, dan waren de
Amerikaansche steden, waar de democratie werd voorbereid, waar de
godsdienst van morgen kiemt, de onbeperkt heerschende koninginnen der
komende eeuw. En dan kwam, aan de overzijde van den anderen Oceaan,
de wieg weer dichter naderend, het onbeweeglijke Verre Oosten, het
geheimzinnige China en Japan, het dreigende gele gevaar.
Maar hoe verder het rijtuig de Via Nazionale opklom, des te meer
voelde Pierre zijn beklemming wijken. Er woei een lichtere bries,
hoop en moed kwamen weer in zijn ziel terug. Toch maakte de Bank met
haar leelijke nieuwheid en haar nog vochtige kolossaalheid op hem den
indruk van een spook, dat in zijn lijkwade door den nacht wandelt,
terwijl boven de schemerachtige tuinen het Quirinaal niet meer was dan
een zwarte lijn tegen den nog zwarteren hemel. Maar de straat steeg
steeds hooger, en op den top van den Viminalis, op het Thermenplein,
toen Pierre langs de puinhoopen van de thermen van Diocletianus reed,
kon hij eindelijk uit volle borst adem halen. Neen, neen, de dag der
menschheid kon niet eindigen; hij was eeuwig, de etappes der beschaving
zouden elkaar zonder einde opvolgen. Wat beteekende die Oostenwind, die
de als door de kracht der zon voortgedreven volkeren naar het Westen
droeg? Wanneer het noodig was, zouden zij aan de andere zijde van de
aardbol terugkomen, zouden zij meermalen de reis om de wereld maken,
tot den dag, waarop zij zich in vrede, waarheid en gerechtigheid
blijvend zouden kunnen vestigen. Na de volgende beschaving om den
Atlantischen Oceaan, die dan het middelpunt en met groote steden
omzoomd zijn zou, zou weer een nieuwe beschaving ontstaan; haar
middelpunt zou de Stille Oceaan zijn met andere kusthoofdplaatsen,
die men nog niet voorspellen kon en wier kiemen nog aan onbekende
stranden sluimerden. Dan weer andere, nog andere, steeds andere!
En in deze laatste minuut kwam de moedgevende en reddende gedachte
in hem op, dat de groote beweging der menschheid het instinct, de
drang zelf was, dien de volkeren voelden, om terug te keeren tot de
eenheid. Uitgegaan van één enkele familie, streefden zij, hoewel zij
zich later gescheiden en in stammen verdeeld en elkaar met haat en
broedermoord vervolgd hadden, ondanks alles ernaar weer één enkele
familie te worden. De provincies vereenigden zich tot volkeren,
de volkeren vereenigden zich tot rassen, de rassen zouden zich ten
slotte tot één onsterfelijke menschheid vereenigen. Eindelijk een
menschheid zonder grenzen, zonder oorlog--een menschheid, die van den
rechtvaardigen arbeid in algeheele gemeenschap van goederen leeft! Was
dat niet de evolutie, het doel van alle werk, de oplossing der
Geschiedenis. Moge dus Italië een gezond en krachtig volk zijn, moge
eendracht tusschen Italië en Frankrijk ontstaan, moge deze broederschap
der Latijnsche rassen het begin der universeele broederschap zijn! O,
een eenig vaderland, de aarde in vrede en gelukkig! Hoeveel eeuwen
nog? Welk een droom!
In het station, te midden van het gedrang, dacht Pierre niet
meer. Hij moest zijn kaartje nemen, zijn bagage laten inschrijven. En
onmiddellijk stapte hij in zijn coupé. Overmorgen, bij het aanbreken
van den dag, zou hij weer terug zijn in Parijs.